Primaire tumor onbekend

Initiatief: NVVP pathologie Aantal modules: 26

Pathologisch onderzoek, (immuno)histochemische markers

Publicatiedatum: 21-10-2025
Beoordeeld op geldigheid: 08-10-2025

Uitgangsvraag

Wat is de beste diagnostische strategie in histopathologisch onderzoek (morfologie, histochemie, immunohistochemie) naar tumortype en primaire origine bij patiënten met een voorlopige primaire tumor onbekend (PTO)?

 

De uitgangsvraag omvat de volgende deelvragen:

  1. Hoe omgaan met meerdere biopten? In 1 cassette of verdelen om iets over te houden?
  2. Welke histochemische en immunohistochemische markers zijn richtinggevend bij het zoeken naar tumortype en primaire origine bij patiënten met een metastase van een PTO?
  3. Welke informatie dient het pathologieverslag tenminste te bevatten?

Aanbeveling

Hoe omgaan met meerdere biopten? In 1 cassette of verdelen om iets over te houden?

  • Overweeg bij meerdere biopten om elk biopt in een aparte cassette in te sluiten voor materiaal preservatie.
  • Overweeg (in overleg met kliniek) een deel van het materiaal in te vriezen (voor eventueel WGS) en een deel voor FFPE te gebruiken voor de histopathologische diagnostiek.
  • Tracht om tegelijkertijd kleuringen in te zetten voor zowel histologisch type als origine.
  • Overweeg snijden van lintjes/blanco coupes om weefselverlies bij meerdere immunohistochemische ronden te voorkomen.

Welke histochemische en immunohistochemische markers zijn richtinggevend bij het zoeken naar tumortype en primaire origine bij patiënten met een metastase van een PTO?

  • Gebruik immuunhistochemische panels (eventueel stapsgewijs) op basis van de klinische/ pathologische context met de volgende panels als mogelijk uitgangspunt:
    • In HE duidelijk adenocarcinoom: in ieder geval CK7, CK20, TTF1, CDX2, PAX8, NKX3.1/PSA en GATA3; afhankelijk van klinische context eventueel ook ER, PR, HER2, SOX10, AR, WT1, BAP1, SATB2, SMAD4, TRPS1. Zie verder tabel 1.1 en 1.2.
    • In HE vermoedelijk plaveiselcelcarcinoom: p16, EBER. Neem hier ook mee de differentiaaldiagnosen met dit tumortype (zie tabel 2.1 en 2.2).
    • In HE mogelijk/vermoedelijk carcinoom maar het type en origine zijn onzeker: pankeratine/CAM5.2, alcian blue/PASD, synaptofysine, SMARCA4, MMR-kleuringen, SOX10/S100, desmine, CD3, CD79a, CD30, OCT3/4, AFP (zie verder tabel 3.1-3.3).
    • In HE smal blue round cell tumor/kleincellige tumor: CD99, NKX2.2, desmine, myogenine/Myf4, CD45, TdT synaptophysine, breed-spectrum keratine (zie verder tabel 4).
    • In HE sarcomatoid/pleiomorf beeld: zie Immunohistochemische work-up van PTO met HE-morfologie als uitgangspunt thema 5.
  • Wees voorzichtig met de interpretatie van focale/beperkte aankleuring, neem hier de sensitiviteit en specificiteit mee alsook bekendheid van het antilichaam.
  • Neem laagdrempelig contact op met de aanvrager voor extra klinische-radiologische informatie zo dat optimale integratie van informatie en stelling van differentiaaldiagnosen kan plaats vinden.

Welke informatie dient het pathologieverslag tenminste te bevatten?

Rapporteer ten minste de volgende items in het pathologieverslag voor PTO:

  • Specimen type (bv. punctie, biopt, resectie).
  • Topografie specimenafname.
  • Tumortype (zo specifiek mogelijk, bijvoorbeeld adenocarcinoom, plaveiselcelcarcinoom, etc.). Vermeid vage terminologie zoals niet-kleincellig carcinoom.
  • Differentiaal diagnostische overwegingen m.b.t. primaire origine. Tracht een hiërarchische differentiaaldiagnose van waarschijnlijke primaire origine te rapporteren, zover dat o.b.v. de bestaande informatie mogelijk is.
  • Integreer histologische / immunohistochemische bevindingen met moleculair diagnostische bevindingen.

Overweeg, waar van toepassing, duidelijk aan te geven dat het een primaire tumor onbekend betreft.

Overwegingen

Deelvraag 1: Hoe omgaan met meerdere biopten? In 1 cassette of verdelen om iets over te houden?

Naast immuunhistochemie hoort ook brede moleculaire diagnostiek (zie module Moleculaire diagnostiek voor identificatie primaire origine) tot de mogelijkheden door de diagnostiek bij deze tumorgroep. Optimalisatie van het ingeleverde materiaal is van essentieel belang bij de PTO-vraagstelling. Naar aanleiding van de morfologie kunnen meerdere ronden van immunohistochemisch onderzoek volgen ter typering van de tumor. Ook dient er bedacht te worden of er eventueel FFPE-materiaal nodig zal zijn voor moleculair onderzoek. Weefselmanagement hoort dus ook bij de (predictieve) diagnostiek van PTOs. In de meest ideale situatie wordt er materiaal afgenomen voor zowel diagnostiek als vriesmateriaal voor eventuele whole genome sequencing (WGS) analyse. In geval er geen vriesmateriaal aanwezig is moet nog steeds strategisch worden omgegaan met het weefsel aangezien er een indicatie kan zijn voor brede moleculaire analyse op FFPE-materiaal.

 

Er werd geen wetenschappelijke literatuur over dit onderwerp gevonden. In een richtlijn van College of American Pathologists (CAP) over het verwerken van weefsel staat dat bij naaldbiopten 1 of maximaal enkele fragmenten (minder dan 5) per cassette worden ingesloten (Lott, 2023). In een consensus statement van de Spaanse vereniging van pathologie en oncologie van 2018 wordt dit onderwerp ook besproken. Daar wordt het verdelen van materiaal over meerdere cassettes/paraffineblokjes geadviseerd; met het doel om materiaal voor verschillende bepalingen te kunnen gebruiken (Losa, 2018). In dezelfde richtlijn wordt het maken van blanco´s voor immunohistochemie ook geadviseerd. In Britse pathologierichtlijn RCPath van 2024 wordt het verdelen van biopten over enkele weefselblokjes en het maken van blanco coupes voor immunohistochemie in het algemeen besproken maar worden er geen specifieke adviezen gegeven (Schofield, 2024).

 

Deelvraag 2: Welke histochemische en immunohistochemische markers zijn richtinggevend bij het zoeken naar tumortype en primaire origine bij patiënten met een metastase van een PTO?

PTO is de Nederlandse vertaling van cancer of unknown primary (CUP). In verschillende internationale richtlijnen en reviewpapers wordt gespecificeerd dat PTOs “epitheliale tumoren” omvatten. Daarmee worden deze twee histologische tumortypen bedoeld: carcinoom en ongedifferentieerde maligne neoplasie (e. undifferentiated malignant neoplasm of poorly differentiated neoplasm). Dit houdt in dat bepaalde andere tumortypen niet onder het begrip PTO vallen, waaronder met name de volgende tumortypen: neuroendocriene tumor (NET), mesothelioom, kiemceltumoren, melanoom, sarcoom en lymfoom. Het laatste omdat voor deze tumortypen er specifieke behandelingen bestaan, ook als de exacte plaats van origine niet duidelijk is. Zie hieromtrent ook module Patiëntprofiel en diagnostische strategie voor definitie van (voorlopige/definitieve) PTO.

 

De histologische subtypering van carcinoom van onbekende origine omvat in essentie alle carcinoomsubtypen maar in de meeste gevallen zal het om een adenocarcinoom gaan (60%), en minder frequent om ongedifferentieerde carcinomen (30%), plaveiselcelcarcinoom/ urotheelcelcarcinoom (5-8%), of een neuro-endocrien carcinoom (2-4%) (Loffler, 2014; Qaseem, 2019). Voor discussie omtrent kleincellig carcinoom en grootcellig neuroendocrien carcinoom binnen het begrip PTO, zie discussie in module Patiëntprofiel en diagnostische strategie.

 

Met de diagnose ongedifferentieerde maligne neoplasie wordt bedoeld het uitblijven van een tumortype ondanks histologisch en immunohistochemisch onderzoek. Soms is het tumortype geheel onduidelijk, en soms betreft het een differentiaaldiagnose, bijvoorbeeld carcinoom versus sarcoom, carcinoom versus mesothelioom, etc. (Greco, 2015). De morfologie van tumoren in deze categorie is variabel, o.a. betreft het epithelioide, rondcellige, spoelvormige of niet specifieke celmorfologie of een combinatie van groeipatronen (Elsheikh, 2019; Zaun, 2018).

 

Het stappenplan in de PA-diagnostiek van een (mogelijke) PTO is hetzelfde zoals bij alle PA-diagnostiek en bevat 3 onderdelen, welke de volgende vragen beantwoorden:

  1. Wat is de klinische context?
  2. Kan het tumortype o.b.v. de HE worden vastgesteld? Of zijn hiervoor kleuringen nodig?
  3. Wat zijn de differentiaal diagnostische overwegingen m.b.t. primaire origine? Welke panel van immunohistochemische kleuringen zijn daarbij behulpzaam?

Bij onderdeel 2 kunnen zowel histochemie (bijv. PAS-D, Alcian Blue) als immuunhistochemie een rol spelen. Deze stap houdt ook in, zo nodig op grond van de morfologie, bevestiging van een carcinoom en exclusie van een melanocytaire, hematologische, wekedelen, mesotheel of kiemcel origine. Als het tumortype een carcinoom betreft is subtypering van het carcinoom in plaveiselcelcarcinoom, adenocarcinoom, (grootcellig/kleincellig) neuroendocrien carcinoom, ongedifferentieerd carcinoom (ook genoemd weinig gedifferentieerd carcinoom), etc. geïndiceerd. Het subtype carcinoom is heel relevant voor de differentiaaldiagnose met betrekking tot primaire origine.

 

In onderdeel 3 gaat het om een orgaan origine proberen te achterhalen (indien mogelijk).

Het uitzoeken van 2 en 3 kan natuurlijk ook simultaan plaatsvinden afhankelijk van de situatie en morfologie.

 

De immunohistochemische panel(s) voor de diagnose van PTO kunnen heel variabel zijn. Er zijn meerdere review papers (Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016), websites en online tools welke gebruikt kunnen worden voor typering van de tumoren met panels. De pre-analytische, analytische en post-analytische variabelen welke de sensitiviteit en specificiteit (bijv. antilichaam kloon, fixatie, cut-off) van de panels kunnen beïnvloeden vallen buiten de beschouwing van deze module.

 

Immunohistochemische work-up van PTO met HE-morfologie als uitgangspunt

1. HE-morfologie: duidelijk adenocarcinoom

Adenocarcinomen zijn het meest voorkomende histologische type bij PTO. (Loffler, 2016; Massard, 2011; Neben, 2008) In de PTO-literatuur wordt CK7/CK20 immuunprofiel vaak als uitgangspunt in een stapsgewijs proces gebruikt, d.w.z. als eerste stap, en daarna verdere uitbreiding van immuno´s. Deze benadering komt vanuit de tijd dat er minder immunohistochemische kleuringen waren dan hedendaags beschikbaar zijn. In de huidige praktijk is het efficiënter om meerdere immuno´s als eerste stap (initiële panel) bij adenocarcinomen tegelijkertijd in te zetten, inclusief de CK7/CK20. Dit lijkt een praktische benadering, vanwege besparing van materiaal en tijdsbesparing, en vanwege beperkte specificiteit van een CK7/CK20 profiel. Als de tumorlokalisatie/het metastaseringspatroon bekend is, kan dat de keuze van een initieel immunopanel sturen. Als deze informatie niet aanwezig is, of als het metastaseringspatroon niet specifiek is, dan zou het volgende initiële panel bij een morfologisch duidelijk adenocarcinoom kunnen worden overwogen: CK7, CK20, TTF1, CDX2, PAX8, NKX3.1/PSA, GATA3, waarbij afhankelijk van de context de volgende markers deels of in de 2e ronde kunnen worden meegenomen: ER, PR, HER2, SOX10, AR, WT1, BAP1, SATB2, napsine A, SMAD4, TRPS1.

 

Hieronder is een tabel met prototypische immuunprofielen van morfologisch duidelijke adenocarcinomen en tips/pitfalls. Bij enige twijfel of het een adenocarcinoom betreft is een bredere benadering van toepassing (zie onder benadering voor weinig gedifferentieerde carcinomen). Waar van toepassing worden ook behulpzame, prototypische moleculaire bevindingen genoemd.

 

Tabel 1.1. morfologisch duidelijk adenocarcinoom, bijhorend prototypisch immuunprofiel en tips/pitfalls

Systeem

Origine

Prototypisch immuunprofiel

Tips/pitfalls

Upper GE

Slokdarm / maag

CK7 en CK20: de aankleuring van deze 2 markers is hier heel variabel en kan varieren van negatief tot uitgebreid positief met alles daartussen.

