Dieren in specifieke situaties en locaties in de medisch-specialistische zorg
Uitgangsvraag
Onder welke omstandigheden kan een dier worden toegelaten in specifieke locaties en situaties in een medisch-specialistische zorginstelling?
Aanbeveling
Assistentie- en therapiehonden
Met name bij een psychosociale indicatie kan de aanwezigheid van een hond bijdragen aan het herstel en welzijn van de patiënt.
- Laat assistentiehonden de persoon die ze ondersteunen, vergezellen in alle ruimtes met uitzondering van operatiekamers die voldoen aan OK-klasse 1, 1+ of 2 en de afdeling Neonatologie.
- Stel hiervoor een lokaal beleid op en publiceer dit op de website.
- Laat assistentiehonden op de intensive care toe als:
- de patiënt hier baat bij en behoefte aan heeft;
- de patiënt bij bewustzijn is;
- de patiënt op een eenpersoonskamer ligt;
- het welzijn van de hond niet in het gedrang komt.
- Beoordeel of de gezondheid van de patiënt het toelaat om een assistentiehond en eventueel therapiehond toe te laten (bijvoorbeeld bij immuunsuppressie). Dit is ter beoordeling van de behandelend arts.
Dieren die een patiënt bezoeken
Dit is slechts in uitzonderingsgevallen toegestaan bijvoorbeeld bij langdurig opgenomen
patiënten of (palliatieve) patiënten die afscheid willen nemen van hun gezelschapsdier.
- Stel beleid op voor de uitzonderingsgevallen waarbij het op bezoek laten komen van gezelschapsdieren onder voorwaarden wordt toegelaten. Neem hierin het volgende op:
- overleg met de afdeling Infectiepreventie;
- beschrijf de situaties waarin het meenemen van een gezelschapsdier is toegestaan;
- beoordeel of de gezondheid van de patiënt het toelaat (bijvoorbeeld immuunsuppressie);
- beschrijf de ruimtes waar het dier mag komen (patiëntenkamer of andere aparte kamer) en maak afspraken over de route en het vervoer van het dier;
- de gezelschapsdieren die zijn toegestaan om mee te nemen naar de medisch-specialistische zorginstelling, zie hiervoor het overzicht Risico's op zoönosen bij contact met dieren in een zorginstelling;
- de duur van het bezoek;
- het dier mag geen voorgeschiedenis van agressiviteit hebben (richting mens en/of andere dieren);
- informatie over de te nemen hygiënemaatregelen;
- het voldoen aan de algemene voorwaarden voor het toelaten van dieren (module Algemene voorwaarden toelating dieren).
Zie de tabel Toelating dieren in de medisch-specialistische zorginstelling voor de toegang van dieren per ruimte.
Overwegingen
Voor- en nadelen van de interventie en de kwaliteit van bewijs
Om de uitgangsvraag te beantwoorden, is geen systematische literatuuranalyse verricht naar het toelaten van dieren in specifieke locaties of situaties binnen een medisch-specialistische zorginstelling in relatie tot het voorkomen van overdracht van infectieziekten. De werkgroep is op basis van de eerdere WIP-richtlijn Huisdieren, literatuur en expert opinie tot aanbevelingen gekomen.
Categorie dieren
Assistentiehonden
Assistentiehonden moeten in principe op alle plekken worden toegelaten waar patiënten ook mogen komen in een medisch-specialistische zorginstelling. Zie hiervoor module Assistentie- en therapiehonden. Voor een aantal locaties gelden wel aanvullende overwegingen, zie nader beschreven in deze overwegingen bij het onderdeel 'locaties en situaties'.
Therapiehonden
In toenemende mate worden therapiehonden/bezoekhonden/sociale honden ingezet in de medisch-specialistische zorg om herstel en welzijn van patiënten te bevorderen. Er zijn therapiehonden die worden ingezet om een individuele patiënt te helpen. Er zijn ook therapiehonden die met meerdere patiënten in aanraking komen. Als een hond op een dag contact heeft met meerdere patiënten, is het belangrijk om extra aandacht te besteden aan het potentiële risico op transmissie van (pathogene) micro-organismen van de patiënt naar de hond en via de hond naar andere patiënten. Een beslissing over de inzet van honden voor therapeutische doeleinden in een medisch-specialistische zorginstelling vergt een afweging tussen de baten en de risico's. Dit is een lokale afweging, waarbij er weinig harde data zijn om de afweging op te baseren. Het bewijs voor de mate van risico is beperkt en veelal indirect. Mitigerende maatregelen om eventuele transmissie te voorkomen, betreffen algemene infectiepreventiemaatregelen zoals handhygiëne voor en na contact met de hond en correct gedrag van hond en patiënt (Barker, 2021; Boyle, 2019; Chubak, 2024; Dalton, 2021).
