Pijnbestrijding
Uitgangsvraag
Wat is de optimale vorm van pijnbestrijding (en ondersteunende therapieën zoals infuus, sondevoeding, katheterisatie) bij mensen met mpox?
Aanbeveling
- Vraag bij elk contact aan een patiënt met mpox naar pijn en jeuk. Vraag hierbij in ieder geval naar locatie, ernst (NRS), karakter en eventueel effect van ingezette behandeling.
- Start bij pijn met paracetamol en/of een NSAID.
- Voeg bij heftige pijn of onvoldoende effect van bovenstaande een opioïd toe. Voor gepast gebruik van opioïden zie de Generieke richtlijnmodule gepast opioïdengebruik - Richtlijnendatabase.
- Voorkom obstipatie door laagdrempelig ontlastingverzachters of laxantia te geven.
- Bij neuropathische pijn: start met of voeg medicatie gericht op neuropathische pijn toe, zoals gabapentine.
- Overleg met een pijnspecialist bij onbekendheid met het behandelen van pijn of onvoldoende reactie op ingestelde therapie.
- Wees alert op complicaties ten gevolge van pijn of de laesies:
-
- Urineretentie bij laesies op penis of bij urethra. Overweeg hierbij het plaatsen van een urinekatheter volgens de richtlijn Blaaskatheterisatie -Richtlijnendatabase. Vraag bij een vermoedelijk lastige plaatsing een expert zoals uroloog.
- Dehydratie bij orofaryngeale laesies en/of gastro-intestinaal verlies.
- Obstipatie.
- Overweeg gebruik van topicale therapie in specifieke situaties en slechts kortdurend. Zie hiervoor ook tabel 1 onder het kopje Overwegingen.
Overwegingen
Kwaliteit van het bewijs
De WHO-richtlijn voor mpox is gebruikt als referentie bij het uitwerken van de overwegingen. Zie ook WHO guideline mpox
Mpox kan ernstige pijn veroorzaken. De pijn wordt meestal omschreven als brandend (Hallo-Carasco, 2023) of brandend en stekend (Hans, 2022). Het lijkt zowel van nociceptieve als neuropathische (Billioux, 2022) aard te zijn. Somatische-nociceptieve pijn is pijn door weefselschade. Hierbij worden perifere pijnreceptoren geactiveerd. Voorbeelden hiervan zijn pijn die ontstaat in bijvoorbeeld de huid. Ook inflammatoire pijn, waarbij ontstekingsmediatoren vrijkomen, valt in deze categorie. Somatisch-nociceptieve pijn wordt over het algemeen beschreven als scherp, stekend, scheurend of kloppend. Van neuropatische pijn is sprake bij schade aan de zenuwen. Neuropathische pijn kan soms lastig te beschrijven zijn, maar wordt meestal beschreven als brandend, schietend, prikkend en/of knellend.
De huiduitslag bij mpox kan in alle stadia pijn en jeuk geven. Bij progressie naar (diepe) ulcera kan er uitgebreide schade ontstaan met verlittekening tot gevolg. Hierbij is de pijn erger, en kan de neuropathische component ernstiger zijn (Hans, 2022). De karakteristieke lymfadenopathie geeft meestal weinig klachten. Cervicale lymfadenopathie kan bijdragen aan keelpijn en moeite met slikken. Inguinale lymfadenopathie kan lokale pijn geven, en in zeldzame gevallen leiden tot meralgia paresthetica en beknelling van de nervus femoralis (Hans 2022).
Meest voorkomende locaties zijn huid en mucosa (40%, CDC 2024, Hans 2022). Daarnaast zijn er zeldzamere complicaties zoals perifere neuropathie (Billioux 2022) en oculaire infecties beschreven (Perzia 2023). Bij oogheelkundige mpox dient met spoed overlegd te worden met de oogarts.
