Congenitale Melanocytaire Naevi (CMN)

Initiatief: NVDV Aantal modules: 33

Psychosociale begeleiding

Publicatiedatum: 19-05-2026
Beoordeeld op geldigheid: 19-05-2026

Uitgangsvraag

Wordt de inzet van een psycholoog aanbevolen voor patiënten en ouders binnen het zorgtraject?

Bij wie en op welke wijze?

Aanbeveling

  • Screen de patiënt (en ouders) vanaf het moment van diagnose jaarlijks op psychosociale problemen middels anamnese en indien mogelijk met behulp van screenende vragenlijsten. Dit geldt zowel voor kinderen en hun ouders als volwassen patiënten.
  • Vraag anamnestisch naar individuele factoren (welbevinden, stigmatisering, angst voor medische interventies en acceptatieproblemen) en bij kinderen daarnaast naar gezins/ouderfactoren (welbevinden ouders, acceptatieproblemen, rouw en opvoeding).
  • Daarnaast kan screening middels gevalideerde instrumenten richting geven (volgens de waardegedreven zorg Dutch Flemish Promis group |) of middels SDQ (meet psychosociale problemen) Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) | Nederlands Jeugdinstituut). (C)DLQI (meet kwaliteit van leven;  LTO (lastthermometer/ouderlijke stress: LTO invullen). De dermatoloog is verantwoordelijk voor het bekijken van de uitkomsten.
  • Bied zowel patiënt als ouders op basis van het gesprek en/of de uitkomsten van de screening indien nodig nadere diagnostiek dan wel behandeling aan bij een postacademisch geschoolde gedragsdeskundige (gezondheidszorgpsycholoog/ orthopedagoog-generalist en/of maatschappelijk werker voor ondersteuning ouders /praktische problematiek). Als deze disciplines niet beschikbaar zijn binnen de medische setting kan hiervoor verwezen worden naar de huisarts/POH GGZ.
  • Bij kinderen met een hoger (maligniteits)risico CMN (risicoklasse 4 en 5, zie figuur 1. Indeling fenotypen CMN in risicoklassen ten behoeve van voorlichting en standaard zorg) is de werkgroep van mening dat er mogelijk meer luxerende factoren zijn voor het ontstaan van psychosociale problemen en is extra alertheid geboden.
  • Voor kinderen die een chirurgische ingreep ondergaan voor de CMN wordt een psychologisch begeleidingstraject aanbevolen voor kind en ouders gericht op psycho-educatie, verwachtingsmanagement, voorbereiding op de ingreep door een medisch pedagogisch zorgverlener (MPZ) en de periode van medisch herstel. Daarnaast dient er in de begeleiding na de ingreep aandacht te zijn voor signalen van posttraumatische-stress bij zowel kind als ouders. Voor de benadering en ondersteuning van kinderen rondom medische procedures zijn algemene adviezen opgesteld , zie Niet-farmacologische technieken - Richtlijn - Richtlijnendatabase).
  • Ook laagdrempelig lotgenotencontact en voorlichtingsmateriaal kunnen ondersteunen in het acceptatieproces en het leren omgaan met het hebben van een CMN. Patiënten en ouders dienen actief te worden gewezen op het bestaan van patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) en het uitgebreide aanbod aan voorlichtingsmateriaal dat is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de expertisecentra te vinden op de website www.nervusnetwerk.nl. We bevelen de zorgprofessionals aan om het voorlichtingsmateriaal van NNN tevens te integreren in het gesprek met patiënt en ouders waarbij afhankelijk van de leeftijd daarbij passend voorlichtingsmateriaal aangeboden kan worden. 
 

Overwegingen

Kwaliteit van het bewijs

Er is systematisch naar literatuur gezocht, maar geen GRADE analyse gedaan. Op basis van de gevonden wetenschappelijke literatuur kan niet met zekerheid worden geconcludeerd of patiënten met CMN een vergrote kans hebben op het ontwikkelen van psychosociale problemen. Daarnaast is er onvoldoende bewijs naar voren gekomen over de effectiviteit van psychosociale begeleiding van patiënten met CMN en hun ouders. Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion. Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van enkele losse ondersteunende artikelen.

