Intravasculaire katheters

Initiatief: SRI Aantal modules: 33

Inbrengen van centraal veneuze katheters

Publicatiedatum: 09-10-2026
Beoordeeld op geldigheid: 09-10-2026

Uitgangsvraag

Welke infectiepreventiemaatregelen dienen genomen te worden bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter?

 

Deelvraag 1

Wat is de optimale locatie voor het inbrengen van een centraal veneuze katheter om katheter-gerelateerde infecties te voorkomen?

 

Deelvraag 2

Welke overige infectiepreventiemaatregelen dienen genomen te worden tijdens het inbrengen van een centraal veneuze katheter?

Aanbeveling

Aanbeveling 1 - Inbrenglocatie

Centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter 

  • Breng de katheter bij voorkeur in via een centrale vene boven het diafragma.

Alle typen centraal veneuze katheter

  • Houd bij het bepalen van de inbrenglocatie rekening met de indicatie voor katheterplaatsing, het risico op mechanische complicaties, gebruik van stolling beïnvloedende medicatie of andere redenen voor een verhoogd bloedingsrisico, trombose of vaatstenose, de aanwezigheid van een hemodialyse shunt aan dezelfde zijde, de noodzaak tot vaatpreservatie, recent gebruik van de inbrenglocatie, lymfoedeem, de aanwezigheid van kunstmateriaal, motorische onrust, onvermogen om plat te liggen, succes en complicaties van eerdere plaatsing, en de bewegingsvrijheid van de patiënt.
  • Bespreek de keuze voor de inbrenglocatie voor een centraal veneuze katheter met de patiënt. Bespreek hierbij de voor- en nadelen van de verschillende inbrenglocaties en beslis samen welke inbrenglocatie in de specifieke situatie van de patiënt het meest geschikt is.

Aanbeveling 2 - Overige infectiepreventiemaatregelen

  • Laat een centraal veneuze katheter alleen inbrengen door een zorgverlener die bevoegd en bekwaam is om deze risicovolle en voorbehouden handeling uit te voeren (zie Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (wet BIG)).
  • Pas bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter de algemene voorzorgsmaatregelen toe conform de richtlijn Handhygiëne en persoonlijke hygiëne medewerker, de richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, en de richtlijn Accidenteel bloedcontact.
  • Pas voorafgaand aan het inbrengen van een centraal veneuze katheter preoperatieve handdesinfectie toe conform de richtlijn Infectiepreventie op het OK-complex.
  • Draag bij het inbrengen van de centraal veneuze katheter steriele handschoenen, een chirurgisch mondneusmasker type IIR, een steriele operatiejas en hoofdbedekking conform de richtlijn Infectiepreventie op het OK-complex en de richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties.
  • Verwijder haar alleen wanneer het in de weg zit voor het inbrengen of afplakken van de centraal veneuze katheter.
    • Verwijder haar met een (medische) tondeuse met wegwerp tondeusekop.
    • Verwijder haar niet met een scheermes.
  • Desinfecteer de huid voorafgaand aan het inbrengen van de centraal veneuze katheter. 
  • Dek het gebied rondom de insteekplaats van de centraal veneuze katheter af met een steriel laken, waarbij het steriele werkveld voldoende ruimte biedt voor het binnen handbereik plaatsen van de benodigde materialen, inclusief echoapparatuur. 
  • Dek het hoofd van de patiënt af met een steriel laken bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter in de vene subclavia of de vene jugularis, of laat de patiënt een chirurgisch mondneusmasker type IIR dragen.
  • Plaats alle benodigde materialen voor het inbrengen van de centraal veneuze katheter binnen handbereik.
  • Neem bij het echogeleid inbrengen van een centraal veneuze katheter aanvullend de volgende maatregelen:
    • Gebruik een ‘low-level’ gedesinfecteerde echokop. 
    • Gebruik een steriel condoom rondom de echokop.
    • Gebruik indien nodig niet-steriele echogel in het condoom.
    • Gebruik steriele echogel tussen het condoom en de huid. 
    • Zorg dat de ‘low-level’ gedesinfecteerde echokop en de niet-steriele echogel in het condoom niet in contact komen de katheter en de gedesinfecteerde huid van de insteekplaats.
    • Gebruik geen 70% alcohol als alternatief voor steriele echogel.
    • Reinig de echokop na gebruik handmatig en pas ‘low-level’ desinfectie van de echokop toe, tenzij de echokop verontreinigd is met bloed van de patiënt. Pas in dat geval ‘high-level’ desinfectie van de echokop toe. 
    • Houd bij het reinigen en desinfecteren van de echokop rekening met het gebruiksvoorschrift van de fabrikant en de randvoorwaarden voor reiniging en desinfectie van medische hulpmiddelen die zijn beschreven in de richtlijnReiniging, desinfectie en sterilisatie (herbruikbare) medische hulpmiddelen.
    • Gebruik echoapparatuur, condoom en echogel die voldoen aan Europese wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen, waaronder de Verordening (EU) 2017/745, en de REACH-verordening (EG) 1907/2006. 
  • Vervang bij een nieuwe inbrengpoging voor een centraal veneuze katheter op dezelfde locatie tenminste de katheter (canule), tenzij deze bij de eerdere poging niet in contact is geweest met de huid. 
  • Vervang bij een nieuwe inbrengpoging voor een centraal veneuze katheter op een andere locatie alle onderdelen van de inbrengset (naald, voerdraad, dilatator, en/of katheter) die bij de eerdere poging in contact zijn geweest met de huid.
  • Gebruik geen antibiotica-bevattende zalf op de insteekplaats van de centraal veneuze katheter.