Zowel zichtbare (huid) als onzichtbare laesies (rectaal) kunnen voorkomen. De meest voorkomende mucosale laesies zijn anogenitaal en orofaryngeaal. De pijn is vaak heftiger dan de laesies in eerste instantie zouden doen vermoeden (CDC, 2024). Complicaties zoals secundaire bacteriële infectie en abcesvorming kunnen de pijn verergeren. Bij immuungecompromitterde patiënten kunnen de laesies uitgebreider zijn (meer en/of grotere laesies). Laesies zijn het meest aanwezig op de plek van inoculatie.
Er is nog weinig bekend over de lange termijn gevolgen. Bij andere orthopoxvirussen is chronische pijn beschreven maar voor mpox is hier nog weinig informatie over (Hallo-Carasco, 2023).
Naast pijn zijn er andere hinderlijke symptomen. Huidlaesies (in 55% van de patiënten meer dan 100 (Thornhill 2024)) kunnen jeuk geven. Bij patiënten met mpox worden stemmingsstoornissen, angsten en depressieve klachten beschreven. De relatieve bijdragende factoren van de infectie zelf, isolatie en het stigma zijn onbekend (Hans, 2022; Salvo, 2023; Yadav, 2025).
Professioneel perspectief
Farmacologisch
Er zijn verschillende opties voor pijnbestrijding. In de literatuur wordt vaak als eerste stap topicale medicijnen zoals lidocaïne of lidocaïne/prilocaïne crème/zalf en corticosteroïden beschreven. Deze middelen kunnen, vaak kortdurend, verlichting van pijn geven. Aangezien het effect kort is, en er een risico is op sensitisatie, is de ruimte voor gebruik echter beperkt. Bij orofaryngeale en anorectale laesies die eten/drinken en stoelgang belemmeren kan topicaal lidocaïne overwogen worden. Wees terughoudend met topicale corticosteroïden aangezien dit virale persistentie kan geven. Houd rekening met verhoogde opname van medicatie bij niet intacte huid.
In de basis zijn voor systemisch effect paracetamol en NSAID’s geschikt (let hierbij op eventuele contra-indicaties, zie hiervoor ook Farmacotherapeutisch kompas - NSAID's en, indien van toepassing, Liverpool HIV Interactions). Aangezien de pijn heftig kan zijn, kan aanvullende pijnstilling in de vorm van opioïden en neuropathische analgetica nodig zijn. Deze middelen kunnen oraal worden gegeven. Indien orale toediening niet mogelijk is, is intraveneuze toediening te overwegen. Transdermale toediening is bij uitgebreide laesies en hierdoor niet intacte huid ter plaatse niet aan te bevelen. Daarnaast is het effect na dosisaanpassing pas na enkele uren zichtbaar, waardoor titreren lastiger kan zijn. Ook kan de absorptie bij koorts sneller zijn. Indien patiënten last hebben van misselijkheid en braken dienen anti-emetica te worden voorgeschreven.
Er is geen onderzoek gedaan welk opioïde het meest effectief is. Indien een neuropathische component aanwezig lijkt te zijn, is tramadol een geschikte eerste keus omdat deze opioïden ook effectief zijn tegen een combinatie van neuropathische en nociceptieve pijn. Indien er duidelijk neuropathische pijn is, zou starten met gabapentine of een ander anti-epilepticum/ antidepressivum met een effect op neuropathische pijn geïndiceerd zijn. Voor het maken van het onderscheid tussen nociceptieve en neuropathische pijn kan de DN4 (douleur neuropathique 4) vragenlijst behulpzaam zijn (Truini, 2023). Er is geen evidence welk geneesmiddel voor neuropathische pijn het meest zinvol is. In de Verenigde Staten is met gabapentine door experts goede ervaring opgedaan, zodanig dat dit een middel van eerste keus is. Echter wordt dit (nog) niet ondersteund door wetenschappelijke literatuur. Het meest zinvol is dus om het keuze van middel op basis van individuele patiënt karakteristieken, locatie, karakteristieken en ernst van de pijn en ervaring van de voorschrijver te baseren. Overweeg laagdrempelig overleg met een pijnspecialist bij onduidelijkheid over soort pijn, onbekendheid met voorschrijven analgetica, keuze van middelen bij therapie falen, verslavingsproblematiek of multi-morbiditeit.
