Uitgangsvraag

Ten aanzien van welke aspecten rond OSA zouden patiënten voorgelicht moeten worden?

 

Subonderdelen:

  • informatieverstrekking in de aanloop van de diagnose;
  • informatieverstrekking bij de diagnose en de start van de behandeling;
  • voorlichting over wat de patiënt zelf kan doen om weer optimaal te functioneren.

Aanbeveling

Zorg voor goede informatieverstrekking over de symptomen van OSA en de mogelijke samenhang met comorbiditeiten, zowel op papier als in de persoonlijke contacten met de patiënt.

 

Zorg voor informatie over aanpak en werkwijze van het slaapcentrum bij de start van het diagnoseproces ten behoeve van verwachtingspatroon en vertrouwen van de patiënt.

 

Het moment waarop de diagnose OSA bekend wordt gemaakt, is een sleutelmoment in de communicatie. Aanbevolen wordt hier voldoende tijd van specialist en OSA-consulent voor in te ruimen.

 

Het is raadzaam dat bij het gesprek over diagnose en behandeling een partner of naaste aanwezig is.

 

Bespreek het begrip proof of concept met de patiënt (zie de module over het concept OSA).

 

Er moet algemene informatie beschikbaar zijn over de verschillende behandelopties en specifieke informatie waarom een bepaalde behandeling wordt aanbevolen.

 

Het wordt aanbevolen om mondelinge communicatie te ondersteunen met schriftelijke communicatie (consultkaart, brochure, website).

 

Maak aan de patiënt duidelijk wie het aanspreekpunt is.

 

Zorg met name de eerste zes weken voor uitgebreide voorlichting en ondersteuning en de mogelijkheid vragen te stellen. Dat bevordert de therapietrouw en voorkomt voortijdig stoppen.

 

Schenk aandacht aan leefstijladviezen, inclusief slaap-waakhygiëne, zowel tijdens de start van de behandeling als tijdens de periodieke controles.

 

Overweeg groepsbijeenkomsten te organiseren voor patiënten.

 

Attendeer de patiënt op de acties die hij zelf moet ondernemen om tot een optimale gezondheid te komen. Daarbij horen leefstijladvies en afstemming van eventuele co-morbiditeit bij huisarts en/of specialist.

Inleiding

Voorlichting van patiënten wordt in deze module breed opgevat. Het kan zowel gaan over de mondelinge voorlichting, zoals die gegeven wordt door de behandelend specialist, als over gedrukte media en digitale informatie op websites. Kan het verstrekken van informatie bijdragen aan de optimalisatie van diagnose en behandeling? Wij lopen hiertoe de verschillende fases na, signaleren knelpunten en formuleren aanbevelingen tot verbetering.

 

Er zijn verschillende fases bij de informatieverstrekking ieder met een eigen karakter en eigen eisen aan de informatievoorziening:

  • diagnoseproces;
  • keuze van behandeling;
  • wat de patiënt zelf kan doen om weer optimaal te gaan functioneren.

Zoeken en selecteren

Er is geen systematische literatuuranalyse verricht. De aanbevelingen zijn mede geformuleerd op basis van de praktijkervaring van de experts in de werkgroep en met inbreng van de ApneuVereniging.

Referenties

  1. De site www.apneuvereniging.nl kreeg in 2016 dagelijks gemiddeld 1650 bezoekers. Vragen rond diagnose en de voorgestelde behandeling vormen het leeuwendeel ook op ApneuForum en Facebook.
  2. Jennum P. Health, social and economical consequences of sleep disordered breahing. Thorax. 2011.
  3. Onbekend. Screeningsonderzoek Berenschot/Zinnige Zorg. 2016.
  4. TNS/ApneuVereniging. De keten in beeld. 2017.

