Voorlichting en zelfmanagement
Uitgangsvraag
- Over welke onderwerpen dient de arts tenminste voorlichting te geven aan patiënt/ouders?
- Welke adviezen kunnen worden meegegeven voor zelfmanagement aan patiënt/ouders?
- Hoe kan de voorlichting verbeterd worden bij CMN met een hoog risico zodat patiënten, ouders en professionals bij veranderingen of klachten contact opnemen met het centrum met expertise en weten hoe contact te leggen?
Aanbeveling
Belang voorlichting en zelfmanagement
- Informeer de (ouders van) patiënten met CMN over de aandoening. Goede voorlichting is essentieel om patiënten/ouders actief bij de follow up te betrekken en zo vroegtijdige signalering van eventuele complicaties mogelijk te maken.
- Er wordt geadviseerd om patiënten minimaal één keer naar een centrum met expertise te verwijzen voor een eerste consult (vanaf risicoklasse II, Zie figuur 1. Indeling fenoypen CMN in risicoklassen ten behoeve van voorlichting en standaard zorg). Patiënten dienen bij voorkeur zo snel mogelijk doorverwezen te worden (binnen een maand na geboorte). Het eerste consult dient bij voorkeur voor de leeftijd van 3 maanden plaats te vinden. Dit eerste consult is niet alleen gebaseerd op een verhoogd melanoomrisico, maar op de bredere impact van CMN en de behoefte aan gespecialiseerde beoordeling en voorlichting.
Zie ook 'module Diagnostiek bij CMN, submodule Stellen van de diagnose’.
Voorlichting door de arts
- Geef aan patiënten en ouders tenminste voorlichting over de volgende onderwerpen (zie tabel 1):
1. het risico op en herkennen van complicaties (vooral bij risicoklasse 3-5)
2. zelfonderzoek van de naevus/naevi (inspectie/palpatie)
3. therapeutische opties en overwegingen
4. kenmerken en verzorging van de naevushuid
5. ondersteuning, informatie en contactmogelijkheden
- Adviezen over zelfmanagement, zoals omgaan met jeuk, oververhitting bij een grotere CMN, zonblootstelling, droogheid van naevushuid of beharing, zijn terug te vinden in tabel 2.
Voorlichting aan (ouders van) patiënten met een CMN
Laat ouders binnen twee werkdagen contact opnemen met de hoofdbehandelaar, dermatoloog, of het betrokken centrum met expertise (zie ook tabel 2) bij veranderingen van de naevus, het ontstaan van nieuwe naevi, afwijkingen in de ontwikkeling van het kind, neurologische verschijnselen (zoals hoofdpijn, wegrakingen, toegenomen slaperigheid, verandering in het bewegen of gedrag), zwelling van lymfeklieren of persisterende onverklaarde klachten. Deze tabel kan tevens meegegeven worden op papier.
Overwegingen
Kwaliteit van het bewijs
Voor deze vraag is niet systematisch naar wetenschappelijke literatuur gezocht. Binnen de GRADE-methodiek is het systematisch literatuuronderzoek gebaseerd op vergelijkend onderzoek, veelal gerandomiseerd onderzoek. Het is niet aannemelijk dat onze uitgangsvraag met dit type onderzoek beantwoord kan worden, of dat dergelijk onderzoek in dit kader is verricht.
Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion. Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van enkele losse ondersteunende artikelen.
Balans van gewenste en ongewenste effecten en professioneel perspectief
Belang voorlichting en zelfmanagement
Vanaf het moment dat een kind met een grote en/of duidelijk zichtbare congenitale naevus wordt geboren geeft dit vaak veel ongerustheid en onzekerheid bij ouders: zorgen over het cosmetische aspect, het risico op mogelijk ernstige complicaties en de onzekere impact op psychosociaal gebied zowel voor het kind als voor henzelf. Met andere woorden: hoe ziet de toekomst van het kind en het gezin eruit? Ook rijzen er vaak vragen ten aanzien van eventuele behandeling: geeft het cosmetische verbetering? Wat is de impact van operatie op het kind? Is na chirurgie het risico op melanoom verdwenen? Daarbuiten zijn er vaak nog andere vragen, zoals mag je met CMN in de zon? Hoe om te gaan bij grotere CMN met oververhitting?
In deze onzekerheid kan goede voorlichting een hele steun zijn voor patiënten en hun omgeving. Het is belangrijk dat patiënten/ouders hun vragen kunnen stellen aan de arts, en leren wat het inhoudt te leven met een CMN, wat ze zelf kunnen doen en waar ze op moeten letten, welke keuzes (therapeutisch) er zijn, waar ze betrouwbare informatie kunnen vinden, en waar ze terecht kunnen voor steun.
Voorlichting door de arts
Er zijn een aantal zaken waarover een arts volgens de werkgroep op zijn minst informatie zou moeten verstrekken bij een (nieuwe) patiënt met CMN. Deze zijn samengebracht in tabel 1, en worden in deze paragraaf verder toegelicht. Daarnaast is het belangrijk dat een arts openstaat voor andere zorgen/vragen van de ouders.
Tabel 1. Items voorlichting door de arts (Hieronder in kopjes verder gespecificeerd)
|
1. Risico op complicaties (melanoom, neurocutane melanocytose) o.b.v. figuur 3 indeling risicoklasse CMN (2013). |
|
2. Symptomen die kunnen wijzen op complicaties (focale neurologische afwijkingen, epilepsie, symptomen passend bij- of verdacht voor verhoogde intracraniële druk of ruggenmergcompressie) à spoedverwijzing. |
|
3. Instructies voor zelfonderzoek van de naevus/naevi (1x/maand, bij risicoklasse 3-5), eventueel incl. fotografie, de moedervlek bekijken en voelen in de diepte. Bij risicoklasse 1 en 2 controle zoals gebruikelijk bij klinisch benigne naevi. |
|
4. Onderscheid en diagnostiek van proliferatienodus of melanoom (zwelling of verdikking in de moedervlek). |
|
5. Therapeutische opties en overwegingen wel/niet behandelen, inclusief cosmetische redenen Er kan sprake zijn van een medische indicatie (zoals ontstaan van noduli in de naevus), maar ook van cosmetische indicaties. Zie voor een toelichting de module Laserbehandeling en module Leidraad chirurgische behandeling van CMN. |
|
6. Adviezen ten aanzien van zonexpositie. |
|
7. Adviezen ten aanzien van oververhitting. |
|
8. Informeren over: a. kwetsbare huid b. droge huid c. jeuk d. ontstekingen in de naevus |
|
9. Aandacht voor psychosociaal welbevinden kind/gezin. |
|
10. Bestaan van de patiëntenvereniging (NNN). |
|
11. Bij wie men terecht kan bij zorgen/vragen. |
|
12. Waar men betrouwbare informatie kan vinden. |
|
13. Risico-classificatie en bijpassende follow-up schema. |
NB1: Deze figuur hoort bij de module ‘voorlichting bij CMN’ van richtlijn ‘Congenitale melanocytaire naevi’. Lees altijd de overwegingen en aanbevelingen van de betreffende module voor nuances, eventuele afwijkende situaties en extra achtergrondinformatie.