 

De werkgroep is zich ervan bewust dat de onderliggende bewijskracht beperkt is. De aanbeveling voor structurele jaarlijkse screening is daarom primair gebaseerd op expert opinion en klinische ervaring.

 

Balans van gewenste en ongewenste effecten

De verwachting is dat de voorgestelde aanbevelingen omtrent aandacht voor het psychosociaal welbevinden en de kwaliteit van leven geen negatieve effecten zullen hebben.  

 

De werkgroep verwacht dat structurele aandacht voor psychosociaal welbevinden bij patiënten met CMN vooral positieve effecten heeft op kwaliteit van leven, coping, therapietrouw en ouder-kindinteractie. Vroege signalering en begeleiding kunnen bijdragen aan het voorkomen van langdurige psychische klachten, zoals angst, schaamte of posttraumatische stress na medische ingrepen. Ook kunnen zij ouders helpen bij het beter omgaan met gevoelens van onzekerheid en verdriet, wat de gezinsdynamiek ten goede komt.

 

CMN zijn zeldzaam en worden in de regel jaarlijks gecontroleerd conform het follow-upschema. Vanuit praktische overwegingen is ervoor gekozen de (psychosociale) screening hieraan te koppelen, zodat dit geen extra zorgmoment vereist.

 

De jaarlijkse frequentie wordt daarom proportioneel en haalbaar geacht binnen de bestaande controlestructuur.

 

Professioneel perspectief

Bij patiënten met aanwijzingen voor verminderd psychosociaal welbevinden kan een psycholoog ondersteunen bij het aanleren van coping strategieën om te leren omgaan met het hebben van een CMN, het versterken van het zelfbeeld, eventuele schaamte en negatieve reacties uit de omgeving. Het is belangrijk hierbij ook oog te hebben voor het gezin. Ouders kunnen moeite hebben met de acceptatie, zorgen hebben om de toekomst/prognose, vragen hebben m.b.t. opvoeding en ze moeten vaak ook lastige beslissingen nemen t.a.v. behandeling. Bovengenoemde factoren kunnen zorgen voor ouderlijke stress waarmee de ouder-kind interactie onder druk kan komen te staan (Beer & de Roos, 2017). Laagdrempelige psychosociale begeleiding voor ouders gericht op stressreductie kan hierin een preventief en ondersteunend effect hebben.

 

Een psycholoog hoeft niet per sé als aandachtsgebied dermatologie te hebben, maar wel over de noodzakelijke expertise te beschikken. Als deze discipline niet beschikbaar is binnen de medische setting kan hiervoor verwezen worden naar de POH GGZ van de huisarts die een overzicht heeft van de sociale kaart. Voor ouders kan ook praktisch/steunende begeleiding vanuit maatschappelijk werk helpend zijn in het omgaan met problemen waar zij in het dagelijks leven tegenaan kunnen lopen.

 

Het is van belang om in een vroegtijdig stadium zicht te krijgen op de patiënten/ouders die in het dagelijks leven last ervaren van CMN en baat zouden kunnen hebben bij ondersteuning. Men kan dit op het spoor komen door er in de anamnese actief naar te vragen waarbij screenende vragenlijsten richting kunnen geven aan het gesprek en de verder in te zetten psychosociale begeleiding.

 

Screening kindfactoren

Vanuit de waardengedreven zorg kan een set gevalideerde generieke vragenlijsten worden samengesteld waarmee diverse domeinen in kaart gebracht kunnen worden die de werkgroep van belang acht (welbevinden/kwaliteit van leven, ontwikkeling van het kind, relaties met leeftijdgenoten, emotionele problemen). Het invullen duurt naar schatting enkele minuten per keer en er wordt geadviseerd dit iedere 6-12 maanden te herhalen. De uitkomsten vanuit deze set vragenlijsten kunnen in eerste instantie beoordeeld worden door de behandelend arts waarbij verhoogde scores vragen om het laagdrempelig verwijzen naar de psycholoog voor verdere indicatiestelling.

