Congenitale Melanocytaire Naevi (CMN)

Initiatief: NVDV Aantal modules: 33

Behandeling van jeuk bij CMN

Publicatiedatum: 19-05-2026
Beoordeeld op geldigheid: 19-05-2026

Uitgangsvraag

Wat is het behandelalgoritme van jeuk gerelateerd aan CMN?

Aanbeveling

  • Heb in de anamnese aandacht voor de impact en ernst van de jeuk, hiervoor kunnen de visueel-analoge schaal (VAS) of numerieke ‘rating scale’ (NRS) behulpzame instrumenten zijn.
  • Bespreek de verschillende oorzaken van jeuk bij CMN met de patiënt (in de CMN of in een litteken na behandeling).
  • Bespreek de verschillende lokale en systemische behandelopties met de patiënt en gebruik hiervoor de richtlijn jeuk (zie ook figuur 5. Behandeling van jeuk in CMN).
  • Adviseer de patiënt als lokale behandeloptie een indifferent middel te gebruiken, ook in combinatie met andere behandelingen, en leg de rationale daarvan uit. Topicale therapie vormt, na uitsluiting van irriterende factoren, een belangrijke stap in de behandeling van jeuk.
  • Ook topicale corticosteroïden/calcineurineremmers zijn aan te bevelen voor de behandeling van jeuk als een indifferent middel onvoldoende effectief is. Bij het voorschrijven moet duidelijke uitleg en smeeradviezen worden meegegeven over continue en intermitterend gebruik. Houd hierbij rekening met de individuele toestand en voorkeur van de patiënt.
  • Als systemische behandeling zouden antihistaminica kunnen worden overwogen als initiële therapie. Bij onvoldoende effect is het switchen van antihistaminica tevens te overwegen.
  • Overweeg psychologische behandeling zoals habit reversal bij enkel krabproblematiek, stressmanagement voor het verminderen van stress die kan interfereren met jeuk en cognitieve gedragstherapie voor multipele problematiek. De keuze van de specifieke interventies moet zijn toegespitst op de individuele patiënt.
  • Startpagina Chronische jeuk - Richtlijn - Richtlijnendatabase.

Overwegingen

Kwaliteit van het bewijs

Er is systematisch naar literatuur gezocht, maar geen GRADE analyse gedaan aangezien geen bruikbaar vergelijkend onderzoek werd gevonden. De aanbevelingen en overwegingen zijn geschreven op basis van expert opinion.

 

Balans van gewenste en ongewenste effecten

De balans van gewenste en ongewenste effecten van indifferente therapie voor jeuk in een CMN hangt af van verschillende factoren, waaronder het type product dat wordt gebruikt, de individuele huidgevoeligheid van de patiënt en de consistentie van het gebruik.

 

Indifferente therapieën hebben verschillende gewenste effecten die patiënten met jeuk kunnen helpen. Deze therapieën hydrateren de huid en herstellen de natuurlijke vochtbalans, waardoor symptomen zoals schilfering en jeuk verminderen. Daarnaast verzachten ze de huid, wat het ongemak van de jeuk kan verminderen. Bovendien versterken indifferente therapieën de beschermende huidbarrière, waardoor de huid beter bestand is tegen externe (irriterende dan wel mechanische) factoren.

 

Allergische reacties, zoals huidirritatie, roodheid, of andere allergische symptomen als gevolg van ingrediënten waarvoor patiënten allergisch zijn, kunnen zich manifesteren als ongewenste effecten van indifferente therapieën. Daarnaast kunnen de kosten en daardoor de toegankelijkheid van bepaalde indifferente therapieën een belemmering vormen voor patiënten met een beperkt budget, vooral wanneer ze regelmatig moeten worden aangebracht. Topicale corticosteroïden kunnen beduidend goedkoper zijn dan topicale calcineurineremmers en bij gelijke geschiktheid kan het een overweging zijn om hiervoor te kiezen. Patiënten kunnen het smeren van indifferente therapie als tijdsintensief ervaren.

 

Indifferente therapie wordt over het algemeen als veilig beschouwd. Het is echter belangrijk dat patiënten en zorgverleners samenwerken om de meest geschikte indifferente therapie te vinden die aan de behoeften van de patiënt voldoet.