NB2: Betrek de patiënt bij de besluitvorming.
1. Risico op complicaties
In de modules Risico op melanoom bij CMN, Risico op neurocutane melanocytose en Andere maligne complicaties bij CMN staat beschreven welke complicaties zich bij CMN kunnen voordoen (m.n. melanoom en neurocutane melanocytose), de geschatte hoogte van het risico hierop en prognostische factoren. In de module Wel/niet behandelen van CMN is het risico op complicaties per fenotype weergegeven. Deze informatie dient op een begrijpelijke manier overgebracht te worden aan de patiënt/ouders. Hiervoor kunnen de folders en informatie op Huidhuis.nl Moedervlek (aangeboren) - Huidhuis gebruikt worden. Hier is ook een spreekkamerprotocol opgenomen. Indien patiënten een melanoom ontwikkelen is het belangrijk om ze ook te wijzen op de patientenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN), Stichting melanoom en Vereniging Kinderkanker Nederland.
2. Symptomen die kunnen wijzen op ernstige complicaties
Het is belangrijk dat patiënten/ouders bedacht zijn op veranderingen en/of symptomen die zouden kunnen wijzen op complicaties, zowel cutaan als neurologisch.
Cutaan: Omdat we nog niet goed weten welke veranderingen bij CMN wijzen op het ontstaan van een melanoom (ABCD-criteria niet van meerwaarde bij CMN) wordt aanbevolen dat patiënten in principe bij álle veranderingen contact opnemen met de hoofdbehandelend dermatoloog (perifeer ziekenhuis of centrum met expertise), zodat deze kan beoordelen of de verandering alarmerend is of niet. Het ontstaan of groeien van een knobbel in de CMN-huid of spontaan bloeden/ulcereren is altijd reden met spoed contact op te nemen met de arts (binnen 2 dagen met de hoofdbehandelaar, meestal het centrum met expertise).
Neurologisch: De symptomen die zouden kunnen wijzen op neurologische complicaties bij CMN zijn te vinden in de module Klinisch beeld bij CMN. De arts dient de ouders/patiënt over deze symptomen voor te lichten. Bij tekenen van een verhoogde intracraniële druk , focale afwijkingen of ruggenmergcompressie dient men met spoed contact op te nemen met de hoofdbehandelaar.
- Voorbeelden van klachten die passen bij een verhoogde intracraniële druk in de schedel zijn: hoofdpijn, braken, bewustzijnsstoornissen en bij kinderen met open schedelnaden, een te snel groeiende schedelomvang.
- Voorbeelden van klachten passend bij focale neurologische afwijkingen zijn: verschillende typen epileptische aanvallen, hersenzenuwuitval, parese van een ledemaat
- Voorbeelden van klachten passend bij ruggenmergcompressie zijn: parese van een of meerdere ledematen, loopstoornissen en/of gevoelsstoornissen in de extremiteiten en problemen met mictie of defecatie.
Indien ouders een achterstand of verandering in de ontwikkeling vermoeden is het ook van belang dit te melden aan de arts.
Symptomen om op te letten zijn samengebracht in de bijlage neurologische symptomen, deze kan aan patiënten/ouders worden meegegeven.
3. Instructies voor zelfonderzoek ± fotografie
De werkgroep is van mening dat regelmatig (eenmaal per maand) zelfonderzoek (inspectie en palpatie) van de naevus/naevi door patiënten/ouders belangrijk is in de tijdige opsporing van een melanoom. De werkgroep adviseert een frequentie van één keer per maand.
Hierbij zijn zowel inspectie als palpatie van belang: kijken naar het aspect van de naevi (kleur, vorm, begrenzing etc.) en voelen of er noduli (knobbels) palpabel zijn (zie ook tabel 2 en bijlage Informatie mee te geven aan patiënten (onder het kopje bijlagen bij deze module)). Zelfonderzoek (kijken+voelen) blijft ook van belang ná verwijderen van een CMN, het is bekend dat er repigmentatie kan optreden. Indien een patiënt een naevus zelf niet kan zien is het belangrijk dat hij/zij iemand anders vraagt de naevus te beoordelen (bijvoorbeeld op de rug).
Bij het vaststellen van veranderingen in de tijd kan fotografie behulpzaam zijn. Patiënten/ouders kunnen overwegen een keer in de zoveel tijd, bijvoorbeeld een keer per jaar, de naevus/nevi fotografisch vast te leggen ter ondersteuning. Publieke AI tools (Artificiële Intelligentie) zijn (nog) niet geschikt voor het opsporen van melanoom in CMN.
4. Onderscheid en diagnostiek van proliferatienodus of melanoom (zwelling of verdikking in de moedervlek)
Bij sommige mensen ontstaat er op jonge leeftijd een verdacht plekje in of rondom een bestaande, vanaf de geboorte aanwezige moedervlek. Dit kan wijzen op drie verschillende diagnoses: ontsteking/reactieve verandering (dus toename van ontstekingscellen of toegenomen melanine pigment), een proliferatienodus (een goedaardige celgroei) of een melanoom (een kwaadaardige vorm van huidkanker).
Met name de proliferatienodus en het melanoom kunnen onder de microscoop erg op elkaar lijken. Zeker omdat het hier om een zeldzame situatie gaat, is het soms moeilijk om met zekerheid een definitieve diagnose te stellen, zelfs voor ervaren artsen die naar dit materiaal onder de microscoop kijken (pathologen).