De hond moet voldoen aan de gestelde voorwaarden voor toelating (zie module Algemene voorwaarden toelating dieren) en daarnaast is het gedrag richting de hond van belang. Patiënten en anderen die in contact komen met de hond moeten deze niet voeren en zich niet laten likken of kussen door hond, zeker niet in het gezicht. Ook moeten zij zich houden aan de instructies van de begeleider van de hond.
De medisch-specialistische zorginstelling moet maatregelen nemen om te voorkomen dat patiënten met een isolatie-indicatie in contact kunnen komen met de honden. De begeleider van de hond(en) moet geïnformeerd worden. Ook moet de afdeling infectiepreventie op de hoogte worden gesteld als honden ook bij andere (zorg)instellingen komen en/of als er uitbraken zijn op deze andere locatie.
Gezelschapsdieren
Bezoek van eigen gezelschapsdieren binnen de medisch-specialistische zorginstelling is in principe niet toegestaan. Als de gezondheid van de patiënt dit toelaat, is contact met een eigen gezelschapsdier buiten de zorginstelling vaak wel mogelijk. Er zijn echter omstandigheden waarbij het bezoek van iemands eigen gezelschapsdier bij hoge uitzondering mag plaatsvinden binnen de medisch-specialistische zorginstelling, of op de eigen patiëntenkamer op de verpleegafdeling. Als het bezoek van het dier in het belang van de patiënt of behandeling is, kan een kortdurend bezoek op andere afdelingen (zoals bijvoorbeeld de afdeling Intensive Care) overwogen worden. Dit gebeurt altijd in overleg met de behandelend arts en de afdeling infectiepreventie.
Situaties
Onderzoeksruimtes, aseptische handelingen en zelfstandige behandelkamers
Procedures en behandelingen zoals lichamelijk onderzoek, bloedafname, infuusplaatsing en kleine chirurgische ingrepen onder plaatselijke verdoving, kunnen angst en stress geven voor patiënten. Voor zowel patiënt als behandelaar is het welzijn van de patiënt, het succesvol kunnen uitvoeren van de procedure en het voorkomen van complicaties (zoals infecties) belangrijk. Hiervoor is een aseptische handelswijze cruciaal. Als er aan de voorwaarden voor toelaten van assistentie- en therapiehonden wordt voldaan, kan een therapie- of assistentiehond aanwezig zijn zonder de aseptische handelswijze in gevaar te brengen. Gezelschapsdieren zijn niet toegestaan bij aseptische handelingen. Voorwaarden zijn dat het dier buiten het steriele veld moet blijven, niet in contact mag komen met een eventuele wond of geplaatst materiaal en de behandeling niet mag hinderen (Snipelisky, 2014). Stel hiervoor een lokaal beleid op in overleg met de deskundige infectiepreventie. De behandelaar is eindverantwoordelijk, en kan op basis van de aard van de procedure of patiëntkarakteristieken aangeven dat de aanwezigheid van een hond bij een specifieke patiënt schadelijk is.
Kinderafdeling inclusief neonatologie
Op de neonatologie-afdeling liggen pasgeboren baby's, vaak prematuur of ziek. Neonaten hebben zelf geen baat bij de aanwezigheid van assistentiehonden. Ze lopen echter wel een verhoogd risico op infecties door een nog niet volledig ontwikkeld immuunsysteem. Daarom worden dieren niet toegelaten op de neonatologie-afdeling.