 

Topicale corticosteroïden kunnen effectief zijn in het verminderen van ontsteking, roodheid, jeuk en schilfering die gepaard kunnen gaan met jeuk in CMN. Ze helpen de symptomen onder controle te houden en de kwaliteit van leven van de patiënt te verbeteren. Hoewel topicale corticosteroïden doeltreffend zijn, kunnen ze bij langdurig en onjuist gebruik ongewenste effecten veroorzaken, zoals huidatrofie, striae, teleangiëctasieën en pigmentveranderingen.

 

Antihistaminica worden als veilig beschouwd en kunnen effectief zijn in het verminderen van jeuk bij patiënten. Veelvoorkomende bijwerkingen (1-10%) van tweede generatie antihistaminica zijn slaperigheid, vermoeidheid, duizeligheid, droge mond, hoofdpijn en faryngitis (Informatorium medicamentorum, kennisbank KNMP: Module Farmacotherapie in de KNMP Kennisbank | KNMP). Bij het voorschrijven van antihistaminica is het van belang dat het bijwerkingenprofiel wordt toegespitst op de individuele patiënt. Voor het gebruik van de antihistaminica wordt verwezen naar de Richtlijn chronische urticaria.

 

Als laatste optie kan in individuele gevallen chirurgische verwijdering van een (klein) gedeelte van een CMN overwogen worden. Dit dient per patiënt afzonderlijk afgewogen te worden en advies is om dit te behandelen in een centrum met expertise.

 

Professioneel perspectief

Voor de behandeling wordt grotendeels verwezen naar de richtlijn jeuk. Tevens zijn aanvullende adviezen met betrekking tot jeuk in een litteken na behandeling van CMN te lezen in de richtlijn Behandeling van littekenhypertrofie . Bij follow-up is het belangrijk jeukscores te evalueren, combinatietherapie te overwegen bij onvoldoende effect van therapie en/of de casus te overleggen in een multidisciplinair overleg met specialisten binnen het CMN team.

 

Bij sommige patiënten jeukt de moedervlek. De oorzaak van deze jeuk is nog onduidelijk. Een CMN is een hamartoom, mogelijk is door de veranderde architectuur van de huid ter plaatse droger of de zenuwinnervatie anders, er zijn meer vrije neurotransmitters zoals acetylcholine, of er zijn meer inflammatoire cellen en hun mediatoren met jeuk tot gevolg. De jeuk lijkt meestal te worden veroorzaakt door een droge huid ter plekke van de naevus. Er zijn crèmes en medicijnen die mogelijk verlichting kunnen geven, daarvoor dient eerst de hoofdbehandelaar geraadpleegd te worden. Soms kan jeuk ook een teken zijn van melanoom.

 

Lokale therapie vormt, na uitsluiting van irriterende factoren en een melanoom, een belangrijke stap in de behandeling van jeuk.

 

Non-farmacologische interventies

  • Indifferente middelen/emollientia dienen te worden gebruikt ter voorkoming en behandeling van xerosis cutis en chronische jeuk wat als gevolg hiervan kan ontstaan.
  • Bij het voorschrijven moet duidelijke uitleg en smeeradviezen worden meegegeven. Houd hierbij rekening met de individuele toestand en voorkeur van de patiënt.

Lokale corticosteroïden, Lokale calcineurineremmers

  • Lokale corticosteroïden/calcineurineremmers zijn aan te bevelen voor de behandeling van jeuk in het kader van een dermatose. 
  • Bij het voorschrijven moet duidelijke uitleg en smeeradviezen worden meegegeven. Houd hierbij rekening met de individuele toestand en voorkeur van de patiënt. 

Antihistaminica

Antihistaminica zouden kunnen worden overwogen als initiële therapie. Bij onvoldoende effect is het switchen van antihistaminica tevens te overwegen. Voor doseringsadviezen dient men de bestaande Richtlijn chronische urticaria te raadplegen. Bij het voorschrijven van antihistaminica is het van belang dat het bijwerkingenprofiel wordt toegespitst op de individuele patiënt. Indien de chronische jeuk ook het slaapvermogen beïnvloedt, kunnen sederende antihistaminica zoals hydroxyzine voor de nacht worden overwogen.

 

Antihistaminica zijn de meest voorkomende gebruikte systemische jeukwerende middelen in de dermatologie. Eerste generatie antihistaminica, zoals chloorfeniramine, clemastine, difenhydramine, hydroxyzine en promethazine is bekend dat ze niet alleen binden aan de H1-receptoren, maar ook aan muscarine, α-adrenerge, dopamine- of serotoninereceptoren en hebben zo een centraal sederend effect. Hydroxyzine is de meest voorkomende gebruikte antihistaminica van de eerste generatie die sederend werkt met een anxiolytisch en antipruritisch effect.

