Afweging van de onderzoeksbevindingen bij alcoholmisbruik
Uitgangsvraag
Hoe worden de onderzoeksbevindingen door de psychiater afgewogen om alcoholmisbruik aan te tonen in het kader van onderzoek naar rijgeschiktheidskeuringen?
Aanbeveling
Zorg in de rapportage dat het vaststellen van alcoholmisbruik gebaseerd is op een onderzoek dat ten minste bestaat uit:
- Gegevens vanuit de aanhoudings- en/of eventuele voorgeschiedenis (in het kader van rijgeschiktheid);
- De anamnese;
- Het psychiatrisch onderzoek;
- Het lichamelijk onderzoek;
- Het laboratoriumonderzoek;
- Eventueel benodigde aanvullende informatie
Zorg er als beoordelend psychiater voor dat de laboratoriumuitslagen bekend zijn tijdens het onderzoek.
Zorg voor een zorgvuldige onderbouwing van de diagnose ‘alcoholmisbruik’ (formeel ‘stoornis in het gebruik van middelen, c.q. alcohol’ conform DSM 5), dan wel de diagnose ‘alcoholmisbruik op grond van alle klinische gegevens’. Daarbij dient de conclusie alcoholmisbruik goed en specifiek op de casus van toepassing te zijn, en te zijn onderbouwd zonder dat er ruimte is voor andere interpretaties of te vage algemeenheden.
Vermeld in geval van een diagnose alcoholmisbruik in het kader van de Mededelingenprocedure of er sprake is van een stopdatum.
Vermeld in geval van een diagnose alcoholmisbruik in het kader van de Gezondheidsverklaringsprocedure of er sprake dient te zijn van een termijnbeperking.
Vermeld in geval van alcoholmisbruik in de afgelopen 12 maanden of er sprake is van een stopdatum.
Overwegingen
Balans tussen gewenste en ongewenste effecten
1. Gegevens vanuit het keuringsverzoek
a. De voorgeschiedenis van de aanhouding(en)
In de afweging hier telt onder andere mee of betrokkene al eerder - kort of langer tevoren - één of meerdere keren is aangehouden met alcohol in het verkeer. Zo ja, met welk(e) promillage(s). Twee (of meer) aanhoudingen binnen een jaar vormen een zeer zwaarwegende factor: hier is sprake van het gevaarscriterium in de DSM 5. Had betrokkende al een (L)EMA-cursus gedaan voorafgaande aan de aanhouding? Is er al eerder een onderzoek naar alcoholmisbruik in het kader van een rijgeschiktheidskeuring geweest en, zo ja, wat waren de feiten daarin en wat was de uitslag daarvan; zit betrokkene reeds in een termijnbeperkingsperiode?
b. De aanhouding zelf
Naast het promillage / het ademalcoholgehalte en de eventuele verdere gegevens zoals deze door het CBR zijn aangeleverd, worden uit de anamnese gegevens verkregen: het verhaal van betrokkene over de aanhouding, de omstandigheden, het voorafgaande alcoholgebruik. Hierbij is van belang hoe deze gegevens zich tot elkaar verhouden tot de overige gegevens uit het onderzoek; geloofwaardigheid, verantwoordelijkheidsgevoel en consistentie van het betoog van betrokkene spelen immers alle een belangrijke rol. Als er inconsistenties tussen de gegevens zijn dan dienen die geleid te hebben tot -face-to face- confrontaties en heldere conclusies daarop gebaseerd. De bevinding alcoholtolerantie kan niet op grond van de hoogte van het alcoholpromillage bij aanhouding worden gesteld. De Raad van State acht dit onjuist. In dit kader dienen de aanhoudingsgegevens ook meegewogen te worden. Bv. de waarneming van de politie in het proces-verbaal van de aanhouding. Wanneer de politie de waarneming had dat de bestuurder zwaar onder invloed was en B stelt dat hij geen effect van alcohol heeft bemerkt zijn confrontatie en nader uitvragen aangewezen.
Ten aanzien van de onderrapportage is het ook belangrijk dat dit goed wordt uitgevraagd, bv. wat voor alcohol heeft betrokkene gedronken, wat waren aantal en grootte van de glazen (waren dat standaard horeca eenheden?), wat was het alcoholpercentage?