Op de kinderafdeling bestaat een andere situatie. Oudere kinderen hebben over het algemeen een sterker immuunsysteem dan pasgeborenen, al zijn kinderen die verblijven op een kinderafdeling vaak kwetsbaar door hun ziekte of behandeling. Het bieden van troost en emotionele steun voor kinderen kan echter belangrijk zijn. Dieren kunnen om die reden worden toegelaten tot kinderafdelingen. Er moet dan wel voldaan worden aan de algemene voorwaarden zoals gesteld in module Algemene voorwaarden toelating dieren en de behandelaar moet akkoord geven. Contact met dieren bij kinderen met een isolatie-indicatie is niet toegestaan, zie voor meer informatie module Isolatiemaatregelen en omgang met dieren.
Patiëntenkamers
Als het gaat om infectiepreventie, kunnen patiënten toestemming krijgen hun assistentiehond bij zich te houden tijdens een poliklinisch bezoek of een dagopname in de medisch-specialistische zorginstelling, mits er wordt voldaan aan de gestelde voorwaarden zoals omschreven in module Algemene voorwaarden toelating dieren en module Assistentie- en therapiehonden.
Tijdens een klinische opname in een medisch-specialistische zorginstelling zijn er praktische barrières om assistentiehonden fulltime te laten verblijven bij de patiënt. Dit heeft ook te maken met het welzijn van de hond (zoals uitlaten). In voorkomende gevallen moet individueel beleid worden gemaakt door de medisch-specialistische zorginstelling in overleg met de betreffende patiënt, diens sociale netwerk en met deskundigen infectiepreventie. Ook kan de organisatie van de assistentiehond benaderd worden om zorg te dragen voor het dier als dit noodzakelijk is.
Oncologie, geriatrie, hematologie
In de literatuur werd geen verhoogd risico op infecties gevonden voor contact van patiënten met oncologische aandoeningen met therapiehonden (Cotoc, 2021). Daarom gelden de algemene overwegingen. Een uitzondering hierop zijn immuungecompromitteerde patiënten (zie paragraaf Immuungecompromitteerde personen). Voor deze laatste groep patiënten moet een (risico)afweging worden gemaakt door de behandeld arts in overleg met de deskundige infectiepreventie tussen de risico's en baten.
Acute opname
Als het gaat om infectiepreventie is het goed mogelijk om assistentiehonden toe te laten op acute opnameafdelingen, zoals de Spoedeisende Hulp (SEH), Eerste Hart Hulp (EHH) en Coronary Care Unit (CCU). Alleen als de aanwezigheid van een assistentiehond de zorg voor (instabiele) patiënten hindert, moet de toegang worden geweigerd. Weeg dit af tegen de voordelen die de aanwezigheid van een assistentiehond kan bieden (welzijn patiënt, rustiger en daardoor coöperatievere patiënt).
Operatiekamer-complex
Op het operatiekamer (OK)-complex (en andere ruimtes die voldoen aan OK-klasse 1, 1+ of 2) worden extra eisen gesteld om infecties te voorkomen, onder andere aan de luchtbehandeling, zie de richtlijn Luchtbehandeling in operatiekamers en behandelkamers. Dieren kunnen niet voldoen aan de eisen die zijn gesteld voor deze ruimtes en het is onduidelijk wat het effect van de aanwezigheid van een dier zou zijn. Dieren worden daarom niet toegelaten tot het OK-complex (en andere ruimtes die voldoen aan klasse 1, 1+ of 2). Als de verkoeverruimte buiten het OK-complex is gesitueerd (en dus betreden kan worden met 'normale' kleding), kan overwogen worden om hiervoor lokaal beleid op te stellen zodat assistentie- of therapiehonden onder specifieke voorwaarden kunnen worden toegestaan. Bezoek van gezelschapsdieren is niet toegestaan op het OK-complex, inclusief de verkoeverruimte.
Radiologie/nucleaire geneeskunde/ radiotherapie
Therapie- en assistentiehonden kunnen toegelaten worden bij diagnostische procedures, met uitzondering van de onderzoekskamers op de afdeling radiologie/nucleaire geneeskunde. Dit omdat invasieve handelingen zoals drainplaatsingen en puncties in toenemende mate plaatsvinden en deze procedures gedurende de dag worden ingepland.
Daarnaast moet ook rekening worden gehouden met het welzijn van de dieren zoals gehoorbeschadiging bij MRI en stralingsbelasting bij nucleaire diagnostiek/therapie. Door risico op gehoorbeschadiging mag een dier niet mee in de MRI-scan. Door het risico op stralingsbelasting mag een hond tijdens röntgenfoto’s, CT-scan of bestraling niet in dezelfde ruimte zijn als de patiënt, of op de afstand die ook acceptabel is voor het personeel.