Gelukkig zijn er tegenwoordig moleculaire testen beschikbaar die kunnen helpen om de juiste diagnose te stellen. Deze testen onderzoeken het DNA van de cellen en kunnen aanwijzingen geven of het om een goedaardige of kwaadaardige afwijking gaat. Het uitvoeren van deze testen duurt meestal tussen de 2 en 4 weken.
In sommige gevallen blijft er ook na deze aanvullende testen enige onzekerheid bestaan. Toch kan er dan vaak wel een voorkeursdiagnose worden uitgesproken, waarop verdere behandeling en controles gebaseerd worden.
Heel soms komt er uit het aanvullend onderzoek een zeldzame nevenbevinding naar voren, bijvoorbeeld een aanwijzing voor een mogelijk onderliggend erfelijk tumorsyndroom. Dit kan niet met zekerheid worden vastgesteld via het weefselonderzoek alleen. In zo’n geval wordt een patiënt altijd doorverwijzen naar een klinisch geneticus (erfelijkheidsarts) voor verder onderzoek en advies.
5. Therapeutische opties/overwegingen
De laatste jaren is de indicatie voor behandelen van meer profylactisch verwijderen naar meer cosmetisch behandelen verschoven. Standaard verwijdering van alle CMN van een bepaalde grootte wordt niet meer geadviseerd. Belangrijke overwegingen in de afweging wel of niet te behandelen zijn te vinden in de module Wel/niet behandelen van CMN.
Het is belangrijk dat patiënt en ouders betrouwbare informatie krijgen over de mogelijke behandelopties. Bij een eerste bezoek kan men aangeven dat er behandelopties zijn vanwege meer cosmetische dan wel om secundaire problemen te voorkomen zoals folliculitis/hidradenitis supparative like laesies. Het advies over de mogelijke chirurgische behandelopties is vervolgens voorbehouden aan de (plastisch) chirurg. De dermatoloog kan hier ook advies over geven. Congenitale melanocytaire naevi kunnen spontaan lichter van kleur worden gedurende de kinderjaren. Derhalve wordt bij voorkeur een expectatief beleid geadviseerd.
(Seriële) excisie al dan niet gecombineerd met tissue expanders geniet de voorkeur boven laserbehandeling van een congenitale melanocytaire naevus (zie ook module Laserbehandeling). Bij de voorlichting over ingrepen is het van belang een realistisch beeld te geven van de verwachte (cosmetische) uitkomst van de ingreep. Voor een realistisch beeld kan men foto’s laten zien van eerdere resultaten. Hiervoor kan verwezen worden naar de patiëntenvereniging NNN. De patiëntenvereniging heeft patiëntinformatie met ervaringsverhalen over wel/niet verwijderen van CMN. Uiteraard dienen ook mogelijke risico’s van de ingreep te worden besproken.
6. Adviezen ten aanzien van zonexpositie
Voor verworven naevi geldt UV-straling (ultraviolet) als een belangrijke risicoactor in de ontwikkeling en progressie tot melanoom (Shain, 2015). Of dit ook geldt voor CMN is nog niet onderzocht. De werkgroep adviseert voor de naevushuid tenminste de algemeen geldende adviezen t.a.v. zonbescherming voor de lichte huid (huidtype 1) conform de richtlijn Melanoom (2024). Of extra bescherming van de huid van de naevus nodig is, is niet bekend.
7. Adviezen ten aanzien van oververhitting
Bij grote CMN is er soms sprake van een verminderd aantal zweetklieren. Hierdoor kunnen patiënten hun lichaamswarmte niet altijd goed kwijt. Informeer ouders en patiënten hierover en zorg dat ze op warme dagen extra alert zijn, extreme inspanning vermijden en zorgen voor verkoeling (www.huidhuis.nl/sites/default/files/congenitale_nevi_en_oververhitting.pdf).
8. Informeren over kwetsbare/droge huid/jeuk/ontstekingen in de naevus
Kwetsbare/droge huid:
Patiënten/ouders dienen geïnformeerd te worden over het feit dat de naevushuid kwetsbaarder kan zijn dan normale huid. Bij frictie aan de naevushuid kan hier gemakkelijker een wond ontstaan door de verminderde trekkracht van de CMN huid. Dit is een hamartoom. Tips ten aanzien van de verzorging van de naevushuid zijn te vinden in tabel 2.
Jeuk/ontstekingen in de naevus:
CMN gaan frequent gepaard met jeuk, comedonen en ontstekingen. Deze klinische manifestaties treden op bij zowel onbehandelde CMN als bij CMN die zijn behandeld met curettage of ablatieve lasertherapie. De aanwezigheid van deze afwijkingen kan leiden tot pijnklachten en ongemak, hetgeen regelmatig resulteert in een hulpvraag van de patiënt. Hier zijn meerdere mogelijke behandelopties voor.
Tevens is er een aparte module ontwikkeld met adviezen t.a.v. jeuk (zie module Behandeling van jeuk bij CMN) en een module over ontstaan van ontstekingen in de naevus (HS /folliculitis like laesions, zie module Behandeling folliculitis/epidermale cyst-like laesies).
9. Aandacht voor psychosociaal welbevinden kind/gezin
Het is goed bij patiënten/ouders aan te kaarten dat indien zij problemen ervaren met het verwerken van de diagnose of het leven met de aandoening zij laagdrempelig terecht kunnen bij een (kinder)psycholoog of maatschappelijk werker. Dit geldt zowel voor het kind als de ouders en andere gezinsleden. Kinderen komen vaker terecht bij een kinderpsycholoog, ouders en andere gezinsleden bij een maatschappelijk werker. Ouders kunnen eventueel zelf een psycholoog regelen via de huisarts. Er kan geïnformeerd worden naar de mogelijkheden binnen het ziekenhuis en anders is het advies de huisarts hierin te betrekken.
Het is niet in te schatten of een kind of ouders later psychosociale problemen zullen krijgen door het hebben van een CMN bij het kind. Dat hangt af van diverse kind- ouder en omgevingsfactoren. Indien psychosociale problemen optreden bij kinderen wordt dit vaak gezien vanaf de leeftijd van ongeveer 6 jaar, dit heeft o.a. te maken met de ontwikkeling van het zelfbeeld en het naar school gaan. Tot en met de kleuterklas zijn kinderen nog minder bewust bezig met uiterlijke verschillen. Dit neemt vaak toe vanaf risicoklasse 3 en hangt samen met de ontwikkeling van het zelfbeeld. Zie ook: Kind 6-12 jaar | Zelfbeeld: bewuster van verschillen | Nederlands Jeugdinstituut Bij ouders kan psychosociale problematiek zich ook in de eerste levensjaren aandienen, maar natuurlijk ook later in het leven van het kind.