 

Antihistaminica van de tweede generatie, zoals cetirizine, levocetirizine, loratadine, desloratadine, ebastine, fexofenadine of rupatadine hebben een minimale activiteit op de niet-histaminische receptoren, dus ook een weinig sederend effect, maar wel een langere werkingsduur in vergelijking met de eerste generatie.

 

In de praktijk worden antihistaminica al snel ingezet in de symptomatische bestrijding van (chronische) jeuk. De werkgroep is van mening dat antihistaminica overwogen zouden kunnen worden als initiële therapie bij de behandeling van chronische jeuk. Bij onvoldoende effect is het switchen van de antihistaminicum tevens te overwegen. Voor doseringen van antihistaminica bij de behandeling van chronische jeuk stelt de werkgroep dat de doseringen zoals die worden gebruikt bij de behandeling van urticaria, gebruikt kunnen worden. Raadpleeg hiervoor de bestaande urticaria richtlijn. Bij het voorschrijven van antihistaminica is het van belang dat het bijwerkingenprofiel wordt toegespitst op de individuele patiënt. Indien de chronische jeuk ook het slaapvermogen beïnvloedt, kunnen sederende antihistaminica zoals hydroxyzine voor de nacht worden overwogen.

 

Psychologische behandeling

Overweeg psychologische behandeling in de vorm van habit reversal bij enkel krabproblematiek, stressmanagement voor het verminderen van stress die kan interfereren met jeuk en cognitieve gedragstherapie voor multipele problematiek als psychologische behandeling voor chronische jeuk (richtlijn jeuk). De keuze van de specifieke interventies moet zijn toegespitst op de individuele patiënt. Een psycholoog kan zowel voor kinderen en hun ouders als voor volwassen mensen met een CMN veel betekenen in het omgaan met jeuk.

 

Figuur 5. behandeling van jeuk in CMN

Figuur 5 Behandeling van jeuk in CMN

CMN: congenitale melanocytaire naevus; VAS: visuele analoge schaal; NRS: numeric rating scale; MDO: multidisciplinair overleg.

 

Voetnoten:

1. Bij het voorschrijven moet duidelijke uitleg en smeeradviezen worden meegegeven. Houd hierbij rekening met de individuele toestand en voorkeur van de patiënt.

2. Antihistaminica zouden kunnen worden overwogen als initiële therapie. Voor doseringsadviezen dient men de bestaande Richtlijn chronische urticaria te raadplegen.

 

NB1: Dit stroomschema hoort bij de module ‘jeuk bij CMN’ van richtlijn ‘Congenitale melanocytaire naevi’. Lees altijd de overwegingen en aanbevelingen van de betreffende module voor nuances, eventuele afwijkende situaties en extra achtergrondinformatie.

NB2: Betrek de patiënt bij de besluitvorming.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten

Het is belangrijk voor zorgverleners om open te staan voor het patiëntenperspectief en samen te werken met patiënten om een behandelplan te ontwikkelen aan de hand van de patientenreis, zoals die internationaal is ontwikkeld voor CMN, die voldoet aan hun individuele behoeften en voorkeuren. Het bespreken van de voor – en nadelen en mogelijke beperkingen van verschillende therapieën, waaronder afwachten, kan helpen om realistische verwachtingen te creëren zodat de patiënt door middel van ‘Samen Beslissen’ de juiste behandeling kan kiezen. Een behandeling die het beste past bij hun levensfase en gezondheidstoestand. 

 

De volgende waarden en overwegingen spelen een rol bij de omgang met jeuk en mogelijke huidklachten.

1. Welzijn en comfort

Jeuk kan de kwaliteit van leven aantasten, zeker wanneer het leidt tot slaapproblemen, concentratieverlies of krabgedrag. Voor patiënten en ouders staat het verlichten van klachten dan ook vaak centraal. Er is veel behoefte aan praktische handvatten om met jeuk om te gaan, vooral wanneer de oorzaak ligt in een droge huid of eczeem.

 

2. Zorgvuldige en milde huidverzorging

Adviezen zijn onder meer: beperkt douchen of baden (2 à 3 keer per week), het liefst zonder zeep, dagelijks insmeren met een verzachtende crème, en bij ernstigere klachten het gebruik van een hormoonzalf op advies van een arts. Vermijden van irriterende stoffen zoals wol, warmte of synthetische kleding wordt aanbevolen. Katoenen, loszittende kleding verdient de voorkeur.