Ingrepen van de interventieradiologie zullen in de regel plaatsvinden in een ruimte die voldoet aan OK-klasse 2. Hier zijn geen dieren toegestaan.
Gezelschapsdieren zijn niet toegestaan op de afdeling radiologie/nucleaire geneeskunde.
Immuungecompromitteerde personen
Voor personen met een verminderde afweer kunnen normaalgesproken niet-pathogene micro-organismen een risico op ziekte geven. De groep immuungecompromitteerde patiënten is een heterogene groep. Binnen deze groep zijn er verschillen in de reden, de mate en de ernst van de verstoring. Aan de ene kant van het spectrum, waar de verstoring van de immuniteit minimaal is, zullen de voordelen van het contact met het dier waarschijnlijk een mogelijk iets verhoogd risico overtreffen. Aan de andere kant van het spectrum, bij bijvoorbeeld een patiënt vlak na een stamceltransplantatie, zullen de risico's groter zijn dan de voordelen. Als een patiënt in beschermende isolatie verzorgd wordt, is contact met dieren niet mogelijk. Bij een immuungecompromitteerde patiënt moet een individuele afweging gemaakt worden voor de toelating van assistentiehond en/of eigen hond. Hierbij moet informatie van de behandelend arts over de eventuele risico's voor de gezondheid en de wensen en waardering van de voor- en nadelen door de patiënt zelf voor de kwaliteit van leven, worden meegenomen. Zie ook het literatuuronderzoek van module Algemene voorwaarden toelating dieren.
Intensive care
Bezoek van assistentiehonden kan ook op de intensive care wenselijk zijn. Het verblijf op de intensive care gaat soms gepaard met angst en spanning, en kan bijvoorbeeld voor personen met PTSS toename van klachten geven. Aanwezigheid van hun assistentiehond kan bijdragen aan herstel. Laat assistentiehonden op de intensive care toe:
- als de patiënt hier baat bij en behoefte aan heeft;
- de patiënt bij bewustzijn is;
- de patiënt op een eenpersoonskamer ligt of hier (tijdelijk) naartoe verplaatst kan worden;
- het welzijn van de hond niet in het gedrang komt.
Ook bezoek van een gezelschapsdier kan in bijzondere gevallen en na multidisciplinaire afweging overwogen worden.
Voor stelselmatige inzet van therapiedieren op de Intensive Care is onvoldoende bekend van de risico's om een zorgvuldige kosten-baten afweging te kunnen maken.
Onderbouwing
Achtergrond
In de medisch-specialistische zorg zijn er verschillende soorten ruimtes met eigen specifieke karakteristieken. Niet in alle ruimtes kunnen dieren worden toegelaten, soms kunnen er aanvullende maatregelen nodig zijn. Specifieke situaties zijn bijvoorbeeld de intensive care (IC), het operatiekamer(OK)-complex, de verpleegafdeling, de polikliniek of tijdens (aseptische) handelingen.
In een medisch-specialistische zorginstelling staan de gezondheid en het welzijn van de patiënten centraal. Naast de medische zorg en sociale activiteiten, kan ook de aanwezigheid van dieren een waardevolle bijdrage leveren aan het algemene welzijn.
Het bezoek van dieren aan een medisch-specialistische zorginstelling kan ook uitdagingen met zich meebrengen. Uit de knelpunteninventarisatie kwam naar voren dat er vaak geen helder beleid is over het bezoek en de omgang met dieren. Bijvoorbeeld in specifieke situaties waarbij een terminale patiënt nog graag afscheid wil nemen van diens gezelschapsdier.
Deze module richt zich op de indicaties en voorwaarden voor het toelaten van dieren in deze specifieke situaties of locaties binnen een medisch-specialistische zorginstelling.
Zoeken en selecteren
Om de uitgangsvraag te beantwoorden, is geen systematische literatuuranalyse verricht naar het toelaten van dieren in specifieke locaties of situaties binnen een medisch-specialistische zorginstelling in relatie tot het voorkomen van overdracht van infectieziekten. De werkgroep is op basis van de eerdere WIP-richtlijn Huisdieren, literatuur en expert opinie tot aanbevelingen gekomen.