Overwegingen

Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van het bewijs

Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar het effect van de inbrenglocatie voor centraal veneuze katheters en overige infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van de katheter op katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch specialistische zorg. 

 

Voor aanbevelingen baseert de werkgroep zich op de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, internationale richtlijnen, ondersteunende literatuur, en expert opinie. 

 

Perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters

Een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter wordt meestal ingebracht in een grote vene in de bovenarm; bij kleine kinderen soms ook in de voet of de enkel. 

 

De werkgroep doet op basis van infectiepreventieoverwegingen geen aanbeveling over de optimale locatie voor het inbrengen van een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter en volgt hiermee de WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters.

 

Centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheters

Niet-getunnelde centraal veneuze katheters worden ingebracht via de vena subclavia, de vena jugularis interna of de vena femoralis.

 

Literatuuronderzoek in de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters resulteerde in de volgende bevindingen:

  • In een meta-analyse van drie vergelijkende observationele studies in volwassen intensive care- en chirurgische patiënten werden de vena jugularis interna en de vena subclavia vergeleken als inbrenglocatie voor een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter (Ruesch, 2002). Er werd een klinisch relevant verschil gevonden in het optreden van katheter-gerelateerde bloedbaaninfectie (KRBBI) in het voordeel van de vena subclavia (RR 2.24; 95% CI 0.62 tot 8.09). ‘Confounding by indication’ kon niet worden uitgesloten. Het 95% betrouwbaarheidsinterval overschrijdt beide - door de werkgroep vastgestelde - grenzen voor klinische relevantie.
  • In één gerandomiseerde klinisch studie in volwassen intensive care patiënten werden de vena femoralis en de vena subclavia vergeleken als inbrenglocatie voor een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter (Merrer, 2001). Er werd een klinisch relevant verschil gevonden in het optreden van KRBBI in het voordeel van de vena subclavia (HRadjusted 4.83; 95% CI 1.96 tot 11.93). 
  • Er werden geen studies gevonden die de kans op katheter-gerelateerde infecties vergeleken tussen de vena jugularis interna en de vena femoralis.

Verschillende studies hebben laten zien dat katheters die ingebracht zijn via de vena femoralis vaker gekoloniseerd zijn met bacteriën dan katheters die ingebracht zijn via de vena subclavia of vena jugularis (Deshpande, 2005; Goetz, 1998; Lorente, 2006; Merrer, 2001; Nagashima, 2006; Safdar, 2002; Traore, 2005). 

 

Concluderend is de werkgroep van mening dat vanuit infectiepreventieoogpunt het inbrengen van een niet-getunnelde centraal veneuze katheter via de vena subclavia of vena jugularis de voorkeur heeft boven het inbrengen via de vena femoralis. 

 

Centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheters

Getunnelde centraal veneuze katheters worden ingebracht via de vena subclavia, de vena jugularis interna of de vena femoralis.

 

In het literatuuronderzoek van de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters werden geen studies gevonden die de optimale locatie voor het inbrengen van een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter hebben onderzocht. 

De werkgroep doet op basis van infectiepreventieoverwegingen geen aanbeveling over de optimale locatie voor het inbrengen van een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter en volgt hiermee de richtlijn van CDC (O’Grady, 2017).

 

Poortkatheters

Een poortkatheter wordt meestal ingebracht via de vena cephalica, de vena subclavia of de vena jugularis. 

 

De werkgroep doet op basis van infectiepreventieoverwegingen geen aanbeveling over de optimale locatie voor het inbrengen van een poortkatheter en volgt hiermee de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters.

 

Overige overwegingen bij de keuze van inbrenglocatie

Naast infectiepreventieoverwegingen zijn ook andere factoren van belang bij de keuze voor een bepaalde inbrenglocatie voor een centraal veneuze katheter, zoals de indicatie voor katheterplaatsing, het risico op mechanische complicaties, zoals een bloeding, malpositie of pneumothorax, het gebruik van stollingbeïnvloedende medicatie of andere redenen voor een verhoogd bloedingsrisico, trombose of vaatstenose, de aanwezigheid van een hemodialyse shunt aan dezelfde zijde, de noodzaak tot vaatpreservatie, bijvoorbeeld bij patiënten met ernstige chronische nierschade of darmfalen (zie ook richtlijn Zorg bij eindstadium nierfalen), recent gebruik van de inbrenglocatie, lymfoedeem, de aanwezigheid van kunstmateriaal, zoals een ‘pacemaker’, motorische onrust, onvermogen om plat te liggen, en succes en complicaties van eerdere plaatsing. Deze aspecten kunnen een grotere impact hebben op de gezondheid van de patiënt dan eventuele infectiepreventieoverwegingen.

 

Overige infectiepreventiemaatregelen

Voor het inbrengen van een centraal veneuze katheter worden de volgende infectiepreventiemaatregelen aanbevolen:

  • Pas bij het inbrengen van de katheter de algemene voorzorgsmaatregelen toe conform de richtlijn Handhygiëne en persoonlijke hygiëne medewerker, de richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, en de richtlijn Accidenteel bloedcontact.
  • Pas voorafgaand aan het inbrengen van de katheter preoperatieve handdesinfectie toe conform de richtlijn Infectiepreventie op het OK-complex.
  • Draag bij het inbrengen van de katheter steriele handschoenen, een chirurgisch mondneusmasker type IIR, een steriele operatiejas en hoofdbedekking conform de richtlijn Infectiepreventie op het OK-complex en de richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties.
  • Het gebruik van een scheermes om haar te verwijderen kan resulteren in (micro)beschadigingen van de huid en daarmee het risico op infectie van de huid vergroten. Verwijder haar daarom alleen wanneer het in de weg zit voor het inbrengen of afplakken van de katheter. Verwijder haar met een (medische) tondeuse met wegwerp tondeusekop, niet met een scheermes.
  • Desinfecteer de huid voorafgaand aan het inbrengen van de katheter. Breng de katheter pas in als de huid volledig aan de lucht gedroogd is. Als de katheter wordt ingebracht terwijl de huid nog nat is van het desinfectans, kan het desinfectans de insteekplaats irriteren en kan het afdekmateriaal minder goed hechten.
  • Baseer de keuze voor het desinfectans en de methode van desinfecteren voor ingrepen buiten het operatiekamercomplex op de aanbevelingen in de richtlijn Desinfectie huid en slijmvliezen plus puncties, en voor ingrepen binnen het operatiekamercomplex op de richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties. 
  • Dek het gebied rondom de insteekplaats van de katheter af met een steriel laken. Bij het inbrengen van een katheter in de vene subclavia of vene jugularis is het belangrijk dat het hoofd van de patiënt is afgedekt of dat de patiënt een chirurgisch mondneusmasker type IIR draagt. Hierdoor blijft de steriliteit gewaarborgd bij hoesten of niezen van de patiënt.
  • Creëer een ruim steriel veld voor de benodigde materialen, inclusief echoapparatuur.
  • Plaats alle benodigde materialen voor het inbrengen van de katheter binnen handbereik.
  • Vervang bij een nieuwe inbrengpoging voor een centraal veneuze katheter op dezelfde locatie tenminste de katheter (canule), tenzij deze bij de eerdere poging niet in contact is geweest met de huid. Het is onduidelijk wat het effect is van herhaalde huidpassage van de katheter op katheter-gerelateerde infecties. Hier ligt een kennisvraag.
  • Vervang bij een nieuwe inbrengpoging voor een centraal veneuze katheter op een andere locatie alle onderdelen van de inbrengset (naald, voerdraad, dilatator en/of katheter) die bij de eerdere poging in contact zijn geweest met de huid.
  • Gebruik geen antibiotica-bevattende zalf op de insteekplaats van de katheter.

Voor het echogeleid inbrengen van een centraal veneuze katheter worden aanvullend de volgende infectiepreventiemaatregelen aanbevolen:

  • Gebruik een ‘low-level’ gedesinfecteerde echokop. De werkgroep is van mening dat in het geval van een zorgvuldige echogeleide procedure, waarbij de echokop niet in aanraking komt met de katheter en de gedesinfecteerde huid van de insteekplaats, kan worden volstaan met gebruik van een ‘low-level’ gedesinfecteerde echokop.
  • Gebruik een steriel condoom rondom de echokop.
  • Gebruik indien nodig niet-steriele echogel in het condoom. De werkgroep is van mening dat in het geval van een zorgvuldige echogeleide inbrengprocedure, waarbij de echogel in het condoom niet in aanraking komt met de katheter en de gedesinfecteerde huid van de insteekplaats, kan worden volstaan met het gebruik van niet-steriele echogel. Het is onduidelijk wat de meerwaarde is van het gebruik van steriele echogel in het condoom bij de preventie van katheter-gerelateerde infecties. Hier ligt een kennisvraag.
  • Gebruik steriele echogel tussen het condoom en de huid. 
  • Gebruik geen 70% alcohol als alternatief voor steriele echogel. Het gebruik van 70% alcohol als echomedium wordt ontraden vanwege de kans op huidirritatie bij langer durend huidcontact, en de kans op irritatie van de insteekplaats wanneer deze bij het inbrengen van de katheter in contact komt met de alcohol.
  • Reinig de echokop na gebruik handmatig en pas ‘low-level’ desinfectie van de echokop toe, tenzij de echokop verontreinigd is met bloed van de patiënt. Pas in dat geval ‘high-level’ desinfectie van de echokop toe. 
  • Houd bij het reinigen en desinfecteren van de echokop rekening met het gebruiksvoorschrift van de fabrikant en de randvoorwaarden voor reiniging en desinfectie van medische hulpmiddelen die zijn beschreven in de richtlijn Reiniging, desinfectie en sterilisatie (herbruikbare) medische hulpmiddelen. 

Voor de plaats van het echogeleid inbrengen van centraal veneuze katheters wordt verwezen naar de module Echogeleid aanprikken.

 

Voor de classificatie van ingrepen die op een operatiekamer dan wel zelfstandige behandelkamer dienen te worden uitgevoerd wordt verwezen naar de richtlijn Luchtbehandeling in operatiekamers en behandelkamers.

 

Internationale richtlijnen

De richtlijnen van Centers for Disease Prevention and Control (CDC) (O’Grady, 2017), International Nursing Society (INS) (No authors listed, 2021), Society for Healthcare Epidemiology of America, Infectious Disease Society of America and Association for Professionals in Infection Control and Epidemiology (SHEA/IDSA/APIC) (Buetti, 2022), en World Health Organization (WHO) (No authors listed, 2024) zijn geraadpleegd (Tabel 1). 

 

CDC en SHEA/IDSA/APIC bevelen aan om bij de keuze voor een bepaalde locatie het risico op infectieuze complicaties af te wegen tegen het risico op niet-infectieuze complicaties. INS beveelt aan een afweging te maken op basis van de fysiologie en vasculaire voorgeschiedenis van de patiënt, en de indicatie en het spoedeisende karakter van de katheterplaatsing.

 

CDC raadt het gebruik van de vena femoralis voor centraal veneuze toegang bij volwassenen af, vanwege de hogere dichtheid van de huidflora ten opzichte van de vena subclavia en de vena jugularis. Voor niet-getunnelde centraal veneuze katheters spreekt CDC op basis van retrospectieve observationele studies een voorkeur uit voor de vena subclavia boven de venae jugularis en de vena femoralis; SHEA/IDSA/APIC spreken voor patiënten op de intensive care een voorkeur uit voor de vena subclavia. 

