Leidraad Organisatie en werkwijze zorg voor patiënten met chronische pijn

Initiatief: NVA / VRA Aantal modules: 4

Organisatie van de chronische pijnzorg

Publicatiedatum: 12-02-2026
Beoordeeld op geldigheid: 12-02-2026

Uitgangsvraag

Hoe moet de zorg voor de patiënt met chronische pijn in Nederland worden georganiseerd voor wat betreft:

  1. verwijspatronen binnen het zorglandschap;
  2. een optimale samenwerking; en
  3. taken en verantwoordelijkheden van professionals voor wat betreft deze verwijspatronen en samenwerking? 

Aanbeveling

Voor alle zorgprofessionals

Beschouw iedere patiënt, waarbij de pijnklachten langer duren dan drie maanden en/of  langer dan verwacht, als een patiënt met chronische pijn.

 

Bied passende zorg op basis van de benodigde zorgzwaarte (zie ook de module op- en afschalingscriteria).

 

Wees voorzichtig met het doen van uitspraken buiten de eigen expertise teneinde discrepanties in boodschappen tussen zorgverleners te voorkomen.

 

De regiebehandelaar met betrekking tot de diagnostiek en behandeling van de pijnklachten waarborgt dat dit volgens het biopsychosociale model plaatsvindt, eventueel door advisering hierover aan de huisarts of verwijzing naar een andere zorgverlener.

 

Voor alle zorgprofessionals, met uitzondering van de huisarts

Informeer de huisarts over ingezette diagnostiek, indicatiestelling en behandelingen, waar nodig na toestemming van de patiënt. Betrek hiernaast de huisarts bij eventuele vervolgverwijzingen. Afhankelijk van functie: Volg daarbij de richtlijn HASP (medisch specialisten) HASP-paramedicus (paramedici), Informatie-uitwisseling huisarts-tweedelijns GGZ  (professionals binnen de tweedelijns-GGZ; wordt herzien) of de leidraad ‘Verwijzen door de bedrijfsarts’ (bedrijfsartsen).

 

Voor zorgprofessionals niet-gespecialiseerd in chronische pijn in de eerste lijn

Verwijs de patiënt met chronische pijn bij een  afwijkend beloop van de behandeling en/of zonder functionele verbetering naar een in chronische pijn gespecialiseerde zorgprofessional (zie ook de module op- en afschalingscriteria).

 

Voor regionale samenwerkingsorganisaties voor huisartsenzorg (zoals zorggroepen)

Ga na hoe de taken van de coördinator in de eerste lijn het beste kunnen worden ingevuld (zie ook de module ‘Versterking eerste lijn’) en faciliteer dat deze taken worden opgepakt (zie tabel 1.2 Mogelijke taken van de coördinator (organiserend en faciliterend van aard; met de benodigde kennis van netwerk en chronische pijn)).

 

Inventariseer en maak inzichtelijk welke verwijsmogelijkheden er zijn voor patiënten met chronische pijn in de regio (sociale kaart[1]).

[1] Sociale kaart is een gebruikelijk begrip in de huisartsgeneeskunde.

 

Voor huisartsen

Volg de richtlijnen HASP, HASP-paramedicus en Informatie-uitwisseling huisarts-tweedelijns GGZ.

 

Voor zorgprofessionals werkzaam in chronische pijn

Participeer, indien aanwezig, in een regionaal (of lokaal) transmuraal samenwerkingsverband voor chronische pijn van meer complexe aard (zie ook de onderstaande aanbevelingen voor de tweede lijn).

 

Bespreek patiënten in ieder geval zodra er sprake is van een afwijkend beloop van de behandeling en/of van risicofactoren voor chroniciteit of herstel belemmerende factoren, maar ook voor elk ander probleem in de pijnzorg in dit samenwerkingsverband.

 

Wees daarbij beschikbaar voor vragen van overige zorgprofessionals.

 

Voor zorgprofessionals betrokken bij de zorg aan chronische pijnpatiënten in de tweede- en derde lijn

Leg binnen de instelling vast:

  • wie de coördinator(-en) is of zijn en welke van de taken door de coördinator(en) worden opgepakt (zie tabel 1.2). Deze taken omvatten ook het initiëren en/of onderhouden van een regionaal samenwerkingsverband/netwerk;
  • dat de zorgcoördinator in het regionetwerk werkzaam is in een multidisciplinair centrum waar:
    • medisch specialistische interdisciplinaire pijnzorg wordt gegeven;
    • aantoonbaar een multidisciplinaire structuur gehanteerd wordt;
    • het centrum is verantwoordelijk voor de organisatie van een 24/7 bereikbaarheidsdienst voor acute vragen binnen het netwerk;
    • wordt deelgenomen aan de kwaliteitsvisitatiecyclus van de beroepsvereniging;
    • gegevens worden geregistreerd in een kwaliteitsregistratiesysteem en aangeleverd voor vergelijking in een landelijke benchmark;
    • de taken zoals beschreven in tabel 1.2 kunnen worden uitgevoerd;
  • wie de functie van regiebehandelaar*, ** bekleedt;
  • wat de afspraken zijn over aanwezigheid en beschikbaarheid van de coördinator en regiebehandelaar.

* voor de GGZ de coördinerende regiebehandelaar

** zie voor de taken van de regiebehandelaar tabel 1.3 Verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar

Overwegingen

1. Gebruikte methodiek

Het is pas mogelijk om te komen tot een complete set van relevante adviezen voor de organisatie en werkwijze van de pijnzorg, als er een zo compleet mogelijk beeld is van het veld en de mogelijke problemen die spelen. De werkgroep heeft er daarom voor gekozen om eerst het huidige zorgveld met verwijspatronen in kaart te brengen. Het resultaat is een schematische weergave van de zorg voor patiënten met chronische pijn (zie bijlage Huidige patient journey), toelichting in onderstaande paragraaf). Hoewel er uiteraard verschil kan zijn in de specialismen die betrokken zijn bij de patiënt, er sprake kan zijn van regionale verschillen en van variatie in het aantal betrokken zorgprofessionals, is de verwachting van de werkgroep dat de schematische weergave voor het grootste gedeelte van patiënten met chronische pijn voldoet. Ter verdieping van de brainstormsessies in de werkgroep zijn zorgpaden uitgewerkt die beschrijven en visueel weergeven welk traject de patiënt doorloopt wanneer er sprake is van (een vermoeden van) chronische pijn. Hiervoor werden vijf werksessies georganiseerd; vier met verschillende lokale samenwerkingsverbanden van zorgaanbieders voor chronische pijn (regio’s Maastricht, Sneek, Eindhoven en Zwolle) en een focusgroep met alleen patiënten. De zorgpaden voor drie typen chronische pijn zijn schematisch uitgewerkt, de inbreng van de patiënten is hierin verwerkt:

Naast het in kaart brengen van het huidige zorgveld en uitwerken van de zorgpaden werden beïnvloedende factoren voor het doorlopen van de zorgpaden geïnventariseerd, en werden mogelijke oplossingsrichtingen om de beïnvloedende factoren in bevorderende zin om te buigen in het vernieuwde zorgpad besproken.

De werkgroep heeft op basis van deze informatie de knelpunten geformuleerd en aanbevelingen opgesteld om deze knelpunten te ondervangen. Er is hieruit een ideaal generiek zorgpad chronische pijn ontwikkeld, welke tevens specifiek is uitgewerkt voor lage rugklachten.

 

2. Beschrijving huidige zorglandschap

Het overkoepelende uitgangspunt van de gezondheidszorg is dat patiënten maximaal eigen regie hebben met minimale hulp van zorgprofessionals. Binnen de behandelrelaties onderzoeken zorgprofessionals samen met patiënten wat zij zelf kunnen doen en waar zorg nodig is. In de schematische weergave (bijlage Huidige patient journey) staan zowel de formele als informele hulpbronnen die gebruikt of geraadpleegd kunnen worden door patiënten. De schematische weergave wordt hieronder toegelicht.

*Second opinions zijn niet opgenomen in de figuur, maar uiteraard wel mogelijk. Het schema is niet uitputtend van aard.

 ** Onder patiëntenverenigingen wordt patiëntenorganisatie verstaan.

***Met escalatie en de-escalatie worden op- en afschaling bedoelt.

 

Figuur 1.1 Huidige patient journey
GGZ: geestelijk gezondheidszorg, MSR: medisch specialistische revalidatie, WMO: wet maatschappelijke ondersteuning.

 

Als de patiënt de weergave van links naar rechts doorloopt (roze pijlen), dan neemt de zorgzwaarte toe (opschaling). Als de patiënt de figuur van rechts naar links doorloopt (groene pijlen), dan neemt de zorgzwaarte af (afschaling). De zwarte pijlen betekenen verwijzingen binnen dezelfde lijn. De zwarte gestreepte lijn betekent dat patiënt de zorg verlaat.

 

Met de hulpbron ‘complementaire zorg’ bedoelen we: 1. zorg die naast een behandeling in de eerste t/m de derde lijn gegeven kan worden; en/of 2. zorg die, losstaand van andere zorgprofessionals, door patiënten geraadpleegd kan worden. Voorbeelden hiervan zijn yoga-instructeurs en jobcoaches.

 

Met de hulpbron ‘internet’ bedoelen we alle informatie die op het internet over chronische pijn en de gevolgen ervan te vinden is. Een gedeelte hoort bij de 0de lijn gezondheidszorg, zoals Thuisarts.nl. Onder de hulpbron ‘overig’ vallen alle professionals die patiënten met chronische pijn begeleiden tot zelfmanagement op een specifiek deelgebied buiten de gezondheidszorg en die niet specifiek vermeld zijn in de weergave. Een voorbeeld hiervan zijn juristen in het kader van letselschade of arbeidsproblematiek.

 

3. Knelpunten in huidig zorglandschap

In het huidige zorglandschap worden een aantal knelpunten ervaren, welke zijn onder te verdelen in verschillende thema’s en niveaus (tabel 1.1; op basis van Grol & Wensing, 2004). Deze worden in onderstaande paragrafen beschreven. Het eerste ‘knelpunt’ is geen knelpunt maar innovatie volgens Grol & Wensink en betreft ‘de gewenste situatie’ zoals beschreven in deze Leidraad. Daarom is dit niet opgenomen in tabel 1.1.

 

Tabel 1.1 Thema’s en niveaus binnen de knelpunten 

A. Individuele zorgverleners

B. Patiënten

C. Sociale context

D. Organisatorische context

E. Economische en politieke context

Expertise (kennis en kunde)

 

Focus en affiniteit (houding)

 

Ervaren (werk)druk

Kennis

 

Assertiviteit

 

Communicatieve vaardigheden

 

Gezondheidsvaardigheden (health literacy)

 

Zelfmanagement

 

Sociaal Economische Status (SES)

 

Arbeid

Cultuur binnen netwerk

 

Samenwerking (integrale multidisciplinaire aanpak en coördinatie)

Wachttijd

 

Personeel en capaciteit

 

Meetinstrumenten/screeningtools

 

Stepped/matched care

 

Financiering

 

Zorgsysteem

 

 

 

3.1              Toelichting knelpunten

A. Knelpunten van individuele zorgverleners

Expertise:

  • Er is bij veel zorgprofessionals gebrek aan inhoudelijke kennis over chronische pijn doordat er in de curricula weinig aandacht is voor chronische pijn.

Er is een groep zorgprofessionals die onvoldoende geschoold is maar toch (soms langdurig) patiënten met chronische pijn niet volgens de richtlijnen behandelt. De problematiek kan hierdoor complexer worden.

  • Er is geen structurele financiering voor ‘extra’ scholing. Scholing wordt regelmatig gefinancierd door de industrie, waardoor de onafhankelijkheid van de informatie in het geding kan komen.
  • Er wordt nog onvoldoende gebruik gemaakt van het biopsychosociale model. Zorgprofessionals zouden volgens de huidige standaarden en richtlijnen in hun diagnostiek bij de patiënt met chronische pijn het biopsychosociale model moeten gebruiken (zie bijvoorbeeld De Jong, 2018; Dutch Pain Society en Vereniging Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem, 2017), ongeacht de (specifieke) hulpvraag of keuze van de patiënt voor een specifieke zorgprofessional. Deze brede inventarisatie wordt echter niet standaard door alle zorgprofessionals uitgevoerd (Sitnikova, 2019, Houwen, 2019, Hallegraeff, 2019, Verwoerd, 2021, Cowell, 2018). Belemmerende factoren die hierin een rol kunnen spelen zijn: tijdgebrek tijdens het consult, ongemak of onvermogen bij zorgprofessionals om psychosociale onderwerpen bij chronische pijn aan te snijden, de voornamelijk unimodale focus in de opleidingen van zorgprofessionals alsmede een monodisciplinaire aanpak van zorgprofessionals (Kromme, 2018, Pincus, 2013, Ring, 2004, Salmon, 2004).