 

3. Kennisdeling en ondersteuning

Ervaringen van andere ouders kunnen steun bieden bij het omgaan met jeuk en eczeem. Het delen van ervaringen in een veilige omgeving, zoals de besloten Facebookpagina van Nevus Netwerk Nederland en lotgenotencontact op de ontmoetingsdagen wordt door de patiëntenvereniging als waardevol beschouwd. Dit bevordert verbondenheid, herkenning en het uitwisselen van praktische tips.

 

4. Deskundige begeleiding

Overleg met een dermatoloog of huisarts is belangrijk voor het opstellen van een passende aanpak, zeker wanneer sprake is van chronische of hevige jeuk.

De norm van persoonsgerichte zorg vraagt om aandacht voor individuele ervaringen met jeuk en een aanpak op maat, waarbij zowel fysieke als psychosociale aspecten worden meegenomen.

 

Nevus Netwerk Nederland heeft geen specifieke informatie voor jeuk en verwijst door naar VMCE (vereniging voor mensen met constitutioneel eczeem).

 

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid

Over het algemeen zijn de meeste behandelopties bij jeuk in een CMN aanvaardbaar en haalbaar vanwege hun gemakkelijke toepassing en relatief lage kosten.

Wat betreft psychologische behandeling kan allereerst gekeken worden naar de beschikbaarheid van medische psychologie in het ziekenhuis. Bij onvoldoende capaciteit en/of praktische bezwaren (reistijd) wordt geadviseerd te overleggen met de huisarts voor een geschikte psycholoog in de buurt. Zie ook de website Sectie Medische psychologie - NIP.

Onderbouwing

Congenitale melanocytaire naevi (CMN) zijn aangeboren melanocytaire proliferaties die variëren in grootte, kleur en morfologie. Soms kunnen CMN gepaard gaan met (chronische) jeuk. De oorzaak van deze jeuk is onduidelijk. Mogelijk is de huid door de veranderde architectuur ter plaatse droger of zijn de zenuwinnervatie anders, er zijn meer vrije neurotransmitters zoals acetylcholine, of er zijn meer inflammatoire cellen en hun mediatoren met jeuk tot gevolg (Mahmoud, 2023; Steinhoff, 2022). Dit kan ook weer leiden tot krabben en dit kan soms de start zijn van de jeuk-krab-cyclus. Ook wordt soms jeuk bij de CMN gezien bij een folliculitis beeld (zoals wordt gezien bij acne) of na een litteken. Daarnaast kunnen mensen met een CMN vaak niet zweten. Het is onduidelijk of dit komt doordat de zweetklieren niet zijn aangelegd of dat door de veranderde architectuur in het hamartoom het zweet niet weg kan hetgeen tot een irritatie dermatitis kan leiden. Soms kan jeuk ook een teken zijn van melanoom.

In de richtlijn jeuk wordt beschreven dat jeuk op zich een veelvoorkomende klacht is en geassocieerd met veel verschillende (huid)ziekten. De prevalentie lijkt met de leeftijd toe te nemen, hoewel er geen goed opgezette epidemiologische studies zijn verricht waaruit dit blijkt. Jeuk is vaak een moeilijk te behandelen symptoom en kan leiden tot een hoge ziektelast en impact op de kwaliteit van leven.

 

De termen jeuk en pruritus worden als synoniemen beschouwd. Jeuk is gedefinieerd als de sensatie die krabben uitlokt. Dit kan echter ook wrijven, knijpen of anderszins beschadigen van de huid zijn, met of zonder hulp van een voorwerp. Als het langer dan 6 weken aanhoudt, spreekt men van chronische jeuk). Soms wordt er ook in CMN’s chronische jeuk gediagnosticeerd.