 

Voor perifeer ingebrachte centraal veneuze katheters beveelt INS aan om deze in te brengen in een vene in de bovenarm met een voorkeur voor de vena brachialis, en een ‘catheter-to-vein’ ratio onder de 45%; CDC, SHEA/IDSA/APIC en WHO doen geen aanbeveling.

 

Geen van de geraadpleegde richtlijnen doet een aanbeveling over de voorkeurslocatie voor poortkatheters.

 

CDC beveelt aan om een centraal veneuze katheter met steriel in te brengen waarbij steriele handschoenen, een steriele operatiejas, een chirurgisch mondneusmasker en hoofdbedekking worden gedragen en de patiënt met een steriel laken wordt afgedekt. INS beveelt aan om een chirurgische aseptische ‘no-touch’ techniek te gebruiken. Voor het inbrengen van een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter beveelt de WHO het gebruik van steriele handschoenen, een steriele operatiejas, en een chirurgisch mondneusmasker aan en afdekken van het gebied rondom de insteekplaats met een steriele doek.

 

CDC, INS en WHO doen geen aanbevelingen voor infectiepreventiemaatregelen rondom het echogeleid inbrengen van centraal veneuze katheters. 

 

Tabel 1. Internationale richtlijnen voor de preventie van katheter-gerelateerde infecties

Richtlijn

Aanbeveling(en)

CDC (O’Grady, 2017)

  • Weigh the risks and benefits of placing a central venous device at a recommended site to reduce infectious complications against the risk for mechanical complications (e.g., pneumothorax, subclavian artery puncture, subclavian vein laceration, subclavian vein stenosis, hemothorax, thrombosis, air embolism, and catheter misplacement).
  • Avoid using the femoral vein for central venous access in adult patients.
  • Use a subclavian site, rather than a jugular or a femoral site, in adult patients to minimize infection risk for nontunneled CVC placement.
  • No recommendation can be made for a preferred site of insertion to minimize infection risk for a tunneled CVC.
  • Use maximal sterile barrier precautions, including the use of a cap, mask, sterile gown, sterile gloves, and a sterile full body drape, for the insertion of CVCs, PICCs, or guidewire exchange.

INS (No authors listed, 2021)1,2

  • Select the basilic, brachial, or cephalic vein above the antecubital fossa that is most appropriate for PICC insertion, preferably the basilic vein; ensure a catheter-to-vessel ratio of less than 45%.
  • Use a risk/benefit approach to site selection based on patient physiology, vascular history, infusion needs, and emergent nature of insertion.
  • A surgical Aseptic Non Touch Technique (ANTT®) is applied for central vascular access device insertion.

SHEA/IDSA/APIC (Buetti, 2022)

  • The risk and benefit of different insertion sites must be considered on an individual basis with regard to infectious and noninfectious complications. 
  • The subclavian site is preferred to reduce infectious complications when the catheter is placed in the ICU setting.

WHO (No authors listed, 2024)

  • WHO recommends using a sterile technique for the insertion of PICCs in adults and adolescents-children, including the use of a medical mask, sterile gown, sterile gloves and a sterile drape that adequately covers the area around the insertion.

APIC = Association for Professionals in Infection Control; CDC = Centers for Disease Prevention and Control; CVC = central venous catheter (NL: centraal veneuze katheter); ICU = intensive care unit (NL: intensive care afdeling); IDSA = Infectious Diseases Society of America; INS = International Nursing Society; PICC = peripherally inserted central venous catheter (NL: perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter); SHEA = Society for Healthcare Epidemiology of America; WHO = World Health Organization

1 De INS-richtlijn is ontwikkeld met financiële ondersteuning van de industrie; ook waren auteurs niet vrij van persoonlijke financiële belangen. 

2 Er wordt niet verwezen naar de in 2024 verschenen update van de INS-richtlijn, omdat deze niet publiek beschikbaar is.

 

Wettelijke kaders

Het inbrengen van een centraal veneuze katheter is een risicovolle en voorbehouden handeling onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) die alleen mag worden uitgevoerd door een zorgverlener die daarvoor bevoegd en bekwaam is. 

 

Echoapparatuur, steriel condoom en echogel zijn medische hulpmiddelen en moeten als zodanig voldoen aan Europese wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen, waaronder de Verordening (EU) 2017/745, en de REACH-verordening (EG) 1907/2006. 

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun verzorgers)

Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar de waarden en voorkeuren van patiënten met betrekking tot infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter. 

 

In het algemeen kan gezegd worden dat de preventie van katheter-gerelateerde infecties past binnen de huidige maatstaven voor passende zorg. Standaardisatie en naleving van aanbevelingen over infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter is voor patiënten belangrijk omdat dit de kans op infecties niet wegneemt, maar wel vermindert. 

 

Bij de keuze voor een bepaalde inbrenglocatie voor een centraal veneuze katheter is het belangrijk om rekening te houden met de bewegingsvrijheid van de patiënt.

 

Het is belangrijk de keuze voor de inbrenglocatie voor een centraal veneuze katheter met de patiënt te bespreken hierbij de voor- en nadelen van de verschillende inbrenglocaties te benoemen, en samen te beslissen welke inbrenglocatie in de specifieke situatie van de patiënt het meest geschikt is. 

 

Kosten (middelenbeslag) 

Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar de kosteneffectiviteit van infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter. 

 

In het algemeen kan gezegd worden dat katheter-gerelateerde infecties gepaard gaan met meer zorgkosten (Baier, 2020; Patel 2019; Pu, 2020; Ullman, 2022). Het voorkómen van deze complicaties door standaardisatie en naleving van aanbevelingen over infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter resulteert naar verwachting in een vermindering van zorgkosten. 