Ondersteunende behandeling
Tabel 1. Ondersteunende behandeling bij mpox-laesies
|
Ondersteunende behandeling bij mpox-laesies* |
|||
|
Anorectale laesies |
Genitale laesies |
Orofaryngeale laesies |
Jeuk |
|
- ontlasting verzachters - osmotische laxantia - zitbaden - adequate pijnstilling - lidocaïne gel - secundaire bacteriële infecties behandelen (antibiotica, eventueel drainage)
|
- laesies schoon en droog houden - katheter (bij urineretentie) - adequate pijnstilling - secundaire bacteriële infecties behandelen (antibiotica, eventueel drainage) - Lidocaïne gel
|
- mondspoelingen met zoutwater (vochtig houden van de mond) - lidocaïne gel - adequate pijnstilling - secundaire bacteriële infecties behandelen (antibiotica, eventueel drainage)
|
- emolliens - antihistaminica
|
* Aangepaste versie vanuit New York State Department of Health AIDS Institute (2025)
Anorectale laesies
Mpox kan leiden tot anale fissuren en proctitis. In extreme gevallen kan dit perianale abcedering en rectumperforatie tot gevolg hebben. Om harde ontlasting en obstipatie te voorkomen zijn ontlasting verzachters en eventueel osmotische laxantia, zeker bij gebruik van opioïden aan te raden. Zitbaden met warm water met natriumbicarbonaat (zuiveringszout) kunnen klachtvermindering geven. Zie voor andere algemene adviezen ook Voorlichting over mpox voor huisartsen.
Naast de algemene adviezen (zie boven) kan het gebruik van opioïden noodzakelijk zijn. Het gebruik van neuropathische analgetica zoals gabapentine kan van toegevoegde waarde zijn. Hiermee is in de Verenigde Staten ervaring opgedaan, waarbij gabapentine betere pijnstilling gaf, zeker bij patiënten die geen of weinig effect van opioïden hadden (CDC, 2024). Er is te weinig bewijs om een algemeen advies te geven. Het advies is derhalve om op basis van individuele patiëntkarakteristieken en het soort pijnklachten een keus te maken.
Anekdotisch is door patiënten beschreven dat het gebruik van ‘poppers’ (amylnitriet) klachtvermindering rondom defecatie kan geven door relaxatie van de kringspieren van de anus. Op basis hiervan zou bijvoorbeeld diltiazemcrème, wat ook wordt gebruikt bij anale fissuren, mogelijk een gunstig effect kunnen hebben. Hier is echter geen wetenschappelijke onderbouwing voor en derhalve wordt dit momenteel niet aanbevolen (CDC, 2024; Ramakrishnan, 2024).
Genitale laesies
Bij mannen kunnen mpox-laesies op de penis tot oedeem van de penis en (para)phimosis leiden. Urethra betrokkenheid blijkt uit dysurie, moeite om te plassen en hematurie. Over de gevolgen bij vrouwen is minder informatie beschikbaar, maar ook bij vrouwen kunnen genitale laesies (vulva, vagina) aanwezig zijn. Deze laesies kunnen aanleiding geven tot genitale pijn en verlittekening (Thornhill, 2022). Bij zowel mannen als vrouwen dient men alert te zijn op secundaire bacteriële infecties en urineretentie. Topicale corticosteroïden kunnen zwelling verminderen (CDC, 2024), maar gaan mogelijk gepaard met een risico op persisterende virale aanwezigheid. Vanwege deze tegenstrijdige effecten wordt terughoudendheid geadviseerd en het gebruik uitsluitend overwogen in geselecteerde gevallen, waarbij de potentiële voordelen zorgvuldig worden afgewogen tegen de mogelijke nadelen. Indien er sprake is van urineretentie dient een urine katheter (a demeure of suprapubisch) geplaatst te worden (CDC, 2024; Hackett, 2022), zie hiervoor ook de richtlijn Blaaskatheterisatie -Richtlijnendatabase.
Orofaryngeale laesies
Keelpijn en dysfagie zijn veelvoorkomende klachten. Ernstige klachten zijn zeldzaam, maar zijn wel gerapporteerd. Mpox kan leiden tot tonsillitis, waarbij oedeem en abcedering kan ontstaan. Ook epiglottitis is beschreven.