Overwegingen

Informatieverstrekking in de aanloop van de diagnose

Patiënten hebben vaak al jaren ervaring met de symptomen van OSA voor zij naar de slaapkliniek verwezen worden met verdenking OSA. Als bij de diagnose de symptomen benoemd worden als OSA, constateert 66% dat zij waarschijnlijk al langer dan vier jaar aan OSA geleden moeten hebben (waarvan 36% langer dan acht jaar) (TNS/ApneuVereniging, 2017). Er is sprake van patient delay: patiënten bagatelliseren de klachten of brengen zij niet in verband met slaapproblemen of slaapapneu. Er is ook sprake van doctors delay: veel patiënten lopen zo lang door dat zij er co-morbiditeiten bij ontwikkelen, die vaak eerder herkend en behandeld worden. Er is in de acht jaar voor de diagnose OSA sprake van sterk verhoogde medische consumptie waarbij verschillende artsen en specialisten bezocht worden (Jennum, 2011). Gemiddeld worden de patiënten naar eigen zeggen voor 2,4 aandoeningen behandeld, naast de diagnose OSA. Dit is ook terug te zien in de cijfers voor het ziekenhuisbezoek. In 2013 werd bij 42.000 patiënten OSA gediagnostiseerd. Voor deze patiënten werden in het voorafgaande jaar ruim 104.000 DBC’s geopend bij andere specialisten dan betrokken bij de slaapkliniek (Vektis, 2016). Binnen drie maanden na de diagnose OSA was er aanleiding om nog ruim 22.500 DBC’s bij andere specialismen te openen.

 

Door de vaak lange tijd die vooraf gaat aan de diagnose, is er bij patiënten vaak niet onmiddellijk de overtuiging dat de voorgestelde chronische behandeling voor OSA de oplossing vormt voor hun problemen. Om een goede therapietrouw te bereiken, betekent het dat diagnose en behandeling door het slaapcentrum met enige overtuigingskracht gebracht moet worden. Daarbij is aandacht voor co-morbiditeiten, in relatie tot het klachtenpatroon, gewenst.

 

Diagnose en behandeling van OSA vergen vaak een bezoek aan verschillende specialismen en afdelingen in het ziekenhuis. Dit kan verwarrend zijn voor de patiënt. Bij de eerste intake is goede informatie over de werkwijze van belang om de perceptie en de verwachtingen van de patiënt te sturen. Conform de Wet op de geneeskundige behandelovereenkomst (WGBO) is dit de verantwoordelijkheid van ieder slaapcentrum.

 

Goede voorlichting in deze fase omvat:

  • de globale gang van zaken tijdens het diagnoseproces;
  • welke soorten onderzoek verricht worden en met welk doel;
  • welke specialismen betrokken worden waarom;
  • hoe afspraken worden gemaakt;
  • hoe de patiënt zich kan voorbereiden;
  • de doorloop- en wachttijden.

 

Mondelinge voorlichting bij de intake wordt bij voorkeur ondersteund door schriftelijke informatie in een brochure of op een website zodat deze informatie na te lezen is.

 

Informatievoorziening bij het stellen van de diagnose

Het is gezien de voorgeschiedenis van patiënten belangrijk dat de bekendmaking van de diagnose goed onderbouwd wordt meegedeeld aan de patiënt en dat daarbij een verband wordt gelegd naar eerdere klachten en co-morbiditeiten. Het wordt aanbevolen om de patiënt het begrip proof of concept uit te leggen: er wordt met een behandeling gestart om de diagnose te bevestigen. Het is van belang om bij het stellen van de diagnose de patiënt ook te wijzen op de gevolgen voor de rijgeschiktheid.

 

Het bespreken van de behandelopties is een beslissend moment in de communicatie met de patiënt (www.apneuvereniging.nl) de voorgestelde behandeling is bijna altijd een belasting voor de patiënt en zal dus geaccepteerd moeten worden als de beste oplossing. Tijdens het consult worden de verschillende behandelopties met hun voor- en nadelen uitgelegd. Tevens wordt aan de patiënt uitgelegd waarom een bepaalde behandeling wordt voorgesteld of worden de keuzemogelijkheden voorgelegd (shared decision making). Hiervoor is een consultkaart in ontwikkeling (een zeer beknopte keuzehulp die is bedoeld om de patiënt te helpen bij het verkrijgen van inzicht in de verschillende behandelmogelijkheden; publicatie in 2018). Twee factoren zijn van belang bij het overbrengen van de boodschap: autoriteit van de medisch specialist en de tijd van de OSA-consulent of slaapapneuverpleegkundige. De specialist stelt met zijn autoriteit als geneeskundige de diagnose en legt de keuze(s) voor de behandeling voor. De OSA-verpleegkundige kan de vragen over het vervolgproces en behandeling beantwoorden.