 

Chronische jeuk kan voorkomen als symptoom bij patiënten met een huidaandoening, maar kan ook een uiting zijn van systemische, neurologische en psychiatrische aandoeningen of een combinatie daarvan. Bij sommige oorzaken kan de huid er geheel normaal uitzien, of zijn alleen secundaire huidafwijkingen zoals excoriaties en bulten als gevolg van krabben. Daarom is het van belang ook bij een CMN het diagnostisch proces bij de jeuk te doorlopen. Als bij de diagnostiek blijkt dat jeuk alleen ter plaatse van de CMN aanwezig is het meest waarschijnlijk dat de CMN zelf ook de oorzaak van de jeuk is. Wanneer een CMN behandeld is kan er bijvoorbeeld ook in het litteken chronische jeuk ontstaan (zie aanvullende adviezen met betrekking tot jeuk in een litteken in de richtlijn Behandeling van littekenhypertrofie ).In deze module richten we ons vooral op de jeuk in de CMN zelf.

 

Ook van belang is het om de impact en ernst van de jeuk uitgebreid te bevragen: heeft de patiënt bijvoorbeeld slaapproblemen, wat is de impact van de jeuk in het dagelijks leven?

 

Een visueel-analoge schaal (VAS) of numerieke ‘rating scale’ (NRS) zijn eenvoudige en behulpzame instrumenten om de intensiteit van de jeuk in kaart te brengen en te volgen in de praktijk.

Niet van toepassing.

Niet van toepassing.

Voor deze vraag is een systematische literatuuranalyse verricht in de elektronische databases Embase en Medline. De zoekstrategie is te vinden onder het kopje Zoekverantwoording. Studies werden geïncludeerd wanneer deze overeenkwamen met de elementen van de PICO en aan de volgende in- en exclusiecriteria voldeden.

 

In de databases Embase.com en Ovid/Medline is tot  met relevante zoektermen systematisch gezocht naar systematische reviews, clinical trials, observationele studies en richtlijnen over de (on-)gunstige effecten op jeuk van verschillende behandelingen bij patiënten met CMN. De literatuurzoekactie leverde 100 unieke treffers op. Na selectie op titel en abstract werden 10 artikelen geïncludeerd. Na full tekst screening werden geen artikelen geïncludeerd.

 

De zoekactie is met behulp van de PICO-systematiek opgebouwd. De zoekvragen hebben de P als gemeenschappelijke onderdeel. De overige onderdelen van de PICO werden geformuleerd op basis van de uitgangsvraag.

 

De volgende afbakening is gebruikt:

P: Patiënten met Congenitale Melanocytaire Naevi
I:
  • Lokale therapieën
  • Systemische therapieën
  • Psychosociale behandeling
C: Placebo, behandelingen met elkaar
O: Jeuk uitkomstmaat, DLQI, bijwerkingen

Uitkomstmaten

De werkgroep definieerde de uitkomstmaten als volgt en hanteerde de in de studies gebruikte

definities.

 

Primair (cruciaal):

  • Jeuk uitkomstmaat (peak 24hr NRS-itch/average 1-week NRS-itch/peak 1-week NRS-itch.

Secundair (belangrijk):

  • DLQI.
  • Bijwerkingen.

Inclusie- en exclusiecriteria

Inclusiecriteria

Exclusiecriteria

Congenitale melanocytaire naevi (in alle synoniemen), alle groottes, alle leeftijden

Verworven melanocytaire naevi, of als niet gespecificeerd was of de naevi congenitaal waren

Nederlandstalige en Engelstalige publicaties

Case reports, letters to the editor, conference abstracts, algemene reviews

Toepassing van een referentiestandaard

 

Systematische reviews, randomized controlled trials (RCT’s) of observationele

studies;

 

Er werden in totaal 10 studies geïncludeerd op basis van beoordeling van titel en abstract. Uiteindelijk zijn er na lezen van de volledige artikelen geen studies geïncludeerd. Specifieke redenen voor exclusie zijn beschreven onder het kopje Evidence tabellen.

 

Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion, gezien het lage aantal bruikbare artikelen. Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van enkele losse ondersteunende artikelen en de richtlijn jeuk.

  1. Psoriasis. Richtlijn. Hoofdstuk indifferente therapie en corticosteroïden. (z.d.). https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/psoriasis/startpagina_-_psoriasis2.html.
  2. Chronische spontane urticaria. Richtlijn. (z.d.).  https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/chronische_spontane_urticaria/chronische_spontane_urticaria_-_korte_beschrijving.html.
  3. Mahmoud O, Oladipo O, Mahmoud RH and Yosipovitch G (2023) Itch: from the skin to the brain – peripheral and central neural sensitization in chronic itch. Front. Mol. Neurosci. 16:1272230. doi: 10.3389/fnmol.2023.1272230.
  4. Nevus Netwerk Nederland. Website. (z.d.). https://nevusnetwerk.nl/.
  5. SteinhoffM.AhmadF.PandeyA.DatsiA.AlHammadiA.al-KhawagaS.et al. (2022). Neuroimmune communication regulating pruritus in atopic dermatitis. J. Allergy Clin. Immunol.149, 1875–1898. doi: 10.1016/j.jaci.2022.03.010.