Goede pijnstilling is hierbij van groot belang aangezien de pijn kan leiden tot verminderde orale inname van vocht en voeding. Niet-farmacologische interventies zijn vochtig houden van de mond, zoals met mondspoelingen met zout water. Topicale pijnstilling middels lidocaïne gel kan overwogen worden, bijvoorbeeld om voeding en vochtinname te verbeteren (CDC, 2024; Pinetti, 2024).
Jeuk
Jeuk kan zeer hinderlijk zijn. Vette crèmes, emulsies of zalven worden veel gebruikt in de dermatologische praktijk en kunnen enige verlichting geven. Verkoeling door 1-2% levomenthol in lanettecrème of carbomeerwatergel of van de combinatie van 1% lidocaïne en 1% levomenthol in carbomeerwatergel kan verlichting geven. Systemisch kunnen orale antihistaminica enige verlichting geven. Indien de jeuk de slaap beïnvloedt zijn met name de sederende (centraal werkende) eerste generatie antihistaminica geïnduceerd, vanwege hun sederende werking (Richtlijnendatabase; Systemische Therapie - Richtlijn Chronische jeuk, De effectiviteit van antihistaminica CE – Richtlijn Constitutioneel eczeem).
Waarden en voorkeuren van patiënten
Zie voor waarden en voorkeuren van patiënten submodule behandeling.
Kosten(middelenbeslag)
Zie voor kosten submodule behandeling.
Gelijkheid ((health) equity/equitable)
Zie voor gelijkheid submodule behandeling.
Aanvaardbaarheid (ethische aanvaardbaarheid en duurzaamheid)
Zie voor aanvaardbaarheid submodule behandeling.
Haalbaarheid
Zie voor haalbaarheid submodule behandeling.
Rationale van de aanbeveling
Er is een systematisch literatuuronderzoek verricht waarin geen specifieke studies zijn gevonden over pijnbestrijding bij mpox.
De aanbevelingen zijn tot stand gekomen op basis van expert opinie, dat wil zeggen algemene kennis over pijn en de behandeling daarvan en de principes van de WHO pijnladder, aangevuld met wetenschappelijke literatuur. Voor doseringen, bijwerkingen en contra-indicaties van medicatie kan het farmacotherapeutisch kompas worden geraadpleegd (Farmacotherapeutisch Kompas). Bij het opstellen van de aanbevelingen is rekening gehouden met mpox-specifieke kenmerken en complicaties. Zo is er vaak sprake van gecombineerde nociceptieve en neuropathische pijn. Met name het vroegtijdig voorkomen van obstipatie door laagdrempelig gebruik van ontlastingsverzachters of laxantia is bij deze patiëntengroep van extra belang, gezien de frequente betrokkenheid van het anorectale gebied en de mogelijke verergering van pijnklachten bij defecatie.
Sterkte van de aanbeveling: conditionele aanbeveling.
Onderbouwing
Niet van toepassing.
Niet van toepassing.
Voor deze module is geen separate PICO opgesteld. Er is gekozen om één overkoepelende PICO te hanteren die tevens is gebruikt voor submodule Behandeling. Deze aanpak is gekozen om overlap in klinische vraagstellingen te voorkomen en de consistentie in de evidence-vergaring tussen de betreffende modules te waarborgen.
Voor de module pijnbestrijding zijn op basis van deze PICO geen relevante aanvullende studies of specifieke artikelen gevonden die buiten de reeds geïncludeerde literatuur van submodule Behandeling vallen.
- Adler, H., et al., Clinical features and management of human monkeypox: a retrospective observational study in the UK. Lancet Infect Dis, 2022. 22(8): p. 1153-1162.
- Ali, R., et al. Tecovirimat for Clade I MPXV Infection in the Democratic Republic of Congo. N Engl J Med. 2025 Apr 17;392(15):1484-1496. doi: 10.1056/NEJMoa2412439. PMID: 40239067; PMCID: PMC12158442.