Referenties
- Barker SB, Gee NR. Canine-Assisted Interventions in Hospitals: Best Practices for Maximizing Human and Canine Safety. Front Vet Sci. 2021 Mar 30;8:615730. doi: 10.3389/fvets.2021.615730. PMID: 33869316; PMCID: PMC8044758.
- Boyle SF, Corrigan VK, Buechner-Maxwell V, Pierce BJ. Evaluation of Risk of Zoonotic Pathogen Transmission in a University-Based Animal Assisted Intervention (AAI) Program. Front Vet Sci. 2019 Jun 4;6:167. doi: 10.3389/fvets.2019.00167. PMID: 31214606; PMCID: PMC6558202.
- Chubak J, Adler A, Bobb JF, Hawkes RJ, Ziebell RA, Pocobelli G, Ludman EJ, Zerr DM. A Randomized Controlled Trial of Animal-assisted Activities for Pediatric Oncology Patients: Psychosocial and Microbial Outcomes. J Pediatr Health Care. 2024 May-Jun;38(3):354-364. doi:10.1016/j.pedhc.2023.09.010. Epub 2023 Nov 4. PMID: 37930283; PMCID: PMC11066653.
- Cotoc C, Notaro S. Race, Zoonoses and Animal Assisted Interventions in Pediatric Cancer. Int J Environ Res Public Health. 2022 Jun 24;19(13):7772. doi: 10.3390/ijerph19137772. PMID: 35805427; PMCID: PMC9265881.
- Dalton KR, Ruble K, Redding LE, Morris DO, Mueller NT, Thorpe RJ Jr, Agnew J, Carroll KC, Planet PJ, Rubenstein RC, Chen AR, Grice EA, Davis MF. Microbial Sharing between Pediatric Patients and Therapy Dogs during Hospital Animal-Assisted Intervention Programs. Microorganisms. 2021 May 13;9(5):1054. doi: 10.3390/microorganisms9051054. PMID: 34068292; PMCID: PMC8153335.
- Snipelisky D, Burton MC. Canine-assisted therapy in the inpatient setting. South Med J. 2014 Apr;107(4):265-73. doi: 10.1097/SMJ.0000000000000090. PMID: 24937523.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 04-11-2025
Beoordeeld op geldigheid : 21-10-2025
Algemene gegevens
Er is een verklaring van geen bezwaar afgegeven door deNederlandse Vereniging voor Arbeidshygiëne (NVvA) en Patiëntenfederatie Nederland (PFNL).
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijn is ondersteund door SKILZ en gefinancierd door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2023 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit deskundigen en vertegenwoordigers van specialismen die betrokken zijn in de zorg. De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.
Werkgroep:
- Drs. S. (Selma) Bons (voorzitter), anesthesioloog, Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA);
- J. (Jantsje) Folkertsma, verpleegkundige, Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN);
- Drs. I. (Ingrid) Keur, senior Inspecteur Veterinair & Zoönosen, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA);
- S. (Saskia) Meeuws - van den Ende, deskundige infectiepreventie, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG);
- Dr. I. J.B. (Ingrid) Spijkerman, arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (NVMM);
- Drs. H. (Hilde) Sterckx, dierenarts, afdeling Incident en crisiscentrum, Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA);
- R. (Renske) Tjeerdsma, deskundige infectiepreventie, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);
- Drs. F. (Frits) Vlaanderen, onderzoeker, afdeling Zoönose & Omgevingsmicrobiologie, Centrum Infectieziektebestrijding, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);
- K. (Karen) Vrolings - Franssen, deskundige infectiepreventie, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG).
Klankbordgroep:
- Dr. K.(Katja) van Ewijk, arts-infectieziektebestrijding, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM);
- Drs. W. (Willemijn) Hensbroek, arts verstandelijk gehandicapten, Nederlandse Vereniging Artsen Verstandelijk Gehandicapten (NVAVG);
- E. (Eveline) Lentz - Mulder, Koninklijk Nederlands Geleidehonden Fonds, (KNGF);
- A. (Arianne) le Duc, Stichting Hulphond;
- N. (Natasja) Koeckhoven, Bultersmekke Assistancedogs.