CDX2: meestal deels (zwak) aankleurend, typisch 30-40%, soms tot 100%

  • HER2 3+ kan in de passende context suggestief zijn maar is niet specifiek.
  • SATB2: kan heterogene zwakke aankleuring laten zien.

Upper/lower overgang

Dunne darm

CK7, CK20, CDX2 en SATB2: heterogeen, veranderend van proximaal naar distaal.

 

Lower GE

Colorectum en appendix

Positief: CK20, CDX2 SATB2.

Negatief: CK7.

  • MSI tumoren: CK20 is vaak negatief en soms ook CDX2 en SATB2.
  • CEA: vaak diffuus positief.
  • De specificiteit van gering/partieel positief SATB2 is laag.
  • De combinatie van CK20, CDX2 en SATB2 positiviteit samen met CK7 negativiteit pleit sterk voor dikke darm of appendix, met als dd: urachus, enteric type adenocarcinoom van urotheliale tractus, teratoma-associated ovarieel tumor en dunne darm.

HPB

Pancreas

CK7: meestal grotendeesls sterk positief.

CDX2: regelmatig partiele geringe positiviteit

  • Soms een beperkte p63 positiviteit.
  • Heel typisch KRAS en TP53 co-mutatie.
  • SMAD4: verlies van expressie bij 40-50%. Echter weinig specifiek voor pancreas origine.
  • BAP1 verlies: zeer zeldzaam.

Galwegen / galblaas

CK7: meestal grotendeels positief.

CK19: meestal grotendeels positief.

CK20: variabel, regelmatig enkele cellen positief of negatief.

CDX2: vaak partieel, zwak positief

  • Immunohistochemisch BAP1 verlies: typisch voor intrahepatisch cholangiocarcinoom (12%).
  • Verder zijn deze driver genveranderingen suggestief voor intrahepatisch cholangiocarcinoom: IDH1/2 mutatie, FGFR2 fusie.
  • Regelmatig geringe p63 positiviteit.

Hepatocellular

Positief: Arginase 1, hep par1, CD10 (canaliculair), glypican-3, AFP

Negatief: CK7, CK20, CDX2, monoclonaal CEA.

 

  • CK7 en CK19 zijn positief in circa 10% van HCC.
  • Bij slechte differentiatie neemt de hep par1 aankleuring af en de AFP aankleuring toe.
  • Reticuline kleuring kan ook helpen.

Onderste luchtwegen

Long

Positief: TTF1, napsine A, CK7

Negatief: SATB2

  • TTF1 negatieve adenocarcinomen van de long zijn typisch grotendeels CK7 positief en in variabele mate CDX2 positief
  • Mucineus adenocarcinoom: vaak negatief voor TTF1 en napsine A, CK7 positief met co-expressie van CK20 en/of CDX2
  • GATA3 is vaak heterogeen positief in adenocarcinomen van de long.
  • Bepaalde driver genafwijkingen (EGFR, etc.) kunnen ook primaire longorigine ondersteunen.

Hoofd-Hals

Speekselklieren

Adenoid cystic carcinoma:

Luminale cellen: CK7+, CAM5.2+

Abluminale cellen: p63/p40+

Beide celtypen positief: SOX10+

  • Er zijn meedere bifasische speekslkliertumoren dus wees heel voorzichtig met het afgeven van een definitieve diagnose op cytologie (gebruik hierbij de Milan classificatie) of biopsie materiaal
  • Gebruik beta-catenine voor het onderscheid met een basaalceladenoom (kernaankleuring aanwezig)
  • Bepaalde fusies zijn behulpzaam bij classificatie van speekselkliertumoren.

Mamma

 

Hormoonpositief: CK7+, ER/PR/AR+, GATA3+, TRPS1+

 

HER2 positief: CK7+, HER2+, AR+/-, TRPS1+

 

Triple negatief (TNBC): CK7+, GATA3+, SOX10+, TRPS1+

 

CDX2: negatief.

  • GATA3 is vooral indicatief voor mamma indien diffuus sterk positief (heterogeen GATA3 is weinig specifiek).
  • Diffuus sterke aankleuring van zowel GATA3 als TRPS1 pleit nog meer voor mamma
  • AR is vaak handig maar wordt vaak vergeten
  • SOX10 is een handige marker bij een subgroep triple negatief borstcarcinoom (dan is een positief keratine ook een eis).
  • Positieve CDX2 pleit tegen mamma.
  • Huidadnexcarcinomen hebben soms precies hetzelfde immuunprofiel als de verschillede soorten van mammacarcinomen.
  • PIK3CA worden in ca. 35% van borstcarcinomen gevonden maar zijn weinig specifiek.

Urogenitaal

Urotheliale tractus

Positief: CK7, p63/p40, CK5/6, GATA3.

  • CDX2 en CK20 zijn met regelmaat deels positief
  • Specificiteit van heterogeen positief GATA3 is laag en komt voor in verschillende tumorsoorten.
  • PAX8 is positief in circa 10% van UCC van de bovenste urinewegen.

Urachus

Twee typen:

UCC-profiel: zie boven.

Adenocarcinoom met lage tractus digestivus profiel: zie boven.

 

Prostaat

Positief: NKX3.1, PSA, AR, PSMA.

Negatief: CK7, CK20

  • Na behandeling kan het immuunprofiel veranderen en gaat meer op niet-specifiek GE profiel lijken of een neuroendocriene differentiatie tonen.
  • Treatment-naive prostaatcarcinomen hebben meestal standaard immuunprofiel.
  • TMPRSS2:ERG fusie komt voor in ca. 50% van gevallen.

Gynecologisch

Ovarium

Hooggradig sereus carcinoom: Positief: PAX8+, ER+, WT1+, CK7+, CA125+

 

Clear cell carcinoom:

Positief: CK7, PAX8, HNF1beta, napsine A

Negatief: WT1, ER, PR

 

Mucineus adenocarcinoom:

Positief: CK7, CK20 (variabel)

Negatief: SATB2 (meestal)

  • Als nieroriginein de dd is, dan is CA125 een handige onderscheidende marker.
  • In mucineus adenocarcinoom is CK7>CK20 positief. Specificiteit van gering/partieel positief SATB2 is heel laag
  • PAX8 positiviteit wordt in lage frequentie in verschillende tumorsoorten gevonden (Gorbokon, 2024).
  • Vergeet niet MMR kleuringen indien verdenking op endometrium.

Endometrium

Endometrioid:

Positief: PAX8, CK7, ER/PR, vimentin

Negatief: CEA, CK20

 

Sereus:

Positief: PAX8, p16 (vaak diffuus positief), WT1 (Soms deels positief)

Negatief: ER/PR, CK20.

P53: overexpressie.

 

Endocervicaal adenocarcinoom

Positief: CK7, CEA (monoclonaal), p16 (bij HPV+ variant).

Negatief: vimentine, CDX2, CK20.

 

Huid

Huid-

adnexcarcinoom

 

Positief: CK7

  • p63 toont soms abluminale aankleuring.
  • Sommige varianten van huidadnexcarcinomen lijken exact op mammacarcinomen (ER positief, HER2 positief of triple negatief).
  • Bepaalde fusies komen voor bij sommige soorten van huidadnexcarcinomen.

Indien RCC, adrenocorticaal carcinoom of schildkleircarcinoom in dd, zie onder.

(Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Lin, 2014; Oien, 2012, Selves, 2018; Wang, 2017, Lin, 2014; Shan, 2021; Kei, 2020; Chiesa-Vottero, 2020; Zhao, 2019; Cox, 2018; Berg, 2017; Ash-Kendrick, 2016; Conner, 2015; Chen, 2015; Roma, 2014; Reuter, 2014; Rabban, 2013; Kim, 2010)

 

Het is soms behulpzaam om naar differentiaaldiagnosen vanuit het CK7/CK20 profiel te kijken. In tabel 1.2 zijn de differentiaaldiagnoses bij bepaalde CK7/CK20 patronen weergegeven. Let op dat de mate van positiviteit varieert van beperkt tot uitgebreide positiviteit. Verder is het van belang dat CK7 niet als een adenocarcinoom-marker kan worden beschouwd want CK7 positiviteit wordt in wisselende mate in allerlei tumortypen gezien, zoals o.a. ongedifferentieerd carcinoom, neuroendocrien carcinoom, plaveiselcelcarcinoom, urotheelcelcarcinoom, mesothelioom, bepaalde kiemceltumoren en synoviosarcoom. (Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012, Pauli, 2021; Selves, 2018; Losa, 2021; Santoro, 2022; Mokhtari, 2022).

 

Tabel 1.2. Tabel met CK7/CK20 immuunprofielen en bijbehorende prototypische differentiaaldiagnoses (inclusief niet carcinomen) ongeacht van mate van positiviteit

Primaire markers

Mogelijke origine

CK7+/ CK20+

Urotheel

Mucineus ovariumcarcinoom

Pancreas

Galwegen

CK7+/CK20-

Long

Mamma

Schildklier

Endometrium

Cervix

Speekselklier

Galwegen

Pancreas

Hooggradig sereus ovariumcarcinoom

CK7-/CK20+

Colorectaal

CK7-/CK20-

Hepatocellulair carcinoom

Heldercellig niercelcarcinoom

Prostaat

Plaveiselcelcarcinoom

Melanoom

Lymfoom

Kiemceltumor

Sarcomatoid mesothelioom

CK7-/+ en CK20 -/+ (“dot-like” patroon in Merkel cel carcinoom)

Neuroendocrien carcinoom (inclusief kleincellig carcinoom)

2. HE-morfologie: duidelijk of vermoedelijk plaveiselcelcarcinoom (PCC)

Ongeveer 5% van PTO´s zijn plaveiselcelcarcinomen (Hainsworth, 2024). Plaveiselcelcarcinomen hebben enige morfologische variatie (o.a. verhoornend, niet-verhoornend, ongedifferentieerd of kleincellige morfologie) met beperkte immunohistochemische profielen. Bij een diagnose van plaveiselcelcarcinoom is de primaire origine vaak wat moeizamer te achterhalen, maar niet altijd onmogelijk. Hieronder zijn enkele adviezen voor de diagnostiek van deze tumoren. Zie ook tabel 2.1 en 2.2. Waar van toepassing worden ook behulpzame, prototypische moleculaire bevindingen genoemd.

 

Adviezen bij het identificeren van een (vermoedelijk) PCC:

  • De p40 is iets specifieker voor plaveiselceldifferentiatie dan p63 (Chen, 2022; Bishop, 2014).
  • p63 is een tumor suppressorgen en (partiele) expressie komt voor of kan voorkomen in niet-plaveiselcelcarcinomen zoals bijvoorbeeld urotheelcelcarcinoom, myoepitheliale/basale cellen en diffuus grootcellig B-cellymfoom (Moreno, 2023).
  • CK5/6 is in meestal positief.
  • CK7 kan soms best wat positiviteit laten zien (zie tabel 2.1).

Tabel 2.1. Markers voor origine in plaveiselcelcarcinomen

Marker

Tips

P16

  • Suggestief voor HPV+, duidend op hoofdhals gebied of anogenitaal gebied.
  • p16 moet diffuus sterk aankleurend zijn (> 70%). Grotendeels positief maar van wisselende sterkte is veel minder indicatief.
  • Het is raadzaam om HPV met een moleculaire test te bevestigen, al dan niet met WGS voor PTO. Voor het bevestigen van HPV-status verwijst de werkgroep naar (module 2.2.1 van de richtlijn hoofdhalstumoren).
  • Hr-HPV positieve carcinomen tonen meestal p53 en RB1 wild type aankleuringspatroon. RB1 inactivatie leidt vaak tot p16 overexpresie en veroorzaakt dus ook p16 positiviteit zonder HPV-associatie.

EBER

  • Nasofarynxcarcinoom.

Moleculair

  • UV-signature pleit voor origine in de huid.
  • Sterke/prominente smoking signature pleit met name voor origine in de onderste luchtwegen (long). Het is onbekend hoe veel smoking signature bij rokers in de bovenste luchtwegen voorkomt (t.o.v. long).

CK7

  • Niet uitsluitend een adenocarcinoom marker maar kan ook positief zijn in PCC van de cervix, long, slokdarm en huid. Zie ook tekst met tabel 1.2.

Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016

 

Tabel 2.2. Pitfalls/ differentiaal diagnostische overwegingen bij plaveiselcelcarcinomen

NUT carcinoom

  • Typische morfologie met abrupte verhoorning, met name hoofd-hals (40%) en thorax/ mediastinum (50%) origine
  • Positieve NUT immunohistochemie en NUT fusie is diagnostisch.

SWI/ SNF deficiente carcinomen

  • INI1 (SMARCB1), BRG1 (SMARCA4) uitgevallen markers bij de SWI/ SNF deficiente carcinomen welke variabele positiviteit met p63 kunnen tonen

Adenosquameus carcinoom

  • Carcinomen met deze gemengde differentiatie zijn soms niet direct in de HE-coupes te herkennen en worden soms o.b.v. p63/p40 kleuring PCC genoemd. Tips om adenosquameus carcinoom te herkennen:
    • Niet diffuse p40/p63 aankleuring.
    • Relatief veel CK7 aankleuring.
    • Slijmkleuringen (PAS-D en alcian blue) zijn hier het meest behulpzaam, d.w.z. om de adeno-differentiatie aan te tonen.
  • Let op dat bij een adenosquameus carcinoom is de differentiaaldiagnose m.b.t. primaire origine anders is dan bij puur PCC en daarom is het onderscheid tussen PCC en adenosquameus carcinoom relevant.
  • Adenosquameus carcinoom lijkt iets vaker in deze organen voor te komen: long, pancreas, galwegen/galblaas, en slokdarm.