 

Voor zorginstellingen die gebruik willen maken van screenende diagnostiek, maar geen toegang hebben tot de vragenlijsten vanuit de waardengedreven zorg is het gebruik van de SDQ (Strength and Difficulties Questionnaire, voor Nederland bewerkt door Treffers et al, 2000) een optie. De SDQ is een internationaal gevalideerde screeningslijst voor het vaststellen van psychosociale problemen bij kinderen in de leeftijd van 3-17 jaar oud. Deze vragenlijst kan worden ingevuld door ouders, leerkrachten en het kind zelf (vanaf 11 jaar). De lijst screent op emotionele factoren, gedragsproblemen, hyperactiviteit/aandachtstekort, problemen met leeftijdgenoten en prosociaal gedrag. Aan de hand van deze vragenlijst kan worden besloten of verder onderzoek is geïndiceerd. De afname duurt 5 tot 10 minuten. Voor uitgebreide informatie over de SDQ verwijzen we naar Strengths and Difficulties Questionnaire (SDQ) | Nederlands Jeugdinstituut.

 

Om een beeld te krijgen van de kwaliteit van leven adviseren we het gebruik van de CDLQI (Children's Dermatology Life Quality Index). Dit is een ziektespecifieke vragenlijst gericht op de kwaliteit van leven bij kinderen (4-16 jaar) met huidaandoeningen. De vragenlijst duurt 2-5 minuten om in te vullen.

 

Screening gezins-/ouderfactoren

Aangezien de waardengedreven zorg volgens de werkgroep onvoldoende voorziet in een screenende vragenlijst die de last in kaart brengt die ouders kunnen ervaren, adviseert zij daarvoor aanvullend de LTO (LastThermometer voor Ouders; van Oers et al, 2017) af te nemen. Deze vragenlijst bevat een lastthermometer waarop ouders kunnen aangeven hoeveel last/stress ze de afgelopen week hebben ervaren. Daarnaast wordt op een aantal domeinen (emoties, relaties/gezin, praktische zorgen, zorg voor andere kinderen, zingeving/spiritualiteit, contact met zorgverleners) uitgevraagd hoe belastend die voor ouders zijn. Ook bevat de LTO de expliciete vraag of ouders behoefte hebben aan een gesprek met een deskundige over hun situatie.

 

Screening volwassenen

Voor het gestructureerd in kaart brengen van de psychosociale belasting bij volwassenen met CMN adviseren we het gebruik van de DLQI (Dermatology Life Quality Index). Dit is een ziektespecifieke vragenlijst gericht op de kwaliteit van leven bij volwassenen met huidaandoeningen. 

 

Waarden en voorkeuren van patiënten

Ouders van een kind met CMN ervaren vaak gevoelens van verdriet, onzekerheid en zorg – niet alleen direct na de diagnose, maar gedurende het hele opgroeiproces. Deze gevoelens vallen onder het begrip levend verlies: een terugkerend, chronisch rouwproces waarbij ouders het oorspronkelijke toekomstbeeld van hun kind en gezin steeds opnieuw moeten bijstellen.

 

Voor patiënten en hun naasten is het belangrijk dat de artsen multidisciplinair samenwerken en indien nodig tijdig doorverwijzen naar gespecialiseerde hulpverleners. Het wordt aanbevolen om proactief passende psychosociale begeleiding aan te bieden aan ouders en CMN-dragers. Dit is van extra belang in de fase direct na de geboorte.  Levend verlies – Nevus Netwerk Nederland.

 

Wijs daarnaast ouders en patiënten op Nevus Netwerk Nederland (NNN). Dit netwerk biedt waardevolle aanvullende ondersteuning in de vorm van lotgenotencontact, informatieverstrekking (over CMN, afwegingen t.a.v. behandelmogelijkheden, levend verlies en informatie voor scholen, patiëntenreis) en buddy’s. Op de website van NNN is voorlichtingsmateriaal te vinden gericht op begeleiding bij CMN. Ook kan voorlichtingsmateriaal (folders Stichting Eigen Gezicht) ondersteunen in het leren omgaan met 'er anders uitzien’. Patient journey ervaringsverhalen – Nevus Netwerk Nederland

 

De werkgroep geeft hieronder een globaal overzicht van diverse psychosociale thema’s en begeleidingbehoeften per levensfase, gebaseerd op de expert opinion van ouders en professionals. Hierbij willen we benadrukken dat de behoeften van iedere patiënt/ouder afhangt van diverse factoren en dat er door de betrokken psycholoog/maatschappelijk werker een plan op maat gemaakt zal worden qua begeleiding.