Met ondersteuning van:
- F.E.M. (Femke) Aanhane, senior procesbegeleider richtlijnontwikkeling, SKILZ
- L. (Liènne) van Esveld, stagiair/onderzoeker, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
- I. (Ingeborg) van Dusseldorp, informatiespecialist, Maatschap Van Dusseldorp, Delvaux & Ket
- Dr. C. (Caroline) Schneeberger, literatuuronderzoeker, Schneeberger Microbiology Consultancy (SMC)
- Dr. C. (Charifa) Zemouri, literatuuronderzoeker, Zemouri et al.
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd (KNAW, 2017). Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Een overzicht van de belangen van werkgroep- en klankbordgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen via het bureau van SKILZ bureau@skilz.nu.
Werkgroep
|
Naam |
Functie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Gemelde belangen |
Oordeel en eventueel ondernomen actie
|
|
|
S. Bons |
Anesthesioloog |
Lid CKd NVA - onbetaald Bestuurslid sectie kinderanesthesiologie NVA - onbetaald Lid SRI cluster adviesgroep - onbetaald
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
Dr. I.J.B. Spijkerman |
Arts-microbioloog |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
Drs. I. Keur |
Senior Inspecteur Veterinair & Zoönosen
|
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
Drs. H. Sterckx |
Dierenarts |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
S. Meeuw - van den Ende |
Deskundige infectiepreventie, accounthouder Kwaliteit & Veiligheid
|
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
K. Vrolings |
Deskundige infectiepreventie |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
R. Tjeerdsma |
Deskundige infectiepreventie |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
J. Folkertsma |
Verpleegkundige |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
Drs. F. Vlaanderen |
Onderzoeker Zoönose & Omgevingsmicrobiologie |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
L. van Esveld |
Stagiair / onderzoeker |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
|
F.E.M. Aanhane |
Senior procesbegeleider |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
Klankbordgroep
|
Naam |
Functie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Gemelde belangen |
Oordeel en eventueel ondernomen actie
|
|
Dr. K. van Ewijk |
Arts-infectieziektebestrijding |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
Drs. W. Hensbroek |
Arts verstandelijk gehandicapten |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
E. Lentz |
Communicatie adviseur |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
A. le Duc |
Hoofd Marketing & Communicatie |
Geen |
Geen |
Geen actie vereist |
|
N. Koeckhoven |
Voorlichter |
Vrijwilliger als voorlichter bij BultersMekke Assistancedogs, welke opereert op het gebied waar het advies/de richtlijnen zich op richt. Bultersmekke Assistancedogs (BMA), geaccrediteerd door Assistance Dogs International, begeleidt volwassenen, jongeren en kinderen om de eigen hond in de thuisomgeving onder intensieve begeleiding van een professionele instructeur zelf op te leiden tot internationaal gecertificeerde assistentiehond. |
Geen |
Geen actie vereist |
Inbreng patiëntenperspectief
Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van de Patiëntenfederatie Nederland (PFNL) bij het ophalen van de knelpunten die leven bij dit thema. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. Ook tijdens de commentaarfase is de Patiëntenfederatie gevraagd om mee te lezen met de conceptteksten.
Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel:
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Module Dieren |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 cliënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Deze richtlijn is opgesteld conform de binnen het SRI vastgestelde methodologie voor richtlijnontwikkeling (zie SRI - methode van richtlijnontwikkeling), volgens de kwaliteitscriteria uit de AQUA-Leidraad (Zorginstituut, 2021), de HARING-tools (IQ Healthcare, 2013), en AGREE-II (AGREE Next Steps Consortium, 2017).
Knelpunteninventarisatie
Tijdens de voorbereidende fase hebben de voorzitter van de werkgroep, de werkgroepleden en de procesbegeleiding de knelpunten geïnventariseerd. Er is een vragenlijst uitgestuurd naar alle relevante beroeps-, brancheverenigingen en partijen. Deze vragenlijst was gebaseerd op de WIP-richtlijnen over 'Huisdieren'. Een verslag over de knelpunteninventarisatie is terug te vinden in Knelpunteninventarisatie.
Uitkomstmaten
Per uitgangsvraag is de methode van onderzoek bepaald. Bij de uitgangsvragen waarbij literatuuronderzoek is uitgevoerd, is een onderzoeksvraag opgesteld. Vervolgens heeft de werkgroep per onderzoeksvraag geïnventariseerd welke uitkomstmaten relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.