Focus en affiniteit:

  • Er is een spanningsveld tussen specialistisch en holistisch denken. Men heeft veelal een focus op het eigen terrein. Daarnaast worden te ‘boude’ uitspraken over andere expertise niet gewaardeerd (bijvoorbeeld een onjuiste visie over andere discipline).
  • De affiniteit met chronische pijn van de zorgprofessional is bepalend of er daadwerkelijk volgens het biopsychosociale model gehandeld wordt. Bij bijeenkomsten voor kennisuitwisseling en onderwijs over (chronische) pijn komen weinig zorgprofessionals opdagen. Factoren die meespelen naast affiniteit zijn geen accreditatie en tijdgebrek.

 Ervaren (werk)druk:

  • Zorgverleners ervaren (werk)druk waardoor er minder ruimte is om extra verrichtingen te doen zoals aansluiten bij een netwerk. Dit ondanks de bijkomende ervaren behoefte om zich wel bij netwerken aan te sluiten, om zo bepaalde patiëntengroepen aan zich te kunnen binden.

B. Knelpunten van patiënten

Kennis:

  • Het is vaak onvoldoende snel duidelijk in welke mate somatische, psychologische, sociale, existentiële en maatschappelijke dimensies van invloed zijn op chronische pijn en kwaliteit van leven van patiënten en van een specifieke patiënt. Hierdoor is het voor patiënten een lange zoektocht naar de juiste diagnose, behandeling en behandelaar(s). Patiënten bezoeken veel individuele zorgverleners (zoals een huisarts, bedrijfsarts, fysio/oefentherapeut, ergotherapeut, neuroloog, orthopeed, neurochirurg, orgaanspecialist, BIG-geregistreerde psycholoog[1], revalidatiearts en een anesthesioloog-pijnspecialist).
  • Het stellen van een multidimensionale diagnose, het formuleren van een (multidisciplinaire) indicatiestelling en het inzetten van een passende behandeling duren vaak te lang en brengen onnodig veel lijden (en kosten) met zich mee.
  • Patiënten hebben te weinig kennis over chronische pijn en bij welke zorgverleners ze het best terecht kunnen.

[1] GZ-psycholoog of K(N)P-psycholoog 

 

Assertiviteit:

  • Assertiviteit van de patiënt is heel belangrijk in het regelen van zorg; zelf verwoorden van de pijn en de gevolgen ervan, zelf  (vervolg)onderzoek verzoeken, zelfeducatie door onder andere patiëntenverenigingen, lotgenotencontact en zelfmanagementboeken, zelf uitzoeken welke zorgverlener passend zou kunnen zijn (bijvoorbeeld hydro/ fysiotherapie).

 Communicatieve vaardigheden:

  • Patiënten ervaren problemen in hun communicatie naar artsen toe en hebben behoefte aan ondersteuning in het  aangaan van de dialoog met artsen, zoals bijvoorbeeld leren formuleren van eigen behoeften.

 Gezondheidsvaardigheden (health literacy):

  • Gezondheidsvaardigheden zijn de vaardigheden van individuen om informatie over gezondheid te verkrijgen, te begrijpen, te beoordelen en te gebruiken bij het nemen van gezondheid gerelateerde beslissingen’ (Heijmans, Brabers, & Rademakers, 2018). Eén op de 3 Nederlanders heeft beperkte gezondheidsvaardigheden. Het percentage bij patiënten met chronische pijn is hoger, waarbij dit in academisch pijncentra kan oplopen tot 54% (Mackey, 2019).

 Zelfmanagement:

  • Patiënten hebben onvoldoende regie over eigen zorg. Zeker als er ook nog sprake is van comorbiditeit of multimorbiditeit, waarmee patiënten op oudere leeftijd toenemend mee te maken krijgen. Er is hierbij ook geen adequate mogelijkheid tot regieondersteuning.

Sociaal Economische Status (SES):

  • De sociaal economische status (SES) en mobiliteit van patiënten zijn belangrijke factoren in de toegang tot zorg. Kennis van mogelijkheden via bijvoorbeeld het WMO is er niet altijd (of is ook niet mogelijk). Een ander voorbeeld is dat passende zorg te veel op afstand is en vervoer te duur is en/of niet vergoed wordt
  • De economische en sociale ondersteuning van patiënten zijn belangrijke beïnvloedende factoren voor hoe de patiënt het zorgproces doorloopt. Maatschappelijk werk zou hierin een ondersteunende rol kunnen spelen.

Arbeid:

  • Procedures rondom arbeid(songeschiktheid) en UWV leveren stress en onzekerheid op.

C. Knelpunten in de sociale context

Cultuur binnen netwerk van zorgverleners:

  • Het bestendigen van initiatieven om netwerken te vormen is een uitdaging. Het verwatert ook steeds weer. De ons-kent-ons- contacten zijn het meest bestendig.

Samenwerking (integrale multidisciplinaire aanpak en coördinatie):

  • Er is een gebrek aan afstemming en communicatie tussen zorgprofessionals. Dit geldt door alle lijnen heen, maar ook binnen de lijnen; ook de afstemming tussen de bedrijfs- of verzekeringsarts en andere zorgprofessionals is soms onvoldoende.
  • Zorgverleners hebben onvoldoende toegang tot elkaars documentatie door gebruik van verschillende zorginformatiesystemen (bijvoorbeeld ZorgDomein of Huisarts Informatie Systeem (HIS)). Dit betreft zowel de communicatie tussen disciplines als ook binnen één discipline.
  • Er is een gebrek aan (het nakomen van) werkafspraken over informatieoverdracht (bijvoorbeeld ten aanzien van verstrekte informatie in doorverwijzingen).
  • Door de onvoldoende afstemming/informatie-uitwisseling kunnen tegenstrijdige diagnoses en adviezen worden gegeven aan patiënten, kunnen interventies elkaar doorkruisen en/of blijft effectieve behandeling uit.
  • Er is onvoldoende bekendheid bij zorgprofessionals over de verwijsmogelijkheden en expertises van andere disciplines in de regio (bijvoorbeeld aanwezigheid van (psychosomatische) fysio-/oefentherapeuten). Er is ook geen centraal aanspreekpunt voor vragen over verwijzing en triage in de regio, maar vaak wel binnen instellingen.
    • Zorgverleners sturen patiënten door naar zorgverleners/praktijken waar ze bekend mee zijn (zo genaamde ‘warme contacten’/ korte lijntjes). Trial-and-error: bij minder succesvolle doorverwijzing komen patiënten vaker terug en/of raken patiënten en zorgprofessionals gedemoraliseerd.
  • In de huidige situatie focussen specialisten vaak nog te veel op hun eigen gebied van expertise, en een gezamenlijke aanpak ontbreekt. Omdat chronische pijn een multidimensionale impact heeft op het leven van patiënten,  levert een unidimensionale benadering echter geen optimale uitkomsten.
  • Psychosociale zorg wordt onvoldoende ingezet in de zorg voor patiënten met somatische ziekte (LVMP, 2019). Dit is in tegenspraak met de Kwaliteitsstandaard Psychosociale zorg bij somatische ziekte (2019). Deze kwaliteitsstandaard beschrijft dat de inzet van psychosociale zorg bijdraagt aan betere uitkomsten van medisch-specialistisch handelen enerzijds en kostenbesparende effecten op de somatische zorg heeft anderzijds. De morbiditeit daalt. Daarnaast verhoogt psychosociale zorg de kwaliteit van leven en maatschappelijke participatie van mensen met een somatische aandoening, bevordert het arbeids(re)integratie en voorkomt het psychische comorbiditeit en medische onder- en overconsumptie’. Knelpunten bij het inzetten van psychosociale zorg is het gemis van geoormerkte budgetten voor psychosociale zorg bij somatische aandoeningen, negatieve beeldvorming over psychosociale zorg bij patiënten en in de maatschappij en ongemak en incompetentiegevoelens bij artsen om psychosociale onderwerpen te bespreken.

D. Knelpunten in de organisatorische context

Wachttijd:

  • Binnen de chronische pijnzorg wordt de Treeknorm vaak niet gehaald. Langere wachttijden kunnen angst en afname van functioneren veroorzaken (Liddy, 2017). Uit  ander onderzoek blijkt ook dat wachttijden kunnen leiden tot een significante afname van kwaliteit van leven, psychologisch welbevinden en langdurig ziekteverzuim (Liddy, 2017; Burke, 2020; Lynch, 2008). Het kantelpunt is niet duidelijk, maar een wachttijd van meer dan zes maanden wordt medisch gezien onacceptabel geacht en leidt tot significante hogere zorg- en verzuimkosten (Lynch, 2008).
  • Door het ontstaan van langere wachttijden (bijvoorbeeld in de GGZ) kunnen patiënten met zeer complexe chronische pijn onvoldoende snel op de juiste plek worden behandeld en vindt verschuiving binnen de pijnzorg plaats (bijvoorbeeld naar duurdere pijnzorg zoals de MSR).

Personeel en capaciteit:

Binnen de chronische pijnzorg is er een tekort aan zorgverleners met expertise op het gebied van chronische pijn. Dit geldt voor verschillende typen zorgverleners. Een specifiek voorbeeld is het tekort aan in BIG-geregistreerde psychologen met een expertise in pijn in zowel 1ste, 2de en 3de lijn. Door inkrimping van de GGZ moeten patiënten doorstromen naar MSR of blijven onnodig lang bij de POH-GGZ onder begeleiding, die dit beperkt kunnen opvangen. De toegankelijkheid van zorg komt daarmee in het geding en patiënten met zeer complexe problematiek vallen tussen wal en schip.

 

Meetinstrumenten/screeningtools:

Er is een gebrek aan afstemming omtrent een eenduidig keuze van en handelwijze rondom de toepassing van meetinstrumenten. Zo worden er bijvoorbeeld verschillende vragenlijsten gebruikt om hetzelfde psychologische fenomeen in kaart te brengen.  Ook worden de resultaten van de vragenlijsten dikwijls niet verwerkt, in het behandelplan meegenomen, dan wel met de patiënt besproken. Het is voor patiënt vaak onduidelijk waarom het invullen van vragenlijsten wordt gevraagd.

 

Stepped/matched care

Er zijn verschillende definities voor stepped care. Het stepped care model biedt mogelijkheden voor juiste zorg op de juiste plaats. Op indicatie (afhankelijk van de complexiteit van de pijnproblematiek) kan de patiënt direct naar de juiste zorg op de juiste plek verwezen worden. Dit wordt ook wel matched care in plaats van stepped care genoemd. Echter stepped care wordt vaak geïnterpreteerd dat er sprake is van een vaste volgorde, waarin aan een opbouw van 0-de naar 1e en 2e/3e lijn wordt vastgehouden, waar dit niet zinvol is of effectief is.

 

E. Knelpunten in economische en politieke context

Financiering:

  • De financiering van de huidige zorg voor patiënten met chronische pijn kenmerkt zich door een duidelijke scheiding van budgetten. De verschillende budgetten kennen eigen regels en afspraken, die de toepassing en integratie van verschillende vormen van zorg hinderen.  
  • Er is onvoldoende financiering voor taken die de samenwerking bevorderen zoals  netwerkbijeenkomsten en MDO’s.
  • De benodigde zorg wordt lang niet altijd vergoed. Patiënten moeten aanvullend verzekerd zijn en/of een chronische indicatie hebben voor sommige zorg. Daarnaast is het aantal behandelingen, dat vergoed wordt, vaak snel “op”. Hierdoor kan niet optimaal behandeld worden en zijn zorgprofessionals genoodzaakt wordt meer te spreiden of gratis te behandelen.
  • Het financieringsmodel van zorg is te veel gefocust op productie in plaats op resultaat.