Indien sprake is van een onderzoek in het kader van een gezondheidsverklaring zal de nadruk niet direct liggen op voorafgaande aanhouding(en) maar op het alcoholgebruik in de vereiste recidiefvrije periode van een of drie jaar; ook zal in dat geval een onderbouwd advies moeten worden gegeven over een eventuele termijnbeperking (zie de module ‘Anamnese’).
2. De anamnese
a. De speciële alcoholanamnese van betrokkene over de periode voorafgaande aan de aanhouding
Voor de DSM-5 wordt in de rapportage - per definitie - een aan de aanhouding voorafgaande periode van één jaar gehanteerd. Voor de overige delen van de anamnese baseert de psychiater zich op lifetime gegevens. Uiteraard is van groot belang of sprake is van overmatig drankgebruik in de periode voorafgaand aan de aanhouding.
b. De alcoholanamnese van betrokkene over de periode ná de aanhouding
Het betreft hier de periode tussen de aanhouding en het onderzoek, dat meestal enkele maanden later dan de aanhouding plaatsvindt. Hier gaat het om te bepalen of volgens betrokkene sprake is van het stoppen van het overmatig drankgebruik, indien sprake was van alcoholmisbruik ten tijde of voorafgaand aan de laatste aanhouding. Ook hier is weer van belang of de verkregen gegevens consistent en geloofwaardig zijn in het licht van de overige bevindingen van het onderzoek, in het bijzonder de bevindingen bij lichamelijk en laboratoriumonderzoek. Bij inconsistenties moet betrokkene daar tijdens het onderzoek mee worden geconfronteerd; vandaar dat het van belang is dat ten tijde van het onderzoek de laboratoriumuitslagen bekend zijn. Aangezien dit 1-3 weken kan duren, is het van belang de afspraak zeker 3 weken na binnenkomst van het keuringsverzoek te plannen. Het mag niet zo zijn dat het onderzoek en de bloedafname op dezelfde dag door de psychiater worden gepland aangezien dan de labuitslagen niet bekend zijn tijdens het onderzoek en een eventuele confrontatie ermee niet face-to face- kan plaasvinden. Als die uitslagen niet beschikbaar zijn tijdens het onderzoek dan dient -in geval van afwijkingen - een eventuele confrontatie alsnog plaats te vinden; het onderzoek is immers onaf zonder die confrontatie en daaruit volgende conclusie(s).
c. De psychiatrische anamnese
Komen er uit de psychiatrische anamnese feiten naar voren die aanleiding kunnen geven tot alcoholmisbruik? Of zijn er psychische klachten die het gevolg daarvan kunnen zijn? Of zijn er (al eerder bestaande) psychische klachten waarbij overmatig alcoholgebruik schadelijk of onderhoudend kan zijn. Is er een psychiatrische diagnose bij betrokkene bekend of te vermoeden? Is er sprake van drugsgebruik? De combinatie van alcohol- en drugsgebruik verdient eventueel (in elk geval anamnestisch en laboratorium) aanvullend onderzoek, en mogelijk zelfs een aparte paragraaf in de rapportage.
d. Somatische anamnese
Komen er uit de somatische anamnese feiten die aanwijzingen vormen voor alcoholmisbruik? Is er sprake van (al eerder bestaande) lichamelijke klachten waarbij overmatig alcoholgebruik schadelijk kan zijn voor de lichamelijke toestand van betrokkene? Is er een (al eerder bestaande) lichamelijke ziekte met een relatie tot overmatig alcoholgebruik, waarmee in de beoordeling rekening moet worden gehouden of waarover nadere informatie opgevraagd dient te worden?
e. Medicatie
- Is er sprake van medicijngebruik waardoor de combinatie met alcohol niet aangewezen is of het gebruik van al dan niet overmatige hoeveelheden alcohol de gezondheid schaadt of kan schaden?