Methode literatuursamenvatting
Een beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is per module te vinden onder Zoekverantwoording. Indien mogelijk werd de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects-model. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijk bewijs wordt hieronder toegelicht.
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of bias tabellen).
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijk bewijs
De kwaliteit van bewijs (‘quality of evidence’) werd beoordeeld met behulp van GRADE. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’. GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie, of voor een risico- of prognostische factor, een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte.
| GRADE | Definitie |
| Hoog |
|
| Redelijk |
|
| Laag |
|
| Zeer laag |
|
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Voor het formuleren van een aanbeveling zijn naast de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs over de gewenste en ongewenste effecten van een interventie of over de effectgrootte van een risico- of prognostische factor vaak ook nog andere factoren van belang.
Genoemd kunnen worden:
- kosten;
- waarden, voorkeuren en ervaringen van patiënten en zorgmedewerkers;
- balans van gewenste en ongewenste effecten van interventies ten opzichte van geen of andere interventies;
- duurzaamheid;
- aanvaardbaarheid van interventies;
- haalbaarheid van een aanbeveling.
Deze aspecten worden per module besproken onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvragen en zijn gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen. Waar mogelijk zijn de aanbevelingen evidence-based, echter zijn niet alle situaties (goed) wetenschappelijk onderzocht. In die situaties heeft de werkgroep, op basis van zowel humane als veterinaire expertise, adviezen
geformuleerd.
De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet uit. Bij een hoge bewijskracht zijn ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor cliënten, zorgmedewerkers en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.
| Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers | ||
| Sterke aanbeveling | Zwakke (conditionele) aanbeveling | |
| Voor patiënten | De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet. | Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. |
| Voor behandelaars | De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen. | Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij diens waarden en voorkeuren. |
| Voor beleidsmakers | De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid. | Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. |
Organisatie van zorg
In de knelpunteninventarisatie en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). In deze module is extra aandacht besteed aan de juridische aspecten die komen kijken bij het toelaten van dieren in een medisch-specialistische zorginstelling. Ook de 'verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor het dier' zijn omschreven in de richtlijn omdat dit vraagstukken zijn die leven in de medisch-specialistische zorginstellingen. Daarnaast is er aandacht voor 'allergie en angst voor dieren, bloemen en/of planten' en over het 'welzijn en de gezondheid van dieren'.
Er zijn in de module Organisatie van zorg geen aanbevelingen opgenomen; het betreft een informatieve module. Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.
Formuleren kennisvragen
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader onderzoek staat in Kennisvragen.
Implementatieplan
De werkgroep heeft een implementatieplan opgesteld waarin een advies voor beroepsverenigingen en instellingen wordt gegeven voor de implementatie van de SRI-richtlijn Dieren en planten.
De werkgroep heeft per aanbeveling binnen de modules geïnventariseerd:
- wat een realistische termijn voor implementatie is;
- de verwachte effecten van implementatie op de zorgkosten;
- randvoorwaarden om de aanbeveling tijdig te implementeren;
- mogelijke barrières voor implementatie;
- te ondernemen acties voor (bevordering van) implementatie;
- verantwoordelijke partij voor de te ondernemen acties.
Zie Implementatieplan.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie.
Referenties
IQ Healthcare. De HARING-tools. 2013. (https://www.zonmw.nl/sites/zonmw/files/typo3-migrated-files/De_HARING-tools.pdf, accessed, September 18, 2025).
KNAW, KNMG, GR, NHG, FMS. Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling. 2017. (https://storage.knaw.nl/2022-08/Gedragscode-belangenverstrengeling-januari-2017.pdf, accessed September 18, 2025).
The AGREE Next Steps Consortium. Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II (AGREE II). 2017. (https://www.agreetrust.org/wp-content/uploads/2017/12/AGREE-II-Users-Manual-and-23-item-Instrument-2009-Update-2017.pdf, accessed September 18, 2025).
Zorginstituut Nederland. AQUAS-Leidraad. 2021. (https://www.zorginzicht.nl/binaries/content/assets/zorginzicht/ontwikkeltools-ontwikkelen/aqua-leidraad.pdf, accessed September 18, 2025).