Zorgsysteem:

  • Er zijn schotten tussen de somatische, geestelijke, medisch-psychologische, maatschappelijke en arbeids-gerelateerde gezondheidszorg die combinatiebehandelingen belemmeren. Debet hieraan zijn inhoudelijke (zoals gebrek aan inzicht in elkaars mogelijkheden) en organisatorische (zoals financiële, juridische en soms privacy gerelateerde) drempels in de zorg (zie ook paragraaf ‘Wijze van financiering’). Het dualistische soma-psyche model wordt hierdoor mede in stand gehouden met als gevolg dat chronische pijn ofwel biomedisch ofwel psychosociaal gediagnosticeerd, verklaard en behandeld wordt en niet conform het biopsychosociale model.
  • Het gebruik van verschillende classificatiesystemen in de pijnzorg, zoals de ICD-10, ICPC, DSM-5 leidt tot verschillende vormen van financiering die  de samenwerking in de pijnzorg bemoeilijkt. Overigens moet de ICD-11 classificatie landelijk nog worden ingevoerd.

3.2              Knelpunten specifiek in de eerstelijnszorg

A. Knelpunten individuele zorgverleners

Expertise:

  • Door de directe toegankelijkheid van paramedische zorgverleners (zonder tussenkomst van een huisarts) bestaat het risico dat de patiënt terecht komt bij een behandelaar die niet specifiek deskundig is in de biopsychosociale diagnostiek en behandeling van chronische pijn. Hierdoor is er een risico dat de chronische pijn onvoldoende worden herkend en de patiënt niet adequaat wordt gediagnosticeerd, behandeld en/of verwezen.

C. Knelpunten in de sociale context

Samenwerking:

  • De huisarts is – als gevolg van onvoldoende coördinatie, ruimte en tijd,  en door privacy-issues – regelmatig onvoldoende geïnformeerd over alle diagnostische en behandeltrajecten en over welke zorgprofessionals betrokken zijn bij de patiënten met chronische pijn. Paramedici, BIG-geregistreerde psychologen, psychiaters en overige eerstelijns professionals die zorg leveren buiten de huisartsenpraktijk zijn verantwoordelijk voor hun eigen behandeling.
  • Er wordt tussen zorgverleners, bijvoorbeeld tussen fysiotherapeuten, beperkt contact gezocht met elkaar. Er heerst angst om patiënten kwijt te raken en er zijn kennishiaten over welke professional welke kennis/kunde heeft.
  • Het is onder de zorgverleners onvoldoende inzichtelijk/bekend welke eerstelijnszorgverleners geschoold zijn op gebied van chronische pijn.
  • Een multidisciplinaire samenwerking in de eerste lijn (inclusief MDO) lukt onvoldoende vanwege het ontbreken van een geformaliseerde samenwerking en financiële vergoeding. Gezien bovenstaande is er op dit moment in de eerste lijn geen zorgprofessional die structureel en op regionaal niveau de coördinatie van multidisciplinaire diagnostiek, indicatiestelling en behandeling als rol en verantwoordelijkheid op zich kan nemen. 

D. Knelpunten in de organisatorische context

Personeel en capaciteit:

  • Naast een tekort aan geschoolde eerstelijnszorgverleners is er ook een tekort aan bedrijfs- en verzekeringsartsen in Nederland. Veel patiënten hebben ook geen (toegang tot een) bedrijfsarts.

Meetinstrumenten/screeningtools:

  • In tegenstelling tot de 2e lijn is het in de huisartsenpraktijk niet gebruikelijk gebruik te maken van een standaardvragenlijst, screeningstool of meetinstrumenten, zoals de CSI. De NHG standaard adviseert huisartsen gebruik te maken van SCEGS.

E. Knelpunten in de economische en politieke context

Financiering:

  • Door de manier van financiering van de paramedische en een specifiek gedeelte van de psychologische zorg is er een risico dat er keuzes worden gemaakt op basis van de (on)mogelijkheden die de verzekering biedt en niet wat de patiënt aan noodzakelijke zorg nodig heeft. Voor bijvoorbeeld fysiotherapie en oefentherapie moeten patiënten met chronische pijn aanspraak maken op hun aanvullende verzekering. De hoogte van de vergoeding is afhankelijk van de verzekering van de patiënt en wisselt daarom sterk per patiënt. Ook de hoogte van het eigen risico speelt hierin mee. Een beperkte patiëntengroep met chronische pijn kan aanspraak maken op een chronische indicatie. Dit houdt in vergoeding vanuit de basisverzekering, voor fysio- en oefentherapie vanaf de 21ste sessie. Ergotherapie wordt voor 10 behandeluren vergoed uit de basisverzekering. Er kan na deze 10 uur geen extra vergoeding vanuit een chronische indicatie worden verkregen.
  • Bij patiënten waarbij de DSM-5 classificatie ‘psychische factoren die somatische aandoeningen beïnvloeden’ is vastgesteld, wordt de psychologische behandeling niet vergoed. Dit omdat de eindverantwoordelijkheid voor deze zorg bepalend is voor wie de zorg kan declareren. Hierdoor is er sprake van terughoudendheid voor het starten van een psychologische behandeling bij chronische pijn zowel bij patiënten als bij zorgprofessionals. Wie de eindverantwoordelijkheid draagt voor het zorgtraject bepaalt uiteindelijk wie mag declareren.

Zorgsysteem:

Artsen in de eerste lijn kunnen patiënten verwijzen naar artsen in de tweede lijn en naar de GGZ. Echter, artsen in de eerste lijn kunnen in het algemeen niet direct verwijzen naar de BIG-geregistreerde psychologen in een algemeen of academisch ziekenhuis. Dit is met name een knelpunt voor patiënten die niet verwezen willen worden naar de GGZ en/of als er gespecialiseerde kennis van de somatiek nodig is om een adequate psychodiagnostiek, indicatiestelling en behandeling te kunnen inzetten. Gespecialiseerde kennis van de somatiek is voldoende aanwezig bij de BIG-geregistreerde psychologen werkzaam in het ziekenhuis en vaak minder beschikbaar in de GGZ vanwege hun verschil in specialisatie. Toenemende discrepantie tussen vraag en aanbod van GGZ-capaciteit leidt tot lange wachttijden.

Voor een verwijzing naar medisch-psychologisch zorg moet meestal eerst verwezen worden naar een medisch specialist, die vervolgens verwijst naar de medisch-psychologische zorg. Patiënten doorlopen hierdoor meestal aanvullende tussenstappen, voordat ze medisch-psychologische zorg in het ziekenhuis krijgen. Dit, terwijl er aanwijzingen uit een pilotstudie zijn dat directe verwijzing door de huisarts naar medisch-psychologische zorg in het ziekenhuis kosteneffectief kan zijn (Schuitemaker, Busch, Bakker, & Felix, 2019) wanneer er behoefte is aan meer gespecialiseerde expertise. Dit behoeft nader onderzoek.

 

3.3              Knelpunten specifiek in de tweedelijns- en derdelijnszorg

C. Knelpunten in de sociale context

Samenwerking:

  • Het is de ervaring van de werkgroep dat er nog te weinig gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid om tijdig af te schalen na diagnostiek en/of behandeling in de tweede of derde lijn.
  • Er is onvoldoende afstemming bij onderlinge verwijzingen. Huisartsen worden onvoldoende geïnformeerd over/betrokken bij directe verwijzingen tussen medisch specialisten. Hierdoor ontstaat het risico op herhaalde verwijzingen en kan onnodige vertraging in het diagnostisch en/of therapeutisch proces optreden, dan wel doublures in deze, leidend tot ondoelmatige zorg.
  • Locoregionale multispecialistische/-disciplinaire overleggen over diagnostiek, indicatiestelling, behandeling en coördinatie van pijnzorg binnen, tussen en met de tweede- en derde lijn zijn veelal niet of beperkt mogelijk.
  • Patiënten krijgen in de 2e en 3e lijn regelmatig opnieuw dezelfde behandelingen die in andere klinieken niet tot voldoende pijnreductie en/of verbetering in het algeheel functioneren hebben geleid. Debet hieraan is onder andere onvoldoende inbedding van biopsychosociale benadering en een tekort aan overleg of communicatie tussen zorgverleners in deze lijnen.

4. Gewenste aanpassingen op het gebied van de organisatie van zorg

De knelpunten in de zorg vragen om veranderingen in de organisatie van zorg. De strikte scheiding van de diverse ‘lijnen’ en de onderverdeling naar soma, psyche, sociaal, maatschappelijk en arbeid in de opleidingen en zorg (inhoud, logistiek, financiering) vormen hierbij een hindernis. Patiënten zijn gebaat bij diagnostiek, indicatiestelling en behandeling volgens het biopsychosociale model, zoveel mogelijk in de regio van de patiënt. Om de zorg (kosten)effectiever te organiseren geldt ook hier: ‘de juiste zorg op de juiste plek’.

 

De analyse van de huidige situatie toont aan dat er knelpunten van zorggebruik liggen in verschillende thema’s en op verschillende niveaus, die onderling met elkaar verweven zijn. De werkgroep heeft de gewenste aanpassingen op het gebied van de organisatie van de pijnzorg en verwijspatronen in kaart gebracht. Het doel is dat patiënten met chronische pijn kunnen rekenen op de juiste zorg, op het juiste moment, op de juiste plaats door goede samenwerking en afstemming tussen de zorgprofessionals. Dit voorkomt onnodig leed en ondoelmatige zorg. De gewenste situatie wordt schematisch weergegeven via een generiek zorgpad chronische pijn in figuur 1.1. In de weergave van het gewenste zorgpad voor patiënten met chronische lage rugklachten (figuur 1.2) zijn op basis van de werksessies specifieke aanpassingen gemaakt. Gewenste aanpassingen en toelichting daarop zijn beschreven in onderstaande paragrafen.

 

 Figuur 1.1 Voorbeeld van een regionale uitwerking van een generiek zorgpad chronische pijn[2]

[2]De systematiek van 1e-2e-3e lijn is in deze figuur aangehouden, maar bij 2e en 3e lijns-centra is vooral van belang dat bij de opschaling wordt gekeken of er daadwerkelijk opgeschaald wordt van meer monodisciplinaire naar multi-, of bij voorkeur, interdisciplinaire zorg en/of er specifieke (elders niet beschikbare) expertise wordt geboden.

 

Figuur 1.2 Voorbeeld van een regionale uitwerking van een zorgpad lage rugklachten[3]

[3]Bij de voorbereiding van de Leidraad organisatie en werkwijze bij patiënten met chronische pijn is afgesproken dat aandacht wordt gegeven aan de lage rugklachten. Aanleiding is dat de ketenrichtlijn rugklachten herzien moest worden, maar bij nader inzien beter aandacht kon krijgen in de Leidraad gezien te verwachten overeenkomsten.

 

4.1              Gewenste algemene aanpassingen

Verbeteringen in definities en communicatie:

  • De definitie van chronische pijn zoals omschreven op de startpagina dient beter te worden gehanteerd.
  • De classificatiesystemen die gebruikt worden voor classificaties en declaraties moeten eenduidig en actueel zijn, zoals bijvoorbeeld de International Classification of Diseases for Mortality and Morbidity Statistics. Eleventh revision (ICD-11; World Health Organization, 2020) of International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) model (WHO, 2001).
  • De interpretatie van stepped care is niet eenduidig en belemmert soms dat patiënten juiste zorg op de juiste plaats ontvangen. Matched care is eenduidig te interpreteren en bevordert dat patiënten zo spoedig mogelijk de zorg krijgen die zij nodig hebben. Daarom raden we aan om de term stepped care te vervangen door matched care.
  • Het is belangrijk dat de verschillende zorgverleners dezelfde taal spreken waarbij het gebruik van nocebo’s wordt vermeden.

Verbeteringen in scholing:

  •  Onderwijs over chronische pijn moet substantieel opgenomen zijn in de basis curricula van alle zorgprofessionals, zodat zorgprofessionals chronische pijn herkennen en erkennen en patiënten op adequate wijze te kunnen diagnosticeren, behandelen en zo nodig verwijzen naar optimalere zorg.
  • Patiënten met chronische pijn worden idealiter gediagnosticeerd en begeleid/behandeld door zorgprofessionals die zich gespecialiseerd hebben/zich toegelegd hebben op het gebied van chronische pijn. Zorgprofessionals die patiënten met chronische pijn behandelen, zouden hiernaast een specifieke scholing moeten hebben om nog beter minimaal multidisciplinaire zorg maar bij voorkeur interdisciplinaire zorg[4] te kunnen verlenen én, wellicht door een specifieke aantekening, meer vindbaar voor patiënten en andere zorgprofessionals moeten zijn. Een voorbeeld hiervan wordt binnen de EFIC gegeven, alwaar specifieke curricula zijn ontwikkeld voor artsen, fysiotherapeuten, psychologen en verpleegkundigen. Via de EFIC kan een Europees diploma pijn behaald worden door artsen, fysio’s, psychologen en verpleegkundigen en daarmee hun kennis en vaardigheden aantonen.
  • Scholing over en implementatie van het biopsychosociale model is noodzakelijk, met name voor zorgprofessionals waarbij dit nog niet is opgenomen in de basis curricula. Scholing kan worden verzorgd door zorgprofessionals met kennis en ervaring in de pijnzorg en in het geven van onderwijs (het liefst in de regio).
  • Er is behoefte aan landelijke patiënten educatie over chronische pijn (eventueel via thuisarts.nl).