- Heeft betrokkene een advies van de huis- of behandelend arts gehad om geen alcohol te gebruiken? Zie voor medicijngebruik dat effect kan hebben op het ingezette laboratoriumonderzoek module ‘Laboratoriumonderzoek’.
f. Biografische anamnese
Komen er uit de biografische anamnese items naar voren die te maken kunnen hebben met alcoholgebruik. Is er familiaire belasting voor alcoholmisbruik, zo ja, betreft dit een eerste- tweede- of derdegraads familielid? Zijn er sociale omstandigheden van belang?
g. Sociale anamnese
Komen er uit de sociale anamnese (opleiding, werk, relaties, financiën, huisvesting) factoren die in combinatie met overmatig alcoholgebruik schadelijk zijn of problemen hebben opgeleverd?
h. DSM-5 criteria aangaande de periode van een jaar voorafgaande aan de aanhouding
De onderzoekend psychiater gaat in het onderzoek expliciet de DSM-5 items na en geeft daarvan blijk in de rapportage en beoordeelt of er sprake is van een stoornis in het gebruik van alcohol volgens de criteria van de DSM-5 en tot een classificatie binnen het DSM-systeem leidt.
De conclusie uit dit item is: al dan niet een stoornis in het gebruik van middelen op grond van de DSM-5 (alcohol) en zo ja, uitgedrukt in de mate van ernst:
Geen: 0 tot 1 symptoom
Licht: 2 tot 3 symptomen
Matig: 4 tot 5 symptomen
Ernstig: 6 of meer symptomen
Zoals beschreven in de inleiding en de module ‘Anamnese’ behoeven de vaststelling alcoholmisbruik (op grond van alle gegevens) en de classificatie niet altijd overeen te komen. Dit omdat de beoordeling van de vaststelling van alcoholmisbruik in het kader van onderzoek naar de rijgeschiktheid meer omvat dan alleen gericht op een DSM-classificatie. Dit betekent dat de psychiater op grond van zorgvuldig onderzoek, tot het oordeel alcoholmisbruik kan komen, terwijl de optelsom van de DSM-5 criteria onvoldoende is voor de classificatie ‘stoornis in het gebruik van alcohol’. In dat geval kan sprake zijn van ‘alcoholmisbruik op grond van alle klinische gegevens’
3. Psychiatrisch onderzoek
In de module ‘Anamnese’ is beschreven welke items de psychiater nagaat tijdens het psychiatrisch onderzoek. Naast de gebruikelijke items zoals vermeld, wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de consistentie en geloofwaardigheid van de anamnese, de attitude van betrokkene ten aanzien van de aanhouding(en) en diens houding ten opzichte van het alcoholgebruik voorafgaande aan en volgend op de aanhouding(en), de beheersing van het alcoholgebruik, besef en inzicht in de risico’s van alcoholgebruik en het verantwoordelijkheidsgevoel. De focus is hier (uiteraard) een inschatting van het risico op herhaling van alcoholmisbruik in combinatie met verkeersdeelname.
4. Lichamelijk onderzoek
Lichamelijk onderzoek kan aanwijzingen opleveren voor alcoholmisbruik (zie de module ‘Lichamelijk onderzoek’): uiterlijke kenmerken van betrokkene, maar ook bijvoorbeeld een vergrote lever en een hoge bloeddruk. Voor de juiste interpretatie van de uit de genoemde delen van het onderzoek verkregen gegevens kunnen lengte en gewicht en al dan niet dagelijks nicotinegebruik van belang zijn.
Mochten er uit het lichamelijk onderzoek feiten of bevindingen komen die een mogelijk of duidelijk gezondheidsrisico voor betrokkene betreffen en verdere actie behoeven kan betrokkene geadviseerd worden hierover contact op te nemen met de huisarts; uiteraard is dat vervolgens de primaire verantwoordelijkheid van betrokkene.
5. Laboratoriumonderzoek
In de module ‘Laboratoriumonderzoek’ is beschreven dat de psychiater CDT en GGT laat bepalen door het laboratorium. De uitslagen moeten gezien de confrontatie-eisen tijdens het onderzoek aanwezig zijn; althans er moet aantoonbaar naar gestreefd zijn. Dat betekent dus dat bloedafname niet tijdens het onderzoek mag worden gepland (hoe ‘sympathiek’ dat ook lijkt voor betrokkene) maar 3 weken voor het psychiatrisch onderzoek aangezien laboratoria 1-3 weken nodig hebben voor het aanleveren van de uitslagen (zie ook eerder). En als de uitslagen er niet zijn tijdens het onderzoek zal zeker achteraf confrontatie moeten plaatsvinden als de uitslagen daar ook maar enigszins aanleiding toe geven.