- Andrei, G., Duraffour, S., Van Den Oord, J., & Snoeck, R. (2009). Epithelial raft cultures for investigations of virus growth, pathogenesis and efficacy of antiviral agents. Antiviral Research, 85(3), 431–449. https://doi.org/10.1016/j.antiviral.2009.10.019.
- Billioux BJ, Mbaya OT, Sejvar J & Nath A. Neurologic Complications of Smallpox and Monkeypox: A Review. JAMA Neurol. 2022 Nov 1;79(11):1180-1186. doi: 10.1001/jamaneurol.2022.3491. PMID: 36125794.
- Bray, M. & M.E. Wright, Progressive vaccinia. Clin Infect Dis, 2003. 36(6): p. 766-74.
- CDC mpox Clinical Considerations for Pain Mangement. Sept 2024. https://www.cdc.gov/monkeypox/hcp/clinical-care/pain-management.html.
- Clinical management and infection prevention and control for mpox: living guideline, May 2025. Geneva: World Health Organization; 2025. https://doi.org/10.2471/B09434. Licence: CC BY-NC-SA 3.0 IGO. Geraadpleegd op 30-10-2025.
- College ter Beoordeling van Geneesmiddelen. Gebruik Tecovirimat niet langer toegestaan bij mpox. College Ter Beoordeling van Geneesmiddelen. 2026. Beschikbaar op: https://www.cbg-meb.nl/actueel/nieuws/2026/05/11/gebruik-tecovirimat-niet-langer-toegestaan-bij-mpox.
- European Medicines Agency (EMA). Tecovirimat SIGA – referral. June 2026. Tecovirimat SIGA - referral | European Medicines Agency (EMA).
- Fox, T., Gould, S., Princy, N., Rowland, T., Lutje, V. & Kuehn, R. Therapeutics for treating mpox in humans. Cochrane Database of Systematic Reviews 2023, Issue 3. Art. No.: CD015769. DOI: 10.1002/14651858.CD015769.
- Grau-Echevarría, A., et al. Prospective observational study on scar sequelae after MPOX infection: an analysis of 40 patients. Int J Dermatol. 2024 Dec;63(12):1767-1773. doi: 10.1111/ijd.17500. PMID: 39356565; PMCID: PMC11589025.
- Grosenbach, D.W., et al., Oral Tecovirimat for the Treatment of Smallpox. N Engl J Med, 2018. 379(1): p. 44-53.
- Hackett, N., Narayan, P. & Huf, S. Mpox (monkeypox) causing penile lesions and acute urinary retention. BMJ Case Rep. 2022 Dec 14;15(12):e252696. doi: 10.1136/bcr-2022-252696. PMID: 36517078; PMCID: PMC9756176.
- Hans GH, Wildemeersch D, Meeus I. Integrated Analgesic Care in the Current Human Monkeypox Outbreak: Perspectives on an Integrated and Holistic Approach Combining Old Allies with Innovative Technologies. Medicina (Kaunas). 2022 Oct 15;58(10):1454. doi: 10.3390/medicina58101454. PMID: 36295614; PMCID: PMC9612138.
- Hallo-Carrasco, A., et al., Pain Associated With Monkeypox Virus: A Rapid Review. Cureus. 2023 Feb 6;15(2):e34697. doi: 10.7759/cureus.34697. PMID: 36909034; PMCID: PMC9995223.
- Hopkins, R. J., & Lane, J. M. (2004). Clinical efficacy of intramuscular vaccinia immune globulin: a literature review. Clinical infectious diseases : an official publication of the Infectious Diseases Society of America, 39(6), 819–826. https://doi.org/10.1086/422999.
- Hutson, C.L., et al., Pharmacokinetics and Efficacy of a Potential Smallpox Therapeutic, Brincidofovir, in a Lethal Monkeypox Virus Animal Model. mSphere, 2021. 6(1).
- Jordan, R., Et al., Safety and pharmacokinetics of the antiorthopoxvirus compound ST-246 following repeat oral dosing in healthy adult subjects. Antimicrob Agents Chemother. 2010 Jun;54(6):2560-6. doi: 10.1128/AAC.01689-09. Epub 2010 Apr 12. PMID: 20385870; PMCID: PMC2876426.