[4] IASP (https://www.iasp-pain.org/resources/terminology/#):

  • Multidisciplinary treatment: multimodal treatment provided by practitioners from different disciplines. For example: the prescription of an anti-depressant by a physician alongside exercise treatment from a physiotherapist, and cognitive behavioral treatment by a psychologist, all the professions working separately with their own therapeutic aim for the patient and not necessarily communicating with each other.
  • Interdisciplinary treatment: Multimodal treatment provided by a multidisciplinary team collaborating in assessment and treatment using a shared biopsychosocial model and goals. For example: the prescription of an anti-depressant by a physician alongside exercise treatment from a physiotherapist, and cognitive behavioral treatment by a psychologist, all working closely together with regular team meetings (face to face or online), agreement on diagnosis, therapeutic aims and plans for treatment and review.

Verbeteringen in regie en coördinatie tussen zorgverleners:

  • Het instellen van (een) coördinator(en) die over de lijnen heen werkt/werken.
    • Het is aan de lokale professionals om te bepalen:
      • wie de rol van de coördinator het beste op zich kan nemen;
      • of er één coördinator is die over de lijnen heen werkt of meer, of dat er bijvoorbeeld één coördinator is per eerste, tweede en derde lijn, die onderling samenwerken.
    • De werkgroep stelt voor dat de coördinator in ieder geval
      • minimaal is opgeleid in alle componenten zoals beschreven in het Interprofessioneel Pijn Curriculum van de International Association for Study of Pain (IASP);
      • een zorgprofessional is met expertise/interesse/ervaring in pijnzorg
    • In tabel 1.2 zijn de taken die de coördinator op zich zou kunnen nemen beschreven.
  • Op- en afschalingscriteria moeten goed worden toegepast. Zie ook de module ‘Op- en afschalingscriteria’).
  • Afstemmingsmogelijkheden moeten worden verbeterd door de bereikbaarheid en toegankelijkheid te verhogen. Bijvoorbeeld de mogelijkheid om aan te kunnen sluiten bij een online MDO. De techniek biedt hier steeds meer mogelijkheden toe.
  • Het is wenselijk dat zorgprofessionals voorzichtig zijn met het doen van uitspraken buiten de eigen expertises. Bijvoorbeeld, met het geven van advies ten aanzien van arbeidsbelastbaarheid buiten de bedrijfs- en/of verzekeringsarts om en het geven van adviezen aan de patiënt met betrekking tot de behandeling door een andere zorgprofessional. Voor veel mensen is werk een belangrijk onderdeel van hun leven. Het geeft naast het verwerven van een inkomen en bestaanszekerheid ook sociale contacten, doelen, zingeving en mogelijkheden voor persoonlijke ontwikkeling. Een (chronische) ziekte kan grote gevolgen hebben voor het vermogen om een beroep uit te oefenen. Enerzijds door de beperkingen die de ziekte veroorzaakt, anderzijds door de behandelingen en tijd die voor afspraken bij zorgverleners nodig is. Stimuleer daarom als zorgverlener de patiënt om na te denken over wat de ziekte betekent voor hun vermogen om te werken, wat hun wensen en doelen hierin zijn en wat ze nodig hebben om deze te realiseren. Adviseer de patiënt om hierover met hun bedrijfsarts in gesprek te gaan om advies en begeleiding te krijgen op het gebied van arbeidsparticipatie.[5]
  • Om de regie en coördinatie goed uit te kunnen voeren, moet de huisarts beter op de hoogte zijn van de behandelingen en welke zorgprofessionals betrokken zijn. Het is daarom belangrijk dat de huisarts adequater geïnformeerd wordt over ingezette diagnostiek, indicatiestelling en behandelingen. Daarnaast dienen eventuele vervolgverwijzingen meer met de huisarts te worden afgestemd. De richtlijnen HASP (voor huisarts en medisch specialist; NHG, 2017), HASP-paramedicus (voor huisarts en paramedicus; NHG, 2020) en Informatie-uitwisseling huisarts-tweedelijns GGZ (NHG, in revisie) vormen de basis voor de overdracht van informatie rond het verwijzen van patiënten. Voor de bedrijfsarts is de leidraad ‘Verwijzen door de bedrijfsarts’ (NVAB, 2004) beschikbaar.

[5] - Werkgerelateerde factoren kunnen een relatie hebben met de klachten:

De bedrijfsarts voert een biopsychosociale probleemanalyse uit, waarbij (onder andere) de relatie tussen de klachten en het werk van de patiënt in kaart worden gebracht. Neem contact op met een bedrijfsarts als een vermoeden op deze relatie bestaat en meer expertise behulpzaam is.

- De keuze voor de behandeling kan invloed hebben op de arbeidsparticipatie:

  • Uitleg van effecten van behandelingen op werkzaamheden kan behulpzaam zijn en richting geven bij het maken van deze keuzes. Bespreek, indien relevant, het thema werk in de spreekkamer en neem – in het kader van samen beslissen – bij besluiten rondom diagnostiek en/of behandeling gevolgen voor werk als mogelijke uitkomst mee. (Uit Generieke richtlijnmodule Arbeidsparticipatie).

4.2              Gewenste specifieke aanpassingen in de eerstelijnszorg

Om te komen tot een completere triage, diagnostiek, indicatiestelling, behandeling en waar nodig een adequate verwijzing, is het nodig om de eerste lijn te versterken. Hiervoor doen we de volgende suggesties:

  • Door een structurele ondersteuning van in eerste instantie de huisarts door een zorgprofessional met expertise/interesse/vaardigheden in pijnzorg zou de diagnostiek, indicatiestellen en monitoring geoptimaliseerd kunnen worden. Hiermee kunnen bijvoorbeeld onnodige verwijzingen en doublures in de zorg voorkomen worden (dit wordt verder uitgewerkt in de module ‘Versterking eerste lijn’).
  • De coördinatie van de logistieke en inhoudelijke kanten van de pijnzorg kan worden geoptimaliseerd door een coördinator. Deze coördinator kan deel uitmaken van de eerstelijn zelf of vooruit geschoven zijn vanuit de tweede of derde lijn.
  • Door te triageren uit een eenduidige biopsychosociale screening bij patiënten met (een vermoeden op) chronische pijn, in combinatie met verwijscriteria, kunnen zorgprofessionals worden ondersteund in het bieden en verwijzen naar de juiste zorg op de juiste plek. Dit betekent niet dat alle zorgprofessionals hetzelfde instrument gebruiken; maar wel dat er dezelfde biopsychosociale benadering  gebruikt wordt en dat afstemming/communicatie hierover naar elkaar eenduidig is. Voorbeelden van modellen/instrumenten/screeningstools die gebruikt kunnen worden zijn het SCEGS model, International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF) model (WHO, 2001) en/of toepassing van het biopsychosociaal model aan de hand van vlaggen (Verbunt, 2019).
  • Het is wenselijk dat zorgprofessionals die werkzaam zijn in chronische pijn kunnen participeren in een netwerk die over de lijnen heengaat (zie ook paragraaf 4.5). In de MDO’s van dit netwerk kunnen ze dan patiënten bespreken zodra er sprake is van een afwijkend beloop en/of bij wie er sprake is van risicofactoren voor chroniciteit of herstel beïnvloedende factoren.

4.3              Gewenste specifieke aanpassingen in de tweedelijns- en derdelijnszorg

Ook binnen de tweede- en derdelijnszorg kunnen er een aantal suggesties worden gegeven om patiënten eerder de juiste zorg op de juiste plek te geven en de zorg doelmatiger te maken.

  • Bij de instroom van patiënten in de tweede- en derdelijnszorg is het belangrijk dat er triage heeft plaatsgevonden in de eerste lijn en, zo nodig, verdere fine-tuning plaatsvindt in de tweede of derde lijn.
  • Binnen tweedelijns of derdelijns instellingen is het gewenst dat minimaal een multidisciplinair, maar bij voorkeur interdisciplinair, pijnteam (samenwerkingsverband) met bijbehorend MDO wordt ingericht voor patiënten met chronische pijn. Dit MDO is gericht op het geven van advies ten aanzien van diagnostiek, indicatiestelling, behandeling en verwijzing van patiënten. De Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA), alsook de Vereniging van Revalidatieartsen (VRA) hebben de aanwezigheid van een multidisciplinair samenwerkingsverband/MDO reeds opgenomen als indicator die gebruikt wordt bij visitaties van de pijn(revalidatie)centra. In het samenwerkingsverband participeren de verschillende specialismen die betrokken zijn bij patiënten met chronische pijn. Idealiter zijn hierin tenminste die specialismen vertegenwoordigd die de toepassing van het biopsychosociale model in zijn geheel kunnen waarborgen. De samenstelling kan verder worden aangepast aan de hand van de individuele patiëntkarakteristieken, zoals bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geriater bij kwetsbare ouderen. Het is wenselijk dat er voor dit MDO in de toekomst landelijke kwaliteitscriteria worden vastgelegd. Het wenselijk om een of meerdere coördinatoren te benoemen die deze taken op instellingsniveau en/of per lijn en/of over de lijnen coördineert.
  • Ook dient er, indien er twee of meer zorgprofessionals betrokken zijn bij de behandeling van één patiënt en de aard en/of complexiteit van de behandeling dat nodig maakt, een duidelijke regiebehandelaar en aanspreekpunt te zijn (zie uitspraak Centraal Tuchtcollege in zaaknummers c2020.004 en c2020.009; zie tabel 1.3 voor een overzicht van de verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar). De aandachtspunten voor de verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg heeft de KNMG beschreven in Handreiking Verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg, herziening juni 2022. De aard van de samenwerking wordt als volgt beschreven, ‘De samenwerking kan intern of extern zijn, of een mengvorm daarvan. Van interne samenwerking is sprake als de betrokken zorgverleners binnen dezelfde instelling werken. Van externe samenwerking is sprake als de zorgverleners werkzaam zijn bij verschillende instellingen of zorgaanbieders.’ (citaat uit handreiking). De coördinerende regiebehandelaar in de GGZ heeft vergelijkbare taken in diens rol als centraal aanspreekpunt, maar deze heeft hierbij nog extra taken op het gebied van coördinatie en reflectie (Zorginstituut Nederland, 2020).
  • Analoog aan de concept netwerkindicator voor ketensamenwerking (zie paragraaf 4.5) acht de werkgroep het belangrijk dat ook wordt vastgelegd wie (in termen van competenties) de functie van regiebehandelaar en coördinator kan bekleden en welke afspraken er zijn gemaakt over aanwezigheid en beschikbaarheid. Voor de GGZ ligt het wettelijk vast wie de rol van regiebehandelaar mag vervullen.

Tabel 1.2 Mogelijke taken van de coördinator (organiserend en faciliterend van aard; met de benodigde kennis van netwerk en chronische pijn) 

  • Patiënten met chronische pijn adequaat triëren naar de juiste zorgprofessional of multi- of interdisciplinaire (poli)kliniek.
  • Indien er per lijn en/of instelling een coördinator is ingesteld, dan contacten initiëren en onderhouden met de coördinatoren uit de andere lijnen en/of instellingen binnen dezelfde zorgregio.
  • Waar nodig binnen en/of tussen de instellingen zorg dragen voor een MDO. 
  • Het openstaan voor vragen van collega’s uit de eerste-, tweede en derde lijn en waar nodig zorgprofessionals uit andere of dezelfde lijnen in verbinding met elkaar brengen voor een multi- of interdisciplinair overleg.
  • Het initiëren en onderhouden van een regionaal (of lokaal) samenwerkingsverband (zie ook paragraaf 4.5).
  • Het organiseren van structureel overleg met een representatieve en op een landelijk niveau opererende patiëntenorganisatie op het gebied van chronische pijn (zie ook de netwerkindicator en de toelichting in paragraaf 4.5).