 

Psychosociale behoeften en begeleiding van patiënt/ouders per levensfase

Fase 1: Direct na de geboorte: Erkenning van rouw, duidelijke uitleg over CMN, ondersteuning bij hechting.

 

Fase 2: Vroege kindertijd (0–6 jaar): ondersteuning hechting, begeleiding in het omgaan met zichtbaarheid en de ontwikkeling van positief zelfbeeld bij kind.

 

Fase 3: Schoolleeftijd (6–12 jaar): Ondersteuning bij sociale weerbaarheid kind en ontwikkeling van een positief zelfbeeld, acceptatie CMN.

 

Fase 4: Adolescentie (12–18 jaar): Begeleiding bij zelfbeeld/identiteitsontwikkeling, acceptatie CMN, zelfstandigheid, gesprekken over seksualiteit en toekomst.

 

Fase 5: Volwassenheid: Ondersteuning bij betekenisgeving, werk, partnerkeuze en eventuele kinderwens.

 

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid

Psychosociale begeleiding voor patiënten met CMN en hun ouders wordt door de werkgroep als wenselijk en aanvaardbaar beschouwd. Ouders en patiënten geven vaak aan behoefte te hebben aan laagdrempelige ondersteuning, psycho-educatie en lotgenotencontact. De beschikbaarheid van psychologische expertise en maatschappelijk werk verschilt echter per zorginstelling. In centra waar deze disciplines beperkt aanwezig zijn, kan samenwerking met de huisarts of POH-GGZ bijdragen aan een tijdige toeleiding naar passende zorg in de regio.

 

De implementatie van structurele screening op psychosociale problematiek kan organisatorische en logistieke uitdagingen met zich meebrengen, zoals het inbedden van vragenlijsten in de zorgprocessen en het trainen van zorgprofessionals in signalering en doorverwijzing. Toch acht de werkgroep dit haalbaar binnen de bestaande multidisciplinaire zorgstructuur, zeker wanneer gebruik wordt gemaakt van generieke, kort af te nemen instrumenten (zoals SDQ, (C)DLQI of LTO).

 

Daarnaast zijn ondersteunende materialen, waaronder het voorlichtingsmateriaal van Nevus Netwerk Nederland, eenvoudig beschikbaar en laagdrempelig in te zetten. Dit bevordert de praktische haalbaarheid en acceptatie bij zowel patiënten, ouders als zorgprofessionals.

Onderbouwing

Deze module heeft als doel om zorgprofessionals te ondersteunen in het herkennen van psychosociale problematiek bij patiënten met CMN, het bieden van passende begeleiding en het tijdig verwijzen naar gespecialiseerde psychosociale zorg. Hierbij is het essentieel om zowel de individuele behoeften van de patiënt als die van het gezin in kaart te brengen, rekening houdend met de ontwikkelingsfase, copingstrategieën en sociale context.

 

Door een holistische benadering te hanteren, gebruik te maken van evidence-based en expert opinion inzichten beoogt deze module bij te dragen aan een betere kwaliteit van leven voor mensen met CMN en hun naasten.

 

Vanuit de literatuur zijn er aanwijzingen voor een verhoogd risico op psychosociale problemen bij kinderen met CMN waaronder sociale, gedragsmatige en emotionele klachten. Dit verhoogde risico lijkt grotendeels onafhankelijk van de zichtbaarheid van de aandoening en van het risico op maligne ontaarding. In een studie onder 29 kinderen met een GCMN (giant congenitale melanocytaire naevus) werd vastgesteld dat deze kinderen bijna driemaal zoveel probleemgedrag vertoonden in vergelijking met normatieve gegevens, met name op het gebied van angst, depressie en sociale moeilijkheden (Koot, 2000). Ook adolescenten en jongvolwassenen met CMN kunnen (onafhankelijk van de grootte van een CMN) een verhoogd risico lopen op psychosociale en emotionele problemen.