- Kihunyu, A.M., et al., Multisystem complications of monkeypox: A systematic review from low- and middle-income countries in Africa. J Kenya Assoc Physicians. 2025;7(2):59–70. doi: 10.4314/jkap.v7i2.3.
- Lederman, E.R., et al., Progressive vaccinia: case description and laboratory-guided therapy with vaccinia immune globulin, ST-246, and CMX001. J Infect Dis, 2012. 206(9): p. 1372-85.
- New York State Department of Health AIDS Institute. Guideline: Prevention and Treatment of Mpox. 2025 NYSDOH AI Prevention and Treatment of Mpox.
- Olson, V.A., et al., In vitro efficacy of brincidofovir against variola virus. Antimicrob Agents Chemother, 2014. 58(9): p. 5570-1.
- Perzia, B., et al., Treatment of ocular-involving monkeypox virus with topical trifluridine and oral tecovirimat in the 2022 monkeypox virus outbreak. Am J Ophthalmol Case Rep. 2023;29:101779. doi:10.1016/j.ajoc.2022.101779.
- Pinnetti, C., et al., Pharyngo-tonsillar involvement of Mpox in a cohort of men who have sex with men (MSM): A serious risk of missing diagnosis. J Infect Public Health. 2024 Jan;17(1):130-136. doi: 10.1016/j.jiph.2023.11.015. Epub 2023 Nov 15. PMID: 38000313.
- Quenelle, D.C., et al., Efficacy of delayed treatment with ST-246 given orally against systemic orthopoxvirus infections in mice. Antimicrob Agents Chemother, 2007. 51(2): p. 689-95.
- Ramakrishnan, R., Shenoy, A., Madhavan, R. & Meyer, D. Mpox gastrointestinal manifestations: a systematic review. BMJ Open Gastroenterol. 2024 Jan 6;11(1):e001266. doi: 10.1136/bmjgast-2023-001266. PMID: 38184298; PMCID: PMC10773419.
- Richtlijnen. (z.d.). Richtlijnen Palliatieve Zorg. https://palliaweb.nl/richtlijnen-palliatieve-zorg/richtlijnCare In Health. (2025, 23 juli). Studies - MPX response. MPX Response. https://mpx-response.eu/studies/.
- Rouger, C. (2025, 19 september). Large international trial UNITY reports no clinical benefit from tecovirimat for mpox resolution. MPX Response. https://mpx-response.eu/large-trial-unity-from-the-european-programm-mpx-response-confirms-the-lack-of-efficacy-for-treating-mpox/.
- Russo, A.T., et al., An overview of tecovirimat for smallpox treatment and expanded anti-orthopoxvirus applications. Expert Rev Anti Infect Ther, 2021. 19(3): p. 331-344.
- Salvo, P.F., et al., Clinical presentation of human monkeypox virus infection during the 2022 outbreak: descriptive case series from a large italian Research Hospital. Virol J. 2023 Sep 18;20(1):214. doi: 10.1186/s12985-023-02178-w. PMID: 37723564; PMCID: PMC10506307.
- Satapathy, P., et al., Mpox: transmission dynamics, treatment, and innovations. Therapeutic Advances in Infectious Disease. 2025;12. doi:10.1177/20499361251357521.
- Shabil, M., et al., Effectiveness of Tecovirimat in Mpox Cases: A Systematic Review of Current Evidence. J Med Virol. 2024 Dec;96(12):e70122. doi: 10.1002/jmv.70122. PMID: 39707867.
- Shabbir, M., Bugayong, M.L. & DeVita M.A., Mpox Pain Management with Topical Agents: A Case Series. J Pain Palliat Care Pharmacother. 2023 Dec;37(4):317-320. doi: 10.1080/15360288.2023.2250762. Epub 2023 Aug 31. PMID: 37651724.
- De Stoppelaar, S. F., Hoornenborg, E., van Rijckevorsel, G., Vollaard, A., Brandwagt, D. A. H., de Vries, H. J. C., Schinkel, J., Welkers, M. R. A., & Goorhuis, A. (2022). Uitbraak van monkeypox: een nieuwe pandemie? Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde, 166, D7054.