 

Tabel 1.3 Verantwoordelijkheden van de regiebehandelaar[6]

Op basis van de uitspraak Centraal Tuchtcollege (CTG) in zaaknummers c2020.004 en c2020.009 kunnen de volgende taken van de regiebehandelaar worden geformuleerd:

  • Bewaak de continuïteit en de samenhang van de zorgverlening aan de patiënt. Maak waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling.
  • Verzorg een adequate informatie-uitwisseling en voldoende overleg tussen de bij de behandeling van de patiënt betrokken zorgprofessionals.
  • Zorg dat er één aanspreekpunt voor de patiënt en diens naasten beschikbaar is voor het tijdig beantwoorden van vragen over de behandeling.

De regiebehandelaar hoeft zelf niet het aanspreekpunt voor de patiënt en diens naasten te zijn, maar de regiebehandelaar moet dus wel zorgen dat de vragen van patiënt en naasten beantwoord worden. De regiebehandelaar mag taken en rollen delegeren, maar behoudt wel de eindverantwoordelijkheid. Overigens blijft het uitgangspunt dat elke bij de behandeling betrokken zorgprofessional een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft. 

 

De Handreiking Verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg, herziening juni 2022 beschrijft de verantwoordelijkheden in aandachtspunt 2, als volgt

Uitgangspunt is dat iedere zorgverlener die betrokken is bij in samenwerking te verlenen zorg, een eigen professionele verantwoordelijkheid heeft en houdt jegens de cliënt, voor zijn/haar aandeel in de zorg. Zij zorgen allen dat zowel onderling als voor de cliënt of diens vertegenwoordiger(s) duidelijk is, wie verantwoordelijk is voor welk deel van de zorgverlening. Als de aard of de complexiteit van de te verlenen zorg dat nodig maakt, spreken alle betrokken zorgverleners af dat één van hen wordt aangewezen als regiebehandelaar. Deze ziet er in elk geval op toe dat:

> de continuïteit en de samenhang van de zorgverlening aan de cliënt wordt bewaakt en waar nodig een aanpassing van de gezamenlijke behandeling in gang wordt gezet;

> er adequate informatie-uitwisseling en voldoende overleg is tussen bij de behandeling betrokken zorgverleners;

> er één aanspreekpunt is voor het tijdig beantwoorden van vragen over de behandeling van de cliënt of diens naaste betrekking(en).

De regiebehandelaar hoeft niet zelf aanspreekpunt te zijn. Het aanspreekpunt hoeft niet alle vragen zelf inhoudelijk te kunnen beantwoorden, maar moet wel de weg naar de antwoorden weten. De zorgverleners zorgen ervoor dat deze afspraken duidelijk zijn voor de cliënt of diens naaste betrekking(en).

[6] De beschreven taken zijn vergelijkbaar met de taken van de coördinerend regiebehandelaar in de rol als centraal aanspreekpunt zoals beschreven het Landelijk Kwaliteitsstatuut GGZ (Zorginstituut Nederland, 2020).

 

4.4              Eenduidige meetinstrumenten

Wanneer er meetinstrumenten worden toegepast is het van belang dat er consensus komt over de keuze van meetinstrumenten. Analoog aan de netwerkindicator, raden we aan om bij alle patiënten met chronische pijn zoveel mogelijk gebruik te maken van dezelfde meetinstrumenten voor de diagnostiek en tenminste één instrument voor uitkomstmetingen op het gebied van pijn en op het gebied van het functioneren (een instrument van de ICHOMS-lijst en/of een instrument dat is voorgeschreven door een/de beroepsvereniging). Het gebruik van de meetinstrumenten moet altijd worden verbonden aan het klinisch oordeel van de zorgprofessional en de resultaten moeten besproken worden met de patiënt. Het is dus de bedoeling om het instrument te gebruiken als hulpmiddel, en zeker niet om het gesprek te vervangen. Diagnoses kunnen dus niet gesteld worden puur op basis van de uitkomst van een meetinstrument. Gestreefd moet worden naar een uniforme keuze van meetinstrumenten voor alle patiënten met chronische pijn. De werkgroep raadt aan om hier een apart project voor te starten. 

 

4.5              Regionaal (of lokaal) samenwerkingsverband

Van ketenzorg gaan we steeds meer naar netwerkgeneeskunde (zie bijvoorbeeld visiedocument Medisch Specialist 2025; Federatie Medisch Specialisten, 2017 en de Veldnormen Medische Psychologie 2020 (NIP en LVMP, 2020)). Om de netwerkgeneeskunde binnen de chronische pijnzorg mogelijk te maken, is er behoefte aan een regionaal (of lokaal) samenwerkingsverband betreffende chronische pijn waarin zowel de zorgprofessionals uit de tweede en derde lijn als ook de eerstelijns zorgprofessionals participeren en patiënten kunnen inbrengen. In voorkomende gevallen zal dit samenwerkingsverband nog gestart moeten worden. De  coördinator is verantwoordelijk voor het initiëren en onderhouden van het regionaal (of lokaal) samenwerkingsverband (een netwerk). Als er meerdere coördinatoren zijn, dan wordt één coördinator aangewezen die deze taak op zich neemt. Binnen het netwerk wordt aandacht besteed aan:

  1. het spreken van een gemeenschappelijke taal;
  2. het kiezen en gebruiken van eenduidige, betrouwbare en valide meetinstrumenten  voor diagnostiek, indicatiestelling en uitkomstmetingen op het gebied van pijn en functioneren;
  3. het verwerken van de uitkomsten van meetinstrumenten en het bespreken van deze met patiënten;
  4. de afspraken met betrekking tot de versterking van de eerste lijn (zie hierboven onder gewenste aanpassingen in de eerstelijnszorg en module ‘Versterking eerste lijn’);
  5. het gezamenlijk formuleren van eenduidige adviezen;
  6. het voorkomen van onnodige behandelingen.

Bij de Zorgstandaard Chronische Pijn (Dutch Pain Society en Vereniging Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem, 2017) is een concept netwerkindicator voor ketensamenwerking gepubliceerd. Met deze indicator wordt beoogd de samenwerking tussen organisaties en professionals in de regio te stimuleren en een betere kwaliteit van zorg voor patiënten met chronische pijn te realiseren. De zes criteria die opgenomen zijn in deze indicator zijn in het bovenstaande geïntegreerd.

 

4.6              Gewenste aanpassingen in financiering

Het is wenselijk dat de financiering van de gezondheidszorg aangepast wordt en scheiding van budgetten minder strikt is. De voorgestelde netwerkzorg kan bijvoorbeeld in de huidige structuur alleen via projectfinanciering mogelijk worden gemaakt. In andere diagnosegroepen, is er al steeds meer aandacht voor financiering van indirecte patiëntgebonden (overleg)tijd, bijvoorbeeld in de ouderenzorg. Dat is ook voor patiënten met chronische pijn gewenst. Gedacht kan worden aan het maken van formatieve en financiële ruimte voor coördinatie en netwerkgeneeskunde zoals beschreven in bovenstaande punt 4.5. Daarbij zijn mogelijk ook aanpassingen in de declaratiesystematiek nodig.

 

De werkgroep is hiernaast van mening dat er adequate financiering dient te komen voor pijneducatie, voor paramedische zorg en psychosociale zorg[7] alsmede multidisciplinaire of interdisciplinaire zorg voor patiënten met chronische pijn. De huidige ongelijkheid in zorg op basis van de financiële middelen die patiënten al of niet tot hun beschikking hebben, moet worden opgeheven.

[7] Definitie psychosociale zorg (VWS, 2015): Psychosociale zorg is een verzamelterm, het bestaat uit psychosociale ondersteuning en psychologische zorg. Psychosociale ondersteuning is vooral gericht op emotionele en praktische ondersteuning bij (relatief) eenvoudige problemen van psychische en sociale aard. Psychologische zorg is vooral gericht op het diagnosticeren en behandelen van psychische klachten* en stoornissen. (*In de oorspronkelijke definitie wordt gesproken van psychische problemen.)

 

5. Kostenaspecten (middelenbeslag)

De werkgroep verwacht dat de voorgestelde aanbevelingen op termijn een kostenbesparend effect hebben. De inschatting is ook dat de kosten in de tweede (en wellicht ook de derde) lijn meer zullen afnemen dan de kostenstijging in de eerste lijn door invoering van het netwerk. De genoemde voorstellen zullen namelijk leiden tot zorg waarbij patiënten de juiste zorg op de juiste plek ontvangen. Hiermee wordt een effectievere en efficiëntere zorg gerealiseerd. Dit zal leiden tot een kostenbesparing en ook tot een reductie van wachttijden (met als gevolg ook een indirecte kostenbesparing bijvoorbeeld ten aanzien van presenteïsme  of absenteïsme in werk). Ook reduceren de aanbevelingen de kans op onnodige verwijzingen en op doublures in diagnostiek, indicatiestelling en behandeling. De mate van kostenbesparing moet echter nog verder in kaart worden gebracht.

 

6. Haalbaarheid, aanvaardbaarheid en implementatie

Het doel is te werken naar een meer toekomstbestendige zorg voor patiënten met chronische pijn. De werkgroep is van mening dat de gewenste aanpassingen ook goed aansluiten bij de visie beschreven in het visiedocument Medisch Specialist 2025 (Federatie Medisch Specialisten, 2017), Kwaliteitsstandaard Psychosociale zorg bij somatische ziekte 2019 (LVMP, 2019), het KNGF-standpunt Fysiotherapie bij patiënten met pijn (KNGF, 2022) en het programma Juiste Zorg op de Juiste Plek (Passende Zorg). Het oplossen van de knelpunten vraagt een lange adem. Op gebied van organisatie en bijbehorende financiering moeten flinke stappen worden gezet. Ook moeten voor de implementatie van de leidraad aanpassingen worden gemaakt aan de basis curricula van zorgprofessionals, en dient er specifieke scholing te worden ontwikkeld voor de coördinatoren in de eerste, tweede- en derdelijnszorg. Inventarisatie en gebruik maken van de aanwezige kennis en kunde in de klinische praktijk kan daarbij efficiënt zijn. 

 

De werkgroep wil uitdrukkelijk ruimte geven om op regionaal (of lokaal) niveau het beleid verder in te vullen. Huidige initiatieven en best practices moeten niet ondermijnd worden. Ook is waarschijnlijk dat verschillen tussen regio’s (bijvoorbeeld in het aantal en type zorgprofessionals dat aanwezig is binnen de regio, en de afstand tot zorg voor patiënten) om een verschillende aanpak vragen. Als laatste biedt regionale variatie bij uitstek een mogelijkheid om te leren. Welke uitwerking werkt wel en welke niet? Het is belangrijk dat er in de komende jaren voldoende aandacht en mogelijkheden worden geschapen voor kennisoverdracht tussen de regio’s. Mogelijk ligt hier een rol voor de coördinatoren om een landelijk netwerk met elkaar te initiëren en te onderhouden.

 

Een belangrijk knelpunt dat naar voren is gekomen betreft de informatie-uitwisseling en onderlinge afstemming tussen zorgprofessionals. Veilige digitale oplossingen kunnen de communicatie tussen zorgprofessionals vergemakkelijken en een gedeelte van de gewenste aanpassingen faciliteren. Een positieve uitwerking van de COVID-19 pandemie is de duidelijke versnelling van de digitalisering van de zorg. Consulten bleken voor een gedeelte ook online plaats te kunnen vinden, en de communicatie tussen zorgverleners is beduidend makkelijker geworden. Een andere zeer positieve ontwikkeling op communicatiegebied is de invoering van de ICD-11. In de ICD-11 is chronische pijn nu duidelijk gedefinieerd, en de werkgroep verwacht dat het gebruik van de ICD-11 kan ondersteunen dat zorgprofessionals chronische pijn als primair probleem kunnen gaan zien en meer één taal gaan spreken. Sinds kort hebben huisartsen echter ook de mogelijkheid om een ICPC vast te leggen bij chronische pijn. Code A01.01. Er wordt gewerkt aan een registratie-advies, om huisartsen te helpen deze nieuwe code te implementeren in de praktijk. Voor haalbaarheid en implementatie wordt verder verwezen naar het bijgaande Haalbaarheid & Implementatieplan bij Organisatie en Werkwijze bij Patiënten met Chronische Pijn. Wetenschappelijk onderzoek naar effectieve organisatie van zorg en evaluatie van implementatie kunnen ondersteunend en versterkend werken op het implementatieproces en op optimalisatie van zorg.