Naast de correcte interpretatie van de uitslagen gaat het vervolgens om de weging van deze gegevens in het licht van de overige onderzoeksgegevens. Hierbij spelen consistentie en geloofwaardigheid van de anamnese een rol, met name natuurlijk als de laboratoriumuitslagen wijzen op alcoholmisbruik en in de anamnese overmatig alcoholgebruik wordt ontkend. Hierbij dient opgemerkt te worden dat daar waar afwijkende laboratoriumresultaten een aanwijzing of sterke aanduiding kunnen vormen voor alcoholmisbruik de omgekeerde redenering voorzichtig gehanteerd moet worden. Niet-afwijkende laboratoriumresultaten pleiten niet altijd tegen het vaststellen van alcoholmisbruik omdat een periode van minimaal een week alcohol abstinentie (voorafgaand aan de bloedafname) kan leiden tot normalisering van de waarden(1).
Betrokkene dient - zoals gezegd – tijdens het onderzoek door de psychiater geconfronteerd te kunnen worden met afwijkende uitslagen, het resultaat van die confrontatie kan nieuwe gegevens opleveren. Ook kunnen anamnestische of via de behandelend arts van betrokkene verkregen gegevens over een bestaande lichamelijke ziekte van belang zijn die mogelijk afwijkende laboratoriumuitslagen kunnen verklaren.
Mochten er uit het laboratoriumonderzoek feiten of bevindingen komen die een mogelijk of duidelijk gezondheidsrisico voor betrokkene betreffen en verdere actie behoeven behoort betrokkene geadviseerd te worden hierover contact op te nemen met de huisarts; uiteraard is dat vervolgens de primaire verantwoordelijkheid van betrokkene.
1. ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339.
6. Aanvullend onderzoek
Indien daar aanleiding toe is kan de onderzoekend psychiater aanvullend onderzoek gelasten of aanvullende informatie opvragen.
Zo kan bijvoorbeeld een hetero-anamnese gevraagd worden van een familielid. De onderzoekend psychiater kan, aan de hand van een gerichte vraagstelling, ook aanvullende informatie opvragen (mondeling of schriftelijk, bij voorkeur schriftelijk) van de huisarts, een specialist (bijvoorbeeld bij leverziekte), een instelling voor verslavingszorg (bijvoorbeeld in geval van een behandeling wegens alcoholmisbruik), een behandelend psycholoog of psychiater -indien daar sprake van is of indien daar aanleiding toe is-.
Een neuro-psychologisch onderzoek kan worden gevraagd indien bijvoorbeeld aan de verstandelijke vermogens van betrokkene wordt getwijfeld of er aanwijzingen zijn voor cognitieve defecten (bijvoorbeeld de ziekte van Korsakov) of andere psychische aandoeningen.
Uiteraard kan het opvragen van informatie of gelasten van nader onderzoek uitsluitend gebeuren met toestemming van betrokkene, terwijl het weigeren daaraan mee te werken gevolgen kan hebben voor het oordeel of het advies.
Indien betrokkene onvoldoende meewerkt aan het onderzoek zal het CBR in het algemeen tot een negatief oordeel besluiten. Het CBR neemt dan een besluit tot ongeldigverklaring van het rijbewijs vanwege het niet voldoende meewerken aan het onderzoek (mededelingenprocedure) of gaat niet over tot afgifte van een verklaring van Geschiktheid (in de gezondheidsverklaringsprocedure) omdat er geen volledige rapportage aangeleverd wordt.
Samenvattend
Voor het vaststellen van alcoholmisbruik, zoals in de wet bedoeld (en eventueel een advies van de onderzoekend psychiater over de rijgeschiktheid van betrokkene vanwege alcoholmisbruik) is een compleet onderzoek nodig in fysieke aanwezigheid van betrokkene (dus niet met beeldbellen/telefonisch). Dat onderzoek bestaat uit een aantal onderdelen. Zoals in deze module inzichtelijk is gemaakt wordt het oordeel over alcoholmisbruik gebaseerd op een afweging van de bevindingen uit deze onderdelen. De conclusie ‘alcoholmisbruik op grond van alle klinische gegevens’ en/of ‘alcoholmisbruik conform de DSM 5’ is daarbij het resultaat van de totaal-overweging waarbij de afzonderlijke gegevens steeds in het licht van andere gegevens zijn afgewogen en bezien.