 

Gelijkheid ((health) equity)

De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze kathetergeen effect op de gezondheidsgelijkheid.

 

Aanvaardbaarheid

Ethische aanvaardbaarheid

De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter geen ethische bezwaren. 

 

Duurzaamheid

Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar duurzaamheidsaspecten van infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter. 

 

In het algemeen kan gezegd worden dat de preventie van katheter-gerelateerde infecties leidt tot minder gebruik van medische hulpmiddelen, minder gebruik van antibiotica en de daarmee gepaard gaande ontwikkeling van antibioticaresistentie.

 

Vanuit duurzaamheidsperspectief is het belangrijk om efficiënt gebruik te maken van materialen voor het inbrengen van een centraal veneuze katheter.

 

De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze kathetergeen effect op duurzaamheid.

 

Haalbaarheid

De werkgroep voorziet voor aanbevelingen over infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van een centraal veneuze kathetergeen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid. 

 

Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Aanbeveling 1 – Inbrenglocatie

Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar het effect van de inbrenglocatie voor centraal veneuze katheters op katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch specialistische zorg. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, internationale richtlijnen, ondersteunende literatuur, en expert opinie. 

 

Er is beperkt bewijs dat het inbrengen van een niet-getunnelde centraal veneuze katheter via de vena femoralis mogelijke resulteert in meer infectieuze complicaties dan het inbrengen via de vena subclavia. Daarnaast zijn katheters die ingebracht worden via de vena femoralis vaker gekoloniseerd met bacteriën dan katheters die zijn ingebracht via de vena subclavia of vena jugularis. De werkgroep is daarom van mening dat op basis van infectiepreventieoverwegingen het inbrengen van een niet-getunnelde centraal veneuze katheter via de vena subclavia of vena jugularis de voorkeur heeft boven het inbrengen via de vena femoralis. 

 

De werkgroep doet op basis van infectiepreventieoverwegingen geen aanbeveling over de optimale locatie voor het inbrengen van een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter en volgt hiermee de richtlijn van CDC (O’Grady, 2017).

 

De werkgroep doet op basis van infectiepreventieoverwegingen geen aanbeveling over de optimale locatie voor het inbrengen van een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter of een poortkatheter en volgt hiermee de WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters.

 

Naast infectiepreventieoverwegingen zijn de indicatie voor katheterplaatsing, het risico op mechanische complicaties, gebruik van stolling beïnvloedende medicatie of andere redenen voor een verhoogd bloedingsrisico, trombose of vaatstenose, de aanwezigheid van een hemodialyse shunt aan dezelfde zijde, de noodzaak tot vaatpreservatie, recent gebruik van de inbrenglocatie, lymfoedeem, de aanwezigheid van kunstmateriaal, motorische onrust, onvermogen om plat te liggen, succes en complicaties van eerdere plaatsing en de bewegingsvrijheid van de patiënt van belang bij het bepalen van de inbrenglocatie voor een centraal veneuze katheter. Tot slot is het belangrijk dat de overwegingen voor het maken van een keuze voor de inbrenglocatie met de patiënt besproken worden (Samen beslissen).

 

Aanbeveling 2 – Overige infectiepreventiemaatregelen 

Er is geen systematisch literatuuronderzoek verricht naar overige infectiepreventiemaatregelen bij het inbrengen van centraal veneuze katheters op katheter-gerelateerde infecties bij volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch specialistische zorg. De aanbevelingen zijn gebaseerd op de eerdere WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, internationale richtlijnen, ondersteunende literatuur, en expert opinie. De werkgroep maakt hierbij geen onderscheid tussen verschillende typen centraal veneuze katheters of tussen volwassenen en kinderen.

 

Het inbrengen van een centraal veneuze katheter is een risicovolle en voorbehouden handeling onder de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) die alleen mag worden uitgevoerd door een zorgverlener die daarvoor bevoegd en bekwaam is. 

 

Om besmetting van de katheter te voorkomen dienen bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter de algemene voorzorgsmaatregelen te worden toegepast conform de richtlijn Handhygiëne en persoonlijke hygiëne medewerker, de richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen, en de richtlijn Accidenteel bloedcontact. Daarnaast dient preoperatieve handdesinfectie te worden toegepast conform de richtlijn Infectiepreventie op het OK-complex, en dienen bij het inbrengen van de katheter steriele handschoenen, een chirurgisch mondneusmasker type IIR, een steriele operatiejas en hoofdbedekking te worden gedragen conform de richtlijn Infectiepreventie op het OK-complex en de richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties. Het gebied rondom de insteekplaats dient te worden afgedekt met een steriel laken, waarbij het steriele veld voldoende ruimte biedt voor het binnen handbereik plaatsen van de benodigde materialen, inclusief eventueel benodigde echoapparatuur. Bij het inbrengen van een centraal veneuze katheter in de vene subclavia of vene jugularis dient ook het hoofd van de patiënt te worden afgedekt met een steriel laken of dient de patiënt een chirurgisch mondneusmasker type IIR te dragen. 

 

Om (micro)beschadigingen van de huid en daarmee de kans op infecties te voorkomen is het advies om haar alleen te verwijderen wanneer het in de weg zit voor het inbrengen of afplakken van de katheter en hierbij geen scheermes maar een (medische) tondeuse met wegwerp tondeusekop te gebruiken.