Basaalcelcarcinoom (BCC).

  • Zeer zeldzaam metastaseert een BCC´s, en presenteert het als een lymfkliermetastase (syndchroon of metachroon na resectie van de primaire tumor). Metastasen van BCC´s worden soms in eerste instantie niet als zodanig herkend en worden dan gemisclassificeerd als (basaloid) PCC. Dat gebeurt eerder als het een BCC met deels squameuze differentiatie betreft. Het herkennen van gemetastaseerd BCC en onderscheiden van PCC is echter belangrijk omdat er specifieke doelgerichte behandelingen bestaan voor gemetastaseerd BCC, o.a. vismodegib (zie richtlijn BCC). Tips om BCC te herkennen:
    • Voorgeschiedenis van BCC, lymfkliermetastase in passende lymfklierstation.
    • Clonaliteitsanalyse.
    • Immuunprofiel: Ber-EP4, MOC31, BCL2 (meestal zwak of negatief in plaveiselcelcarcinomen).
    • Mutaties: aangetoonde mutaties in de genen van de Hedghog pathway, d.w.z. PTCH1, PTCH2, SMO en GLI. BCC. PTCH1 mutaties worden in meer dan 90% van BCC gevonden. (Pellegrini 2017)

Urotheelcelcarcinoom

  • Urotheelcelcarcinomen (UCC) zijn prototypisch p63, p40 en CK5/6 positief (naast CK7 en GATA3) en kunnen ook wisselende mate van squameuze differentiatie tonen. Een UCC is dus niet altijd goed van PCC te onderscheiden. Het volgende kan soms helpen: diffuse en sterke CK7 en GATA3 positiviteit wordt typisch in UCC gezien. CK7 en GATA3 is ook vaak positief in PCC maar in beperkte mate en heterogeen.

Thymuscarcinoom

  • CD5, CD117, PAX8 (polyclonale antilichaam).

Sarcomen

  • Vaak wordt p63 aankleuring als argument voor PCC boven sarcoom beschouwd. De specificiteit hiervan is echter onzeker, zeker als keratines negatief zijn (Jo, 2011; Bishop, 2014)

Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016

 

3. HE-morfologie: grootcellig carcinoom of grootcellig epithelioidcellig maligniteit maar verdere differentiatie niet zeker

Grootcellig carcinoom, ongedifferentieerd carcinoom en weinig gedifferentieerd carcinoom worden hier als synoniemen beschouwd.

 

In dit geval is een wat bredere benadering nodig dan wanneer het een heel duidelijk adenocarcinoom of plaveiselcelcarcinoom betreft. Er zijn namelijk twee vragen welke beantwoord dienen te worden:

  1. Wat is het tumortype?
  2. Wat is de origine?

Voor de eerste vraag is het nodig om overzicht te hebben en een wat breder panel in te zetten, waarbij natuurlijk ook aan de klinische/ morfologische context moet worden gedacht. Zie hiervoor tabel 3.1.

 

Bij een carcinoom zonder duidelijke differentiatie/ een weinig gedifferentieerd carcinoom, kan er toch naar typische markers van mogelijke tumortypes worden gekeken. Zie hiervoor tabel 3.2 en tabel 3.3. Waar van toepassing worden ook behulpzame, prototypische moleculaire bevindingen genoemd.

 

Tabel 3.1. is het een carcinoom of andere tumortype?

Tumortype

Prototypische markers

Tips

Carcinoom

Positief: Pankeratine (CK AE1/3), CAM5.2

  • Keratine-expressie kan ook in andere tumortypen worden gezien, zie hieronder.

Melanoom

Positief: SOX10, melanA, S100, HMB45, PRAME, BRAF VE1.

  • Mutatieanalyse en clonaliteitsanalyse is hier vaak behulpzaam.
  • Melanomen kunnen keratine positief of synaptofysine positief zijn.
  • Let op dat SOX10 positiviteit  komt in sommige carcinomen voor: in wisselende mate in speekselkliertumoren (met name adenoid cysteus carcinoom), sommige triple negatieve mammacarcinomen en huidadnexcarcinomen maar dan samen met sterke keratine-expressie.
  • Genalteraties, die typisch in melanomen worden gevonden, kunnen ook behulpzaam zijn (bv. BRAF, NRAS, etc.).

Kiemceltumor

Positief: SALLA4

 

Dooierzaktumor:

Positief: AFP, glypican-3

Negatief: D2-40, OCT3/4, CD30, inhibine-alpha, calretinine

 

Embryonaal carcinoom:

Positief: CD30, CK AE1/3

Negatief: Glypican-3, inhibine-alpha, calretinine, EMA

 

Seminoom/dysgerminoom:

Positief: OCT3/4, PLAP, CD117

Negatief: CK AE1/3

  • Genalteraties kunnen in sommige gevallen ook behulpzaam zijn (bv. Isochromosoom 12p, KRAS mutatie, etc.).

Hematologische maligniteiten

B- of T-cellymfoom:

CD45, CD3, CD79a

 

Anaplastisch T-cel lymfoom: Positief: CD30

 

Plasmacel neoplasie:

Positief: CD138, kappa, lambda, CD79a (wisselend)

  • CD3, CD79a en CD30 zijn handige screenende markers.
  • Lymfomen en plasmacel neoplasieën kunnen keratine positief zijn.
  • EMA positiviteit wordt ook in plasmacel neoplasieën en B- en T-cel lymfomen soms gezien
  • CD138 is vaak positief in carcinomen
  • CD5 is positief in thymuscarcinomen

Mesothelioom

Positief: CAM5.2, WT1, calretinine, D2-40, EMA.

Negatief: BerEp4 (EpCAM), CEA, slijmkleuringen.

Verlies van expressie: BAP1, MTAP, homozygote deletie van CDKN2A (p16) FISH

 

Sarcomen/weke delen tumoren met variabele keratine-expressie of EMA expressie (van gering/geen tot diffuus)

Synoviosarcoom (SS18-SSX fusie):

Positief: keratine, CK7, SS18-SSX immuno, TLE1, CD99, CD56, EMA.

Negatief: CD34.

 

Desmoplastic small round cell tumor (EWSR1-WT1 fusie):

Positief: keratine, desmine (soms negatief), WT1 (alleen bepaalde clone).

 

Myoepitheliaal carcinoom van de weke delen (EWSR1 of FUS fusie):

Positief: CK AE1/3, EMA, p63, S100.

 

Myoepithelioom van de weke delen:

Positief: S100, SOX10, pankeratine, EMA.

 

Epithelioid sarcoom (SMARCB1 inactivatie):

Positief: keratine, CD34 (50%), soms ERG

Verlies van expressie: INI1

 

Maligne rhabdoide tumor (SMARCB1 inactivatie): Positief: keratine.

Negatief: CD34.

Verlies van expressie: INI1.

 

Epithelioid hemangioendothelioom (WWTR1-CAMTA1 fusie, YAP-TFE3 fusie):

Positief: keratines, ERG, CD31, CD34

 

Angiosarcoom

Positief: ERG, CD31.

Variabel: CD34.

 

Chordoom

Positief: keratines, Brachyury

 

Spoelcellig rhabdomyosarcoom

Positief: keratines, desmine

  • Andere weke delen tumoren met (soms) geringe tot uitgebreide keratineexpressie:
    • Ewing sarcoom, sarcomen met EWSR1/FUS::CREB1/ATF1/CREM fusie
    • inflammatoire myofibroblastaire tumor
    • pseudomyogenic hemangioendothelioom
    • leiomyosarcoom, GIST (zelden)
    • MPNST met glandulaire differentiatie.
  • Myoepitheliomen/ carcinomen kunnen zowel epitheliode als sarcomatoide morfologie hebben en kunnen keratine tot expressie brengen. Vergeet niet dat myoepitheliomen naast het hoofd-hals gebied ook in de wekedelen voor kunnen voorkomen.
  • CD34 positiviteit pleit in principe sterk tegen adenocarcinoom maar kan bij uitzondering in weinig gedifferentieerde longcarcinomen en hepatocellulaire carcinomen worden gezien.

Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016

 

Tabel 3.2. Handige kleuringen bij carcinoom zonder duidelijke differentiatie in de HE-kleuring

Subtype/variant

Typische markers

Tips

Mogelijk adenocarcinoom

Alcian blue en PASD. Deze kleuringen worden vaak vergeten maar zijn zeer handig.

  • CK7 is niet een specifieke adeno-marker en wordt bijvoorbeeld ook in UCC en in wisselende mate in PCC gezien. CK7 is bovendien negatief in veel adenocarcinomen, bijvoorbeeld van het colon, prostaat, etc.
  • Zie verder tabel 1.2 en bijhorende tekst.

Mogelijk plaveiselcelcarcinoom

p40, p63, CK5/6

  • Zie verder tekst over PCC
  • Let op pitfalls, zie boven (tabellen 2.1 en 2.2).

Mogelijk neuroendocrien carcinoom

Syntpofysine, chromogranine

p53 en RB1

  • Synaptofysine is sensitiever dan chromogranine en dus beter voor het screenen naar neuroendocriene differentiatie.
  • Grootcellige NEC´s hebben vaak mutant p53 aankleuringspatroon maar RB1 is vaak normaal aankleurend.
  • Kleincellige NEC‘s hebben vaak zowel mutant p53 als RB1 aankleuringspatroon.
  • Diffuus p16 positiviteit in kleincellige carcinomen wordt door RB1 inactivatie veroorzaakt.
  • CD56 wordt bij primaire long-origine als neuroendocriene marker beschouwd maar niet bij NEC in de tractus digestivus.
  • Een pheochromocytoma/ paraganglioom kan ook overwogen worden bij een PTO

Slecht gedifferentieerd MMR deficient (microsatelliet instabiel) carcinoom

MLH1, PMS2, MSH2, MSH6

  • dMMR carcinomen zijn regelmatig slecht gedifferentieerd.

Lymphoepitheliaal carcinoom / carcinoom met prominent lymfoid stroma

EBER

  • EBV positieve carcinomen zijn soms morfologisch slecht gedifferentieerd

Carcinoom met SMARCA4 inactivatie

SMARCA4 (BRG1)

  • SMARCA4 inactivatie wordt geassocieerd met slechte differentiatie.

Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016

 

Tabel 3.3. Origine bij weinig gedifferentieerd carcinoom

Origine

Typische markers

Tips

Adenocarcinoom

Zie tabel 1.1, 1.2, 3.1 en 3.2 hierboven.

 

Adrenocorticaal carcinoom

Positief: SF1, inhibine, melanA, synaptofysine

Variabel: CAM5.2

  • Regelmatig weinig of geen keratine-positiviteit

Slecht gedifferentieerd hepatocellulair carcinoom

Positief: AFP, glypican-3, Hep par-1, Arginase

Negatief: CK7, CK20

  • CK7 is positief in ca. 10% van gevallen
  • Glypican-3 is sensitief maar weinig specifiek
  • Bij slechte differentiatie wordt meer AFP positiviteit gezien en minder Hep par-1 of Arginase aankleuring gezien.
  • Arginase is sensitiever dan Hep par-1.

Niercelcarcinoom (RCC)

Positief: PAX8.

  • CK7 is positief in papillair RCC en andere varianten
  • CD117 is positief in chromofoob RCC
  • CA125 helpt bij het onderscheid met ovariumcarcinoom.

Schildkliercarcinoom

Positief: TTF1, PAX8, TG.

 

Medullair schildkliercarcinoom:

Positief: calcitonin, CEA, synaptofysine, chromogranine, (TTF1, PAX8)

  • Calcitonine expressie is ook bij neuroendocriene tumoren beschreven (Llewellyn, 2021)

Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016

 

Als er bij een carcinoom geen bepaalde differentiatie aangetoond kan worden, dan betreft het een ongedifferentieerd carcinoom (e. undifferentiated carcinoma), ook genoemd weinig gedifferentieerd carcinoom (e. poorly differentiatied carcinoma) en soms grootcellig carcinoom. De diagnose niet-kleincellig carcinoom wordt soms voor weinig gedifferentieerde/ongedifferentieerde carcinomen gebruikt. De diagnose niet-kleincellig carcinoom is echter slecht gedefineerd en is voor PTO-diagnostiek onhandig (betekent in essentie alle carcinoomtypen behalve kleincellig carcinoom maar het wisselt per patholoog wat er exact bedoeld wordt en wat wel of niet uitgesloten is), en wordt derhalve in de context van PTO afgeraden.

 

4. HE-morfologie: small blue round celtumoren / kleincellige tumoren

De small blue round celltumoren vallen onder de morfologische varianten van PTO met een eigen differentiaaldiagnose, en dienen derhalve apart benoemd te worden. Het betreffen sheets en eilandjes van relatief kleine en vaak cohesieve cellen met donkere nuclei en veel apoptotische cellichamen. Zie tabel 4 voor de differentiaal diagnostische overwegingen van de small blue round celtumoren. Verschillende small blue round celtumoren hebben kenmerkende genalteraties en daarom is moleculaire analyse in deze context behulpzaam.