Onderbouwing

Bij het chronisch worden van pijn spelen somatische, maar met name psychosociale factoren een evidente rol. De dynamische interactie tussen deze factoren beïnvloedt de pijn, het niveau van functioneren op individueel, sociaal en maatschappelijk niveau en de kwaliteit van leven. Bij chronische pijn moeten de diagnostiek en behandeling gebaseerd zijn op het biopsychosociale model en herstel van eigen regie, gezondheid en kwaliteit van leven. Echter, in de praktijk blijkt dat het eerste, het biomedische model, dikwijls op de voorgrond staat (Sitnikova, 2019; Houwen, 2019; Hallegraeff, 2019; Verwoerd, 2021; Cowell, 2018).

 

Uit publicaties, zoals de Zorgstandaard Chronische Pijn (Dutch Pain Society en Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem, 2017) en de Kwaliteitsstandaard Psychosociale zorg bij somatische ziekte (LVMP, 2019) blijkt dat de huidige organisatie van de chronische pijnzorg onvoldoende overeenkomt met de gewenste situatie. Het is tijd om de zorg voor de patiënten met chronische pijn zo te organiseren dat het toekomstbestendig is en beter aansluit bij de veranderende inzichten van zorg en zorgsystemen.

 

Binnen deze module beschrijft de werkgroep:

  1. Hoe het huidige zorgveld eruit ziet en welke knelpunten er zijn.
  2. Hoe de knelpunten het beste ondervangen kunnen worden.
  3. Aanbevelingen om patiënten sneller de juiste biopsychosociale diagnostiek en behandeling te geven, zodat de gang van de patiënt door het zorglandschap doelmatiger wordt.

De werkgroep heeft gekozen om voor deze module geen zoekstrategie op te stellen of literatuuranalyse te verrichten, aangezien: 1. het onwaarschijnlijk is dat er wetenschappelijke studies zijn gedaan waarin het gehele zorgveld in één studie is onderzocht en 2. de vragen uit deze module zeer specifiek zijn voor de Nederlandse situatie, en daarmee het dus de vraag is in hoeverre de resultaten uit niet-Nederlands wetenschappelijk onderzoek te generaliseren zijn naar de Nederlandse situatie.

 

Om te komen tot aanbevelingen, heeft de werkgroep eerst – onder meer door middel van brainstormsessies, werksessies en een focusgroep – getracht een compleet beeld te krijgen van het huidige zorgveld en de knelpunten die er zijn. Vervolgens is geanalyseerd hoe de knelpunten ondervangen zouden kunnen worden.

  1. Burke AL, Mathias JL, Denson LA. Waiting for multidisciplinary chronic pain services: A prospective study over 2.5 years. J Health Psychol. 2020;25(9):1198-1212.
  2. Cowell I, O'Sullivan P, O'Sullivan K, Poyton R, McGregor A, Murtagh G. Perceptions of physiotherapists towards the management of non-specific chronic low back pain from a biopsychosocial perspective: A qualitative study. Musculoskelet Sci Pract. 2018;38:113-119. Doi:10.1016/j.msksp.2018.10.006
  3. De Jong, L., Janssen, P., Keizer, D., Köke, A., Schiere, S., Van Bommel, M., . . . Verduijn, M. (2018). NHG-Standaard Pijn (M106). In. Utrecht: Nederlands Huisartsen Genootschap.
  4. Dutch Pain Society en Vereniging Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem. (2017). Zorgstandaard Chronische Pijn. https://www.zorginzicht.nl/binaries/content/assets/zorginzicht/kwaliteitsinstrumenten/Zorgstandaard+Chronische+Pijn.pdf
  5. Federatie Medisch Specialisten (2017). Visiedocument Medisch Specialist 2025. https://demedischspecialist.nl/sites/default/files/Visiedocument%20Medisch%20Specialist%202025-DEF.pdf
  6. Grol R, Wensing M. What drives change? Barriers to and incentives for achieving evidence-based practice. Med J Aust. 2004 Mar 15;180(S6):S57-60. doi: 10.5694/j.1326-5377.2004.tb05948.x. PMID: 15012583.
  7. Hallegraeff JM, Van Zweden L, Oostendorp RA, Van Trijffel E. Psychological assessments by manual physiotherapists in the Netherlands in patients with nonspecific low back pain. J Man Manip Ther. 2021;29(5):310-317. doi:10.1080/10669817.2021.1919283
  8. Houwen J, Lucassen PLBJ, Verwiel A, et al. Which difficulties do GPs experience in consultations with patients with unexplained symptoms: a qualitative study. BMC Fam Pract. 2019;20(1):180. Published 2019 Dec 29. doi:10.1186/s12875-019-1049-x
  9. IASP. Revised Definitions of Pain Translations. (2020). Retrieved from https://www.iasp-pain.org/resources/terminology/
  10. International Classification of Diseases 11th Revision. World Health Organization. https://icd.who.int/en. Geldig vanaf januari 2022.
  11. KNGF. KNGF-standpunt Fysiotherapie bij patiënten met pijn. 2022. Retrieved from https://www.kngf.nl/kennisplatform/overige-producten/kngf-standpunten/kngf-stand-fysiotherapie-bij-patienten-met-pijn
  12. Kromme, N. M. H., Ahaus, K. T. B., Gans, R. O. B., & van de Wiel, H. B. M. (2018). Internists' dilemmas in their interactions with chronically ill patients; A comparison of their interaction strategies and dilemmas in two different medical contexts. PLoS ONE, 13(5), e0194133. doi:10.1371/journal.pone.0194133
  13. Liddy, C., Poulin, P. A., Hunter, Z., Smyth, C., & Keely, E. (2017). Patient perspectives on wait times and the impact on their life: A waiting room survey in a chronic pain clinic. Scand J Pain, 17, 53-57. doi:10.1016/j.sjpain.2017.07.015
  14. LVMP. Kwaliteitsstandaard Psychosociale zorg bij somatische ziekte. (2019 ). Retrieved from https://www.zorginzicht.nl/kwaliteitsinstrumenten/psychosociale-zorg-bij-somatische-ziekte
  15. Lynch, M. E., Campbell, F., Clark, A. J., Dunbar, M. J., Goldstein, D., Peng, P., . . . Tupper, H. (2008). A systematic review of the effect of waiting for treatment for chronic pain. Pain, 136(1-2), 97-116. doi:10.1016/j.pain.2007.06.018
  16. Nederlands Huisartsen Genootschap. (2017). Richtlijn Informatie-uitwisseling tussen huisarts en medisch specialist (Richtlijn HASP). Deze richtlijn is door de Federatie Medisch Specialisten en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) gezamenlijk opgesteld en goedgekeurd.  https://richtlijnendatabase.nl/gerelateerde_documenten/f/16544/pdf%20hasp.pdf
  17. Nederlands Huisartsen Genootschap. (2017). Richtlijn Informatie-uitwisseling huisarts-tweedelijns GGZ. https://www.nhg.org/hasp-ggz. In herziening.
  18. Nederlands Huisartsen Genootschap. (2020). Richtlijn Informatie-uitwisseling tussen arts en paramedicus (Richtlijn HASP-paramedicus). https://www.nhg.org/sites/default/files/content/nhg_org/uploads/final_richtlijn_informatie-uitwisseling_tussen_arts_en_paramedicus_2022.pdf
  19. Nederlands Instituut van Psychologen en Landelijke Vereniging Medische Psychologie (2020). Veldnormen Medische Psychologie.  https://psynip.nl/wp-content/uploads/2022/08/Veldnormen-Medische-Psychologie-sectie-PAZ.pdf
  20. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB)(2004). Leidraad Verwijzen door de bedrijfsarts. https://nvab-online.nl/sites/default/files/bestanden-webpaginas/Leidraad-Verwijzene617.pdf
  21. Pincus, T., Kent, P., Bronfort, G., Loisel, P., Pransky, G., & Hartvigsen, J. (2013). Twenty-five years with the biopsychosocial model of low back pain-is it time to celebrate? A report from the twelfth international forum for primary care research on low back pain. Spine (Phila Pa 1976), 38(24), 2118-2123. doi:10.1097/BRS.0b013e3182a8c5d6
  22. Ring, A., Dowrick, C., Humphris, G. M., & Salmon, P. (2004). Do patients with unexplained symptoms pressurise general practitioners for somatic treatment? British Medical Journal, 328(7447), 1057.
  23. Salmon, P., Dowrick, C., Ring, A., & Humphris, G. M. (2004). Voiced but unheared agendas: qualitative analysis of the psychosocial cues that patients with unexplained symptoms present to general practitioners. British Journal of General Practice, 54, 171-176.
  24. Schuitemaker, G., Busch, A., Bakker, T., & Felix, P. (2019). Directe verwijzing naar Medische Psychologie zeer effectief. De Psycholoog, 3, 50-56.
  25. Sitnikova K, Pret-Oskam R, Dijkstra-Kersten SMA, et al. Management of patients with persistent medically unexplained symptoms: a descriptive study. BMC Fam Pract. 2018;19(1):88. Published 2018 Jun 18. doi:10.1186/s12875-018-0791-9
  26. World Health Organization (2001). International classification of functioning, disability and health: ICF. World Health Organization.
  27. Verbunt J. A., Swaan, J.L., Schiphorst Preuper, H.R., Schreurs, K.M.G. (2019). Handboek Pijnrevalidatie. Voor de eerste-, tweede- en derdelijnsgezondheidszorg. Bohn Stafleu van Loghum, Houten. ISBN 978-90-368-2229-9.
  28. Verwoerd MJ, Wittink H, Goossens MEJB, Maissan F, Smeets RJEM. Physiotherapists' knowledge, attitude and practice behavior to prevent chronification in patients with non-specific, non-traumatic, acute- and subacute neck pain: A qualitative study. Musculoskelet Sci Pract. 2022;57:102493.
  29. VWS, M. v. (2008). Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2008; Brief minister en staatssecretaris over het beleid t.a.v. chronische ziekten. (kst-31200-XVI-155). Den Haag Retrieved from https://zoek.officielebekendmakingen.nl/kst-31200-XVI-155.html

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 12-02-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 12-02-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
Geautoriseerd door:
  • Ergotherapie Nederland
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Associatie Physician Assistants
  • Nederlandse Chiropractoren Associatie
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging van Anesthesiemedewerkers
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Reumatologie
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Vereniging van Oefentherapeuten Cesar en Mensendieck

Algemene gegevens

Goedgekeurd door:

  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem
  • Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten ‘de Wervelkolom‘
  • Patiëntenfederatie Nederland

De ontwikkeling/herziening van deze leidraad werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de leidraad.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de leidraad zijn in 2020 een multidisciplinaire werkgroep en klankbordgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met chronische pijn. De werkgroep heeft de leidraad opgesteld, de leden uit de klankbordgroep hebben deze kritisch meegelezen. Naast deze groepen is in 2021 een werkgroep Haalbaarheid & Implementatie gevormd, welke: 1. Input heeft gegeven met betrekking tot de haalbaarheid, implementatie en randvoorwaarden voor toepassing van de leidraad; en 2. Het disseminatie- en implementatieplan heeft ontwikkeld.