 

Omdat er tijdens het gesprek over diagnose en behandeling veel mondelinge informatie wordt overgedragen, nodigen veel slaapcentra de partner uit om bij het gesprek aanwezig te zijn. Daarnaast is het ook goed om deze fase te begeleiden met schriftelijke informatie.

 

Het in gang zetten van de behandeling is een nieuw traject waarbij verschillende medische en niet-medische (leveranciers) partijen binnen en buiten het slaapcentrum (perifeer werkende tandartsen) een rol kunnen spelen. Voor de patiënt is het belangrijk om te weten wat gaat er gebeuren, waar en door wie en bij wie hij terecht kan voor vragen. Deze informatieverstrekking is de verantwoordelijk van de behandelend arts.

 

De meest toegepaste behandelingen voor OSA – CPAP, MRA en positietrainer- zijn levenslange therapieën die de rest van het leven voortaan iedere nacht gedurende de hele nacht gevolgd moeten worden. Het risico van het staken van de behandeling door de patiënt kan beperkt worden door intensieve voorlichting en begeleiding. Vooral de eerste zes weken zijn van belang (zie ook de module Therapietrouw). De beste motivatie is een goed werkende therapie en hierbij kan praktische informatie en ondersteuning helpen.

 

Er moet praktische informatie specifiek voor de voorgeschreven ingreep/behandeling beschikbaar zijn (WGBO).

  • Bij de CPAP wordt informatie verstrekt over onder andere de werking van de therapie, het gebruik van de CPAP, de maskerkeuze, het afstellen en opzetten van het masker, het vullen van de bevochtiger, schoonmaakinstructies en eventuele praktische ondersteuning.
  • Bij MRA wordt informatie verstrekt over onder andere het inzetten en schoonhouden van de MRA, eventuele bijwerkingen in het begin van de nacht en de ochtend, hoe de afstelling plaatsvindt. Door de Nederlandse Vereniging voor Tandheelkundige Slaapgeneeskunde (NVTS) is een behandelprotocol ontwikkeld dat aandacht besteedt aan deze specifieke aspecten. Het verdient de aanbeveling dat behandelaars dit protocol opvolgen.
  • Bij de slaappositietrainer wordt instructie gegeven over het gebruik, de mogelijkheid tot nadere afstelling door de kliniek, ondersteuning bij het gewenningsproces.
  • Bij operatieve ingrepen wordt informatie gegeven over onder andere anesthesie, bijwerkingen, gebruik van verbandmiddelen en pijnstillers, en voedselvoorschriften de eerste dagen.

 

Wat kan de patiënt zelf doen om weer optimaal te functioneren?

Naast de juiste diagnose en de start van een geschikte behandeling, kan de patiënt gewezen worden op leefstijlaanpassingen om een zo groot mogelijk effect op de klachten te sorteren. Overgewicht als oorzaak of gevolg van OSA komt veel voor. Leefstijladvies (meer bewegen, verstandiger eten) kan helpen bij een gezonder leven ter ondersteuning van de behandeling. Verkeerde gewoontes (alcohol om makkelijker in te slapen of veel koffie om overdag wakker te blijven) moeten worden afgeleerd. Ook dienen adviezen te worden gegeven over de slaap-waakhygiëne. Dit vergt gedragsveranderingen, welke niet altijd makkelijk te bereiken zijn. Als ondersteuning voor de patiënt kunnen slaapcentra verwijzen naar een gespecialiseerde afdeling in ziekenhuis, bijvoorbeeld bij overgewicht of psychische klachten. Ook kunnen huisartsen hierin een rol spelen; zij zijn goed toegerust om patiënten te helpen bij gedragsveranderingen. Bovendien wordt zo de huisarts meer betrokken bij de behandeling van OSA, waardoor de awareness bij huisartsen wordt vergroot. Het magazine voor nieuwe patiënten (de Special) van de ApneuVereniging kan door OSA-verpleegkundigen gebruikt worden om patiënten op weg te helpen. Daarin staan de verschillende co-morbiditeiten, een checklist en een actieplan over wat de patiënt zelf kan doen om weer optimaal te gaan functioneren. Deze kan worden uitgereikt met zo nodig het advies om verder contact op te nemen met huisarts of betreffende specialist.