 

Tabel 4. Differentiaaldiagnose bij small blue round celtumoren en handige screenende markers

 

Type

Screenende markers

Sarcoom

Ewing sarcoom

CD99, NKX2.2

 

Desmoplastic small round cell tumor

Keratines, desmine (soms negatief), WT1 (bepaalde clone)

 

Rhabdomyosarcoom

Desmine, myogenine/Myf4

Carcinoom

Kleincellig carcinoom

Keratines, synaptofysine

 

Merkelcelcarcinoom

Keratines, synaptofysine, chromogranine, CK20,

Lymfoom

Kleincellig non-Hodgkin lymfoom

CD45 (CD3, CD79a), TdT

Blastomen

Hepatoblastoom

Neuroblastoom

Nefroblastoom

 

Bellizzi, 2020; Cimino-Mathews, 2021; Ferreira, 2022; Kandukuri, 2017; Lin, 2014; Oien, 2012; Overby, 2019; Pauli, 2021; Rassy, 2020; Selves, 2018; Wang, 2017; Van der Strate, 2023; Wang, 2023; Jhala, 2022; Sangati, 2019; Habermehl, 2019; Sundling, 2018; Doxtader, 2018; Kandalaft, 2016

 

5. HE-morfologie: sarcomatoide en pleiomorfe tumoren

Sarcomatoide tumoren hebben een heel brede histomorfologische presentatie met vaak discohesieve cellen, cellen welke in sheets zijn gelegen of spoelcellen.

De volgende diagnostische problemen kunnen zich voordoen bij sarcomatoide tumoren in het kader van PTO:

  1. Zowel sarcomen, carcinomen als melanomen kunnen een sarcomatoide morfologie tonen. Primaire presentatie van een gemetastaseerd carcinoom, melanoom of lymfoom als mimicker van een sarcoom is een wel eens voorkomende fenomeen (Leinung, 2007).
  2. Er moet altijd rekening gehouden worden met het feit dat gemetastaseerde carcinomen en melanomen veel vaker voorkomen dan gemetastaseerde sarcomen. Let hierbij op het volgende:
    1. De voorgeschiedenis van de patiënt (resectie van eerdere tumor).
    2. Sarcomen hebben relatief zelden hun eerste presentatie als een metastase van elders.
    3. De primaire tumor van een sarcomatoid carcinoom is meestal goed zichtbaar, d.w.z. niet occulte tumor.
  3. Bij carcinomen zijn de pan-keratine markers (bv. CKAE1/3) typisch positief in zowel de spoelcellige component als epithelioide component (indien bifasisch) in tegenstelling tot sarcomen waar de keratines vaak alleen positief zijn in de epithelioide component van sarcomen.

Carcinomen, mesotheliomen, sarcomen en melanomen kunnen allen een bifasisch (epithelioid en sarcomatoid) groeipatroon tonen.

 

6. Overige overwegingen

  • Kiemceltumoren moeten altijd overwogen worden bij PTOs in het mediastinum, retroperitoneum of gonaden. 
  • Het aanvragen van mogelijke clonale verwantschap tussen een PTO en eerdere maligniteit hoort tot de taken van de patholoog. Een eerdere maligniteit wordt in ca. 25% van PTO-patiënten gezien (Bochtler, 2019). Er zijn slechts weinig data aanwezig over de opbrengst betreffende de clonale verwantschap van PTOs en eerdere maligniteiten, echter moet hier wel aan gedacht worden afhankelijk van individuele klinische scenario’s.

Deelvraag 3: Welke informatie dient het pathologieverslag tenminste te bevatten?

Met het pathologieverslag tracht de patholoog informatie over histologisch type en origine op een heldere manier door te geven, zoveel mogelijk met integratie van de klinisch-radiologische context. Tevens bevat het pathologieverslag moleculaire bevindingen, die geïntegreerd dienen te worden in een conclusie (zie hiervoor module Moleculaire diagnostiek voor identificatie primaire origine en module Biomarkers/targets voor doelgerichte behandeling en behandeling met immuuncheckpointsremmers). Het is raadzaam om contact op te nemen met de aanvrager voor extra klinische informatie en voor integratie van die informatie.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun naasten)

Met goede preservatie van het weefsel kan voorkomen worden dat er herhaald gebiopteerd moet worden bij de patiënt. Dit is een voordeel, omdat mogelijke schade die door herhaaldelijk biopteren veroorzaakt zou kunnen worden, hiermee voorkomen kan worden. Weefselpreservatie kan extra onderzoek mogelijk maken waardoor de diagnose vastgesteld kan worden. Dit is ook een voordeel voor de patiënt. Verdere pathologische processen/testen die in deze module beschreven worden, hebben geen implicaties voor de patiënt.

 

Kosten

Het nadeel van weefselpreservatie zijn de extra kosten die hiermee gemoeid gaan. Er wordt meer materiaal gebruikt (extra cassettes, coupes en bijhorende materiaal). Bovendien kost het insluiten van meerdere cassettes en het snijden van meerdere coupes extra tijd. Deze kosten wegen echter vermoedelijk op tegen de voordelen van weefselpreservatie, omdat hiermee herhaaldelijk biopteren – en daarmee mogelijke schade die de patiënt toekomt – voorkomen kan worden. Daarnaast zijn er kosten gebonden aan elke additionele biopsieprocedure op de radiologieafdeling (tijd, materiaal, invloed op wachtlijsten).

 

Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie

Het invriezen van weefsels ten behoeve van diagnostiek is niet overal en altijd mogelijk. Hiervoor is namelijk voldoende vriezercapaciteit vereist. Dit is niet aanwezig in alle centra.

 

Hoe omgaan met meerdere biopten? In 1 cassette of verdelen om iets over te houden?

Rationale van aanbeveling-1: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Weefselpreservatie is een belangrijke component in het diagnostische proces van PTOs. Hierbij wordt het insluiten van biopsie materiaal in meerdere cassettes, en het snijden van lintjes en blanco’s sterk aanbevolen aangezien naast brede immunohistochemische panels ook moleculaire diagnostiek aan bod komt. Het nadeel hiervan zijn de kosten (gebruik van meer materiaal) en de inefficiëntie op het lab (insluiten in meerdere cassettes en snijden van meerdere coupes). Het voordeel is echter dat mogelijke schade die de patiënt toekomt bij het afnemen van herhaalde biopten voorkomen kan worden. Verder maakt weefselpreservatie extra onderzoeken mogelijk en daarmee is de kans hoger dat de primaire origine en/of eventuele DNA-targets kunnen worden gevonden.

 

Het meteen invriezen van materiaal bij een PTO-vraagstelling wordt sterk aanbevolen, indien hiervoor capaciteit is. De logistiek hiervan moet goed met de kliniek besproken worden gezien de extra lasten en kosten welke dit met zich mee kan brengen (extra personeel en andere lab gebonden kosten).

 

Vanwege de gemetastaseerde setting en complexe diagnostische logistiek van PTO-patiënten zijn snelle doorlooptijden de norm bij een PTO-vraagstelling voor de patholoog. Het is daarom ook raadzaam om PTO immunohistochemische panels te gebruiken voor een zo efficiënt mogelijk verloop van de diagnostiek.

 

Welke histochemische en immunohistochemische markers zijn richtinggevend bij het zoeken naar tumortype en primaire origine bij patiënten met een metastase van een PTO?

Rationale van aanbeveling-2: weging van argumenten voor en tegen de interventies

Het gebruik van specifieke immunohistochemische panels is afhankelijk van de ervaring van de patholoog met de specifieke morfologie, antilichamen en klinische context bij ook een specifieke PTO-vraagstelling. Er zijn te veel factoren welke invloed kunnen hebben in deze fase van de diagnostiek voor de patholoog. Ook kan het repertoire van antilichamen van pathologisch lab tot pathologisch lab zeer variabel zijn zonder dat dit de kwaliteit van PTO-diagnostiek negatief beïnvloed. De aanbevolen (immuno)histochemische panels in deze richtlijn zijn derhalve zwakke aanbevelingen welke gebruikt kunnen worden als ondersteuning in de praktijk van deze complexe diagnostiek.

 

Welke informatie dient het pathologieverslag tenminste te bevatten?

Rationale van aanbeveling-3: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Het wordt sterk aanbevolen om in het pathologisch verslag tenminste de termen te includeren welke passen in het PALGA-systeem. Verder moet er na analyse van de morfologie en immuunhistochemie in de klinische context, in de differentiaaldiagnose richting worden gegeven naar een specifiek orgaansysteem, een hiërarchie van geprefereerde orgaansystemen of kan er helemaal geen specifieke locatie van primaire origine worden aangegeven. Het wordt sterk aanbevolen heel duidelijk de differentiaal diagnostische overwegingen aan te geven waarna deze in een (PTO) MDO besproken kunnen worden. Het pathologisch verslag moet makkelijker te interpreteren zijn voor pathologen die de coupes niet meteen voorhanden hebben (bijv. als de patiënt verwezen wordt naar een PTO-centrum) in verband met de efficiëntie en complexiteit van het gehele PTO diagnostische en behandel traject.

Onderbouwing

Een van de kerntaken van de patholoog is het bepalen van tumortype (adenocarcinoom, plaveiselcelcarcinoom, etc.) en primaire origine. In de praktijk wordt per casus bepaald welke immunohistochemische en histochemische markers in de context passend lijken. Er zijn echter heel veel verschillende markers beschikbaar en de keuze van markers en teststrategie (synchroon vs. sequentieel; breed vs. beperkt) is zowel afhankelijk van de klinische context als de morfologie. Hierdoor is de overdracht van voldoende klinische achtergrondinformatie vanuit de aanvrager naar de patholoog van groot belang (zie module Patiëntprofiel en diagnostische strategie). In deze context komt het soms voor dat niet alle relevante markers meegenomen worden. Verder, bij sequentieel inzet van beperkt aantal immunohistochemische markers komt het ook voor dat het materiaal sneller op is, dus zou de verdeling van naaldbiopten over cassettes overwogen moeten worden.

 

In deze module worden deze aspecten van de diagnostiek in het perspectief van voorlopige PTO gehandeld, vanaf het aanvraagformulier tot pathologieverslag. De nadruk in deze module ligt op de zgn. basisdiagnostiek (zoals beschreven in module Patiëntprofiel en diagnostische strategie), d.w.z. histologie met histochemie en immunohistochemie voor het bepalen van het histologische type en primaire origine. Afhankelijk van de differentiaaldiagnosen kan ook moleculair onderzoek op formalin-fixed paraffin embedded (FFPE) materiaal worden verricht, bijvoorbeeld voor detectie van bepaalde diagnostische fusies of andere kenmerkende genalteraties, waar passend zal dit in de tabellen in deze module zoveel mogelijk worden genoemd.

No formal summary of the literature was written, relevant findings from the identified studies are described in the considerations.

The questions about the content of the pathology referral (sub question 1) and pathology report (sub question 4) and the use of multiple biopsies (sub question 2) are answered based on expert opinion. A systematic review of the literature was performed to answer the following question: Which immunohistochemic markers are distinctive for a particular tumor type and primary origin of a cancer of unknown primary?

P: Patients with cancer of unknown primary undergoing an initial diagnostic workup
I: Immunohistochemistry

Search and select (Methods)

The databases Medline (via OVID) and Embase (via Embase.com) were searched with relevant search terms until 1 February 2023. The detailed search strategy is depicted under the tab Methods. The systematic literature search resulted in 533 hits. Studies were selected based on the following criteria: (1) full text publication in English or Dutch, published since the previous search for the guideline in 2010; (2) involving patients with cancer of unknown primary; and (3) reporting immunohistochemical markers that can contribute to the identification of the primary origin. 106 studies were initially selected based on title and abstract screening. After reading the full text, 61 studies were excluded (see the table with reasons for exclusion under the tab Methods). The remaining 45 studies contained relevant information that was used to underpin the recommendations about tumor markers.