 

De werkgroep adviseert om de huid te desinfecteren voorafgaand aan het inbrengen van een centraal veneuze katheter. Voor de keuze van het desinfectans en de methode van desinfecteren wordt voor ingrepen buiten het operatiekamercomplex verwezen naar de richtlijn Desinfectie huid en slijmvliezen plus puncties, en voor ingrepen binnen het operatiekamercomplex naar de richtlijn Preventie van postoperatieve wondinfecties. Het is van belang de katheter pas in te brengen als de huid volledig aan de lucht gedroogd is.

 

In het geval van falen van een inbrengpoging voor een centraal veneuze katheter adviseert de werkgroep om bij een nieuwe inbrengpoging op dezelfde locatie tenminste de katheter (canule) te vervangen, tenzij deze bij de eerdere poging niet in contact is geweest met de huid. Bij een nieuwe inbrengpoging op een andere locatie is het advies om alle onderdelen van de inbrengset (naald, voerdraad, dilatator, en/of katheter) die bij de eerdere poging in contact zijn geweest met de huid te vervangen. Het is onduidelijk wat het effect is van herhaalde huidpassage van de katheter op katheter-gerelateerde infecties. Hier ligt een kennisvraag.

 

Aanvullend is het advies om bij het echogeleid inbrengen van een centraal veneuze katheter een ‘low-level’ gedesinfecteerde echokop met steriel condoom te gebruiken, en de echokop na gebruik handmatig te reinigen en ‘low-level’ te desinfecteren (‘high-level’ bij verontreiniging van de echokop met bloed van de patiënt), rekening houdend met het gebruiksvoorschrift van de fabrikant en de randvoorwaarden voor reinigen en desinfecteren van medische hulpmiddelen die zijn beschreven in de richtlijnReiniging, desinfectie en sterilisatie (herbruikbare) medische hulpmiddelen. Daarnaast is het advies om steriele echogel te gebruiken tussen het condoom en de huid en, indien nodig, niet-steriele echogel in het condoom. Het is onduidelijk wat de meerwaarde is van het gebruik van steriele echogel in het condoom bij de preventie van katheter-gerelateerde infecties. Hier ligt een kennisvraag. Het is belangrijk dat de ‘low-level’ gedesinfecteerde echokop en de niet-steriele echogel in het condoom niet in aanraking komen met de katheter en de gedesinfecteerde huid van de insteekplaats. Het gebruik van 70% alcohol als alternatief voor steriele echogel wordt ontraden. Echoapparatuur en echogel moeten voldoen aan Europese wetgeving op het gebied van medische hulpmiddelen, waaronder de Verordening (EU) 2017/745, en de REACH-verordening (EG) 1907/2006. 

 

Tot slot adviseert de werkgroep om geen antibiotica-bevattende zalf te gebruiken op de insteekplaats van de katheter.

 

Voor de plaats van het echogeleid inbrengen van centraal veneuze katheters wordt verwezen naar de module Echogeleid aanprikken.

 

Voor de classificatie van ingrepen die op een operatiekamer dan wel zelfstandige behandelkamer dienen te worden uitgevoerd wordt verwezen naar de richtlijn Luchtbehandeling in operatiekamers en behandelkamers.

Onderbouwing

Een centraal veneuze katheter wordt ingebracht in een perifere of centrale vene en reikt tot in een centrale vene.

 

Een centraal veneuze katheter wordt gebruikt om (langer durend) toegang te verkrijgen tot de bloedbaan voor het toedienen van medicatie, vloeistoffen, bloedproducten en parenterale voeding, en in uitzonderlijke gevallen voor het afnemen van bloed. 

 

Er zijn verschillende typen centraal veneuze katheters: 1) een centraal ingebrachte niet-getunnelde centraal veneuze katheter zonder ‘cuff’; 2) een centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheter met ‘cuff’; 3) een perifeer ingebrachte centraal veneuze katheter, ook wel bekend als ‘PICC’; en 4) een poortkatheter, ook wel bekend als ‘port-a-cath’. Centraal ingebrachte getunnelde centraal veneuze katheters zonder ‘cuff’ worden buiten beschouwing gelaten omdat deze in de Nederlandse praktijk niet worden toegepast.

 

Het gebruik van een centraal veneuze katheter kan gepaard gaan met infectieuze en niet-infectieuze complicaties, zoals een bloedbaaninfectie en trombose. Deze complicaties kunnen belastend zijn voor de patiënt en kunnen resulteren in een afname van de kwaliteit van leven en een toename in zorgkosten.

 

Deze module beschrijft de optimale locatie voor het inbrengen van een centraal veneuze katheter om katheter-gerelateerde infecties te voorkomen, en de overige infectiepreventiemaatregelen die bij het inbrengen van de katheter genomen dienen te worden voor volwassen patiënten en kinderen (geen neonaten) in de medisch specialistische zorg. Centraal veneuze katheters voor hemodialyse vallen buiten de scope van deze richtlijn. 

No systematic literature search was performed to answer the clinical question. 

 

The recommendations were based on the previous WIP-guideline Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters, international guidelines, supporting literature, and expert opinion.