 

Als de behandeling na enkele weken niet brengt wat wordt verwacht, slaat bij veel patiënten de twijfel toe. Dit kan invloed hebben op de therapietrouw. Veel slaapklinieken bieden daarom naast consulten in de opstartfase bijeenkomsten voor nieuwe patiënten al dan niet in samenwerking met de ApneuVereniging. Daarbij krijgt niet alleen het medisch technische aspect de aandacht maar ook de beleving. Door de inbreng van het patiëntenperspectief wordt de impact van onbehandelde OSA en de resultaten van behandeling op een herkenbare manier duidelijk. Dit bevordert het vertrouwen in de therapie.

 

Is er een rol voor slaapcentra in de pre-diagnostische fase?

Hoewel slaapapneu de laatste jaren geregeld aandacht krijgt in de pers blijft, gezien de onderdiagnose, goede publieksvoorlichting geboden om mensen bewust te maken van de gevaren van OSA. Gedetailleerde uitwerking hiervan valt buiten het bestek van een medische richtlijn. Slaapcentra kunnen een bijdrage leveren en blijken dat in de praktijk ook te doen, door het geven van lokale/regionale voorlichtingsbijeenkomsten.

 

Bijzondere aandacht verdienen verwijzers zoals de huisartsen. Het blijkt dat zij niet altijd bekend zijn met de aanwezigheid van slaapcentra en slaappoli’s in hun regio en hun werkwijze. Sommige slaapcentra organiseren nascholing- en voorlichtingsbijeenkomsten voor deze doelgroep om zowel de bekendheid met OSA te vergroten als om hun rol bij diagnose en behandeling te verduidelijken. De website van zorginstellingen kan hiertoe ook een bijdrage leveren.

 

Ook andere mogelijke verwijzers zoals cardiologen, psychologen, psychiaters, tandartsen en oogartsen zijn niet altijd voldoende bekend met OSA en de activiteiten van de slaapcentra. Een aantal slaapklinieken onderhoudt daartoe intensieve structurele contacten met relevante specialismen binnen het ziekenhuis en daarbuiten.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-06-2018

Laatst geautoriseerd : 01-06-2018

Uiterlijk in 2023 bepalen de besturen van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose en de Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en Heelkunde van het hoofd-halsgebied of de modules van deze richtlijn nog actueel zijn. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update). De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose en de Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en Heelkunde van het hoofd-halsgebied zijn regiehouders van deze richtlijn en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

 

Module

Toezicht houden op actualiteit

Uiterlijke beoordeling actualiteit richtlijn

Het concept OSA: actuele inzichten

NVALT

2020

Drug-induced sleep endoscopy bij OSA

NVKNO

2023

Behandeling met CPAP bij OSA

NVALT

2019 (n.a.v. een update van de AASM betreffende PAP-therapie).

Behandeling met MRA bij OSA

NVMKA, NVTS

2023

Behandeling met positietherapie bij OSA

NVKNO

2023

KNO-chirurgische behandelingen bij OSA

NVKNO

2023

Behandeling met nervus hypoglossusstimulatie bij OSA

NVKNO

2020

Kaakchirurgische behandelingen bij OSA

NVMKA

2023

Combinatietherapie bij OSA

NVALT, NVKNO, NVTS

2023

Effect van behandeling op co-morbiditeiten bij OSA

NVALT

2023

Bevordering van therapietrouw en behandeling van CPAP-falen

NVALT

2023

Behandeling OSA bij ouderen

NVALT en NVKG

2023

Anesthesie bij patiënten met OSA

NVA

2023

Organisatie van zorg bij OSA

NVALT

2023

Patiëntenvoorlichting

NVALT

2023

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose, Nederlandse Vereniging voor KNO-heelkunde en Heelkunde van he