 

Werkgroep leidraad

  • Prof. dr. A. Wolff, anesthesioloog, NVA (voorzitter)
  • Dr. H.R. Schiphorst Preuper, revalidatiearts, VRA (vicevoorzitter)
  • Drs. Z. Damen, huisarts niet praktiserend en senior wetenschappelijk medewerker, NHG
  • P. de Haan, ergotherapeut, EN
  • E. de Jong, oefentherapeut, VvOCM
  • Dr. B.C. ter Meulen, neuroloog, NVN
  • Drs. C.J. van Oort, anesthesioloog, NVA
  • Prof. dr. R.J.E.M. Smeets, revalidatiearts, VRA
  • Drs. I.L. Thomassen-Hilgersom, patiëntvertegenwoordiger, Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem
  • Dr. L.P. Voogt, lector complexe pijn, fysiotherapeut en manueel therapeut, KNGF
  • Dr. L.N.L. Zonneveld, klinisch psycholoog, NIP

Meelezers leidraad

  • G. Fennis-de Vries, MSc, pijnverpleegkundige, V&VN
  • Drs. M.E. Havinga, orthopedisch chirurg, NOV
  • Drs. J. Heering, huisarts en senior beleidsmedewerker, LHV
  • G.R.M van Hoof, arts M&G, medisch adviseur, ZN
  • Prof. dr. F.J.P.M. Huygen, anesthesioloog, pijnspecialist, NvNN
  • Dr. P. van den Munckhof, neurochirurg, NVvN
  • J.F.A. van Kessel, Physician Assistant, NAPA

  • Dr. A.J.A. Köke, senior onderzoeker en fysiotherapeut/bewegingswetenschapper KNGF
  • Drs. R.L. Kriekaart, klinisch geriater, NVKG
  • Dr. M.M. Lipvsky, internist en psychotherapeut, NIV
  • Drs. C.H. Lunter, psychiater, NVvP
  • H. Macleane, MPA, bedrijfskundig zorgmanager en physician assistant, NAPA
  • R. Mali, oefentherapeut NCP, VvOCM
  • R. van der Noord, MSc, fysiotherapeut, psychosomatisch fysiotherapeut en EFIC pijnfysiotherapeut, KNGF
  • K. Roeleveld, oefentherapeut NCP, psychosomatisch oefentherapeut, VvOCM

  • V.M. Schoorlemmer, MSc, geriatrie oefentherapeut, VvOCM
  • Dr. A.C.L.P.J. Verhoeven, bedrijfsarts, NVAB
  • B.L. van der Vossen, MSc, chiropractor, NCA
  • L. Voogt, patiëntvertegenwoordiger, NVVR
  • H.W.A. Walravens, MANP, verpleegkundig specialist, V&VN
  • Dr. T.R. Zijlstra, reumatoloog, NVR

Werkgroep haalbaarheid & implementatie

  • Dr. L. Timmerman, NVA (Voorzitter)
  • R. Mali, oefentherapeut NCP, VvOCM

  • M.P.G.J. Berkhout, VRA
  • I. Bruaset, NVZ
  • A. van der Gaag, NVA
  • M. Horn, ZIN (toehoorder)
  • G.R.M van Hoof, arts M&G, medisch adviseur, ZN
  • M. Liedorp, ZKN
  • Drs. M.J. Oostindiër, FMCC
  • Drs. C. Ritoe, ZN (toehoorder)
  • Dr. H.R. Schiphorst Preuper, revalidatiearts, VRA
  • V.M. Schoorlemmer, MSc, geriatrie oefentherapeut, VvOCM
  • Drs. J. Smale, VRA/RN
  • Drs. I.L. Thomassen-Hilgersom, patiëntvertegenwoordiger, Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem
  • Dr. L.P. Voogt, lector complexe pijn, fysiotherapeut en manueel therapeut, KNGF
  • Prof. Dr. A. Wolff, anesthesioloog, NVA
  • Dr. L.N.L. Zonneveld, klinisch psycholoog, NIP (meelezer)

Met ondersteuning van Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten:

  • Dr. L.M.P. Wesselman, adviseur
  • Dr. L.M. van Leeuwen, adviseur (vanaf maart 2023)
  • Dr. S.N. Hofstede, senior adviseur (vanaf september 2022)
  • Dr. D.H.H. Dreesens, senior adviseur (van april 2022 tot maart 2023)
  • Dr. S. Persoon, senior adviseur (tot maart 2022)

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werk- en klankbordgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling van de leidraad zijn wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring zijn opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroep leidraad

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Wolff (Voorzitter)

Anesthesioloog-pijnspecialist, medisch hoofd UMCG Pijncentrum Universitair Medisch Centrum Groningen

Hoogleraar Anesthesiologie i.h.b. Pijngeneeskunde

Rijksuniversiteit Groningen

Bestuurslid stichting Helpelandsdoorn (onbetaald)

 

Beleidsadviseur VOLT (onbetaald)

Co-voorzitter PA!N (onbetaald)

Counsilor EFIC (onbetaald)klankbordgroep RL pijnrevalidatie (onbetaald)

Extern gefinancierd onderzoek:

ZonMw; AAL; Philips; Grünenthal; (investigator initiated onderzoek).

 

Consultancy of vergoedingen:

Pfizer

QPS, Equip, Novartis; NVA, NPZF, Overprikkeling

Geen actie, alle subsidiegevers hebben geen belang bij adviezen uit de leidraad.

Schiphorst Preuper

Revalidatiearts, Universitair docent

Afdeling Revalidatiegeneeskunde

UMCG

Voorzitter Werkgroep Pijnrevalidatie Nederland (WPN) van de VRA tot 2022 onbetaald; per 2022 lid WPN;

Secretaris van de Pijnalliantie in Nederland (PA!N); van 2022 t/m 2023 lid algemeen bestuur PA!N, onbetaald;

Lid van kernredactie NTPP t/m 2023, onbetaald;

Lid van congrescommissie PA!N congres 2022 (08-12-2022), onbetaald;

Lid van congrescommissie 18th International Forum on Back and Neck Pain Research in Primary Care 2023;

(onbezoldigd) Werkgroeplid Richtlijn Pijnrevalidatie; vacatiegelden naar CvR UMCG;

Per 2023 WECO van de VRA (lid); onbezoldigd.

Geen

Geen actie nodig

Damen

Senior wetenschappelijk medewerker/huisarts niet praktiserend bij het NHG

Geen

Betrokken bij de herziening van de NHG-standaard Pijn, op het gebied van toepassing opioïden bij chronische niet-oncologische pijn.

Geen actie nodig

De Haan

Ergotherapeut

Praktijkhouder ErgoAnders (gespecialiseerd in chronische pijn en vermoeidheid).

Daarnaast 27,5 contracturen Roessingh Revalidatiecentrum

Docent Pro-Education (NCOI) (betaald).

Verzorging cursussen (betaald)

Teamondersteuner RC Roessingh – betaald

Lid Overleggroep Chronische pijn Ergotherapie Nederland (onbetaald).

 

 

 

Geen actie nodig

De Jong

Werkzaam als Oefentherapeut Cesar/Mensedieck in praktijk Isokin Training & Therapie voor 24 uur per week

Bestuurslid Landelijk Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn, (deels betaald, deels onbetaald)

Bestuurslid bij Landelijk Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn

Geen actie nodig

Smeets

Hoogleraar Revalidatiegeneeskunde, Universiteit Maastricht (0,5 fte)

Revalidatiearts, CIR revalidatie (0,6 fte)

Lid van Wetenschappelijke Advies Raad patiëntenvereniging de Wervelkolom.

Lid van Wetenschappelijk Advies Raad patiëntenvereniging HME/MO

Geen

Geen actie nodig

Ter Meulen

Neuroloog OLVG

Raad van advies  Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten ‘de Wervelkolom’

Geen

Geen actie nodig

Thomassen-Hilgersom

Vrijwilliger Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem (onbetaald)

Voorzitter patiëntenvereniging CRPS, vrijwilliger (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Van Oort

Anesthesioloog-pijnbestrijder; Ikaziaziekenhuis en van Weel Bethesda ziekenhuis Dirksland

Centraal Medisch Tuchtcollege (onkostenvergoeding)

adviseur NVA (onkostenvergoeding)

Medisch coördinator OK tot 1 juli 2021 (betaald)

Geen

Geen actie nodig

Voogt

Lector ‘Complexe pijn’ Hogeschool Rotterdam

Visiting professor Vrije Universiteit Brussel.

Lid commissie  Zorgstandaard Chronische Pijn (KNGF).

Geen

Geen actie nodig

Zonneveld

Klinisch psycholoog, Amsterdam UMC, locatie AMC (Poli pijngeneeskunde)

Voorzitter werkgroep ‘Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen’ van de Landelijke Vereniging Medische Psychologie (LVMP)

(onbetaald)

Voorzitter commissie ‘Financiering van het NIP en de LVMP’ (onbetaald)

Bestuurslid PA!N (onbetaald)

ZonMw, Amsterdams Universiteitsfonds

 

 

Klankbordgroep leidraad

Klankbordgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Fennis-de Vries

Verpleegkundig Specialist pijnkliniek
Teamleider Pijnkliniek en Pre Operatieve Screening

Maasstad ziekenhuis Rotterdam

 

lid congrescommissie V&VN pijn (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Havinga

Orthopedisch chirurg OCON

Lid beroepsbelangen commissie NOV (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Heering

beleidsadviseur Landelijke Huisartsen Vereniging

huisarts (betaald)

Geen

Geen actie nodig

Huygen

Hoogleraar Anesthesiologie Erasmusmc (0,9 fte)

Hoogleraar Anesthesiologie UMCU (0,1 fte)

Lid Centraal tucht college (vacatiegeld).

Lid wetenschappelijke adviesraad Patiëntenvereniging voor CRPS (Nederland en USA)

(onbezoldigd).

Director International Research Consortium CRPS (onbezoldigd).

Lid Advisory Board Abbott, Boston Scientific, Saluda, Medtronic (bezoldigd).

Voorzitter Vereniging voor Neuromodulatie Nederland (onbezoldigd).

Geen

Geen actie nodig. De leidraad richt zich niet op medicatie/medische technologie.

Van Kessel

 

Physician Assistant

Libra revalidatie&audiologie locatie Blixembosch Eindhoven

Geen

Geen actie nodig

Geen actie nodig

Köke

Senior onderzoeker, vakgroep revalidatiegeneeskunde Universiteit Maastricht 0,5 fte. Coordinator innovatie Kenniscentrum Adelante Hoensbroek 0,5 fte.

Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift Pijn en Pijnbestrijding, (onbetaald).

Vertegenwoordiger KNGF bij Pijn Alliantie Nederland, (onbetaald).

Geen

Geen actie nodig

Kriekaart

Tot oktober 2021: Klinische geriater Radboudumc.

Klinisch geriater Sint Maartenskliniek.

Waarnemend klinisch geriater Propersona, locatie Marie McKenzie, ouderenpsychiatrie.

Vanaf oktober 2021:

Klinisch geriater werkzaam in Gelre ziekenhuis Apeldoorn/Zutphen.

Geen

 

Geen actie nodig

Lipovsky

Internist en psychotherapeut, boegbeeld TOPGGZ, Altrecht Psychosomatiek Eikenboom

Gastdocentschappen SOLK-communicatie voor medisch specialisten en AIOS, deels betaald, (ism Erasmus Medisch Centrum), deels onbetaald (UMCU e.a.).

Geen

Geen actie nodig

Lunter

Psychiater en boegbeeld TOPGGZ, Altrecht Psychosomatiek Eikenboom

Bestuurslid landelijk Netwerk Aanhoudende Lichamelijke Klachten (NALK) – (onbetaald)

Bestuurslid Pijn Alliantie In Nederland (PA!N) – (onbetaald)

Enkele docentschappen – (betaald)

Geen

Geen actie nodig

Macleane

Physician assistant bij Excellent Klinieken, 85%

Bestuurder bij Ecxellent Klinieken, 15%

Geen

Geen

Geen actie nodig

Van den Munckhof

Neurochirurg Amsterdam UMC

Geen

Geen

Geen actie nodig

Van Hoof

Medisch adviseur bij zorgverzekeraar bij CZ

Lid commissie EEK van ZonMw

Geen

Geen actie nodig

Schoorlemmer

Geriatrie oefentherapeut, praktijk Oefentherapie in Kampen en in Lemmer.

Ketenpartner vanuit Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn bij Regionaal Pijncentrum Zwolle (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Van der Noord

Praktijkeigenaar Interfysio, fysiotherapiepraktijk voor chronische pijn en psychosomatiek

Wetenschappelijke Advies Raad (WAR) Psychosomatiek namens de Nederlandse vereniging voor Fysiotherapie volgens de Psychosomatiek (NFP) – alleen vergaderingen betaald.

- Projectgroep Psychosomatische fysiotherapie binnen de GGZ (een NFP project) – Betaald

- Projectgroep Visie op (chronische) pijn voor de fysiotherapeut, voor de Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) – Betaald

- Scholingen voor fysiotherapeuten op het gebeid van pijn diagnostiek en pijneducatie – betaald.