Koot et al. (2000) toonden al aan dat bij een populatie met giant CMN (GCMN) 30% van de kinderen sociale problemen had, dit was significant meer dan de norm. Van deze kinderen scoorde 25,9% boven de klinische drempel voor gedrags- en emotionele problemen, wat hoger is dan de verwachte 10% in de algemene populatie. Van de moeders gaf 69% aan het moeilijk te vinden dat hun kind geboren was met GCMN, en 41.4% had nog steeds moeite met acceptatie.
Ook Masnari et al. (2019) onderzochten welke factoren bijdragen aan een verminderde kwaliteit van leven. Van de ouders rapporteerde 15% klinisch relevante gedrags- en emotionele problemen bij hun kind, wat 50% hoger was dan bij de algemene bevolking. Masnari et al. (2020) concluderen in een tweede studie dat ook adolescenten en jongvolwassenen met CMN een verhoogd risico lopen op psychosociale en emotionele problemen. Eén op de drie patiënten rapporteerde significante emotionele problemen, vooral wanneer sprake was van stigmatisatie en een lage sociaaleconomische status. Dit is idem voor ouders (zie ook eerder onderzoek uit het Erasmus MC).
In de module Psychosociale begeleiding is meer over dit onderwerp te lezen en staat beschreven hoe en wanneer de inzet van psychosociale begeleiding binnen het zorgtraject aanbevolen wordt.
10. Patiëntenvereniging
De behandelend arts dient de patiënt te wijzen op het bestaan van de patiëntenvereniging. In Nederland is er een actieve patiëntenvereniging van en voor patiënten met CMN en hun directe omgeving, Nevus Netwerk Nederland (NNN), Home - Nevus Netwerk Nederland. NNN is een vrijwilligersorganisatie, met tientallen leden en gezinnen met een kind of volwassene met CMN en/of NCM en daarnaast anderszins betrokkenen.
De diverse nationale patiëntenverenigingen zijn aangesloten bij Naevus Global, de wereldwijde paraplu-organisatie voor CMN patiëntenverenigingen (www.naevusglobal.org).
Bij complicaties kunnen patiënten en hun naasten ook gewezen worden op Stichting melanoom (Stichting melanoom) en Stichting Kinderkanker (KiKa).
11. Waar kan men betrouwbare informatie vinden
Het is belangrijk dat patiënten/ouders toegang hebben tot betrouwbare informatie t.a.v. de aandoening. Op de website https://huidhuis.nl/aandoeningen/moedervlek-aangeboren/ is belangrijke en actuele informatie over deze aandoening samengebracht, op aanwijzing van de werkgroep. Ook de richtlijnen zijn hier te vinden. Artsen kunnen naar deze website verwijzen in hun voorlichting aan patiënten met CMN. De website van de patiëntvereniging is: Home - Nevus Netwerk Nederland. Op deze website wordt tevens verwezen naar www.kinderneurologie.eu/ziektebeelden/huid/reuzenmoedervlek.phpwww.kinderneurologie.eu/ziektebeelden/huid/reuzenmoedervlek.php
Patiëntenvereniging NNN ontwikkelt samen met CMN-expertisecentrum ErasmusMC een patient education plan. Deze patient education plans zullen worden toegespitst op diverse leeftijdsgroepen om daarmee verschillende doelgroepen te bereiken.
Hiermee wordt betrouwbare informatie op een centrale plek ontsloten voor patiënten, aan de hand van een patient journey (patiëntenreis). Zo kan iedere patiënt (en hun naasten) informatie opzoeken en zich voorbereiden op elk onderdeel van de behandeling en passend bij de levensfase.
Een voorbeeld van een patient journey (in het Engels) is te vinden op de website van Naevus Global (https://naevusglobal.nevusnetwerk.nl/poster-patient-journey-2020/)
12. Waar kan men terecht bij zorgen/vragen
Het is belangrijk om met de patiënt/ouders af te stemmen hoe en met wie zij contact kunnen opnemen indien er vragen zijn, met name indien er sprake is van een verandering van de naevus en/of symptomen die zouden kunnen wijzen op complicaties. Het leggen van contact dient laagdrempelig en eenvoudig te kunnen met een eerste aanspreekpunt (bijvoorbeeld een verpleegkundig specialist) die vragen kan doorzetten naar de behandelend dermatoloog. De mogelijkheid om eenvoudig foto’s toe te kunnen sturen van de veranderingen in de naevus kan hierbij helpend zijn. Bij verandering van de naevus, ontstaan van nieuwe naevi, verandering in de ontwikkeling van het kind, neurologische verschijnselen, zwelling van lymfeklieren of persisterende onverklaarde klachten dienen ouders - binnen 2 dagen - contact op te nemen met hun hoofdbehandelaar/dermatoloog/betrokken centrum met expertise (zie ook tabel 2).
13. Risico-classificatie en bijpassend follow-up schema (zie hiervoor ook de apart module Organisatie van zorg bij CMN en module Classificatie van CMN)
Wanneer een patiënt met een CMN de eerste keer wordt gezien dan wordt door het betrokken multidisciplinaire team de CMN: 1) ingedeeld volgens de Krengel classificatie (figuur 2), 2) in risicoklasse ingedeeld (figuur 3) en 3) het follow-up advies (figuur 4)
Ad 1) Classificeer de CMN bij het eerste bezoek en pas deze classificatie aan bij verandering van de naevus.
- Bepaal hierbij de ‘projected adults size’ (PAS)
- Benoem de lokalisatie
- Schat het aantal satellieten
- Beoordeel de morfologie
Zie de onderstaande tool (Krengel (2013), figuur 2). Deze staat ook in de overzichtelijke bijlage spreekkamerprotocol (zie kopje bijlagen bij deze module).
Figuur 2. Voorbeeld Krengel classificatie (2013)
NB1: Deze figuur hoort bij de module ‘voorlichting bij CMN’ van richtlijn ‘Congenitale melanocytaire naevi’. Lees altijd de overwegingen en aanbevelingen van de betreffende module voor nuances, eventuele afwijkende situaties en extra achtergrondinformatie.