- Thornhill, J.P., et al., Human monkeypox virus infection in women and non-binary individuals during the 2022 outbreaks: a global case series. Lancet. 2022 Dec 3;400(10367):1953-1965. doi: 10.1016/S0140-6736(22)02187-0. Epub 2022 Nov 17. PMID: 36403584; PMCID: PMC9671743.
- Thornhill, J.P., Gandhi, M. & Orkin, C. Mpox: The Reemergence of an Old Disease and Inequities. Annu Rev Med. 2024 Jan 29;75:159-175. doi: 10.1146/annurev-med-080122-030714. Epub 2023 Oct 3. PMID: 37788486.
- Truini, A., et al., Joint European Academy of Neurology-European Pain Federation-Neuropathic Pain Special Interest Group of the International Association for the Study of Pain guidelines on neuropathic pain assessment. Eur J Neurol. 2023 Aug;30(8):2177-2196. doi: 10.1111/ene.15831. Epub 2023 May 30. PMID: 37253688.
- Van Dam, C.N., et al., Severe postvaccinia encephalitis with acute disseminated encephalomyelitis: recovery with early intravenous immunoglobulin, high-dose steroids, and vaccinia immunoglobulin. Clin Infect Dis, 2009. 48(4): p. e47-9.
- Van Dijck, C., et al., (2025). Long-term consequences of monkeypox virus infection or modified vaccinia virus Ankara vaccination in Belgium (MPX-COHORT and POQS-FU-PLUS): a 24-month prospective and retrospective cohort study. The Lancet Infectious Diseases. https://doi.org/10.1016/s1473-3099(25)00545-6.
- Vakaniaki, E. H., et al., (2025). Maternal and neonatal outcomes after infection with monkeypox virus clade I during pregnancy in DR Congo: a pooled, prospective cohort study. The Lancet, 407(10525), 256–266. https://doi.org/10.1016/s0140-6736(25)02309-8.
- Yadav, R., et al., Mpox 2022 to 2025 Update: A Comprehensive Review on Its Complications, Transmission, Diagnosis, and Treatment. Viruses. 2025 May 25;17(6):753. doi: 10.3390/v17060753. PMID: 40573344; PMCID: PMC12197743.
- Zeyen, C., et al., Clinical spectrum and long-term outcomes of mpox: a cohort study spanning from acute infection to six-month follow-up. BMC Infect Dis. 2024 Mar 15;24(1):317. doi: 10.1186/s12879-024-09191-6. PMID: 38491447; PMCID: PMC10941457.
- Zucker, J., et al., STOMP/A5418 Investigators (2026). Tecovirimat for the Treatment of Mpox. The New England journal of medicine, 394(9), 884–895. https://doi.org/10.1056/NEJMoa2506495.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 29-06-2026
Beoordeeld op geldigheid : 29-06-2026
Algemene gegevens
De ontwikkeling van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).