 

Het gevoel gestigmatiseerd te worden blijkt een belangrijke factor in de psychosociale aanpassing van kinderen en adolescenten met CMN. Dit begint vaak een rol te spelen vanaf de basisschoolleeftijd in samenhang met de ontwikkeling van het zelfbeeld. Uit onderzoeken  komt naar voren dat ervaren stigmatisering een significante voorspeller is van het psychologisch welbevinden en van invloed is op zowel de kwaliteit van leven als de emotionele gezondheid van kinderen, adolescenten en jongvolwassenen met CMN (Masnari, 2019/2022). Het inzetten van interventies gericht op het verminderen van stigmatisatie en het aanleren van positieve emotionele regulatiestrategieën kunnen bijdragen aan een betere kwaliteit van leven.

 

Ouders van kinderen met CMN kunnen aanzienlijke psychosociale belasting ondervinden. Ouders maken zich vaak zorgen over de lange termijn gevolgen voor de gezondheid en sociale ontwikkeling van hun kind, in het bijzonder met betrekking tot stigmatisering of sociale uitsluiting. In een onderzoek gaf ongeveer 70% van de moeders aan het als belastend te ervaren om een kind met een aangeboren aandoening te hebben (Koot, 2000). Dit benadrukt het belang van ouderbegeleiding en psychologische ondersteuning als onderdeel van integrale zorg.

 

Uit onderzoek blijkt dat kinderen die een operatie ondergaan voor CMN een hoog risico lopen op het ontwikkelen van PTSS (Ben-Ari, 2020). Ook ouders ervaren vaak aanzienlijke psychologische stress. De studie benadrukt de noodzaak van preventieve maatregelen en vroege psychologische interventies om PTSS bij kinderen en hun ouders te verminderen.

 

Het ondergaan van een medische procedure kan voor patiënten, kinderen (en hun ouders) in het bijzonder, een angstige en stresserende gebeurtenis zijn. De zogenaamde procedurele distress die daarbij ervaren wordt, kan gezien worden als een samenspel tussen de angst voor de procedure, de pijn die erbij gepaard gaat en focus hierop (Baxter, 2013). Procedurele distress als multifactorieel fenomeen vraagt daarom ook om een multimodale aanpak om te kunnen komen tot een succesvolle, comfortabele ervaring waarbij naast de fysieke veiligheid ook de psychologische veiligheid geborgd blijft. De PSA richtlijnen voor kinderen en volwassenen bieden handvatten hiervoor.

Niet van toepassing.

Niet van toepassing.

Voor deze vraag is een systematische literatuuranalyse verricht. In de databases Embase.com, Ovid/Medline en Ovid/PsycInfo is op 15-9-2024 met relevante zoektermen gezocht naar studies over de psychoscociale aspecten bij congenitale melanocytaire naevi. De literatuurzoekactie leverde 391 unieke treffers op. Na screening van deze artikelen werden 26 artikelen geïncludeerd. Na het lezen van de volledige teksten zijn er geen artikelen geïncludeerd, echter worden 6 studies als ondersteunende artikelen voor de uitwerking van deze module gebruikt. Er is geen vergelijkend onderzoek gevonden en geen GRADE analyse verricht. Zie onder het kopje Evidence tabellen alsook onder het kopje Zoekverantwoording voor de volledige tabel met redenen van exclusie, PICO en zoekstrategie.

 

Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion.

 

De volgende afbakening is gebruikt:

P: Patiënten met Congenitale Melanocytaire Naevi
I: Psychosociale begeleiding
C: Geen psychosociale begeleiding
O: Psychosociaal welbevinden van kind en ouders, kwaliteit van leven

Uitkomstmaten

De werkgroep definieerde de uitkomstmaten als volgt en hanteerde de in de studies gebruikte

definities.