NB2: Betrek de patiënt bij de besluitvorming.
Ad 2) De behandelend arts dient de patiënt uitleg te geven over de risico-classificatie, hoe dit risico ingeschat wordt en hoe de patiënt opgevolgd wordt in de toekomst.
Onderstaand wordt in een schema de indeling in risicoklassen weergegeven. Indien er bijvoorbeeld sprake is van een solitaire CMN, die kleiner is dan 10 cm PAS, lijkt het risico op een cutaan melanoom niet verhoogd (<1%). Daarnaast is het risico op neurologische complicaties (NCM, melanoom) laag en ook de chirurgische complexiteit is laag. Het advies is om dit schema te gebruiken tijdens de voorlichting van patiënten en eventueel ook aan patiënt en/of ouders mee te geven op papier (zie figuur 3).
Figuur 3. Indeling risicoklassen CMN (2013)
NB1: Deze figuur hoort bij de module ‘voorlichting bij CMN’ van richtlijn ‘Congenitale melanocytaire naevi’. Lees altijd de overwegingen en aanbevelingen van de betreffende module voor nuances, eventuele afwijkende situaties en extra achtergrondinformatie.
NB2: Betrek de patiënt bij de besluitvorming.
Ad 3) Na de indeling in risicoklassen kan ook het follow-up schema bepaald worden (zie onderstaand follow-up schema). Hierin wordt toegelicht met welke frequentie, door welke behandelaren en waar de follow up plaats dient te vinden; bij de dermatoloog in de buurt van de patiënt en/of in het centrum met expertise. Daarnaast wordt beschreven of en waar een psycholoog, huidtherapeute of andere ondersteunende specialisten (zoals neuroloog, patholoog, radioloog, oncoloog) geraadpleegd kunnen worden (zie figuur 4).
Aanpassing in follow-up schema; plastisch chirurg à ten minste eenmalig advies ook bij risicoklasse 4-5. In risicoklasse 2 zal verwijzing naar een plastisch chirurg alleen nodig zijn bij een behandelwens of concrete chirurgische vraag. Dit hoeft niet langer binnen 3 of 1 maand(en) post natum plaats te vinden.
Figuur 4. Standaard follow-up schema bij CMN (2025)
* Tenzij lastige lokalisatie/aspect, dan eventueel centrum met expertise
** Periodieke controle in principe niet altijd nodig in risicoklasse II, advies over follow-up na eenmalige beoordeling door het centrum met expertise afhankelijk van klinisch beeld. Volledige voorlichting geven zoals in de module ‘voorlichting en zelfmanagement’. Bij verandering, wanneer er mogelijk aanvullende diagnostiek gewenst is of behandelwens: controle in centrum met expertise.
***Indien een CMN zich op een lastige lokalisatie bevindt (zoals het gelaat, behaarde hoofd, genitaalstreek, etc.) schuift een patiënt een klasse omhoog qua chirurgische complexiteit
NB1: Deze figuur hoort bij de module ‘voorlichting bij CMN’ van richtlijn ‘Congenitale melanocytaire naevi’. Lees altijd de overwegingen en aanbevelingen van de betreffende module voor nuances, eventuele afwijkende situaties en extra achtergrondinformatie.
NB2: Betrek de patiënt bij de besluitvorming.
In dit schema wordt naast voor patiënten met multipele CMN tevens standaard dermatologische controle aanbevolen voor patiënten met solitaire CMN van >10cm PAS, hoewel op basis van de huidige literatuur het risico op melanoom in deze groep niet duidelijk verhoogd lijkt ten opzichte van de algehele bevolking (Scard, 2022; Kinsler, 2017). Binnen de groep met solitaire CMN kan de clinicus het van het klinisch beeld laten afhangen of reguliere follow-up nodig is, of dat goede instructie voor zelfonderzoek volstaat. De volledige voorlichting zoals in deze module besproken dient dan door de perifere dermatoloog gegeven te worden. De werkgroep heeft voor in principe periodieke follow-up gekozen om reden dat er toch een risico bestaat op melanoom in solitaire CMN, en CMN van deze groottes (>10cm PAS) door hun morfologie vaak lastiger te vervolgen zijn. Bovendien kan er op deze manier worden ingespeeld op de veelvoorkomende zorgen bij patiënten/ouders. De werkgroep geeft een leidraad (zie schema), goed gemotiveerd mag van dit schema worden afgeweken.
Voor risicoklasse I geldt dat patiënten en ouders in principe perifeer gezien kunnen worden. Voor risicoklasse II is het advies in ieder geval eenmalig overleg en/of consult in het centrum met expertise. CMN in deze risicoklasse kunnen zich toch afwijkend gedragen of mechanisch storend zijn (expert opinie). Bij verandering, wanneer er mogelijk aanvullende diagnostiek gewenst is of bij een behandelwens: controle in centrum met expertise. Het advies over follow-up na eenmalige beoordeling door het centrum met expertise is afhankelijk van het klinisch beeld. Volledige voorlichting dient gegeven te worden zoals in de module ‘voorlichting en zelfmanagment’.
Verder wordt geadviseerd kinderen met chirurgisch complexe CMN voor eenmalige voorlichting over de behandelopties te laten zien door plastisch chirurg en dermatoloog (plastisch chirurg bij risicoklasse II alleen bij een behandelwens of concrete chirurgische vraag). Dan weten ouders van de mogelijkheden, en zijn alle opties voor behandeling nog open.
Voorlichting aan (ouders van) (hoog-)risicopatiënten
In onderstaande tabel 2 zijn zelfmanagement adviezen opgesteld welke van belang zijn voor patiënten en ouders met CMN. Dit gaat onder andere over de symptomen die kunnen wijzen op complicaties, zelfinspectie, bescherming en verzorging van de huid en psychosociale problematiek. We raden aan om deze adviezen tijdens een consult met ouders te bespreken, dit vaak te herhalen en op papier mee te geven (zie bijlage Spreekkamerprotocol en bijlage Informatie mee te geven aan patiënten (onder het kopje Bijlagen bij deze module).