  1. 1 - Asch-Kendrick, R. and A. Cimino-Mathews, The role of GATA3 in breast carcinomas: a review. Hum Pathol, 2016. 48: p. 37-47.
  2. 2 - Bellizzi, A.M., An Algorithmic Immunohistochemical Approach to Define Tumor Type and Assign Site of Origin. Adv Anat Pathol, 2020. 27(3): p. 114-163.
  3. 3 - Berg, K.B. and D.F. Schaeffer, SATB2 as an Immunohistochemical Marker for Colorectal Adenocarcinoma: A Concise Review of Benefits and Pitfalls. Arch Pathol Lab Med, 2017. 141(10): p. 1428-1433.
  4. 4 - Bishop JA, Montgomery EA, Westra WH. Use of p40 and p63 immunohistochemistry and human papillomavirus testing as ancillary tools for the recognition of head and neck sarcomatoid carcinoma and its distinction from benign and malignant mesenchymal processes. Am J Surg Pathol. 2014 Feb;38(2):257-64.
  5. 5 - Bochtler, T., et al., Comparative genetic profiling aids diagnosis and clinical decision making in challenging cases of CUP syndrome. Int J Cancer, 2019. 145(11): p. 2963-2973.
  6. 6 - Chen H, Katakura S, Horita N, Namkoong H, Kato I, Hara Y, Kobayashi N, Fujii S, Kaneko T. Immunohistochemical markers to diagnose primary squamous cell carcinoma of the lung: a meta-analysis of diagnostic test accuracy. Ther Adv Med Oncol. 2022 Feb 2;14:17588359211065152.
  7. 7 - Chen, Z.E. and F. Lin, Application of immunohistochemistry in gastrointestinal and liver neoplasms: new markers and evolving practice. Arch Pathol Lab Med, 2015. 139(1): p. 14-23.
  8. 8 - Chiesa-Vottero, A., CDX2, SATB2, GATA3, TTF1, and PAX8 Immunohistochemistry in Krukenberg Tumors. Int J Gynecol Pathol, 2020. 39(2): p. 170-177.
  9. 9 - Cimino-Mathews, A., Novel uses of immunohistochemistry in breast pathology: interpretation and pitfalls. Mod Pathol, 2021. 34(Suppl 1): p. 62-77.
  10. 10 - Conner, J.R. and J.L. Hornick, Metastatic carcinoma of unknown primary: diagnostic approach using immunohistochemistry. Adv Anat Pathol, 2015. 22(3): p. 149-67.
  11. 11 - Cox, R.M., C. Magi-Galluzzi, and J.K. McKenney, Immunohistochemical Pitfalls in Genitourinary Pathology: 2018 Update. Adv Anat Pathol, 2018. 25(6): p. 387-399.
  12. 12 - Doxtader, E.E. and D.J. Chute, Evaluation of Carcinoma of Unknown Primary on Cytologic Specimens. Surg Pathol Clin, 2018. 11(3): p. 545-562.
  13. 13 - Elsheikh, T.M. and J.F. Silverman, Fine needle aspiration and core needle biopsy of metastatic malignancy of unknown primary site. Mod Pathol, 2019. 32(Suppl 1): p. 58-70.
  14. 14 - Ferreira, I., et al., Primary de-differentiated, trans-differentiated and undifferentiated melanomas: overview of the clinicopathological, immunohistochemical and molecular spectrum. Histopathology, 2022. 80(1): p. 135-149.
  15. 15 - Gorbokon N, Baltruschat S, Lennartz M, Luebke AM, Höflmayer D, Kluth M, Hube-Magg C, Hinsch A, Fraune C, Lebok P, Bernreuther C, Sauter G, Marx AH, Simon R, Krech T, Clauditz TS, Jacobsen F, Burandt E, Steurer S, Minner S. PAX8 expression in cancerous and non-neoplastic tissue: a tissue microarray study on more than 17,000 tumors from 149 different tumor entities. Virchows Arch. 2024 Sep;485(3):491-507.
  16. 16 - Greco FA, Lennington WJ, Spigel DR, Hainsworth JD. Poorly differentiated neoplasms of unknown primary site: diagnostic usefulness of a molecular cancer classifier assay. Mol Diagn Ther. 2015 Apr;19(2):91-7.
  17. 17 - Habermehl, G. and J. Ko, Cutaneous Metastases: A Review and Diagnostic Approach to Tumors of Unknown Origin. Arch Pathol Lab Med, 2019. 143(8): p. 943-957.
  18. 18 - Hainsworth JD, Greco FA. UpToDate. Squamous cell carcinoma of unknown primary site. Accessed 02-10-2024. https://www.uptodate.com/contents/squamous-cell-carcinoma-of-unknown-primary-site?topicRef=4878&source=see_link.
  19. 19 - Jhala, N., A. Arriola, and L. Pantanowitz, Serous cavity metastasis: Evaluation of unknown primary. Cytojournal, 2022. 19: p. 16.
  20. 20 - Jo VY, Fletcher CD. p63 immunohistochemical staining is limited in soft tissue tumors. Am J Clin Pathol. 2011 Nov;136(5):762-6.
  21. 21 - Kandalaft, P.L. and A.M. Gown, Practical Applications in Immunohistochemistry: Carcinomas of Unknown Primary Site. Arch Pathol Lab Med, 2016. 140(6): p. 508-23.
  22. 22 - Kandukuri, S.R., et al., Application of Immunohistochemistry in Undifferentiated Neoplasms: A Practical Approach. Arch Pathol Lab Med, 2017. 141(8): p. 1014-1032.
  23. 23 - Kei, S. and O.A. Adeyi, Practical Application of Lineage-Specific Immunohistochemistry Markers: Transcription Factors (Sometimes) Behaving Badly. Arch Pathol Lab Med, 2020. 144(5): p. 626-643.
  24. 24 - Kim, J.H., et al., Utility of thyroid transcription factor-1 and CDX-2 in determining the primary site of metastatic adenocarcinomas in serous effusions. Acta Cytol, 2010. 54(3): p. 277-82.
  25. 25 - Leinung S, Möbius C, Udelnow A, Hauss J, Würl P. Histopathological outcome of 597 isolated soft tissue tumors suspected of soft tissue sarcoma: a single-center 12-year experience. Eur J Surg Oncol. 2007 May;33(4):508-11.
  26. 26 - Lin, F. and H. Liu, Immunohistochemistry in undifferentiated neoplasm/tumor of uncertain origin. Arch Pathol Lab Med, 2014. 138(12): p. 1583-610.
  27. 27 - Llewellyn DC, Srirajaskanthan R, Vincent RP, Guy C, Drakou EE, Aylwin SJB, Grossman AB, Ramage JK, Dimitriadis GK. Calcitonin-secreting neuroendocrine neoplasms of the lung: a systematic review and narrative synthesis. Endocr Connect. 2021 Apr 26;10(4):447-461.
  28. 28 - Löffler H, Pfarr N, Kriegsmann M, Endris V, Hielscher T, Lohneis P, Folprecht G, Stenzinger A, Dietel M, Weichert W, Krämer A. Molecular driver alterations and their clinical relevance in cancer of unknown primary site. Oncotarget. 2016 Jul 12;7(28):44322-44329.
  29. 29 - Löffler, H., et al., Patients with cancer of unknown primary: a retrospective analysis of 223 patients with adenocarcinoma or undifferentiated carcinoma. Dtsch Arztebl Int, 2014. 111(27-28): p. 481-7.
  30. 30 - Losa F, Iglesias L, Pané M, Sanz J, Nieto B, Fusté V, de la Cruz-Merino L, Concha Á, Balañá C, Matías-Guiu X. 2018 consensus statement by the Spanish Society of Pathology and the Spanish Society of Medical Oncology on the diagnosis and treatment of cancer of unknown primary. Clin Transl Oncol. 2018 Nov;20(11):1361-1372.
  31. 31 - Losa, F., et al., SEOM-GECOD clinical guideline for unknown primary cancer (2021). Clin Transl Oncol, 2022. 24(4): p. 681-692.
  32. 32 - Lott, R., et al., Practical Guide to Specimen Handling in Surgical Pathology. College of American Pathologists. Version 11.0, September 2023. Accessed 02-10-2024. https://cap.objects.frb.io/documents/practical-guide-specimen-handling.pdf.
  33. 33 - Massard C, Loriot Y, Fizazi K. Carcinomas of an unknown primary origin-diagnosis and treatment. Nat Rev Clin Oncol. 2011 Nov 1;8(12):701-10.
  34. 34 - Mokhtari, M., et al., Carcinoma of Unknown Primary Origin: Application of Immunohistochemistry With Emphasis to Different Cytokeratin 7 and 20 Staining Patterns. Appl Immunohistochem Mol Morphol, 2022. 30(9): p. 623-634.
  35. 35 - Moreno JCA, Bahmad HF, Aljamal AA, Delgado R, Salami A, Guillot C, Castellano-Sánchez AA, Medina AM, Sriganeshan V. Prognostic Significance of p53 and p63 in Diffuse Large B-Cell Lymphoma: A Single-Institution Experience. Curr Oncol. 2023 Jan 17;30(2):1314-1331.
  36. 36 - Neben K, Hübner G, Folprecht G, Jäger D, Krämer A. Metastases in the Absence of a Primary Tumor: Advances in the Diagnosis and Treatment of CUP Syndrome. Dtsch Arztebl Int. 2008 Oct;105(43):733-40.
  37. 37 - Oien, K.A. and J.L. Dennis, Diagnostic work-up of carcinoma of unknown primary: from immunohistochemistry to molecular profiling. Ann Oncol, 2012. 23 Suppl 10: p. x271-7.
  38. 38 - Overby, A., et al., Carcinoma of Unknown Primary Site (CUP) With Metastatic Renal-Cell Carcinoma (mRCC) Histologic and Immunohistochemical Characteristics (CUP-mRCC): Results From Consecutive Patients Treated With Targeted Therapy and Review of Literature. Clin Genitourin Cancer, 2019. 17(1): p. e32-e37.
  39. 39 - Pauli, C., et al., A Challenging Task: Identifying Patients with Cancer of Unknown Primary (CUP) According to ESMO Guidelines: The CUPISCO Trial Experience. Oncologist, 2021. 26(5): p. e769-e779.
  40. 40 - Pellegrini C, Maturo MG, Di Nardo L, Ciciarelli V, Gutiérrez García-Rodrigo C, Fargnoli MC. Understanding the Molecular Genetics of Basal Cell Carcinoma. Int J Mol Sci. 2017 Nov 22;18(11):2485.
  41. 41 - Qaseem, A., et al., Cancer of Unknown Primary: A Review on Clinical Guidelines in the Development and Targeted Management of Patients with the Unknown Primary Site. Cureus, 2019. 11(9): p. e5552.
  42. 42 - Rabban, J.T. and C.J. Zaloudek, A practical approach to immunohistochemical diagnosis of ovarian germ cell tumours and sex cord-stromal tumours. Histopathology, 2013. 62(1): p. 71-88.
  43. 43 - Rassy, E. and N. Pavlidis, The diagnostic challenges of patients with carcinoma of unknown primary. Expert Rev Anticancer Ther, 2020. 20(9): p. 775-783.
  44. 44 - Reuter, V.E., et al., Best practices recommendations in the application of immunohistochemistry in the kidney tumors: report from the International Society of Urologic Pathology consensus conference. Am J Surg Pathol, 2014. 38(8): p. e35-49.
  45. 45 - Roma, A.A. and E. Downs-Kelly, Reliability of PAX8 in clinical practice to accurately determine primary site of origin in female pelvic or abdominal lesions. Ann Diagn Pathol, 2014. 18(4): p. 227-31.
  46. 46 - Sangati, L., et al., A clinicopathologic study of surgically resected metastatic lesions of brain: A single institutional experience. Neurol India, 2019. 67(3): p. 749-754.
  47. 47 - Santoro, F., et al., Clinical-Pathological Evaluation and Prognostic Analysis of 228 Merkel Cell Carcinomas Focusing on Tumor-Infiltrating Lymphocytes, MCPYV Infection and ALK Expression. Endocr Pathol, 2022. 33(2): p. 289-303.
  48. 48 - Schofiel, J.B., et al. Dataset for histopathological reporting of cancer of unknown primary and malignancy of uknown origin. Document number G167. Version 2. Accessed 02-10-2024. https://www.rcpath.org/static/555302b1-8b11-4d8a-a24431d0693d3287/G167-Dataset-for-histopathological-reporting-of-cancer-of-unknown-primary-and-malignancy-of-unknown-primary-origin.pdf.
  49. 49 - Selves, J., et al., Immunohistochemistry for Diagnosis of Metastatic Carcinomas of Unknown Primary Site. Cancers (Basel), 2018. 10(4).
  50. 50 - Shan, A., et al., p16 immunohistochemistry for primary tumor detection in HPV-positive squamous cell carcinoma of unknown primary. Am J Otolaryngol, 2021. 42(5): p. 103015.
  51. 51 - Sundling, K.E. and E.S. Cibas, Ancillary studies in pleural, pericardial, and peritoneal effusion cytology. Cancer Cytopathol, 2018. 126 Suppl 8: p. 590-598.
  52. 52 - van der Strate, I., et al., International consensus on the initial diagnostic workup of cancer of unknown primary. Crit Rev Oncol Hematol, 2023. 181: p. 103868.
  53. 53 - Vyas, M. and D. Jain, A practical diagnostic approach to hepatic masses. Indian J Pathol Microbiol, 2018. 61(1): p. 2-17.
  54. 54 - Wang, H.L., et al., Practical Immunohistochemistry in Neoplastic Pathology of the Gastrointestinal Tract, Liver, Biliary Tract, and Pancreas. Arch Pathol Lab Med, 2017. 141(9): p. 1155-1180.
  55. 55 - Wang, J.D., et al., An Appraisal of Immunohistochemical Stain Use in Hepatic Metastasis Highlights the Effectiveness of the Individualized, Case-Based Approach: Analysis of Data From a Tertiary Care Medical Center. Arch Pathol Lab Med, 2023. 147(2): p. 185-192.
  56. 56 - Zaun, G., et al., CUP Syndrome-Metastatic Malignancy with Unknown Primary Tumor. Dtsch Arztebl Int, 2018. 115(10): p. 157-162.
  57. 57 - Zhao, L.H., et al., Value of SATB2, ISL1, and TTF1 to differentiate rectal from other gastrointestinal and lung well-differentiated neuroendocrine tumors. Pathol Res Pract, 2019. 215(7): p. 152448.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 21-10-2025

Beoordeeld op geldigheid  : 08-10-2025

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Nucleaire geneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiotherapie en Oncologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Psychosociale Oncologie
  • Nederlandse vereniging voor professionele palliatieve zorg
  • Missie Tumor Onbekend

Algemene gegevens

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2021 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met een primaire tumor onbekend.