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Mond- Kaak- en Aangezichtschirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Tandheelkundige Slaapgeneeskunde

Algemene gegevens

In samenwerking met:

  • ApneuVereniging
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging van Orthodontisten
  • V&VN Longverpleegkundigen

 

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

In deze richtlijn worden aanbevelingen gedaan over de diagnostiek, chirurgische en niet-chirurgische behandelingen en de begeleiding van patiënten met OSA. Hiermee wordt meer uniformiteit verkregen met betrekking tot de zorg van patiënten met OSA. Voor de patiënt kan deze richtlijn leiden tot een betere en doelgerichtere behandeling/ betere op de patiënt afgestemde zorg.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met OSA. De gebruikers van de richtlijn betreffen dan ook naast de longartsen, KNO-artsen, neurologen en kaakchirurgen veel andere medische beroepsgroepen zoals geriaters, orthodontisten, anesthesiologen, cardiologen, huisartsen, psychiaters, physician assistants, verpleegkundig specialisten, verpleegkundigen, OSA-consulenten, verzekeringsartsen en bedrijfsartsen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2015 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met obstructief slaapapneu (OSA). De werkgroepleden zijn door hun wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende twee jaar aan de totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

Werkgroep

  • dr. P.J.E. Vos, longarts, Rijnstate ziekenhuis, NVALT (voorzitter)
  • dr. H.A. Machiels, longarts, Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis, NVALT (voorzitter)
  • Prof. dr. D.A.A. Pevernagie, longarts, Kempenhaeghe, NVALT
  • drs. L.N. Venekamp, longarts, Kempenhaeghe, NVALT
  • dr. J.P. van Maanen, KNO-arts, Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, NVKNO
  • dr. M.P. Copper, KNO-arts, Sint Antonius Ziekenhuis, NVKNO
  • dr. O.J.M. Vogels, neuroloog, Sint Antonius Ziekenhuis, NVN
  • dr. H.L. Hamburger, neuroloog, Boerhaave Medisch Centrum, NVN
  • dr. A. Hoekema, MKA-chirurg, Tjongerschans Ziekenhuis, NVTS
  • drs. F.W Huisman, MKA-chirurg, Sint Antonius Ziekenhuis, NVTS

 

Klankbordgroep

  • drs. B.G.A.D.H. Heijnen, anesthesioloog, Sint Antonius Ziekenhuis, NVA
  • drs. K.M.T. Dermout, geriater, Sint Jans Gasthuis Weert, NVKG
  • drs. W.J.D.M. van Beers, orthodontist, NVvO
  • dr. G. Mensink, MKA-chirurg, Amphia Ziekenhuis, NVMKA
  • A.G.J. Bouwman-Luijten MANP, verpleegkundig specialist slaapgeneeskunde, Kempenhaeghe, V&VN
  • drs. P.H.J.M. van Mechelen, voorzitter ApneuVereniging
  • drs. H.K. Hardeman, huisarts, NHG
  • drs. E. Stigter, bedrijfsarts-klinische arbeidsgeneeskunde, NVAB
  • dr. R.M. Rijsman, klinisch neurofysioloog, Haaglanden Medisch Centrum, NVKN
  • dr. A. Elvan, cardioloog, Isala, Ziekenhuis, NVvC

 

Met ondersteuning van

  • P.H. Broos MSc, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • N.L. van der Zwaluw PhD, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • L.H.M. Niesink-Boerboom MSc, literatuurspecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroep

Achternaam

Functie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatie-management

Extern gefinancierd onderzoek

Kennis-valorisatie

Overige belangen

Getekend

Copper

- KNO-arts

- Deelnemer namens de KNO-vereniging

lid commissie visitatie opleidingsklinieken
aandeelhouder Voice Clinic Amsterdam (beide betaald)

geen

geen

geen

lokaal onderzoeker (St Antonius ZH) aan de multicenter trial REV-002

geen

geen

ja 19-1-2016

Hamburger

- Neuroloog

- Somnoloog
- Bestuurslid SWS-Neurologie
- Tot nov 2016 voorzitter NSWO

- Hoofd Amsterdam Slaap Centrum dat wil zeggen praktijk voor slaapgeneeskunde
- Bestuurslid werkgroep slaap waak stoornissen van de Nederlandse vereniging voor Neurologie, onbezoldigde functie
Verder geen nevenfuncties

geen

geen

Zie kolom B & C

geen

 

geen

ja 17-11-2016

Hoekema

MKA-chirurg, Tjongerschans ziekenhuis Heerenveen; 0,7 fte
UHD, afdeling Orale Kinesiologie, ACTA, 0,3fte
wetenschappelijk medewerker, afdeling MKA, UMCG, p.m.

Voorzitter Nederlandse Vereniging voor Tandheelkundige Slaapgeneeskunde (NVTS); onbetaalde functie
Lid medische adviesraad apneu vereniging: onbetaald functie
Lid medische adviesraad Zephyr Technologies: betaald functie
Lid research commitee American Academy for Dental Sleep MEdicine; onbetaald
Lid steering committee: Oral Appliance Network for Global Effectiveness (ORANGE Registry) onbetaalde functie
Lid werkgroep VEKOZE machtingsportaal MRA. Zorgverzekeraars Nederland; onbetaalde functie.
NB bij sommige onbetaalde functies worden reis- en directe onkosten vergoed.

Lid Medische adviesraad Zephyr Technologies, Airway Management, Somnomed: betaalde functie op jaarbasis (onkostenvergoeding).

Lid medische adviesraad Zephyr Technologies: betaalde functie op jaarbasis, geen directe financiële belangen.

Voorziter Nederlandse Vereniging voor Tandheelkundige Slaapgeneeskunde (NVTS); onbetaalde functie
Lid medische adviesraad apneu vereniging; onbetaalde functie
lid research committee American Academy for Dental Sleep Medicine; onbetaald.
Lid steering committe: Oral Appliance Network for Global Effectiveness (ORANGE Registry) onbetaalde functie.

Begeleiding wetenschappelijk onderzoek UMC Groningen - REST study; externe financiering Goedegebuure tandtechniek, Somnomed, Air liquide.

geen

geen

ja 18-1-2016, aangepast op 12-2-2018

Huisman

MKA-chirurg

Visiteur NVMKA - betaald

geen

geen

Secretaris NVTS

geen deelname

geen

niet bekend

ja, 21-04-2016

Machiels

Voorzitter werkgroep

- Longarts

Geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja, 3-3-2016

Pevernagie

Medisch Hoofd Centrum voor Slaapgeneeskunde Stichting Kempenhaeghe.

- Longarts

- Somnoloog

Universitair Hoofddocent, Vakgroep Inwendige Ziekten, Faculteit Geneeskunde en Gezondheidswetenschappen, Universiteit Gent, België: deeltijds bezoldigde benoeming

geen

geen

geen

2012: deelname aan multicenter trial aangaande medisch hulpapparaat. Onderzoek gesponsord door Philips. Geen persoonlijk belang; geen belang voor werkgever

geen

neen

ja, 26-10-2016

Van Maanen

- KNO-arts

- Somnoloog

- Bestuurslid stichting slaapcongres (onbetaald)

- Bestuurslid Slaapgeneeskunde Vereniging Nederland (onbetaald)

Verleden: promotieonderzoek gedaan naar positie-afhankelijk OSAS en effect van de Sleep Position Trainer van Nightbalance (onbetaald).

geen

geen

geen

Deelname aan multicenter trial aangaande experimentele OSAS operatie (tongimplantaten, REV002-trial).

geen

geen

ja 15-1-2016, aangepast op 19-02-2018

Venekamp

- Longarts

- Somnoloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 18 dec 2015

Vogels

- Neuroloog

- Somnoloog

- penningmeester NSWO;