Samenstelling werkgroep
Overzicht werkgroepleden en ondersteuning
|
Werkgroepleden – versie 2025-2026 |
Vereniging |
|
Prof. Dr. H.J.C. de Vries (voorzitter) |
NVDV |
|
Dr. P.M. Ellerbroek |
NIV/NVI |
|
Dr. S.F. de Stoppelaar |
NIV/NVI |
|
Dr. M.R.A. Welkers |
NVMM |
|
Drs. H. Bos |
Soa Aids Nederland |
|
Drs. S. Bons |
NVA |
|
Mr. Drs. S.A. Pronk |
NVIB |
|
Ondersteuning door |
Vereniging |
|
Drs. R.C. Slegers (arts-onderzoeker) |
NVDV |
|
Drs. T.A. Teunissen (arts-onderzoeker) |
NVDV |
|
Dr. M.M.A. Verhoeven (senior beleidsadviseur) |
NVDV |
Belangenverklaringen
De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
Overzicht belangenverklaringen werkgroepleden
|
Werkgroeplid |
Hoofdfunctie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Getekend op |
Acties (voorstel) |
|
Prof. Dr. H.J.C. de Vries (voorzitter) (NVDV) |
staflid dermatologie Amsterdam UMC & soa polikliniek GGD Amsterdam |
Lid RvT soa AIDS Nederlnads & AIDSfonds onbetaald Lid RvT CBK Zuid Oost onbetaald President International Society for STD Research (ISSTDR) onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Aandelen Gilead, producent van HIV medicatie |
04-10-2024 |
Geen |
|
Dr. P.M. Ellerbroek (NIV) |
Internist-infectioloog UMC Utrecht. |
voorzitter kwaliteitscie NVII (onbetaald); medisch coördinator calamiteiten hospital t.a.v. infectieopvang (onbetaald - binnen UMCU) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
18-07-2025 |
Geen |
|
Dr. S.F. de Stoppelaar (NIV) |
Internist-infectioloog Amsterdam UMC en DC klinieken (detachering) Sr. Medisch Adviseur Landelijke Coördinatie Infectieziektebestrijding (LCI) - RIVM |
n.v.t. |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
12-08-2025 |
Geen |
|
Dr. M.R.A. Welkers (NVMM) |
arts-microbioloog/viroloog AmsterdamUMC Medische Microbiologie en Infectiepreventie. Full-time dienstverband |
n.v.t. |
Twee jaar geleden geadviseerd voor Takeda pharmaceuticals met betrekking tot maribavir behandeling van CMV infecties bij immuungecompromitteerden. De vergoeding hiervoor was <1000 euro |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
18-08-2025 |
Geen |
|
Drs. H. Bos (Soa Aids Nederland, arts M+G infectieziektebestrijding) |
Strategisch expert Aidsfonds - Soa Aids Nederland |
Forensisch arts GGD Noord en Oost Gelderland, betaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
04-09-2025 |
Geen |
|
Drs. S. Bons (NVA) |
Anesthesioloog, Diakonessenhuis Utrecht/Zeist |
Deelname aan meerdere richtlijnen binnen het SRI, allen onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
31-08-2025 |
Geen |
|
Mr. drs. S.A. Pronk (NVIB) |
Arts seksuele gezondheid, GGD Limburg-Noord (0,25 fte) Arts niet in opleiding tot specialist (ANIOS) dermatologie, Maastricht UMC+ (0,8 fte) (tot en met 01/2026) Arts, afdeling infectieziektebestrijding, GGD Limburg-Noord. (0,8 fte) (per 03-2026) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
15-10-2025 |
Geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Bij de ontwikkeling van deze richtlijn is geen specifieke patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest in de werkgroep, aangezien er geen specifieke patiëntenvereniging voor mpox bestaat. De conceptrichtlijn is ter commentaar voorgelegd aan Soa Aids Nederland en Hiv Vereniging - Poz & Proud met het verzoek om vanuit hun (patiënt)perspectief inhoudelijk commentaar te leveren.
Wkkgz & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst Raming |
Toelichting |
|
Pijnbestrijding |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven |
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in het bijlagedocument.
Werkwijze
AGREE
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.
Knelpuntenanalyse
In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden; NVDV, NHG, V&VN en HPN. Tevens werden uitgenodigd Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Nederlandse Vereniging Ziekenhuizen (NVZ), Zorginstituut Nederland (ZiNL), Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU).
Uitgangsvragen en uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Verantwoording.
Kwaliteitsbeoordeling individuele studies
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Samenvatten van de literatuur
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Beoordelen van kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog
|
|
|
Redelijk
|
|
|
Laag
|
|
|
Zeer laag
|
|
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).
Formuleren van de conclusies
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg
Indicatorontwikkeling
Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.
Kennislacunes
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie Aanverwanten producten).
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 2). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.
Literatuur
Brouwers, M.C., Kho, M.E., Browman, G.P., et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.
Higgins, J.P.T., Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from www.handbook.cochrane.org.
Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit.. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst].
Van Everdingen, J.J.E., Burgers, J.S., Assendelft, W.J.J., et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.
Schünemann, H., Brożek, J., Guyatt, G., et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.