 

Werkgroep

  • prof. dr. P. (Petur) Snaebjornsson (voorzitter), Patholoog, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam, NVVP
  • dr. M.L. (Marc) Ooft, Patholoog, Rijnstate, Arnhem, NVVP
  • dr. L.I. (Leonie) Kroeze, Klinisch moleculair bioloog, Radboud UMC, Nijmegen, NVVP
  • dr. D.G.J. (Debbie) Robbrecht, Internist, Erasmus MC, Rotterdam, NIV/NVMO
  • dr. A.J. (Yes) van de Wouw, Internist, VieCuri Medisch Centrum, Venlo, NIV/NVMO
  • dr. M.A. (Marieke) Vollebergh, Internist, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam, NIV/NVMO
  • prof. dr. A.J. (Anthonie) van der Wekken, Longarts, UMCG, Groningen, NVALT
  • dr. A.M.J. (Anke) Kuijpers, Chirurg, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam, NVvH
  • dr. Q. (Quirijn) Tummers, Chirurg, Antoni van Leeuwenhoek, Amsterdam, NVvH
  • dr. M. (Martin) Lacko, KNO-arts/ Hoofd-hals chirurg, MUMC, Maastricht, NVKNO
  • dr. J. (Jessie) Westerhof, MDL-arts, UMCG, Groningen, NVMDL
  • dr. M.C. (Maartje) van Rijk, Nucleair geneeskundige, Radboud UMC, Nijmegen, NVNG
  • W.A. (Warnyta) Minnaard, Patiëntenvertegenwoordiger, Missie Tumor Onbekend
  • F.C.M. (Francine) van der Heijden, Patiëntenvertegenwoordiger, Missie Tumor Onbekend
  • prof. dr. C.H.J. (Chris) Terhaard, Radiotherapeut-oncoloog, UMCU, Utrecht, NVRO
  • dr. D.M.H.J. (Deirdre) Hekkelman-ten Berge, Radioloog, ADRZ, Goes, NVvR
  • dr. A. (Alexander) de Graeff, Internist-oncoloog/hospice-arts, UMCU, Utrecht, Palliactief
  • C. (Christien) de Jong, GZ-psycholoog/psychotherapeut, Amsterdams Instituut voor Gezins- en Relatietherapie, Amsterdam, NVPO
  • D. (Daphne) Rethmeier, oncologieverpleegkundige, Radboud UMC, Nijmegen, V&VN
  • D. (Diane) van Biessen, verpleegkundig specialist, Erasmus MC, Rotterdam, V&VN
  • dr. C. (Caroline) Loef, adviseur, Integraal Kankercentrum Nederland, Utrecht

Klankbordgroep

  • dr. E. (Esther) van Meerten, internist-oncoloog, Erasmus MC, Rotterdam, NIV

Met ondersteuning van

  • dr. C.M.W. (Charlotte) Gaasterland, Adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • drs. I. (Isabelle) Laseur, Adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • dr. M. (Merel) Wassenaar, Adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • dr. L. (Linda) Oostendorp, Senior Adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • dr. J. (Jana) Tuijtelaars, Adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • D.P. (Diana) Gutierrez, projectmedewerker, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • dr. J. (Jing) de Haan-Du, Adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

 

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke Financiële Belangen

Persoonlijke Relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intell. belangen en reputatie

Overige belangen

Datum

Alexander de Graeff

Arts Academisch Hospice Demeter, De Bilt

Adviseur richtlijnen IKNL

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

14-07-2022

Anke Kuijpers

Chirurg, Antoni van Leeuwenhoek

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

24-11-2023

Anthonie van der Wekken

Longarts

geen

geen

geen

Astra Zeneca, Boehringer-Ingelheim, Pfizer, Roche, Takeda

Specialisten panel Patiënten vereniging 'Longkanker Nederland'

Adviesraden of lezingen gegeven gesponsord door bedrijven voor het UMCG: Agena, Astra-Zeneca, Bayer, BMS, Boehringer-Ingelheim, Janssen, MSD, Pfizer, Roche, Takeda

23-05-2022

Anthonie van der Wekken (aanvulling in 2024)

Longarts

geen

geen

geen

Astra Zeneca, Boehringer-Ingelheim, Pfizer, Roche, Takeda

Specialisten panel Patiëntenvereniging 'Longkanker Nederland'. Daarnaast specialist panel ‘ROS1ders’ en adviseur NFU en FMS.

Deelgenomen aan adviesraden of lezingen gegeven gesponsord door bedrijven voor het UMCG: Agena, Astra-Zeneca, Bayer, BMS, Boehringer-Ingelheim, Janssen, MSD, Pfizer, Roche, Takeda en Lilly.

6-03-2024

Caroline Loef (heeft de werkgroep in juli 2023 verlaten ivm een wisseling van baan)

IKNL - Onderzoeker/Adviseur - betaald

Kanker.nl - moderator - onbetaald
Missie Tumor Onbekend - Lid Raad van Advies - onbetaald

CUPP-NL - Ambt. Secretaris - onbetaald
Brinkman & Loef - CEO, VOF in oprichting - onbetaald ten tijde van oprichting
Ethical Hacker/Informatie Security Officer - DIVD - onbetaald

Geen

nee

nee

geen belang

geen belang

24-05-2022

Caroline Loef (aanvulling belangen in augustus 2022)

IKNL - Onderzoeker/Adviseur - betaald

Lid raad van Advies - Missie Tumor onbekend
Moderator/vraag het de expert - Kanker.nl
Co-founder/Ambt. Secretaris - CUPP-NL
Deelnemer Data werkgroep - DI-CUP

geen, alle nevenfuncties zijn ook op vrijwillige basis

geen

geen

Uiteraard geeft dit voor alle deelnemers aan de richtlijnrevisie een zekere erkenning dan wel reputatie/positie of versterking daarvan in het werkveld. Dus dat geldt ook voor mijn persoon, tenminste wanneer de namen vermeldt worden. Zo niet, dan zal er geen belang zijn.

geen

4-08-2022

Chris Terhaard

Radiotherapeut-oncoloog, emeritus
gastaanstelling bij afdeling radiotherapie UMC Utrecht

Voor ELEKTA beoordeling AI van OAR hoofd-hals

Geen financieel voordeel

Geen

Geen deelname onderzoek

Geen

Geen

9-11-2022

Debbie Robbrecht

Medisch specialist (internist-oncoloog)

geen

Nee

Nee

Nee

Nee

Hoofdonderzoeker van een landelijk ontwikkeld protocol voor dataverzameling rond patiënten met PTO. Dit kent tot nog toe geen financiering. Het doel is om van patiënten met PTO de gegevens te verzamelen ten aanzien van kliniek en eventueel WGS (DNA test), als ook kwaliteit van leven vragenlijsten.
Dit protocol is nog niet uitgerold, maar verwachting is dat dit per september zal gebeuren. Dit is een samenwerking van NVMO, NVVP, IKNL en HMF.

Betrokken als mede-onderzoeker bij protocol waarvoor grant aanvraag geschreven is en ingediend bij KWF: "[18}F-FAPI PET/CT to identify Carcinoma of hitherto Unknown Primary origin'. Studie loopt nog niet.

13-05-2022

Deirdre Hekkelman-ten Berge

Radioloog, ADRZ, betaald

Arts onderzoeker longgeneeskunde, onbetaald

geen belangenverstrengelingen

Geen

Geen

Niet van toepassing

Niet van toepassing

13-07-2022

Diane van der Biessen (heeft de werkgroep in januari 2024 verlaten)

Verpleegkundig specialist, Center for Drug Development, Erasmus MC Kanker Instituut. Werkzaamheden: Standaard medische zorg en verpleegkundige zorg bij patiënten met vergevorderde kanker die deelnemen aan vroeg klinisch onderzoek. Betaald

Betaald:
Examinator MANP, Hogeschool Leider, Master verpleegkunde. Werkzaamheden: beoordelen Master thesis verpleegkundigen in opleiding tot specialist.
Onbetaald:
Voorzitter Werkgroep Wetenschap V&VN oncologie/VS: stimuleren wetenschappelijk denken en toepassen bij verpleegkundig specialisten binnen de oncologie.
Lid Scientific Advisory Board meeting KWF 'Improving personalised treatment in oncology'.

Geen

Geen

Geen
Ik ben betrokken bij de uitvoer van medisch wetenschappelijk onderzoek binnen de afdeling Interne Oncologie van het Erasmus MC.

Geen

Geen

9-08-2022

Francine van der Heijden

Zangeres/zangdocent

Bestuurder, oprichter en vrijwilliger bij Missie Tumor Onbekend

 Vertegenwoordiger patiëntenorganisatie Missie Tumor Onbekend

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

opdrachtgever, zonder financieel belang, van de e-learning Palliatieve zorg voor kankerpatiënten met een korte levensverwachting

Niet van toepassing

30-05-2022

Houke Klomp (heeft de werkgroep eind 2023 verlaten)

chirurg Antoni van Leeuwenhoek (NKI-AVL)

lid raad van commissarissen Prinses Maxima Centrum
vicevoorzitter raad van toezicht IJsselland Ziekenhuis

patent WO2010116003 A2, PCT/EP2010/054772, dit is ongerelateerd aan de richtlijn PTO

-

ja

-

-

8-07-2022

Jessie Westerhof

MDL-arts

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing.
Ben wel MDL arts met oncologische interesse. Dus doe bijvoorbeeld diagnostiek / endo-echo bij pt met primaire onbekende tumor

Niet van toepassing

23-05-2022

Leonie Kroeze

Klinisch moleculair bioloog in de pathologie (KMBP) - Radboudumc Nijmegen. Verantwoordelijk voor moleculaire diagnostiek op weefsels, met name van tumoren (betaald)

Geen

Geen

Geen persoonlijke relaties

Betrokken bij een KWF project als Principal Investigator. (Dit project heeft geen raakvlakken met deze richtlijncommissie)

Geen

Geen

31-05-2022

Leonie Kroeze (aanvulling in juli 2022)

Klinisch moleculair bioloog in de pathologie - Radboudumc Nijmegen
Werkzaamheden: DNA en RNA analyses op (met name) tumorweefsel

Geen

Geen

Geen

Ik heb zelf geen financiering binnengehaald afgelopen 3 jaar. Uiteraard ben ik zo af en toe wel betrokken bij projecten waarvoor externe financiering beschikbaar is (als onze afdeling gevraagd wordt de NGS analyses uit te voeren), echter sta ik niet als persoon genoemd op deze beursaanvragen.

Geen

Ik ben betrokken bij het opzetten van de zorgpad voor PTO-patiënten binnen het Radboudumc.

22-07-2022

Maartje van Rijk

Nucleair Geneeskundige/Nucleair Radioloog te RadboudUMC

lid CKB NVNG (Commissie Kwaliteits Bewaking NVNG), onbetaald
Docent Boerhaave Nascholing te Leiden, betaald (1 dag/jaar)
Lid werkgroep diagnostiek BOOG (BOrstkanker Onderzoek Groep), onbetaald

Pfizer aandelen (update 29-06-2022: heeft geen aandelen Pfizer meer)

Nee

Nee

Nee

Nee

28-04-2022

Marc Ooft

Patholoog

patholoog werkzaam in pathologie DNA locatie Rijnstate

Niet van belang

Ik werk in hetzelfde ziekenhuis met een oncoloog welke de DI CUP richtlijn geschreven heeft

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

15-06-2022

Marieke Vollebergh

 internist-oncoloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Hoofdonderzoeker van een landelijk ontwikkeld protocol voor dataverzameling rond patiënten met PTO. Dit kent tot nog toe geen financiering. Het doel is om van patiënten met PTO de gegevens te verzamelen ten aanzien van kliniek en eventueel WGS (DNA test), als ook kwaliteit van leven vragenlijsten.
Dit protocol is nog niet uitgerold, maar verwachting is dat dit per september zal gebeuren. Dit is een samenwerking van NVMO, NVVP, IKNL en HMF.

16-05-2022

Martin Lacko

KNO-arts/hoofd-hals chirurg
MUMC+
afd. KNO en hoofd-hals chirurgie
Maastricht

geen

Geen

Nee

Nee

Geen

Geen

24-08-2022

Petur Snaebjornsson (voorzitter)

Patholoog in Antoni van Leeuwenhoek. Professor aan Universiteit van IJsland.

1) Bestuur Dutch Colorectal Cancer Group (DCCG) sinds 2018 (onbetaald).
2) Bestuur Cancer of unknown primary platform the Netherlands (CUPP-NL) sinds 2021 (onbetaald).
3) Bestuur Expertisegroep GE pathologie van NVVP sinds 2021 (onbetaald).
4) Ik geef les aan Hogeschool Leiden over uitsnijden sinds 2019 (betaald).