Er zijn situaties waarin alcoholmisbruik duidelijk is, maar in bepaalde cases zal het beeld niet direct duidelijk zijn. Dan is er geen zwart/wit situatie en zal de psychiater zijn oordeel moeten baseren op feiten en bevindingen die aan beide kanten van de overwegingsbalans gewicht leggen. In dit kader is een recente uitspraak van de Raad van State van belang: De afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is van oordeel dat voor het vaststellen van alcoholmisbruik minstens twee omstandigheden moeten worden aangewezen(2).
Al met al: zorgvuldig onderzoek, het wegen van bevindingen, het in samenhang beschouwen ervan, veel en regelmatige ervaring en een strenge opstelling en beoordeling zijn dan de noodzakelijke ingrediënten. Het belang van dit onderzoek betreft de verkeersveiligheid voor allen waarbij het focus ligt op een onderbouwde inschatting van het risico op herhaling van overmatig alcoholgebruik tijdens verkeersdeelname bij betrokkene.
De noodzakelijke ingrediënten zijn enerzijds een zorgvuldig onderzoek en anderzijds de weging en het in samenhang beschouwen van de feiten en de bevindingen. Daarbij is het niet de bedoeling dat meerdere aanwijzingen worden gebaseerd op een enkel feit of een enkele bevinding. Van de psychiater wordt veel en regelmatige ervaring verwacht met dit onderzoek en een strenge opstelling en beoordeling. Indien de beoordeling leidt tot de diagnose alcoholmisbruik zijn minstens twee relevante ondersteunende omstandigheden van belang. In het belang van de verkeersveiligheid voor allen, is de focus van het onderzoek het risico op herhaling van overmatig alcoholgebruik tijdens verkeersdeelname bij betrokkene, blijkend uit minstens twee ondersteunende omstandigheden(3).
2. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State 12 juni 2019, zaaknr. 201803925/1/A2, ECLI: NL:RVS: 2019:1893.
3. ABRvS 24 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1339.
Kwaliteit van bewijs
De kwaliteit van het bewijs kon niet worden vastgesteld.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)
De afweging van onderzoeksbevindingen naar alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen betreffen geen voorkeursgevoelige beslissing. Dit oordeel is louter aan de psychiater. Dit onderdeel van het evidence to decision framework is daarmee niet van toepassing binnen dit hoofdstuk.
Kostenaspecten
Kostenaspecten spelen bij de afweging van onderzoeksbevindingen naar alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen geen rol die van invloed is op deze afweging.
Aanvaardbaarheid: Ethische aanvaardbaarheid en duurzaamheid
Ethische aspecten en duurzaamheid spelen bij de afweging van onderzoeksbevindingen naar alcoholmisbruik in het kader van rijgeschiktheidskeuringen geen rol die van invloed is op deze afweging.
Een belangrijke ethische kanttekening die de werkgroep hierbij wil plaatsen is dat de onderzoekend psychiater zich houdt aan de algemeen geldende normen en waarden zoals toegepast in de medisch specialistische rapportage (en de daartoe leidende onderzoeken) in het algemeen (zie ook, Richtlijn van de Nederlandse Vereniging van Medisch Specialisten, 2024). Hierin staat onder andere dat het resultaat van de confrontaties met betrokkene naar aanleiding van conflicterende gegevens moet worden vermeld, zie onder.
|
Confrontatie met betrokkene in het kader van de rijgeschiktheidskeuringen is zeker nodig als:
|
Voorbeeld 1: enkel het feit van een verhoogd promillage bij een eenmalige aanhouding is niet genoeg voor een conclusie alcoholmisbruik maar als er sprake is van persistentie en/of specifieke afwijkingen bij laboratoriumonderzoek zijn er twee (of meer) omstandigheden.
Voorbeeld 2: een aanhouding wegens het rijden onder invloed nadat eerder EMA is opgelegd vormt op zichzelf onvoldoende grond voor de conclusie alcoholmisbruik. Er moeten ondersteunende elementen zijn.
Haalbaarheid
Mogelijk zullen de aanbevelingen leiden tot logistieke uitdagingen, zoals de planning van het laboratoriumonderzoek zodat de uitslagen bekend zijn zodra de daadwerkelijke beoordeling van de psychiater plaatsvindt. De werkgroep acht dit niet opwegen tegen de winst in kwaliteit van de rapportage.