Niet van toepassing.

 

Geëxcludeerde studies

Artikel

Reden van exclusie

Frigon (2006)

Betreft een case report, geen vergelijkend onderzoek

Garcia-Romero (2013)

Betreft een zeer summiere review en beschrijving van een case report, voldoet niet aan PICO

Jahnke (2021)

Betreft een narrative review met enkele aanbevelingen o.b.v. expert opinion van auteur

Martin (2024)

Voldoet niet aan PICO (intervention/outcome)

Mateuszczyk (2023)

Voldoet niet aan PICO (outcome), geen vergelijkend onderzoek

Neuhaus (2020)

Voldoet niet aan PICO (outcome), geen vergelijkend onderzoek

Rolland (2009)

Voldoet niet aan PICO (outcome), geen vergelijkend onderzoek (case report van 5 cases)

Stephan (2003)

Geen full tekst beschikbaar

Viana (2013)

Betreft een algemene review, voldoet niet aan PICO (outcome)

Zhao (2011)

Geen full tekst beschikbaar

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 19-05-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 19-05-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Landelijke vereniging Medische Psychologie
  • Patiëntenfederatie Naevus Netwerk Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Algemene gegevens

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers.

 

Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Deze richtlijn is bedoeld voor medisch specialisten betrokken bij de zorg voor patiënten met congenitale melanocytaire naevi. Denk in ieder geval aan dermatologen, kinderartsen, neurologen, pathologen, plastisch chirurgen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, huidtherapeuten.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.

Werkgroepleden – herziening richtlijn CMN 2025

Vereniging

S. G. M. A. Pasmans

NVDV

M.P. Dierselhuis

NVK

K. Boshuisen

NVKN

O. Lapid

NVPC

A. L. Mooyaart

­­­NVVP

A. Zirar-Vroegindeweij

LVMP

C. J. A. van Eijsden

NVDV

A. C. Fledderus

NVDV

M. H. G. Dremmen

NVvR

A. J. M. J. Ebus

V&VN VS

E. C. Doganer

Kind & Ziekenhuis

M. van Kessel / E. Petiet

NNN

Ondersteuning werkgroep

Vereniging

W. A. M. Blokx (patholoog)

NVVP

H. B. Thio (dermatoloog)

NVDV

A. Wolkerstorfer (dermatoloog)

NVDV

M. M. Pleumeekers (plastisch chirurg)

NVPC

N. M. van der Lugt (Kinderarts)

NVK

S. M. Koudijs (kinderneuroloog)

NVKN

T. A. Teunissen (arts-onderzoeker NVDV)

NVDV

M. M. A. Verhoeven (senior beleidsadviseur NVDV)

NVDV

Belangenverklaringen

De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

Werkgroeplid

Hoofdfunctie(s)

Nevenfunctie(s)

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Acties (voorstel)

S. G. M. A. Pasmans (voorzitter)

Commissielid van meerdere adviesraden (zeldzame) huidaandoeningen en bestuurslid van ERNS, ESPD, Huidhuis.nl

dermatoloog

Geen

Geen

Wel, maar n.v.t. voor deze richtlijn

Geen, maar automatisch meer zichtbaarheid bij professionals en patiënten

Geen

09-10-2023

 

M.P. Dierselhuis

Kinderoncoloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

K. Boshuisen

Kinderneuroloog         

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

14-05-2024

 

O. Lapid

Plastisch chirurg

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

A. L. Mooyaart

Patholoog

N.v.t. op deze richtlijn

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-05-2024

 

A. Zirar-Vroegindeweij

GZ psycholoog

 

Docent bij PROSA kenniscentrum

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

C. J. A. van Eijsden

Dermatoloog

Lid domeingroep dermatochirurgie en lasers, kindermodule hyperhidrosis. Beide onbetaald

Geen

Geen

Geen

Geen, geeft wel maandelijks supervisie van naevus spreekuren

Geen

28-03-2024

Geen actie nodig

A. C. Fledderus

Schrijven aan richtlijn

AIOS dermatologie MUMC Maastricht

Geen

Geen

Onderzoek naar CMN kernuitkomstmaten wordt gefinancierd door stichting vrienden van het Sophia.