 

Primair (cruciaal):

  • Psychosociaal welbevinden van kind en ouders
  • Kwaliteit van leven

Inclusie- en exclusiecriteria

Inclusiecriteria

Exclusiecriteria

Congenitale melanocytaire naevi (in alle synoniemen), alle groottes, alle leeftijden

Verworven melanocytaire naevi, of als niet gespecificeerd was of de naevi congenitaal waren

Nederlandstalige en Engelstalige publicaties

Case reports, letters to the editor, conference abstracts, algemene reviews

Toepassing van een referentiestandaard

 

Systematische reviews, randomized controlled trials (RCT’s) of observationele

studies;

 

 

  1. Beer, R., & de Roos, C. (red.). (2017). Handboek EMDR bij kinderen en jongeren. Lannoo Campus.
  2. Ben-Ari, A et al. (2020). Traumatic stress among children after surgical intervention for congenital melanocytic nevi: A pilot study. Dermatologic Surgery, 46(9), e45–e52. https://doi.org/10.1097/DSS.0000000000002276.
  3. Ceballos-Rodríguez, M. C., et al. (2021). Surgical outcomes and psychosocial impact of giant congenital melanocytic nevus surgery: A single-center case series of 136 patients. Journal of Pediatric Surgery, 56(11), 2113–2117. https://doi.org/10.1016/j.jpedsurg.2020.12.023.
  4. Koot, H. M., et al. (2000). Psychosocial sequelae in 29 children with giant congenital melanocytic naevi. Clinical and Experimental Dermatology, 25(8), 589-593. https://doi.org/10.1046/j.1365-2230.2000.00712.x.
  5. Masnari, O., et al. (2019). Predictors of health-related quality of life and psychological adjustment in children and adolescents with congenital melanocytic nevi: Analysis of parent reports. Journal of Pediatric Psychology, 44(6), 714–725. https://doi.org/10.1093/jpepsy/jsz017.
  6. Masnari, O., et al. (2022). Psychosocial health and psychological adjustment in adolescents and young adults with congenital melanocytic nevi: Analysis of self-reports. Frontiers in Psychology, 13, 911830. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2022.911830.
  7. Wang H, et al. (2022) Quality of Life in Chinese Patients With Large Congenital Melanocytic Nevi. Front. Pediatr. 10:784660. doi: 10.3389/fped.2022.784660.

Geëxcludeerde studies

Artikel

Reden van exclusie

Bellier-Waast (2008)

Voldoet niet aan inclusiecriteria, artikel in het Frans

Berg (2002)

Niet volledig passend bij (een van) beide review questions

Fledderus (2021)

Voldoet niet aan review questions en PICO (intervention)

Hunfeld (1999)

Voldoet niet aan PICO (populatie zonder CMN)

Kanzler (2006)

Betreft een review

Kofler (2023)

Betreft een review, artikel in het Duits

Kozina (2024)

Past niet bij PICO, gaat enkel over ervaringen van ouders gedurende de bevalling, postpartum of tijdens adoptie

Marghoob (2002)

Betreft een review

Masnari (2012)

Voldoet niet volledig aan PICO (ook patiënten met andere aandoeningen geïncludeerd, resultaten niet per aandoening)

Mosa (2019)

Niet passend bij PICO, geen vergelijkend onderzoek

Oei (2020)

Voldoet niet aan review questions en PICO (intervention)

Oei (2021)

Voldoet niet aan review questions en PICO (intervention)

Schwenk (2023)

Niet passend bij PICO (outcomes)

Slutsky (2010)

Betreft een review

Tapia (2016)

Niet passend bij PICO (ook andere aandoeningen geïncludeerd)

Viana (2013)

Betreft een review

Vourc' H-Jourdain (2013)

Niet passend bij PICO

Wramp (2017)

Betreft een artikel in het Duits

Zhang (2022)

Voldoet niet aan PICO

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 19-05-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 19-05-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Landelijke vereniging Medische Psychologie
  • Patiëntenfederatie Naevus Netwerk Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Algemene gegevens

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers.

 

Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Deze richtlijn is bedoeld voor medisch specialisten betrokken bij de zorg voor patiënten met congenitale melanocytaire naevi. Denk in ieder geval aan dermatologen, kinderartsen, neurologen, pathologen, plastisch chirurgen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, huidtherapeuten.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.