Onderbouwing
Besturen van een voertuig onder invloed van alcohol verhoogt de kans op betrokkenheid bij verkeersongevallen. Het aantal doden en gewonden in Nederland als gevolg van alcoholgebruik in het verkeer is niet precies vast te stellen, omdat er niet altijd op alcohol wordt getest (SWOV, 2023). In 2015 vielen er in Nederland ongeveer 75 tot 140 verkeersdoden als gevolg van alcoholgebruik (SWOV, 2016). In totaal vielen er in 2024 675 verkeersdoden in Nederland, wat een lichte daling is ten opzichte van 2023. Van de 25.000 verkeersdoden per jaar in de Europese Unie zijn naar schatting 5.000 doden het gevolg van alcohol. Dit verklaart waarom de Europese Unie en alle lidstaten zich intensief bezighouden met de verkeersveiligheid en het reguleren van alcoholgebruik door bestuurders. Zo gelden voor alle lidstaten dezelfde eisen voor het rijbewijs (Richtlijn 2006/126/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende het rijbewijs). Voorts hebben alle lidstaten bij wet beperkingen gesteld aan de hoeveelheid alcohol die bestuurders van voertuigen mogen gebruiken. Deze wetgeving van de lidstaten richt zich op zowel de aanvragers van een rijbewijs als de bezitters van een rijbewijs, die onder invloed van alcohol worden aangehouden.
Voor deze uitgangsvraag is geen systematische literatuuranalyse met PICO en GRADE beoordeling verricht, omdat het karakter van deze vraag zich niet goed leent voor beantwoording door middel van een systematische review van origineel wetenschappelijk onderzoek.
Methode
Om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden is kennisgenomen van bestaande Richtlijnen en relevante artikelen die bekend waren bij de commissie (zie literatuurlijst).
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 13-07-2026
Beoordeeld op geldigheid : 13-07-2026
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2024 een multidisciplinaire cluster ingesteld. Het cluster Psychiatrie en Diagnostiek bestaat uit meerdere richtlijnen, bekijk hier de actuele clusterindeling. De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden geven hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroepleden
- Prof. dr. A.T.F. Beekman, psychiater, Amsterdam UMC, Amsterdam (NVvP)
- Dr. D.P. Ravelli, psychiater (NVvP)
- Dr. N.D. Veen, psychiater, ggz-Delftland, Delft (NVvP)
- Dr. T.J.M. Ingenhoven, psychiater (NVvP)
- Dr. S.M.P. van Veen, psychiater, Amsterdam UMC, Amsterdam (NVvP)
- Dr. S.J. Roza, psychiater, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam (NVvP)
Betrokken clusterexpertisegroepleden
- Dr. D.P. Ravelli, psychiater (NVvP) (coördinerend stuurgroeplid)
- Drs. F.J.M. Bergkamp, klinisch chemicus, Atalmedial (NVKC)
- Dr. J.P.M. Wielders, klinisch chemicus (senior lid, NVKC)
Met dank aan
- Dr. L.H.J. Jacobs, klinisch chemicus, Meander Medisch Centrum (NVKC)
- Dr. J.M.W. van den Ouweland, klinisch chemicus, Dicoon (NVKC)
- Mr. E. van Pernis, manager bezwaar en beroep divisie rijgeschiktheid CBR
- R.A. Bredewoud, arts, hoofd medische zaken CBR
Met ondersteuning van
- Dr. L.C. Houtepen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. B. Vogelaar, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. M. Lenaers, junior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- E. (Esther) van der Bijl, informatiespecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Datum |
Restrictie |
|
Sisco van Veen |
Psychiater bij ggz ingeest en postdoctoraal onderzoeker bij het Amsterdam UMC en 113 zelfmoordpreventie. |
* Bestuurslid ThaNet. * Podcastmaker bij Prelum uitgevers. * Dagvoorzitter bij BSL uitgevers. |
Geen |
Geen |
Mijn onderzoek wordt mede gefinancierd door de NVVE en stichting VCVGZ. Voor de bestuursfunctie bij ThaNet ontvang het Amsterdam UMC vacatiegelden via het UMC Groningen vanuit min VWS. *NVVE: Persisterende doodswensen, projectleider. *Suicidaliteit bij mensen met een psychiatrische eutheanasiewens, projectleider |