- lid medische adviesraad RLS Patiëntenvereniging

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Ja, 27 sept 2017

Vos

Voorzitter werkgroep

- Longarts

- Somnoloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 18 dec 2015

 

Klankbordgroep

Achternaam

Functie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Getekend

Bouwmans-Luijten

Verpleegkundig specialist slaapgeneeskunde Kempenhaege

voorzitter Taakgroep OSAS, onderdeel van V&VN Longverpleegkundigen (onbetaald)

 Geen

geen

voorzitter Taakgroep OSAS V&VN Longverpleegkundigen

geen

geen

geen

ja 15-3-2016

Dermout

- Klinisch geriater

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 15-3-2016

Elvan

Cardioloog-electrofysioloog, Isala Hartcentrum, Zwolle

- Bestuurslid NHRA (onbetaald)

- Lid Device Commissie NVvC (onbetaald)

- Audit commissie ESC (onbetaald)

- Voorzitter OCG (onbetaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Ja, 23-02-2018

Hardeman

- Huisarts te Herveld/Andelst

- Lid medische adviesraad Apneu patiënten vereniging, onbetaald
- Lid namens "Onze huisartsen"(regionale huisartsenorganisatie Arnhem e.o.) in een van de sollicitatie commissies voor nieuwe specialisten in het Rijnstate Ziekenhuis, op roulatiebasis, onbetaald

niet van toepassing

niet van toepassing

Lid medische adviesraad Apneu patiënten vereniging, onbetaald

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

ja 25-04-2016

Heijnen

Anesthesioloog-intensivist

lid bestuur sectie intensive care van de NVA. Onbetaald.

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Ja 25-1-2016

Mensink

MKA-chirurg Amphia ziekenhuis, Breda

0-aanstelling LUMC ten behoeve van onderzoek

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 16-3-2016

Rijsman

- Neuroloog Medisch gemandateerde Centrum Slaap en Waakcentrum MC Haaglanden - Bronovo

Voorzitter werkgroep Slaap en Waakstoornissen van de Nederlandse Vereniging Neurologie (NVN) onbetaald.
Lid 'International Restless Legs Syndrome Study Group'(IRL SSG) onbetaald
Secretaris 'European Restless Legs Study Group'(ERLSSG) onbetaald.

Alle collega leden van het vrijgevestigde Medisch Specialistisch Bedrijf MCH-Bronovo.
Het Slaapcentrum, waar ik aan verbonden ben, genereert inkomsten voor het MSB.

Alle collega leden van het vrijgevestigde Medisch Specialistisch Bedrijf MCH-Bronovo.
Het Slaapcentrum, waar ik aan verbonden ben, genereert inkomsten voor het MSB.

Medisch gemandateerde Centrum slaap en Waakstoornissen MCH-Bronovo.
Voorzitter werkgroep Slaap en Waakstoornissen van de Nederlandse Vereniging Neurologie (NVN) onbetaald.
Lid 'International Restless Legs Syndrome Study Group'(IRL SSG) onbetaald
Secretaris 'European Restless Legs Study Group'(ERLSSG) onbetaald.

Eigen geïnitieerd onderzoek met een AIOS Neurologie:
-prevalentie OSAS bij TIA patiënten
-eerste TIA incidentie bij OSAS

geen

niet dat ik bewust ben

ja 15-1-2016

Stigter

- Bedrijfsarts – klinische arbeidsgeneeskunde (NKAL; inclusief universitair docent bedrijfsgeneeskunde Julius Centrum, Utrecht)

- Bedrijfsarts Inspectie (SZW)

- Forensische arts FMG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Ja 16-1-2016

Van Beers

Orthodontist. Praktijkhouder orthodontistenpraktijk Veghel

lid regionaal Tucht College Eindhoven
lid commissie herziening meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld Tandheelkunde
lid CTS (commissie tandarts specialisten)
lid VICO (Kwaliteitscommissie NvVO)
alles onbetaald (soms vacatievergoeding)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

ja 15-1-2016

Van Mechelen

- Voorzitter Apneu Vereniging
- Voorzitter Stichting Apneu Research

geen

geen

Geen familieleden, partners et cetera die baat kunnen hebben bij een uitkomst. Wel vertegenwoordiger van 350.000 mensen met onbehandeld apneu en 7300 leden die hopen op een goede diagnose en behandeling van apneu