Werkgroepleden – herziening richtlijn CMN 2025

Vereniging

S. G. M. A. Pasmans

NVDV

M.P. Dierselhuis

NVK

K. Boshuisen

NVKN

O. Lapid

NVPC

A. L. Mooyaart

­­­NVVP

A. Zirar-Vroegindeweij

LVMP

C. J. A. van Eijsden

NVDV

A. C. Fledderus

NVDV

M. H. G. Dremmen

NVvR

A. J. M. J. Ebus

V&VN VS

E. C. Doganer

Kind & Ziekenhuis

M. van Kessel / E. Petiet

NNN

Ondersteuning werkgroep

Vereniging

W. A. M. Blokx (patholoog)

NVVP

H. B. Thio (dermatoloog)

NVDV

A. Wolkerstorfer (dermatoloog)

NVDV

M. M. Pleumeekers (plastisch chirurg)

NVPC

N. M. van der Lugt (Kinderarts)

NVK

S. M. Koudijs (kinderneuroloog)

NVKN

T. A. Teunissen (arts-onderzoeker NVDV)

NVDV

M. M. A. Verhoeven (senior beleidsadviseur NVDV)

NVDV

Belangenverklaringen

De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

Werkgroeplid

Hoofdfunctie(s)

Nevenfunctie(s)

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Acties (voorstel)

S. G. M. A. Pasmans (voorzitter)

Commissielid van meerdere adviesraden (zeldzame) huidaandoeningen en bestuurslid van ERNS, ESPD, Huidhuis.nl

dermatoloog

Geen

Geen

Wel, maar n.v.t. voor deze richtlijn

Geen, maar automatisch meer zichtbaarheid bij professionals en patiënten

Geen

09-10-2023

 

M.P. Dierselhuis

Kinderoncoloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

K. Boshuisen

Kinderneuroloog         

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

14-05-2024

 

O. Lapid

Plastisch chirurg

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

A. L. Mooyaart

Patholoog

N.v.t. op deze richtlijn

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-05-2024

 

A. Zirar-Vroegindeweij

GZ psycholoog

 

Docent bij PROSA kenniscentrum

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

C. J. A. van Eijsden

Dermatoloog

Lid domeingroep dermatochirurgie en lasers, kindermodule hyperhidrosis. Beide onbetaald

Geen

Geen

Geen

Geen, geeft wel maandelijks supervisie van naevus spreekuren

Geen

28-03-2024

Geen actie nodig

A. C. Fledderus

Schrijven aan richtlijn

AIOS dermatologie MUMC Maastricht

Geen

Geen

Onderzoek naar CMN kernuitkomstmaten wordt gefinancierd door stichting vrienden van het Sophia.

Geen

Geen

05-02-2025

Geen

M. H.G. Dremmen

Erasmus MC, radioloog (kinderradioloog)

Lid van meerdere richtlijn werkgroepen (vergoeding naar afdeling)

Presentaties geven op cursussen / congressen / onderwijs (vergoeding naar afdeling)

Geen

Geen

Lid van Generation R onderzoeksgroep, deels gefinancierd door ZonMw subsidie

Geen

Geen

13-01-2026

Geen

A. J. M. J. Ebus

Verpleegkundig specialist VieCuri

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-01-25

 

E. C. Doganer

Projectmanager/beleidsmedewerker

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-05-2024

 

M. van Kessel

Bestuurslid patiëntenorganisatie NNN

Inval leerkracht basisonderwijs

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

E. Petiet

Consultant bij Rebel Strong Society B.V. – Full time

Bestuurslid bij NNN

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

10-04-2024

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting.

 

Reeds sinds de start van het richtlijntraject is de patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) zeer betrokken geweest bij de totstandkoming van deze richtlijn, door afvaarding van een bestuurslid in de werkgroep. Zij zijn in deze hoedanigheid tijdens het gehele richtlijntraject betrokken geweest, door actieve participatie tijdens werkgroepvergaderingen, en het aandragen van knelpunten die vanuit patiëntenperspectief van groot belang zijn, evenals het deelgenoot maken van lopende initiatieven in het veld. Nevus Netwerk Nederland heeft ook zijn fiat verleend aan de inhoud van de richtlijn.

 

Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst Raming

Toelichting

Psychosociale begeleiding

Geen substantiële financiële gevolgen

Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in de bijlagen per module.

Werkwijze

Agree

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.