 

  1. Baier C, Linke L, Eder M, Schwab F, Chaberny IF, Vonberg RP, Ebadi E. Incidence, risk factors and healthcare costs of central line-associated nosocomial bloodstream infections in hematologic and oncologic patients. PLoS One. 2020 Jan 24;15(1):e0227772. doi: 10.1371/journal.pone.0227772. PMID: 31978169; PMCID: PMC6980604.
  2. Buetti N, Marschall J, Drees M, Fakih MG, Hadaway L, Maragakis LL, Monsees E, Novosad S, O'Grady NP, Rupp ME, Wolf J, Yokoe D, Mermel LA. Strategies to prevent central line-associated bloodstream infections in acute-care hospitals: 2022 Update. Infect Control Hosp Epidemiol. 2022 May;43(5):553-569. doi: 10.1017/ice.2022.87. Epub 2022 Apr 19. PMID: 35437133; PMCID: PMC9096710.
  3. Deshpande KS, Hatem C, Ulrich HL, Currie BP, Aldrich TK, Bryan-Brown CW, Kvetan V. The incidence of infectious complications of central venous catheters at the subclavian, internal jugular, and femoral sites in an intensive care unit population. Crit Care Med. 2005 Jan;33(1):13-20; discussion 234-5. doi: 10.1097/01.ccm.0000149838.47048.60. PMID: 15644643.
  4. Goetz AM, Wagener MM, Miller JM, Muder RR. Risk of infection due to central venous catheters: effect of site of placement and catheter type. Infect Control Hosp Epidemiol. 1998 Nov;19(11):842-5. doi: 10.1086/647742. PMID: 9831940.
  5. Lorente L, Jiménez A, Iribarren JL, Jiménez JJ, Martín MM, Mora ML. The micro-organism responsible for central venous catheter related bloodstream infection depends on catheter site. Intensive Care Med. 2006 Sep;32(9):1449-50. doi: 10.1007/s00134-006-0266-7. Epub 2006 Jun 28. PMID: 16804728.
  6. Merrer J, De Jonghe B, Golliot F, Lefrant JY, Raffy B, Barre E, Rigaud JP, Casciani D, Misset B, Bosquet C, Outin H, Brun-Buisson C, Nitenberg G; French Catheter Study Group in Intensive Care. Complications of femoral and subclavian venous catheterization in critically ill patients: a randomized controlled trial. JAMA. 2001 Aug 8;286(6):700-7. doi: 10.1001/jama.286.6.700. PMID: 11495620.
  7. Nagashima G, Kikuchi T, Tsuyuzaki H, Kawano R, Tanaka H, Nemoto H, Taguchi K, Ugajin K. To reduce catheter-related bloodstream infections: is the subclavian route better than the jugular route for central venous catheterization? J Infect Chemother. 2006 Dec;12(6):363-5. doi: 10.1007/s10156-006-0471-x. Epub 2007 Jan 18. PMID: 17235641.
  8. O'Grady NP, Alexander M, Burns LA, Dellinger EP, Garland J, Heard SO, Lipsett PA, Masur H, Mermel LA, Pearson ML, Raad II, Randolph AG, Rupp ME, Saint S; Healthcare Infection Control Practices Advisory Committee (HICPAC). Guidelines for the prevention of intravascular catheter-related infections, 2011. Update 2017. 2017. (https://www.cdc.gov/infection-control/media/pdfs/Guideline-BSI-H.pdf, accessed November 1, 2024)
  9. Patel AR, Patel AR, Singh S, Singh S, Khawaja I. Central Line Catheters and Associated Complications: A Review. Cureus. 2019 May 22;11(5):e4717. doi: 10.7759/cureus.4717. PMID: 31355077; PMCID: PMC6650175.
  10. Pu YL, Li ZS, Zhi XX, Shi YA, Meng AF, Cheng F, Ali A, Li C, Fang H, Wang C. Complications and Costs of Peripherally Inserted Central Venous Catheters Compared With Implantable Port Catheters for Cancer Patients: A Meta-analysis. Cancer Nurs. 2020 Nov/Dec;43(6):455-467. doi: 10.1097/NCC.0000000000000742. PMID: 31464692.
  11. Ruesch S, Walder B, Tramèr MR. Complications of central venous catheters: internal jugular versus subclavian access--a systematic review. Crit Care Med. 2002 Feb;30(2):454-60. doi: 10.1097/00003246-200202000-00031. PMID: 11889329.
  12. Safdar N, Kluger DM, Maki DG. A review of risk factors for catheter-related bloodstream infection caused by percutaneously inserted, noncuffed central venous catheters: implications for preventive strategies. Medicine (Baltimore). 2002 Nov;81(6):466-79. doi: 10.1097/00005792-200211000-00007. PMID: 12441903.
  13. Traoré O, Liotier J, Souweine B. Prospective study of arterial and central venous catheter colonization and of arterial- and central venous catheter-related bacteremia in intensive care units. Crit Care Med. 2005 Jun;33(6):1276-80. doi: 10.1097/01.ccm.0000166350.90812.d4. PMID: 15942344.
  14. Ullman AJ, Gibson V, Takashima MD, Kleidon TM, Schults J, Saiyed M, Cattanach P, Paterson R, Cooke M, Rickard CM, Byrnes J, Chopra V. Pediatric central venous access devices: practice, performance, and costs. Pediatr Res. 2022 Nov;92(5):1381-1390. doi: 10.1038/s41390-022-01977-1. Epub 2022 Feb 8. PMID: 35136199; PMCID: PMC9700519.
  15. No authors listed. 2021 Infusion Therapy Standards of Practice Updates. J Infus Nurs. 2021 Jul-Aug 01;44(4):189-190. doi: 10.1097/NAN.0000000000000436. PMID: 34197345.
  16. No authors listed. Guidelines for the prevention of bloodstream infections and other infections associated with the use of intravascular catheters: Part 1: peripheral catheters [Internet]. Geneva: World Health Organization; 2024. PMID: 38810002.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 09-10-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 09-10-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg

Algemene gegevens

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd door het ministerie van VWS. De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Werkgroep

  • S. (Selma) Bons, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), voorzitter
  • Dr. M. (Michelle) Gompelman, Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), Nederlandse Vereniging van Internist-Infectiologen (NVII)
  • R. (Renze) Jongstra, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)
  • H. (Heidy) Koene, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)
  • M.H.H. (Marc) Königs, Nederlandse Vereniging voor Intensive Care (NVIC)
  • Dr. B.J. (Bart) Laan (AIOS), Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), Nederlandse Vereniging van Internist-Infectiologen (NVII)
  • K. (Kelly) Niggebrugge-Mentink, Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers (NVZA)
  • Dr. J.H. (Jan) van Zeijl, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM)