Geen

Geen

05-02-2025

Geen

M. H.G. Dremmen

Erasmus MC, radioloog (kinderradioloog)

Lid van meerdere richtlijn werkgroepen (vergoeding naar afdeling)

Presentaties geven op cursussen / congressen / onderwijs (vergoeding naar afdeling)

Geen

Geen

Lid van Generation R onderzoeksgroep, deels gefinancierd door ZonMw subsidie

Geen

Geen

13-01-2026

Geen

A. J. M. J. Ebus

Verpleegkundig specialist VieCuri

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-01-25

 

E. C. Doganer

Projectmanager/beleidsmedewerker

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-05-2024

 

M. van Kessel

Bestuurslid patiëntenorganisatie NNN

Inval leerkracht basisonderwijs

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

E. Petiet

Consultant bij Rebel Strong Society B.V. – Full time

Bestuurslid bij NNN

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

10-04-2024

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting.

 

Reeds sinds de start van het richtlijntraject is de patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) zeer betrokken geweest bij de totstandkoming van deze richtlijn, door afvaarding van een bestuurslid in de werkgroep. Zij zijn in deze hoedanigheid tijdens het gehele richtlijntraject betrokken geweest, door actieve participatie tijdens werkgroepvergaderingen, en het aandragen van knelpunten die vanuit patiëntenperspectief van groot belang zijn, evenals het deelgenoot maken van lopende initiatieven in het veld. Nevus Netwerk Nederland heeft ook zijn fiat verleend aan de inhoud van de richtlijn.

 

Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst Raming

Toelichting

Behandeling van jeuk bij CMN

Geen substantiële financiële gevolgen

Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in de bijlagen per module.

Werkwijze

Agree

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.

 

Knelpuntenanalyse

In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerden van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar tabel 1. 

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Zoekverantwoording bij elke module.  

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

GRADE

Definitie

Hoog

 

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

 

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

 

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

 

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).

 

Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)

Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen, 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse-onderzoek

Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek)

 

 

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen, 2004).

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Indicatorontwikkeling

Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlagen bij elke module).

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.

Zoekverantwoording

Zoekopbrengst

Database

EMBASE

OVID/Medline

Ontdubbeld

Systematic Reviews

3

0

3

RCT

7

0

7

Observationele studies

17

12

26

Overig

35

43

64

Netto aantal

 

 

100

Zoekstrategie - 6 september 2024

Embase.com

Resultaten = 62

 

Zoektermen

  1. ('congenital disorders of the skin, skin appendages and subcutaneous tissue'/de OR 'congenital disorder'/de OR 'congenital malformation'/de) AND 'nevus'/exp OR 'congenital nevus'/exp OR 'giant congenital melanocytic nevus'/exp OR (((tierfell OR garment OR giant) NEAR/3 (nevi OR nevus OR naevi OR naevus OR mole OR moles OR birthmark*)):ti,ab,kw) OR ((congenital NEAR/4 (naevi OR nevus OR naevus OR nevi OR mole OR moles OR melanocytic OR birthmark*)):ti,ab,kw)
  2. 'pruritus'/exp OR prurit*:ti,ab,kw OR itch*:ti,ab,kw OR prurigo:ti,ab,kw
  3. #1 AND #2
  4. #3 NOT ('conference abstract'/it OR 'editorial'/it OR 'letter'/it OR 'note'/it) NOT (('animal'/exp OR 'animal experiment'/exp OR 'animal model'/exp OR 'nonhuman'/exp) NOT 'human'/exp)

Ovid/Medline

Resultaten = 55

 

Zoektermen

  1. (exp Nevus/ and exp "Congenital, Hereditary, and Neonatal Diseases and Abnormalities"/) or ((tierfell or garment or giant) adj3 (nevi or nevus or naevi or naevus or mole or moles or birthmark*)).ti,ab,kf. or ((congenital or giant or melanocytic) adj4 (naevi or nevus or naevus or nevi or mole or moles or birthmark*)).ti,ab,kf.
  2. Prurigo/ or Pruritus/ or prurit*.ti,ab,kf. or itch*.ti,ab,kf. or prurigo.ti,ab,kf.
  3. 1 and 2
  4. 3 not ((exp animals/ or exp models, animal/) not humans/) not (letter/ or comment/ or editorial/)
Volgende:
Psychosociale begeleiding