 

Knelpuntenanalyse

In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerden van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar tabel 1. 

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Zoekverantwoording bij elke module.  

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

GRADE

Definitie

Hoog

 

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

 

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

 

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

 

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).

 

Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)

Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen, 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse-onderzoek

Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek)

 

 

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen, 2004).

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Indicatorontwikkeling

Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlagen bij elke module).

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekopbrengst

Database

EMBASE

OVID/Medline

OVID/PSYCHINFO

Ontdubbeld

Systematic Reviews

15

10

31

46

RCT

8

10

 

22

Observationele studies

84

74

1

128

Overig

134

134

 

195

Netto aantal

 

 

 

391

Zoekstrategie - 15 september 2024

Embase.com

Resultaten = 241

 

Zoektermen

  1. ('congenital disorders of the skin, skin appendages and subcutaneous tissue'/de OR 'congenital disorder'/de OR 'congenital malformation'/de) AND 'nevus'/exp OR 'congenital nevus'/exp OR 'giant congenital melanocytic nevus'/exp OR (((tierfell OR garment OR giant OR 'blue rubber') NEAR/3 (nevi OR nevus OR naevi OR naevus OR mole OR moles OR birthmark*)):ti,ab,kw) OR ((congenital NEAR/4 (naevi OR nevus OR naevus OR nevi OR mole OR moles OR melanocytic OR birthmark*)):ti,ab,kw)
  2. 'psychology'/exp OR 'psychotherapy'/exp OR 'suggestion'/exp OR 'psychological resilience'/exp OR 'psychological aspect'/exp OR 'social care'/exp OR 'psychological well-being'/exp OR 'social behavior'/exp OR psycholo*:ti,ab,kw OR psychosocial*:ti,ab,kw OR 'psycho social*':ti,ab,kw OR emotion*:ti,ab,kw OR social*:ti,ab,kw OR (((behavior* OR behaviour* OR parent* OR caregiver* OR family OR mental* OR eudaimonic) NEAR/3 (adjustment* OR problem* OR burden OR stress OR impact OR health OR issues OR complication* OR support* OR disturbance OR strain OR trouble* OR vulnerab* OR distress OR wellbeing OR 'well being')):ti,ab,kw)
  3. #1 AND #2
  4. #3 NOT ('conference abstract'/it OR 'editorial'/it OR 'letter'/it OR 'note'/it) NOT (('animal'/exp OR 'animal experiment'/exp OR 'animal model'/exp OR 'nonhuman'/exp) NOT 'human'/exp)

Ovid/Medline

Resultaten = 228

 

Zoektermen

  1. (exp Nevus/ and exp "Congenital, Hereditary, and Neonatal Diseases and Abnormalities"/) or ((tierfell or garment or giant) adj3 (nevi or nevus or naevi or naevus or mole or moles or birthmark*)).ti,ab,kf. or ((congenital or giant or melanocytic) adj4 (naevi or nevus or naevus or nevi or mole or moles or birthmark*)).ti,ab,kf.
  2. exp Psychology/ or exp Psychotherapy/ or exp Suggestion/ or exp Psychological Phenomena/ or Psychological Well-Being/ or exp Social Support/ or exp Social Behavior/ or psycholo*.ti,ab,kf. or psychosocial*.ti,ab,kf. or psycho social*.ti,ab,kf. or emotion*.ti,ab,kf. or social*.ti,ab,kf. or ((behavior* or behaviour* or parent* or caregiver* or family) adj3 (adjustment* or problem* or burden or stress or impact or health or issues or complication* or support* or disturbance or strain or trouble* or vulnerab* or distress or wellbeing)).ti,ab,kf.
  3. 1 and 2
  4. 3 not ((exp animals/ or exp models, animal/) not humans/) not (letter/ or comment/ or editorial/)

Ovid/Psychinfo

Resultaten = 32

 

Zoektermen

  1. (((tierfell or garment or giant) adj3 (nevi or nevus or naevi or naevus or mole or moles or birthmark*)) or ((congenital or giant or melanocytic) adj4 (naevi or nevus or naevus or nevi or mole or moles or birthmark*))).ti,ab,id.
Volgende:
Organisatie van zorg bij CMN