Geven van scholingen op het gebied van diagnostiek en educatie bij chronische pijn voor fysiotherapeuten

Geen actie nodig

Roeleveld

Praktijkeigenaar oefentherapie voor chronische pijn en neurologische aandoeningen BeweegBewust in Aalsmeer

Regiocoördinator/voorzitter Parkinsonnet regio Amsterdam/Amstelland (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Van der Vossen

Chiropractor, Chiropractie Epe

Bestuurslid Stichting Chiropractie (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Verhoeven

Instituutsopleider, bedrijfsarts en verzekeringsarts (0,8fte)
SGBO I Eerstelijns Geneeskunde Vervolgopleidingen I Radboudumc Nijmegen
Bedrijfsarts (0,2 fte)
Immediator I Paradigma Groep, Nieuwegein

Adviseur en docent via eigen bedrijf 'carco consult & medische advies' (betaald)

Geen

Geen actie nodig

Voogt

Voorzitter NVVR de Wervelkolom

Geen

Geen

Geen actie nodig

Walravens

Verpleegkundig specialist, polikliniek Pijnbehandeling UMC Utrecht

Incidenteel consultancy voor Grunenthal gericht op scholing neuropathische pijn

Geen

Geen actie nodig

Zijlstra

Reumatoloog, Isala, Zwolle

Geen

Geen

Geen actie nodig

 

Werkgroep haalbaarheid & implementatie

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Timmerman (voorzitter)

Anesthesioloog-pijnspecialist St Antonius Ziekenhuis, Utrecht-Nieuwegein

Hoofd afdeling R&D anesthesiologie, coördinatie wetenschappelijk onderzoek op gebied van anesthesiologie, IC en pijngeneeskunde. Onbetaald.

Lid maatschap anesthesiologie, intensive care en pijngeneeskunde.

Geen actie nodig

Mali

Oefentherapeut NCP, Praktijkeigenaar Haarlem Centrum & Velserbroek

Voorzitter Platform Psychosomatiek & Netwerk Chronische Pijn VvOCM (bestuursvergoeding)

Algemeen Bestuurslid PA!N (Pijn Alliantie in Nederland), als afgevaardigde namens de oefentherapeuten (onbetaald)

Lid Congrescommissie PA!N (Pijn Alliantie in Nederland) (onbetaald)

Voorzitter Regionaal Netwerk Chronische Pijn Haarlem/Haarlemmermeer e.o. (onbetaald)

Voorzitter Patform oefentherapie Kennemerland & Haarlemmermeer (POKH) (onkostenvergoeding)

Geen

Geen actie nodig

Berkhout

Directeur Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Bestuurslid stichting Revalidatie Impact. Onbetaald

Geen

Geen actie nodig

Bruaset

Medisch Manager Anesthesiologie en pijnbestrijding
Medisch Manager Radiologie
Anesthesioloog

Geen

Geen

Geen actie nodig

Van der Gaag

Medisch Specialist Anesthesioloog - pijnspecialist
Catharina ziekenhuis Eindhoven
Lid MSB
Lid Cooperatie Anesthesiologie IC, pijngeneeskunde Groot Eindhoven u.a.

Bestuurslid sectiebestuur pijn en pallitatieve geneeskunde Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie

Geen

Geen actie nodig

Horn (toehoorder)

Adviseur, Zorginstituut Nederland.
-projectleider Zinnige Zorgtraject klachten vanuit de lage rug
-adviseur Zinnige Zorgtraject reumato'|'de artritis

 

Geen

Geen

Geen actie nodig

Van Hoof

Medisch adviseur bij zorgverzekeraar bij CZ

Lid commissie EEK van ZonMw

Geen

Geen actie nodig

Liedorp

Lid commissie - vertegenwoordiger ZKN
Neuroloog

lid MR basisschool IKC de Piramide (onbetaald)
Bestuurslid Waterbuurtvereniging Zoetermeer (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Oostindiër

Maxima Medisch Centrum (MMC): Beleidsadviseur huisartsenzorg w.o. secretaris bestuur FMCC
Coördinator en lid DB Vereniging Consortium Integrale Zorg en Gezondheid (gedetacheerd vanuit MCC)

Mede-eigenaar van medisch kwartier Eindhoven (onbezoldigd) 1e lijns gezondheidscentrum

 

Geen

Geen actie nodig

Ritoe

Medisch Adviseur - Zorgverzekeraars Nederland

Geen

Geen

Geen actie nodig

Schoorlemmer

Geriatrie oefentherapeut, praktijk Oefentherapie in Kampen en in Lemmer.

Ketenpartner vanuit Netwerk Oefentherapeuten Chronische Pijn bij Regionaal Pijncentrum Zwolle (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Schiphorst Preuper

Revalidatiearts, Universitair docent

Afdeling Revalidatiegeneeskunde

UMCG

Voorzitter Werkgroep Pijnrevalidatie Nederland (WPN) van de VRA tot 2022 onbetaald; per 2022 lid WPN;

Secretaris van de Pijnalliantie in Nederland (PA!N); van 2022 t/m 2023 lid algemeen bestuur PA!N, onbetaald;

Lid van kernredactie NTPP t/m 2023, onbetaald;

Lid van congrescommissie PA!N congres 2022 (08-12-2022), onbetaald;

Lid van congrescommissie 18th International Forum on Back and Neck Pain Research in Primary Care 2023;

(onbezoldigd) Werkgroeplid Richtlijn Pijnrevalidatie; vacatiegelden naar CvR UMCG;

Per 2023 WECO van de VRA (lid); onbezoldigd.

Geen

Geen actie nodig

Smale

Beleidsadviseur
Ik zit in de werkgroep namens de Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen (VRA)

Geen

Geen

Geen actie nodig

Thomassen-Hilgersom

Vrijwilliger Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem (onbetaald)

Voorzitter patiëntenvereniging CRPS, vrijwilliger (onbetaald)

Geen

Geen actie nodig

Voogt

Lector ‘Complexe pijn’ Hogeschool Rotterdam

Visiting professor Vrije Universiteit Brussel.

Lid commissie  Zorgstandaard Chronische Pijn (KNGF).

Geen

Geen actie nodig

Wolff

Anesthesioloog-pijnspecialist, medisch hoofd UMCG Pijncentrum Universitair Medisch Centrum Groningen

Hoogleraar Anesthesiologie i.h.b. Pijngeneeskunde

Rijksuniversiteit Groningen

Bestuurslid stichting Helpelandsdoorn (onbetaald)

 

Beleidsadviseur VOLT (onbetaald)

Co-voorzitter PA!N (onbetaald)

Counsilor EFIC (onbetaald)klankbordgroep RL pijnrevalidatie (onbetaald)

Extern gefinancierd onderzoek:

ZonMw; AAL; Philips; Grünenthal; (investigator initiated onderzoek).

 

Consultancy of vergoedingen:

Pfizer

QPS, Equip, Novartis; NVA, NPZF, Overprikkeling

Geen actie, alle subsidiegevers hebben geen belang bij adviezen uit de leidraad.

Zonneveld

Klinisch psycholoog, Amsterdam UMC, locatie AMC (Poli pijngeneeskunde)

Voorzitter werkgroep ‘Somatisch-symptoomstoornis en verwante stoornissen’ van de Landelijke Vereniging Medische Psychologie (LVMP)

(onbetaald)

Lid commissie ‘Financiering van de LVMP’ (onbetaald)

Bestuurslid PA!N (onbetaald)

ZonMw, Amsterdams Universiteitsfonds

Geen actie nodig

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiënten perspectief door het uitnodigingen de Nederlandse Vereniging van Rugpatiënten ‘de Wervelkolom’ (NVVR) en het Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem voor de invitational conference en de deelname van een afgevaardigde namens het Samenwerkingsverband in de werkgroep en van de NVVR in de klankbordgroep. De conceptleidraad is tevens voor commentaar voorgelegd aan het Samenwerkingsverband, de NVVR en Patiëntenfederatie Nederland en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

 

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase). Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er geen substantiële financiële gevolgen zijn: het merendeel van de kosten van chronische pijn wordt niet veroorzaakt door medische kosten maar door indirecte maatschappelijke kosten door ziekteverzuim en presenteïsme. De verwachting is dat bij een betere organisatie van de pijnzorg deze kosten zullen afnemen. Een overzicht van uitkomsten van de kwalitatieve raming met bijbehorende toelichting vindt u in  onderstaande tabel.

 

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Module Organisatie van de chronische pijnzorg

Geen  substantiële  financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module Versterking eerste lijn

Geen  substantiële  financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Module Op- en afschalingscriteria

Geen  substantiële  financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

 

Ten aanzien van de aanbevelingen

De voorgestelde aanbevelingen sluiten aan bij de wens van de overheid om meer in te zetten op taakherschikking en -verschuiving en de juiste zorg op de juiste plek. De implementatie zal echter veel aandacht vragen. Waar we in deze leidraad op landelijk niveau de grote lijnen beschrijven, zal de invulling vooral regionaal moeten gebeuren. De werkgroep acht het bijvoorbeeld belangrijk dat er regionaal/lokaal afspraken worden gemaakt over welke zorgprofessional(s) de verschillende taken op zich gaan nemen. Afhankelijk van de invulling zullen er ook afspraken moeten worden gemaakt over supervisie en de juridische aansprakelijkheid. Er zijn op dit moment nog een aantal algemene barrières voor implementatie, te weten:

  • Financiering voor de inzet van de zorgprofessionals met expertise in pijnzorg.
  • Er zijn op dit moment landelijk gezien te weinig – in chronische pijn geschoolde – professionals beschikbaar die in de eerste lijn kunnen worden ingezet. Voor de uitvoering van de beschreven taken bestaat nog geen specifieke opleiding. Als startpunt acht de werkgroep het gewenst dat de zorgprofessional minimaal is opgeleid in alle componenten zoals beschreven in het curriculum van de International Association for Study of Pain (IASP). In de toekomst zou het wenselijk zijn als voor de zorgprofessionals die deze taken gaan oppakken een beroepsprofiel, kwaliteitscriteria en opleiding beschikbaar komen.

Het veld zal tijd nodig hebben om deze barrières te overkomen. Met betrekking tot haalbaarheid en implementatie en randvoorwaarden daarvoor wordt verwezen naar het bijgaande Haalbaarheid & Implementatieplan.

Werkwijze

Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de organisatie en werkwijze van de zorg voor patiënten met chronische pijn. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door de NVA, VRA, KNMP, KNGF, NAPA, NCA, PA!N, Samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem, VVOCM, VVGN, ZiNL, ZKN, NVVR en twee personen op eigen titel tijdens een invitational conference. Een verslag hiervan is opgenomen onder aanverwante producten.

 

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep drie concept uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld. Deze drie vragen worden in afzonderlijke modules beantwoord. In de eerste module worden de knelpunten en gewenste situatie omschreven in de organisatie van chronische pijn zorg. In de laatste twee modules wordt er respectievelijk ingezoomd op twee specifieke aspecten binnen de organisatie van de pijnzorg: de versterking van de eerste lijn en de op- en afschalingscriteria. Bij de ontwikkeling van deze modules is de gangbare richtlijnmethodiek gevolgd. Deze methodiek voldoet aan de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit, welke is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010). De methodiek wordt in de onderstaande paragrafen toegelicht. De gehanteerde werkwijze wordt in de overwegingen van de deze module verder toegelicht.

 

Voor de modules ‘Organisatie van de chronische pijnzorg’ en ‘Op- en afschalingscriteria’

Er zijn zorgpaden uitgewerkt die beschrijven en visueel weergeven welk traject de patiënt doorloopt wanneer er sprake is van (een vermoeden van) chronische pijn. Hiervoor werden vier werksessies en een focusgroep georganiseerd. De vier werksessies werden gehouden bij verschillende lokale samenwerkingsverbanden voor chronische pijn (regio’s Maastricht, Sneek, Eindhoven en Zwolle). Hierbij waren verschillende zorgverleners en patiëntvertegenwoordigers aanwezig. Daarnaast is een focusgroep gehouden met patiënten. Naast het uitwerken van de zorgpaden werden beïnvloedende factoren voor het doorlopen van de zorgpaden geïnventariseerd, en werden mogelijke oplossingsrichtingen om de  beïnvloedende factoren te overwinnen in het zorgpad besproken. Tevens werden op- en afschalingscriteria besproken.

 

Voor de modules ‘Versterking van de eerste lijn’ en ‘Op- en afschalingscriteria’

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep (inclusief patiëntvertegenwoordiger) welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep (waaronder de patiëntvertegenwoordiger) tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch relevant (voor de patiënt) vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur en de beoordeling van de risk-of-bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz, 2017).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in kwaliteitsstandaarden volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE methodiek.

 

Voor alle modules

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende gebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. 

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. 

 

Organisatie van zorg

Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van de chronische pijnzorg. Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De concept leidraad werd schriftelijk aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep, waarna een tweede commentarenronde volgde. Daarna is de aangepaste leidraad besproken tijdens een tweede invitational conference. Naar aanleiding van de twee commentaarrondes en de input tijdens de tweede invitational conference werd de conceptleidraad aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve leidraad werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

 

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

 

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.

 

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

 

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

 

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. http://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/over_richtlijnontwikkeling.html

 

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.

 

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Volgende:
Versterking eerste lijn