Voorzitter patiëntenvereniging

Geen connecties met een financier van onderzoek die eigen belangen heeft

De Apneu Vereniging is een non-profit organisatie met ambistatus die compleet gerund wordt door vrijwilligers (niemand in dienst)

Nee

ja 14-04-2016

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door middel van vertegenwoordiging van de Apneuvereniging in de klankbordgroep. Daarnaast heeft de vertegenwoordiger meegeschreven aan de richtlijnmodules Organisatie van zorg en Patiëntenvoorlichting. De Apneuvereniging heeft de conceptrichtlijn beoordeeld tijdens de commentaarfase en suggesties voor verbetering van de richtlijn gegeven.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren (zie ook het implementatieplan).

 

De richtlijn is opgenomen in de richtlijnendatabase waarmee hij toegankelijk is voor alle relevante beroepsgroepen en patiënten.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) (www.agreetrust.org), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur mogelijke knelpunten. Tevens werden betrokken partijen uitgenodigd op de Invitational conference om knelpunten aan te dragen. Een verslag hiervan is opgenomen onder aanverwante producten. Tenslotte zijn de modules van de richtlijn uit 2010 beoordeeld of een update nodig was.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter, de vicevoorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn vervolgens verder uitgewerkt door de leden van de werkgroep en tijdens de werkgroepvergadering vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang als kritiek, belangrijk en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep, voor zover mogelijk, wat zij voor een bepaalde uitkomstmaat een klinisch relevant verschil vond, dat wil zeggen wanneer de verbetering in uitkomst een verbetering voor de patiënt is.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor iedere uitgangsvraag werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module van de desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR – voor systematische reviews; Cochrane – voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; ROBINS-I – voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

A) Voor interventievragen

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation (zie www.gradeworkinggroup.org).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan;
  • er is veel vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;

Redelijk

  • het is mogelijk dat de conclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan;
  • er is redelijk vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie.

Laag

  • het is waarschijnlijk dat de conclusie verandert als er verder onderzoek wordt gedaan;
  • er is beperkt vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie.

Zeer laag

  • de conclusie is zeer onzeker;
  • er is weinig vertrouwen dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie.

 

B) Voor vragen over de waarde van diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008), en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE-methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek.

 

Bij interventievragen verwijst de conclusie niet naar een of meer artikelen, maar wordt getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence). Hierbij maakten de werkgroepleden de balans op voor elke interventie. Bij het opmaken van de balans werden door de werkgroep de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. Wanneer er voor een uitgangsvraag geen systematisch literatuuronderzoek werd verricht, is de literatuur niet beoordeeld op kwaliteit en is de kracht van het bewijs niet bepaald.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Overwegingen.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen. Bij het formuleren en graderen van de aanbeveling worden minimaal de volgende vier factoren in ogenschouw genomen: algehele kwaliteit van het wetenschappelijke bewijs; balans tussen voor- en nadelen van de interventie; waarden en voorkeuren van professional en patiënten; en beschikbare middelen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Indicatorontwikkeling

De werkgroep heeft een procesindicator opgesteld om te bepalen welk percentage patiënten dat start met CPAP-behandeling binnen zes weken een vervolgafspraak heeft in het ziekenhuis (zie indicatoren). Dit zou de begeleiding en uiteindelijk de therapietrouw ten goede moeten komen.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling in de kennislacunes beschreven (onder aanverwante producten).

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt)organisaties voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0. Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/over_richtlijnontwikkeling.html. 2012.

Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group. Available from gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html. 2013.

Schünemann HJ, Oxman AD, Brozek J, et al. Grading quality of evidence and strength of recommendations for diagnostic tests and strategies. BMJ. 2008;336(7653):1106-10. doi: 10.1136/bmj.39500.677199.AE. Erratum in: BMJ. 2008;336(7654). doi: 10.1136/bmj.a139. PubMed PMID: 18483053.