1) Op 1 oktober 2020: online Expert Input Forum, georganiseerd door MSD. Onderwerp: MSI-H colorectaalcarcinoom. Hiervoor betaling aan AVL.
2) Op 8 oktober 2020: deelname als expert aan nascholing Colorectaal Carcinoom (talkshow). Onderwerp: gemetastaseerd colorectaalcarcinoom. Georganiseerd door MEDtalks. Hiervoor betaling aan AVL.
3) Op 14 december 2020: Bayer, Vitrakvi EU consultancy. Hiervoor betaling aan AVL.

Geen.

Ik ben betrokken bij onderzoek i.h.k.v. colorectaalcarcinoom gefinancieerd door KWF (CAIRO6, COLOPEC 1 en 2).
Ik ben betrokken bij de DI-CUP protocol als patholoog in de datawerkgroep. De DI-CUP protocol is op dit moment niet extern gefinanceerd.
In AVL liep er zgn. WIDE studie sinds van ca. 2018 tot einde 2020. Het betrof een studie naar de haalbaarheid van whole genome sequencing (WGS) in de standaard zorg en klinische validatie van WGS (zie PMID: 33167975 voor gepubliseerde studieprotocol en studiedoeleinden). De studie was gefinancieerd door ZonMw (Project Nr. 446002004) en Hartwig Medical Foundation (HMF). Als een substudie werd ook onderzoek naar CUP/PTO verricht, d.w.z. naar de haalbaarheid van WGS om de primaire tumor/tumortype te detecteren. De substudie is afgelopen en de paper is in submission fase. In deze substudie was ik betrokken, zowel als patholoog in mijn dagelijkse werk (bij diagnostiek van CUP/PTO) als bij het onderzoek (data analyse, input naar HMF omtrent tumorclassificatie ter verbetering van WGS-algoritmen voor detectie van primaire tumor).

Geen.

Geen.

5-05-2022

Petur Snaebjornsson (voorzitter) (aanvulling in 2024)

Patholoog in Antoni van Leeuwenhoek. Professor aan Universiteit van IJsland.

1) Bestuur Dutch Colorectal Cancer Group (DCCG) van 2018 tot oktober 2022 (onbetaald).
2) Bestuur Cancer of unknown primary platform the Netherlands (CUPP-NL) sinds 2021 (onbetaald).
3) Bestuur Expertisegroep GE pathologie van NVVP sinds 2021 (onbetaald).
4) Ik geef les aan Hogeschool Leiden over uitsnijden sinds 2019 (betaald). 5) World CUP Alliance advisory committee vanaf februari 2024 (onbetaald).

1) Op 1 oktober 2020: online Expert Input Forum, georganiseerd door MSD. Onderwerp: MSI-H colorectaalcarcinoom. Hiervoor betaling aan AVL.
2) Op 8 oktober 2020: deelname als expert aan nascholing Colorectaal Carcinoom (talkshow). Onderwerp: gemetastaseerd colorectaalcarcinoom. Georganiseerd door MEDtalks. Hiervoor betaling aan AVL.
3) Op 14 december 2020: Bayer, Vitrakvi EU consultancy. Hiervoor betaling aan AVL.

Geen.

Ik ben betrokken bij onderzoek i.h.k.v. colorectaalcarcinoom gefinancieerd door KWF (CAIRO6, COLOPEC 1 en 2).
Ik ben betrokken bij de DI-CUP protocol als patholoog in de datawerkgroep. De DI-CUP protocol is op dit moment niet extern gefinanceerd.
In AVL liep er zgn. WIDE studie sinds van ca. 2018 tot einde 2020. Het betrof een studie naar de haalbaarheid van whole genome sequencing (WGS) in de standaard zorg en klinische validatie van WGS (zie PMID: 33167975 voor gepubliseerde studieprotocol en studiedoeleinden). De studie was gefinancieerd door ZonMw (Project Nr. 446002004) en Hartwig Medical Foundation (HMF). Als een substudie werd ook onderzoek naar CUP/PTO verricht, d.w.z. naar de haalbaarheid van WGS om de primaire tumor/tumortype te detecteren. De substudie is afgelopen en de paper is in submission fase. In deze substudie was ik betrokken, zowel als patholoog in mijn dagelijkse werk (bij diagnostiek van CUP/PTO) als bij het onderzoek (data analyse, input naar HMF omtrent tumorclassificatie ter verbetering van WGS-algoritmen voor detectie van primaire tumor).

Geen.

Aanvulling 2024: Ik ben een hoofdonderzoeker van een project waarbij de doel is om de WGS predictie tool van HMF (CUPPA) te verbeteren. De hypothese is dat met verfijning van de tumorclassificatie in het referentiedataset van de CUPPA tool het mogelijk wordt om tumoren van onbekende origine beter te classificeren. Het is dus de bedoeling om alle casustiek in AVL en zo mogelijk in externe zkh, waar WGS bij HMF is verricht, te doornemen en de registratie van tumortype/origine op orde te brengen. Dit project kent tot nu toe geen financiering. Ik ben ook betrokken als mede-onderzoeker van het genomische landscape van PTO (dit onderzoek wordt in EMC verricht).

5-03-2024

Quirijn Tummers (vervanger van Anke Kuijpers tijdens haar zwangerschapsverlof)

Chirurg Antoni van Leeuwenhoek - Nederlands Kanker Instituut

Geen

Geen

Geen

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

13-06-2024

Warnyta Minnaard

Investment manager bij Noaber Ventures (betaalde baan in venture capital met focus op digital health/preventie)

Bestuurder, oprichter en vrijwilliger bij Missie Tumor Onbekend (patiëntenorganisatie)

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

8-05-2022

Warnyta Minnaard (aanvulling in maart 2024)

Project manager bij het Nederlands Kanker Collectief op de uitgelichte doelen zeldzame kanker en rookpreventie van de Nederlandse Kanker Agenda (parttime betaalde baan)

- Bestuurder, oprichter en vrijwilliger bij Missie Tumor Onbekend
- ​Oprichter en vrijwilliger bij World CUP Alliance (internationale alliantie van PTO-patiëntenorganisaties)

- Onbezoldigd lid bestuurd CUPP-NL

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

Niet van toepassing

- Lid van de Data Access Board van Hartwig Medical Foundation (op persoonlijke titel)
- Lid van de PAR (Patiënten Advies Raad) van Pfizer Nederland (namens Missie Tumor Onbekend)
-- Lid van de Toetsingscommissie bij FarmInform (op persoonlijke titel)
 

5-03-2024

Yes van de Wouw

Internist-oncoloog in Viecuri Medisch Centrum Noord-Limburg.
Werkzaam binnen stafmaatschap

Onbezoldigd lid bestuur CUPPNL

Geen

Geen

Geen

Nvt

Nvt

14-10-2023

Yes van de Wouw (aanvulling in maart 2024)

Gepensioneerd Internist-oncoloog in Viecuri Medisch Centrum Noord-Limburg.
Wel nog werkzaam binnen stafmaatschap als arts-onderzoeker

Onbezoldigd lid bestuur CUPPNL

Geen

Geen

Geen

Nvt

Nvt

5-03-2024

Daphne Rethmeier

Oncologieverpleegkundige/ casemanager

Als geschoold oncologieverpleegkundige begeleid ik in mijn rol als casemanager patiënten met borstkanker of een primaire tumor onbekend tijdens hun behandeltraject (24 uur per week, betaald). ik fungeer als hun eerste aanspreekpunt voor hun vragen en zorgen. Ik houd zicht op hun behandelproces en onderhoud contact met alle betrokken zorgverleners.

Als oncologieverpleegkundige ben ik ook 8 uur per 2 weken een dag werkzaam op ons callcenter (betaald) voor uitvoer van triage.

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

9-1-2025

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door deelname van de afgevaardigde patiëntenorganisatie Missie Tumor Onbekend in de werkgroep. De afgevaardigde heeft meebeslist bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan Missie Tumor Onbekend en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

 

Wkkgz & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er geen substantiële financiële gevolgen zijn voor deze richtlijn, gezien het aantal patiënten kleiner is dan 5000 per jaar.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).

 

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de zorg voor patiënten met PTO. De werkgroep beoordeelde de aanbeveling(en) uit de eerdere richtlijn PTO op noodzaak tot revisie. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door de deelnemende WV-en, de V&VN en de patiëntorganisatie Missie Tumor Onbekend.

 

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. Indien mogelijk werden de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects model. Review Manager 5.4 werd gebruikt voor de statistische analyses. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello, 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE-gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. 

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodule is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijnmodule werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnmodule aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodule werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

 

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

 

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.

 

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

 

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

 

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit. http://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/over_richtlijnontwikkeling.html

 

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.

 

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Zoekverantwoording

Algemene informatie

Richtlijn: NVVP – Primaire tumor onbekend

Uitgangsvraag:   Wat zijn de belangrijkste immunohistochemische markers per tumororigine die kunnen bijdragen aan het opsporen van de primaire tumor bij patiënten met een metastase van een onbekende primaire tumor?

Database(s): Ovid/Medline, Embase

Datum: 1-2-2023

Periode: 2010-

Talen: nvt

Literatuurspecialist: Ingeborg van Dusseldorp

BMI zoekblokken: voor verschillende opdrachten wordt (deels) gebruik gemaakt van de zoekblokken van BMI-Online https://blocks.bmi-online.nl/ Bij gebruikmaking van een volledig zoekblok zal naar de betreffende link op de website worden verwezen.

Toelichting:

Voor deze vraag is gezocht met de volgende concepten:

PTO EN immunohistochemistry

Van de 12 sleutelartikelen worden er twee niet gevonden omdat deze niet over PTO gaan. De optie om alleen met immunohistochemistry of immunohistochemistry EN kanker te zoeken, leverde te veel referenties. Ook het totaal aantal referenties in combinatie met PTO is vrij groot. Omdat 9 van de 12 sleutelartikelen gevonden worden in de systematische, narrative en algemene reviews, is ervoor gekozen om deze in eerste instantie aan te bieden in Rayyan.

De sleutelartikelen die niet worden gevonden in de basisstrategie zijn:

Cimino-Mathews A. Novel uses of immunohistochemistry in breast pathology:

interpretation and pitfalls. Mod Pathol. 2021 Jan;34(Suppl 1):62-77. doi:

10.1038/s41379-020-00697-3. Epub 2020 Oct 27. PMID: 33110239.

 

Wang HL, Kim CJ, Koo J, Zhou W, Choi EK, Arcega R, Chen ZE, Wang H, Zhang L,

Lin F. Practical Immunohistochemistry in Neoplastic Pathology of the

Gastrointestinal Tract, Liver, Biliary Tract, and Pancreas. Arch Pathol Lab Med.

2017 Sep;141(9):1155-1180. doi: 10.5858/arpa.2016-0489-RA. PMID: 28854347.

 

Het artikel dat niet wordt aangetroffen in de set van de reviews is:

Oien KA, Dennis JL. Diagnostic work-up of carcinoma of unknown primary: from

immunohistochemistry to molecular profiling. Ann Oncol. 2012 Sep;23

Te gebruiken voor richtlijnen tekst:

In de databases Embase en Ovid/Medline is op 1-2-2023 met relevante zoektermen gezocht naar systematische, narrative en algemene reviews over PTO EN immunohistochemistry. De literatuurzoekactie leverde 533 unieke treffers op.

Zoekopbrengst

 

EMBASE

OVID/MEDLINE

Ontdubbeld

SRs

503

191

533

RCTs

 

 

 

Observationele studies

 

 

 

Overig

 

 

 

Totaal

 

 

 

Zoekstrategie

Embase

No.