Omdat in de praktijk vaak wordt opgemerkt dat (ouders van) patiënten met hoog-risico CMN regelmatig contact opnemen met de arts voor minder urgente klachten, maar niet altijd bij daadwerkelijke alarmsymptomen de dermatoloog inschakelen of dat de huisarts of dermatoloog niet snel genoeg doorverwijst, is het van groot belang om hierover gerichte voorlichting te geven en hier iedere keer naar te vragen bij follow-up consulten. Voor deze specifieke patiëntengroep is het essentieel dat zij goede voorlichting en instructies krijgen voor zelfinspectie en palpatie van de huid en weten wanneer zij hun hoofdbehandelaar moeten alarmeren.
! Uiteraard hebben hoog-risico patiënten een hogere kans op het ontstaan van complicaties en hierbij is zelfinspectie en palpatie van extra belang. Alertheid is geboden en met name punt 1 en 2 zijn hierbij zeer belangrijk.
Zelfmanagement
In onderstaande tabel 2 zijn alle adviezen aan patiënten/ouders die in de dagelijkse praktijk kunnen worden toegepast samengebracht. Deze adviezen zijn van belang voor patiënten/ouders in het gevoel in het dagelijks leven de regie te kunnen voeren over de aandoening.
Tabel 2. Zelfmanagement adviezen voor patiënten/ouders
|
Onderwerp |
Advies |
|
|
1. Symptomen die kunnen wijzen op complicaties |
Alert zijn op:
|
|
|
2. Zelfinspectie naevus |
Maandelijks controleren van de naevus op veranderingen (kijken + voelen); Ook ná het verwijderen van CMN het litteken regelmatig nog controleren op terugkomen van pigment en knobbels/bobbels. |
|
|
3. Fotografie naevus |
Indien gewenst jaarlijks de naevus/naevi fotograferen (door patiënt/ouders). |
|
|
4. Kwetsbare naevushuid |
De naevushuid is kwetsbaarder en gevoeliger voor wrijving. Wondjes kunnen normaal verzorgd worden en genezen in het algemeen zoals in de normale huid. Indien wondjes niet normaal genezen is het advies om binnen 1 week contact op te nemen met de hoofdbehandelaar/expertisecentrum. |
|
|
5. Verzorgen droge naevushuid |
Bij droge naevushuid is het aan te raden niet te vaak en niet te heet te baden/douchen. Als een zeep wordt gebruikt dient dit een PH-huidneutrale of met lage pH zeep of olie te zijn. Daarnaast kan een vettende (indifferente) crème/zalf worden gesmeerd op de droge huid. |
|
|
6. Zon-bescherming |
Voor bescherming van de naevushuid tegen de zon zijn de algemeen geldende adviezen ten aanzien van zonbescherming van kracht zoals bij huidtype 1 (www.huidhuis.nl/thema/huidtypen). |
|
|
7. Jeuk |
Bij sommige patiënten jeukt de moedervlek. Dit lijkt meestal te worden veroorzaakt door een droge naevushuid. Er zijn crèmes en medicijnen die mogelijk verlichting kunnen geven, daarvoor dient eerst de hoofdbehandelaar geraadpleegd te worden. Soms kan jeuk ook een teken zijn van melanoom. Meer informatie over jeuk bij CMN is terug te vinden in de module ‘Behandeling van jeuk bij CMN’. |
|
|
8. Ontharing |
Ongewenste beharing op de naevus kan kort worden afgeknipt of worden getrimd met een tondeuse. Scheren verdient niet de voorkeur vanwege mogelijk irritatie van de al kwetsbare naevushuid. Vermijd epileren en het gebruik van ontharingscrèmes. Laserbehandeling van de haren kan worden overwogen. |
|
|
9. Camouflage |
Indien een kind zelf camouflage van een cosmetisch storende CMN wenst kan men make-up proberen (crèmes, poeders). Dit kan geen kwaad mits de naevus mild gereinigd wordt. Voor tips kan men eventueel terecht bij een huidtherapeute. Camouflage wordt afgeraden vóór de tienerleeftijd (<12 jaar), het is belangrijk dat het kind het zelf wenst. (www.huidhuis.nl/thema/de-huidtherapeut). |
|
|
10. Warmte |
Bij grote CMN is er meestal sprake van een verminderd aantal zweetklieren. Hierdoor kunnen patiënten hun lichaamswarmte niet altijd goed kwijt. Wees dan alert op warme dagen, vermijd dan extreme inspanning en zorg voor verkoeling (www.huidhuis.nl/sites/default/files/congenitale_nevi_en_oververhitting.pdf) |
|
|
11. Psychosociale problematiek |
Aandacht voor eventuele problemen in het verwerken van/omgaan met het hebben van CMN, zowel bij patiënt als omgeving (www.huidhuis.nl/thema/de-psycholoog en www.nevusnetwerk.nl/ondersteuning en advies/psychologie). Meer informatie over psychosociale begeleiding bij CMN is terug te vinden in de module ‘Psychosociale begeleiding’. |
|
Organisatie van zorg
Het is belangrijk de patiënt te informeren over de organisatie van de zorg rondom CMN. Hiervoor is een aparte module opgenomen: ‘Organisatie van zorg’. Deze module beschrijft welke zorgverleners betrokken zijn, hoe de verwijzing naar een centrum met expertise verloopt en wat patiënten kunnen verwachten tijdens de follow-up.
Waarden en voorkeuren van patiënten
Voor patiënten is het van groot belang om snel en goed geïnformeerd te worden. Een snelle doorverwijzing naar een multidisciplinair expertisecentrum is essentieel. Eventueel kan het expertisecentrum al binnen een week een digitaal consult met ouders inplannen waarin zij uitgebreide voorlichting krijgen en weten waar ze welke informatie kunnen vinden en wanneer contact op te nemen met de hoofdbehandelaar/ het expertisecentrum. In Europa moet duidelijk zijn waar deze expertisecentra zich bevinden. Er dient aandacht te zijn voor het hele gezin, inclusief ouders, broers en zussen, waarbij de informatie afgestemd moet zijn op hun leeftijd. De overgang van kind naar volwassenheid vereist ook bijzondere aandacht.
Het is belangrijk om patiënten en hun naasten te verwijzen naar toegankelijke, betrouwbare informatie (richtlijn/huidhuis.nl).
Een patient education plan is momenteel (d.d. 2025) nog in ontwikkeling, derhalve kunnen patiënten verwezen worden naar patiëntenvereniging NNN. Dermatologen van CMN-expertisecentra werken nauw samen met NNN. Gezamenlijk worden nieuwe voorlichtingsmaterialen ontwikkeld.