Geen |
04-06-2024 |
Alle moduleteksten en aanbevelingen werden besproken in de stuurgroep onder voorzitterschap van Aartjan Beekman, alvorens ze zijn vastgesteld. |
|
Natalie Veen |
psychiater, opleider, GGZ Delfland |
commissie lid geschillen commissie (onbezoldigd) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
11-06-2024 |
Geen restricties |
|
Theo Ingenhoven |
Arkin, NPI, Amsterdam |
ZZPer en docent bij RINO |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
22-11-2024 |
Geen restricties |
|
Aartjan Beekman (voorzitter) |
Amsterdam UMC hoogleraar psychiatrie |
Raad van Toezicht Informatie Voorziening Zorg Raad van Toezicht NIVEL Stuurgroep landelijke agenda Suicidepreventie Diverse onderzoeksconsortia en gerelateerde stuurgroepn Referee voor diverse wetenschapopelijke bladen en onderzoeksorganisaties. |
Geen |
Geen |
De afgelopen drie jaar geen onderzoek gefinancierd door de farmaceutische industrie of door andere commerciële partijen. |
Ik heb in het verleden verschillende functies gehad bij de NVvP – o.a. voorzitter geweest tussen 2012 en 2016. |
22-07-2024 |
Geen restricties |
|
Dick Ravelli |
Directeur behandeling Max Ernst GGZ (2006) 0,4 fte. Lector Academie Beleidspsychiatrie(1999) 0,1 fte. Lid klachtencommissie GGZ Centraal (2020) 0,1 fte. Keurend specialist voor CBR (1999) 0,2 fte. |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
06-10-2025 |
Geen restricties |
|
Sabine Roza |
Universitair Hoofddocent Forensische Psychiatrie bij Erasmus MC: 8 uur per week (betaald) Universitair Hoofddocent Forensische Psychiatrie bij Erasmus MC: 8 uur per week (betaald) Psychiater en directeur Pieter Baan Centrum bij Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie (onderdeel van Dienst Justitiële Inrichtingen, bij Ministerie van Justitie & Veiligheid): 32 uur / week (betaald). |
Gerechtelijk deskundige in strafzaken Jeugd en strafzaken Volwassenen (binnen dienstverband NIFP en als zzp (betaald).
Lid Adviescollege Verloftoetsing tbs (betaald). Toetser Nederland Register voor Gerechtelijk Deskundigen (betaald). |
Geen |
Geen |
Financier 1: Stichting tot Steun VCVGZ: Niet-aangeboren hersenletsel bij forensisch-psychiatrische patienten.
Financier 2: Stichting tot Steun VCVGZ: Sekseverschillen in delictgedrag, projectleider. raakt slechts indirect aan de richtlijn Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken. Financier 3: ZonMW: Regionale kenniswerkplaats Onbegrepen Gedrag rotterdam-Rijnmond. |
Uitsluitend t.a.v. de richtlijn Psychiatrisch onderzoek en rapportage in strafzaken is vanwege mijn forensisch-psychiatrische expertise en reputatie hiervan enig voordeel te verwachten. |
15-08-2024 |
Geen restricties |
Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Datum |
Restrictie |
|
Jos Wielders |
Geen werkgever meer wegens pensioen. Laatste functie van medisch manager lab Klinische Chemie, Meander Medisch Centrum, Amersfoort |
Voorzitter WG CDT standaardisatie van de Int. Federation Clinical Chemistry. Onbetaalde wetenschappelijke nevenfunctie voor opgeteld ca 2 weken per jaar. |
Geen financieel belang bij het effect van de Richtlijn op het gebruik van biomarkers CDT en GGT door laboratoria of opdrachtgevers (Psychiaters / CBR) |
Geen familie of vrienden, collega's die een financieel belang hebben, |
Niet van toepassing |
Uitkomst richtlijn heeft geen effect. |
Niet van toepassing |
30-04-2025 |
Geen restricties |
|
Ferry Bergkamp |
Klinisch chemicus Atalmedail Amsterdam (betaald hoofdwerkzaamheden) |
Voorzitter WG CDT van de NVKC. Onbetaalde wetenschappelijke nevenfunctie voor opgeteld ca 1 week per jaar. |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
06-06-2024 |
Geen restricties |
Inbreng patiëntenperspectief
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Afweging van de onderzoeksbevindingen bij alcoholmisbruik |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.