Query

Results

#32

#28 NOT #30 1 sleutelartikel niet in de set SR, reviews

1

#31

#30 NOT #28

0

#30

#8 AND #27

9

#29

#27 NOT #28 2 sleutelartikelen niet gevonden

2

#28

#14 AND #27

10

#27

#15 OR #16 OR #17 OR #18 OR #19 OR #20 OR #21 OR #22 OR #23 OR #24 OR #25 OR #26 sleutelartikelen

12

#26

'diagnostic work-up of carcinoma of unknown primary: from immunohistochemistry to molecular profiling'

1

#25

'an algorithmic immunohistochemical approach to define tumor type and assign site of origin'

1

#24

'application of immunohistochemistry in undifferentiated neoplasms: a practical approach'

1

#23

'metastatic carcinoma of unknown primary: diagnostic approach using immunohistochemistry' NOT gosse

1

#22

'practical immunohistochemistry in neoplastic pathology of the gastrointestinal tract, liver, biliary tract, and pancreas'

1

#21

'a challenging task: identifying patients with cancer of unknown primary (cup) according to esmo guidelines: the cupisco trial experience'

1

#20

'primary de- differentiated, trans-differentiated and undifferentiated melanomas: overview of the clinicopathological, immunohistochemical and molecular spectrum'

1

#19

'novel uses of immunohistochemistry in breast pathology: interpretation and pitfalls'

1

#18

'immunohistochemistry for diagnosis of metastatic carcinomas of unknown primary site' NOT vega

1

#17

'the diagnostic challenges of patients with carcinoma of unknown primary'

1

#16

'carcinoma of unknown primary site (cup) with metastatic renal-cell carcinoma (mrcc) histologic and immunohistochemical characteristics (cup-mrcc): results from consecutive patients treated with targeted therapy and review of literature'

1

#15

'immunohistochemistry in undifferentiated neoplasm/tumor of uncertain origin'

1

#14

#8 OR #12 OR #13

1131

#13

#7 AND (#10 OR #11)

771

#12

#7 AND #9

141

#11

'case control study'/de OR 'comparative study'/exp OR 'control group'/de OR 'controlled study'/de OR 'controlled clinical trial'/de OR 'crossover procedure'/de OR 'double blind procedure'/de OR 'phase 2 clinical trial'/de OR 'phase 3 clinical trial'/de OR 'phase 4 clinical trial'/de OR 'pretest posttest design'/de OR 'pretest posttest control group design'/de OR 'quasi experimental study'/de OR 'single blind procedure'/de OR 'triple blind procedure'/de OR (((control OR controlled) NEAR/6 trial):ti,ab,kw) OR (((control OR controlled) NEAR/6 (study OR studies)):ti,ab,kw) OR (((control OR controlled) NEAR/1 active):ti,ab,kw) OR 'open label*':ti,ab,kw OR (((double OR two OR three OR multi OR trial) NEAR/1 (arm OR arms)):ti,ab,kw) OR ((allocat* NEAR/10 (arm OR arms)):ti,ab,kw) OR placebo*:ti,ab,kw OR 'sham-control*':ti,ab,kw OR (((single OR double OR triple OR assessor) NEAR/1 (blind* OR masked)):ti,ab,kw) OR nonrandom*:ti,ab,kw OR 'non-random*':ti,ab,kw OR 'quasi-experiment*':ti,ab,kw OR crossover:ti,ab,kw OR 'cross over':ti,ab,kw OR 'parallel group*':ti,ab,kw OR 'factorial trial':ti,ab,kw OR ((phase NEAR/5 (study OR trial)):ti,ab,kw) OR ((case* NEAR/6 (matched OR control*)):ti,ab,kw) OR ((match* NEAR/6 (pair OR pairs OR cohort* OR control* OR group* OR healthy OR age OR sex OR gender OR patient* OR subject* OR participant*)):ti,ab,kw) OR ((propensity NEAR/6 (scor* OR match*)):ti,ab,kw) OR versus:ti OR vs:ti OR compar*:ti OR ((compar* NEAR/1 study):ti,ab,kw) OR (('major clinical study'/de OR 'clinical study'/de OR 'cohort analysis'/de OR 'observational study'/de OR 'cross-sectional study'/de OR 'multicenter study'/de OR 'correlational study'/de OR 'follow up'/de OR cohort*:ti,ab,kw OR 'follow up':ti,ab,kw OR followup:ti,ab,kw OR longitudinal*:ti,ab,kw OR prospective*:ti,ab,kw OR retrospective*:ti,ab,kw OR observational*:ti,ab,kw OR 'cross sectional*':ti,ab,kw OR cross?ectional*:ti,ab,kw OR multicent*:ti,ab,kw OR 'multi-cent*':ti,ab,kw OR consecutive*:ti,ab,kw) AND (group:ti,ab,kw OR groups:ti,ab,kw OR subgroup*:ti,ab,kw OR versus:ti,ab,kw OR vs:ti,ab,kw OR compar*:ti,ab,kw OR 'odds ratio*':ab OR 'relative odds':ab OR 'risk ratio*':ab OR 'relative risk*':ab OR 'rate ratio':ab OR aor:ab OR arr:ab OR rrr:ab OR ((('or' OR 'rr') NEAR/6 ci):ab)))

13806297

#10

'major clinical study'/de OR 'clinical study'/de OR 'case control study'/de OR 'family study'/de OR 'longitudinal study'/de OR 'retrospective study'/de OR 'prospective study'/de OR 'comparative study'/de OR 'cohort analysis'/de OR ((cohort NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (('case control' NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (('follow up' NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (observational NEAR/1 (study OR studies)) OR ((epidemiologic NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti) OR (('cross sectional' NEAR/1 (study OR studies)):ab,ti)

6767914

#9

'clinical trial'/exp OR 'randomization'/exp OR 'single blind procedure'/exp OR 'double blind procedure'/exp OR 'crossover procedure'/exp OR 'placebo'/exp OR 'prospective study'/exp OR rct:ab,ti OR random*:ab,ti OR 'single blind':ab,ti OR 'randomised controlled trial':ab,ti OR 'randomized controlled trial'/exp OR placebo*:ab,ti

3302394

#8

#5 AND #7 SR

503

#7

#3 AND [1-1-2010]/sd NOT ('conference abstract'/it OR 'editorial'/it OR 'letter'/it OR 'note'/it) NOT (('animal'/exp OR 'animal experiment'/exp OR 'animal model'/exp) NOT 'human'/exp)

1281

#6

#4 AND #5

4718

#5

'meta analysis'/exp OR 'meta analysis (topic)'/exp OR metaanaly*:ti,ab OR 'meta analy*':ti,ab OR metanaly*:ti,ab OR 'systematic review'/de OR 'cochrane database of systematic reviews'/jt OR prisma:ti,ab OR prospero:ti,ab OR (((systemati* OR scoping OR umbrella OR 'structured literature') NEAR/3 (review* OR overview*)):ti,ab) OR ((systemic* NEAR/1 review*):ti,ab) OR (((systemati* OR literature OR database* OR 'data base*') NEAR/10 search*):ti,ab) OR (((structured OR comprehensive* OR systemic*) NEAR/3 search*):ti,ab) OR (((literature NEAR/3 review*):ti,ab) AND (search*:ti,ab OR database*:ti,ab OR 'data base*':ti,ab)) OR (('data extraction':ti,ab OR 'data source*':ti,ab) AND 'study selection':ti,ab) OR ('search strategy':ti,ab AND 'selection criteria':ti,ab) OR ('data source*':ti,ab AND 'data synthesis':ti,ab) OR medline:ab OR pubmed:ab OR embase:ab OR cochrane:ab OR (((critical OR rapid) NEAR/2 (review* OR overview* OR synthes*)):ti) OR ((((critical* OR rapid*) NEAR/3 (review* OR overview* OR synthes*)):ab) AND (search*:ab OR database*:ab OR 'data base*':ab)) OR metasynthes*:ti,ab OR 'meta synthes*':ti,ab OR narrative:ti,ab,kw OR review*:ti,ab,kw

3705535

#4

#2 AND [1-1-2015]/sd NOT ('conference abstract'/it OR 'editorial'/it OR 'letter'/it OR 'note'/it) NOT (('animal'/exp OR 'animal experiment'/exp OR 'animal model'/exp) NOT 'human'/exp)

202122

#3

#1 AND #2

4225

#2

'immunohistochemistry'/exp OR 'antigen staining':ti,ab,kw OR 'immunohisto*':ti,ab,kw OR 'immunostain*':ti,ab,kw OR ((immuno NEAR/2 (histo* OR stain*)):ti,ab,kw)

917672

#1

(((unknown OR undetermined OR unidentified OR undefined OR undifferentiat* OR uncertain OR 'no detectable') NEAR/6 (primar* OR origin*)):ti,ab,kw) AND ('cancer'/exp OR cancer*:ti,ab,kw OR neoplasm*:ti,ab,kw OR tumo*:ti,ab,kw OR carcinoma*:ti,ab,kw OR adeno*:ti,ab,kw OR metasta*:ti,ab,kw OR micrometasta*:ti,ab,kw OR malignan*:ti,ab,kw OR lymphoma*:ti,ab,kw OR sarcoma*:ti,ab,kw OR melanoma*:ti,ab,kw) OR 'cancer of unknown primary site'/exp OR ((occult NEAR/3 (cancer* OR neoplasm* OR tumo* OR carcinoma* OR adeno* OR metasta* OR micrometasta* OR malignan* OR lymphoma* OR sarcoma* OR melanoma*)):ti,ab,kw)

33362

Ovid/Medline

#

Searches

Results

14

12 not 11 not 10

276

13

11 not 10

56

12

5 and (8 or 9)

364

11

5 and 7

70

10

5 and 6 SR

191

9

Case-control Studies/ or clinical trial, phase ii/ or clinical trial, phase iii/ or clinical trial, phase iv/ or comparative study/ or control groups/ or controlled before-after studies/ or controlled clinical trial/ or double-blind method/ or historically controlled study/ or matched-pair analysis/ or single-blind method/ or (((control or controlled) adj6 (study or studies or trial)) or (compar* adj (study or studies)) or ((control or controlled) adj1 active) or "open label*" or ((double or two or three or multi or trial) adj (arm or arms)) or (allocat* adj10 (arm or arms)) or placebo* or "sham-control*" or ((single or double or triple or assessor) adj1 (blind* or masked)) or nonrandom* or "non-random*" or "quasi-experiment*" or "parallel group*" or "factorial trial" or "pretest posttest" or (phase adj5 (study or trial)) or (case* adj6 (matched or control*)) or (match* adj6 (pair or pairs or cohort* or control* or group* or healthy or age or sex or gender or patient* or subject* or participant*)) or (propensity adj6 (scor* or match*))).ti,ab,kf. or (confounding adj6 adjust*).ti,ab. or (versus or vs or compar*).ti. or ((exp cohort studies/ or epidemiologic studies/ or multicenter study/ or observational study/ or seroepidemiologic studies/ or (cohort* or 'follow up' or followup or longitudinal* or prospective* or retrospective* or observational* or multicent* or 'multi-cent*' or consecutive*).ti,ab,kf.) and ((group or groups or subgroup* or versus or vs or compar*).ti,ab,kf. or ('odds ratio*' or 'relative odds' or 'risk ratio*' or 'relative risk*' or aor or arr or rrr).ab. or (("OR" or "RR") adj6 CI).ab.))

5357587

8

Epidemiologic studies/ or case control studies/ or exp cohort studies/ or Controlled Before-After Studies/ or Case control.tw. or cohort.tw. or Cohort analy$.tw. or (Follow up adj (study or studies)).tw. or (observational adj (study or studies)).tw. or Longitudinal.tw. or Retrospective*.tw. or prospective*.tw. or consecutive*.tw. or Cross sectional.tw. or Cross-sectional studies/ or historically controlled study/ or interrupted time series analysis/ [Onder exp cohort studies vallen ook longitudinale, prospectieve en retrospectieve studies]

4365195

7

exp clinical trial/ or randomized controlled trial/ or exp clinical trials as topic/ or randomized controlled trials as topic/ or Random Allocation/ or Double-Blind Method/ or Single-Blind Method/ or (clinical trial, phase i or clinical trial, phase ii or clinical trial, phase iii or clinical trial, phase iv or controlled clinical trial or randomized controlled trial or multicenter study or clinical trial).pt. or random*.ti,ab. or (clinic* adj trial*).tw. or ((singl* or doubl* or treb* or tripl*) adj (blind$3 or mask$3)).tw. or Placebos/ or placebo*.tw.

2553963

6

meta-analysis/ or meta-analysis as topic/ or (metaanaly* or meta-analy* or metanaly*).ti,ab,kf. or systematic review/ or cochrane.jw. or (prisma or prospero).ti,ab,kf. or ((systemati* or scoping or umbrella or "structured literature") adj3 (review* or overview*)).ti,ab,kf. or (systemic* adj1 review*).ti,ab,kf. or ((systemati* or literature or database* or data-base*) adj10 search*).ti,ab,kf. or ((structured or comprehensive* or systemic*) adj3 search*).ti,ab,kf. or ((literature adj3 review*) and (search* or database* or data-base*)).ti,ab,kf. or (("data extraction" or "data source*") and "study selection").ti,ab,kf. or ("search strategy" and "selection criteria").ti,ab,kf. or ("data source*" and "data synthesis").ti,ab,kf. or (medline or pubmed or embase or cochrane).ab. or ((critical or rapid) adj2 (review* or overview* or synthes*)).ti. or (((critical* or rapid*) adj3 (review* or overview* or synthes*)) and (search* or database* or data-base*)).ab. or (metasynthes* or meta-synthes*).ti,ab,kf. or review.ti,ab,kf. or narrative.ti,ab,kf.

2316268

5

4 not ((exp animals/ or exp models, animal/) not humans/) not (letter/ or comment/ or editorial/)

1054

4

limit 3 to yr="2010 -Current"

1086

3

1 and 2

2333

2

exp Immunohistochemistry/ or antigen staining.ti,ab,kf. or immunohisto*.ti,ab,kf. or immunostain*.ti,ab,kf. or (immuno adj2 (histo* or stain*)).ti,ab,kf.

894254

1

(((unknown or undetermined or unidentified or undefined) adj2 (primar* or origin*)).ti,ab,kf. and (exp Neoplasms/ or cancer*.ti,ab,kf. or neoplasm*.ti,ab,kf. or tumo*.ti,ab,kf. or carcinoma*.ti,ab,kf. or adeno*.ti,ab,kf. or metasta*.ti,ab,kf. or micrometasta*.ti,ab,kf. or malignan*.ti,ab,kf. or lymphoma*.ti,ab,kf. or sarcoma*.ti,ab,kf. or melanoma*.ti,ab,kf.)) or (occult adj3 (cancer* or neoplasm* or tumo* or carcinoma* or adeno* or metasta* or micrometasta* or malignan* or lymphoma* or sarcoma* or melanoma*)).ti,ab,kf. or Neoplasms, Unknown Primary/

19537

Volgende:
Diagnostiek bij (geïsoleerde) halskliermetastasen