Klankbordgroep

  • Dr. J.R.A. (Jeetindra) Balak, Nederlandse Internisten Vereniging (NIV), Nederlandse Federatie voor Nefrologie (NFN)
  • Werkgroep richtlijn Centraal veneuze toegang (NVvH)
  • Werkgroep leidraad Infusietechnologie (NVKF)

Met ondersteuning van

  • Mw. A. (Alies) Oost, informatiespecialist, Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. H. (Haitske) Graveland, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. M.F.Q. (Marjolein) Kluijtmans-van den Bergh, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

 

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

Werkgroeplid 

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen 

Ondernomen actie

S. (Selma) Bons

Anesthesioloog, Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie, Utrecht

Lid werkgroep SRI richtlijnen
Toediening medicatie, OK complex


Lid Commissie kwaliteitsdocumenten NVA 

 

Lid bestuur sectie kinderanesthesiologie NVA 

 

Lid SRI 
adviesgroep

Geen

Geen restrictie

Dr. M. (Michelle) Gompelman

Internist-infectioloog, Elkerliek Ziekenhuis, Helmond

Lid werkgroep FMS-richtlijn Centraal veneuze toegang


Adviseur V&VN-richtiijn Centraal veneuze toegang

Geen

Geen restrictie

A. (Renze) Jongstra

Intensive care verpleegkundige
volwassenen (50%) en kinderen (50%), circulation practitioner, Leids UMC, Leiden

Vicevoorzitter V&VN afdeling IC (onbetaald)


IC verpleegkundige MICU Zuid-West Nederland (betaald)

Geen

Geen restrictie

H. (Heidy) Koene

Deskundige infectiepreventie, Erasmus MC, Rotterdam

Geen

Geen

Geen restrictie

M.H.H. (Marc) Königs

Intensivist, Maxima Medisch Centrum. Eindhoven/Veldhoven (100%)

Duikerarts / duikclubarts

 

Waarnemer intensivist Aruba en via IC (max. 200 uur/jaar) 

Lid advisory board 3M (behoeftebepaling intravascular catheter dressings); onbetaald

In het verleden voordrachten op congressen voor 3M en BD (betaald)

- ESAIC ( Milaan / München)

- WOCOVA ( Athene) 

- Nordic congres for vasculary acces

Geen

Geen restrictie (adviseurschap 3M onbetaald)

Dr. B.J. (Bart) Laan

AIOS Interne Geneeskunde, Amsterdam UMC, Amsterdam

Geen

Geen

Geen restrictie

K. (Kelly) Niggebrugge-Mentink

Ziekenhuisapotheker, Hagaziekenhuis, Den Haag

Gastdocent Fontys Hogeschool (verpleegkundig specialistenopleiding); betaald

Gastspreker congres Stichting Vascular Infusion Technology; onbetaald

Geen

Geen restrictie

Dr. J.H. (Jan) van Zeijl

Arts-microbioloog, Certe Medische Diagnostiek & Advies, afdeling Medische Microbiologie (tot april 2024)

 

Waarnemend arts-microbioloog, Certe Medische Diagnostiek & Advies, afdeling Medische Microbiologie (september t/m december 2025)

Bestuurslid (sinds januari 2024 voorzitter) Vasculitis Stichting met portefeuille vrijwilligersbeleid en Zorg, Research en Belangenbehartiging; onbetaald

Geen

Geen restrictie

Klankbordgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen 

Ondernomen actie

Dr. J.R.A. (Jeetindra) Balak

Internist, Leids UMC, Leiden

Geen

Geen

Geen restrictie

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van Patiëntenfederatie Nederland (PFNL) voor de schriftelijke knelpunteninventarisatie. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan PFNL en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

 

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase). 

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Inbrengen van centraal veneuze katheters

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

 

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II-instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010). 

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten met betrekking tot infectiepreventiemaatregelen rondom intravasculaire katheters. De werkgroep beoordeelde de aanbeveling(en) uit de eerdere WIP-richtlijn Arteriële kathetersen de WIP-richtlijn Flebitis en bloedbaaninfecties door intraveneuze infuuskatheters. Tevens zijn er in de schriftelijke knelpunteninventarisatie knelpunten aangedragen door Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), Landelijke Vereniging van Operatieassistenten (LVO), Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers (NVAM), Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA), Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ), Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH), Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM), Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM), Stichting Kind en Ziekenhuis, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN). Een verslag hiervan is opgenomen onder Verslag schriftelijke knelpunteninventarisatie. 

 

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld. 

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvragen behorende bij de uitgangsvragen inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Ook definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden. 

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder Zoekverantwoording. Indien mogelijk werden de gegevens uit verschillende studies gepoold in een random-effects-model. Review Manager 5.4 werd gebruikt voor de statistische analyses. De beoordeling van de wetenschappelijke bewijskracht wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs 

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie https://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017). 

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • Er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • Het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • Er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • Het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • Er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • Er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • Er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • De literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nul effect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017). 

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), duurzaamheid, aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Overwegingen en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016A; Alonso-Coello 2016B). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling is gekomen. 

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers 

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. 

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen. 

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren. 

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. 

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

 

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417. A

 

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494. B

 

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

 

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

 

Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 (2023). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Available from: https://richtlijnendatabase.nl/uploaded/docs/FMS_MedSpecRicht_2023__v04.pdf?u=1bULOR

 

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. PMID: 26772609.

 

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from: https://gdt.gradepro.org/app/handbook/handbook.html.

Volgende:
Perifeer arteriële katheters