Daarnaast moet het bestaan van patiëntenorganisaties onder de aandacht worden gebracht. Deze organisaties kunnen de volgende ondersteuning bieden:
- Erkenning en begrip: Lotgenoten begrijpen de situatie en gevoelens vaak beter dan mensen zonder dezelfde ervaring.
- Emotionele ondersteuning: Het delen van ervaringen kan emotionele verlichting bieden en gevoelens van eenzaamheid verminderen.
- Praktische tips: Lotgenoten kunnen vanuit hun eigen ervaring veel nuttige adviezen en praktische tips delen voor het omgaan met specifieke situaties. Vraag hiernaar via de patiëntenvereniging. Er is ook een mogelijkheid voor buddy’s via de patiëntenvereniging waarbij ouders van een pasgeboren kind mede worden begeleid/gesteund door getrainde ouders met een vergelijkbare ervaring georganiseerd vanuit de patiëntenvereniging.
- Motivatie en hoop: Het zien hoe anderen met vergelijkbare problemen omgaan en vooruitgang boeken, kan inspireren en hoop geven.
- Informatie en educatie: Uitwisseling van informatie over behandelingen, coping-strategieën en andere relevante onderwerpen.
- Veilige ruimte: Een omgeving waar men zonder oordeel kan spreken en zichzelf kan zijn.
- Verbeterde zelfwaardering: Het gevoel van waarde en verbondenheid door steun te geven en te ontvangen.
- Sociale netwerken: Mogelijkheid om nieuwe vriendschappen te ontwikkelen en het sociale netwerk uit te breiden.
- Empowerment: Het gevoel van controle en kracht door gezamenlijke ervaringen en gedeelde kennis.
- Persoonlijke verhalen delen: Mogelijkheid om persoonlijke ervaringen te delen en van anderen te horen.
- Familieondersteuning: Psychologische en psychosociale ondersteuning bieden aan families door ervaringskennis en begeleiding door middel van een buddy-systeem.
- Informatieverstrekking: Aanbieden van informatie zoals boeken en brochures, of het in contact brengen met mensen voor specifieke vragen (bijvoorbeeld buddy via de patiëntenvereniging).
Aanvaardbaarheid en haalbaarheid
Het geven van goede voorlichting en adviezen over zelfmanagement wordt door de werkgroep als haalbaar en aanvaardbaar beschouwd, omdat het een vast onderdeel is van de dagelijkse klinische praktijk. De benodigde informatie is grotendeels beschikbaar via bestaande patiëntenfolders, spreekkamerprotocol en betrouwbare websites zoals Huidhuis.nl en de patiëntenvereniging NNN. Daarnaast is er laagdrempelige toegang tot aanvullende informatie en lotgenotencontact via de patiëntenvereniging, die vaak aanwezig is tijdens CMN-spreekuren in expertisecentra. Hierdoor kunnen patiënten en hun ouders op verschillende momenten en manieren ondersteund worden. Ook de frequentie van zelfonderzoek en het gebruik van foto’s zijn praktisch uitvoerbaar en goed in te passen in de follow-up. Een goede samenwerking tussen zorgverleners en duidelijke verwijzing naar centra met expertise dragen bij aan de praktische uitvoerbaarheid.
Onderbouwing
De werkgroep is van mening dat goede voorlichting van patiënten met CMN en hun omgeving van essentieel belang is gezien de impact van de aandoening. In dit hoofdstuk wordt besproken welke rol de arts heeft in de voorlichting. Er zijn geen studies voorhanden die kijken naar het effect en/of inhoud hiervan, dit hoofdstuk is gebaseerd op expert opinion van de werkgroep, met name ingegeven door ervaringen van patiënten.
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Voor deze vraag is niet naar wetenschappelijke literatuur gezocht. Binnen de GRADE-methodiek is het systematisch literatuuronderzoek gebaseerd op vergelijkend onderzoek, veelal gerandomiseerd onderzoek. Het is niet aannemelijk dat onze uitgangsvraag met dit type onderzoek beantwoord kan worden, of dat dergelijk onderzoek in dit kader is verricht.
Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion. Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van enkele losse ondersteunende artikelen.
- Kinsler VA, O'Hare P, Bulstrode N, Calonje JE, Chong WK, Hargrave D, Jacques T, Lomas D, Sebire NJ, Slater O. Melanoma in congenital melanocytic naevi. Br J Dermatol. 2017 May;176(5):1131-1143. doi: 10.1111/bjd.15301. Epub 2017 Apr 4. PMID: 28078671; PMCID: PMC5484991.
- Koot, H. M., et al. (2000). Psychosocial sequelae in 29 children with giant congenital melanocytic naevi. Clinical and Experimental Dermatology, 25(8), 589-593. https://doi.org/10.1046/j.1365-2230.2000.00712.x.
- Masnari, O., et al. (2019). Predictors of health-related quality of life and psychological adjustment in children and adolescents with congenital melanocytic nevi: Analysis of parent reports. Journal of Pediatric Psychology, 44(6), 714–725. https://doi.org/10.1093/jpepsy/jsz017.
- Masnari, O., et al. (2022). Psychosocial health and psychological adjustment in adolescents and young adults with congenital melanocytic nevi: Analysis of self-reports. Frontiers in Psychology, 13, 911830. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2022.911830.
- Nederlandse Melanoom Werkgroep (NMW), Integraal Kankercentrum Nederland (IKNL). Evidence-based richtlijn melanoom, versie 2.0. Datum goedkeuring 13.08.2012.
- Nevus Netwerk Nederland, (z.d.) website. https://nevusnetwerk.nl/.
- Scard C, Aubert H, Wargny M, Martin L, Barbarot S. Risk of melanoma in congenital melanocytic nevi of all sizes: A systematic review. J Eur Acad Dermatol Venereol. 2023 Jan;37(1):32-39. doi: 10.1111/jdv.18581. Epub 2022 Oct 5. PMID: 36149403.
- Shain AH, Yeh I, Kovalyshyn I, Sriharan A, Talevich E, Gagnon A, Dummer R, North J, Pincus L, Ruben B, Rickaby W, D'Arrigo C, Robson A, Bastian BC. The Genetic Evolution of Melanoma from Precursor Lesions. N Engl J Med. 2015 Nov 12;373(20):1926-36.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 19-05-2026
Beoordeeld op geldigheid : 19-05-2026
Algemene gegevens
Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers.
Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.
Doel en doelgroep
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Deze richtlijn is bedoeld voor medisch specialisten betrokken bij de zorg voor patiënten met congenitale melanocytaire naevi. Denk in ieder geval aan dermatologen, kinderartsen, neurologen, pathologen, plastisch chirurgen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, huidtherapeuten.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.
|
Werkgroepleden – herziening richtlijn CMN 2025 |
Vereniging |
|
S. G. M. A. Pasmans |
NVDV |
|
M.P. Dierselhuis |
NVK |
|
K. Boshuisen |
NVKN |
|
O. Lapid |
NVPC |
|
A. L. Mooyaart |
NVVP |
|
A. Zirar-Vroegindeweij |
LVMP |
|
C. J. A. van Eijsden |
NVDV |
|
A. C. Fledderus |
NVDV |
|
M. H. G. Dremmen |
NVvR |
|
A. J. M. J. Ebus |
V&VN VS |
|
E. C. Doganer |
Kind & Ziekenhuis |
|
M. van Kessel / E. Petiet |
NNN |
|
Ondersteuning werkgroep |
Vereniging |
|
W. A. M. Blokx (patholoog) |
NVVP |
|
H. B. Thio (dermatoloog) |
NVDV |
|
A. Wolkerstorfer (dermatoloog) |
NVDV |
|
M. M. Pleumeekers (plastisch chirurg) |
NVPC |
|
N. M. van der Lugt (Kinderarts) |
NVK |
|
S. M. Koudijs (kinderneuroloog) |
NVKN |
|
T. A. Teunissen (arts-onderzoeker NVDV) |
NVDV |
|
M. M. A. Verhoeven (senior beleidsadviseur NVDV) |
NVDV |
Belangenverklaringen
De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
|
Werkgroeplid |
Hoofdfunctie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Getekend op |
Acties (voorstel) |
|
S. G. M. A. Pasmans (voorzitter) |
Commissielid van meerdere adviesraden (zeldzame) huidaandoeningen en bestuurslid van ERNS, ESPD, Huidhuis.nl |
dermatoloog |
Geen |
Geen |
Wel, maar n.v.t. voor deze richtlijn |
Geen, maar automatisch meer zichtbaarheid bij professionals en patiënten |
Geen |
09-10-2023 |
|
|
M.P. Dierselhuis |
Kinderoncoloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
K. Boshuisen |
Kinderneuroloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
14-05-2024 |
|
|
O. Lapid |
Plastisch chirurg |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
A. L. Mooyaart |
Patholoog |
N.v.t. op deze richtlijn |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-05-2024 |
|
|
A. Zirar-Vroegindeweij |
GZ psycholoog
|
Docent bij PROSA kenniscentrum |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
C. J. A. van Eijsden |
Dermatoloog |
Lid domeingroep dermatochirurgie en lasers, kindermodule hyperhidrosis. Beide onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen, geeft wel maandelijks supervisie van naevus spreekuren |
Geen |
28-03-2024 |
Geen actie nodig |
|
A. C. Fledderus |
Schrijven aan richtlijn |
AIOS dermatologie MUMC Maastricht |
Geen |
Geen |
Onderzoek naar CMN kernuitkomstmaten wordt gefinancierd door stichting vrienden van het Sophia. |
Geen |
Geen |
05-02-2025 |
Geen |
|
M. H.G. Dremmen |
Erasmus MC, radioloog (kinderradioloog) |
Lid van meerdere richtlijn werkgroepen (vergoeding naar afdeling) Presentaties geven op cursussen / congressen / onderwijs (vergoeding naar afdeling) |
Geen |
Geen |
Lid van Generation R onderzoeksgroep, deels gefinancierd door ZonMw subsidie |
Geen |
Geen |
13-01-2026 |
Geen |
|
A. J. M. J. Ebus |
Verpleegkundig specialist VieCuri |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
13-01-25 |
|
|
E. C. Doganer |
Projectmanager/beleidsmedewerker |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
13-05-2024 |
|
|
M. van Kessel |
Bestuurslid patiëntenorganisatie NNN |
Inval leerkracht basisonderwijs |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
E. Petiet |
Consultant bij Rebel Strong Society B.V. – Full time |
Bestuurslid bij NNN |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
10-04-2024 |
|
Inbreng patiëntenperspectief
Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting.
Reeds sinds de start van het richtlijntraject is de patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) zeer betrokken geweest bij de totstandkoming van deze richtlijn, door afvaarding van een bestuurslid in de werkgroep. Zij zijn in deze hoedanigheid tijdens het gehele richtlijntraject betrokken geweest, door actieve participatie tijdens werkgroepvergaderingen, en het aandragen van knelpunten die vanuit patiëntenperspectief van groot belang zijn, evenals het deelgenoot maken van lopende initiatieven in het veld. Nevus Netwerk Nederland heeft ook zijn fiat verleend aan de inhoud van de richtlijn.
Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst Raming |
Toelichting |
|
Voorlichting en zelfmanagement |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven. |
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in de bijlagen per module.
Werkwijze
Agree
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.
Knelpuntenanalyse
In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerden van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar tabel 1.
Uitgangsvragen en uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Zoekverantwoording bij elke module.
Kwaliteitsbeoordeling individuele studies
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Samenvatten van de literatuur
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog
|
|
|
Redelijk
|
|
|
Laag
|
|
|
Zeer laag
|
|
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).
Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)
Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen, 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.
|
Kwaliteit |
Interventie |
Diagnostisch accuratesse-onderzoek |
Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose |
|
A1 |
Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau |
||
|
A2 |
Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang |
Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad |
Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten. |
|
B |
Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek) |
|
|
|
C |
Niet-vergelijkend onderzoek |
||
|
D |
Mening van deskundigen |
||
* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.
Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen, 2004).
|
Niveau |
Conclusie gebaseerd op |
|
1 |
Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2 |
|
2 |
1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B |
|
3 |
1 onderzoek van niveau B of C |
|
4 |
Mening van deskundigen |
Formuleren van de conclusies
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.
Indicatorontwikkeling
Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.
Kennislacunes
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlagen bij elke module).
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.


