Scoresystemen
Uitgangsvraag
- Welke uitkomstmaten worden aanbevolen bij CMN binnen de zorg en wetenschappelijk onderzoek?
- Welke meetinstrumenten worden aanbevolen bij CMN binnen de zorg en wetenschappelijk onderzoek?
Aanbeveling
- Bepaal de volgende kernuitkomstmaten in alle toekomstige zorg (nieuwe en controle patiënten): aantal satelliet naevi, kleur, textuur en grootte van de CMN, emotioneel lijden, aanwezigheid van een melanoom, neurologische symptomen, wond- en littekenproblemen. Zie ook Figuur 1. Kernuitkomstmaten voor zorg en onderzoek (Oei et al, 2020; Fledderus et al, 2021).
- Bepaal de volgende kernuitkomstmaten in alle toekomstige wetenschappelijke onderzoeken: aantal satelliet naevi, kleur, textuur en grootte van de CMN, emotioneel lijden, aanwezigheid van een melanoom, neurologische symptomen, wond- en littekenproblemen, moleculaire karakteristieken. Zie ook Figuur 1. Kernuitkomstmaten voor zorg en onderzoek (Oei et al, 2020; Fledderus et al, 2021).
Overwegingen
Kwaliteit van het bewijs
Het OCOMEN project is uitgevoerde volgens de richtlijnen van de twee COS initiatieven: The CHORD COUSIN Collaboration (C3 outcomes) en Core Outcome Measures in Effectiveness Trials (COMET). Een lid van C3 outcomes heeft methodologische ondersteuning geboden en feedback gegeven op verschillende momenten van het ontwikkelen van de COS.
Balans van gewenste en ongewenste effecten
Een COS (uitkomsten en instrumenten) zorgt voor consistentie en vergelijkbaarheid. Daarnaast zorgt een COS dat de gerapporteerde uitkomsten in onderzoeken relevant zijn voor patiënten, zorgverleners en andere belanghebbenden. Het versterkt het patiëntgerichte perspectief bij het beoordelen van de effectiviteit van behandelingen. Ook zorgt het voor efficiëntie en kostenbesparing in de zorg en het onderzoek. Het definiëren van een COS helpt voorkomen dat er onnodige of onbelangrijke uitkomsten gemeten worden, wat tijd en middelen bespaart. De kwaliteit van onderzoek wordt gewaarborgd omdat goed gevalideerde meetinstrumenten worden gekozen als kernmeetinstrumenten.
Zie module MRI hersenen/ruggenmerg bij CMN en neurologische follow-up, module voorlichting en zelfmanagement en de module psychologische begeleiding voor aanvullende informatie omtrent gevalideerde meetinstrumenten.
Professioneel perspectief
Op dit moment is er onvoldoende kennis beschikbaar over de etiologie, diagnostiek en behandeling van met name hoog risico CMN’s.
Dit wordt veroorzaakt doordat:
(1) Grotere CMN (>20 cm) gepaard gaande met meerdere kleinere moedervlekken met het hoogste risico op complicaties, zijn erg zeldzaam (1:20.000 pasgeborenen). In de Nederlandse centra worden er bijvoorbeeld rond de 150 nieuwe en controle patiënten per jaar gezien. Hierdoor zijn de studies naar deze aandoening vaak klein met weinig inclusies.
(2) Studies naar effecten van behandelingen bij patiënten afkomstig van de verschillende internationale onderzoekscentra meten verschillende uitkomsten met verschillende meetinstrumenten waardoor deze kleine studies niet gecombineerd of vergeleken kunnen worden.
Door de kleinere studies en heterogeniteit in uitkomstmaten is het moeilijk om onderzoeken te vergelijken of te combineren. Dit probleem geldt voor alle CMN-onderzoeken: behandeling evaluaties, onderzoek naar risico op melanomen/neurologische aandoeningen en meten van de impact op kwaliteit van leven. Uniformiteit in uitkomstmaten is daarom van groot belang voor onderzoek maar ook voor zorg. Door (internationale) richtlijnen op te stellen over de minimaal te meten zorgaspecten, krijgen patiënten de zorg die zij nodig hebben op basis van kernuitkomstmaten, die zijn gekozen door middel van consensus tussen internationale experts (zorgverleners en patiënten).
Internationale consensus moet worden bereikt over welke meetinstrumenten voor de kernuitkomstmaten gebruikt behoren te worden voor toekomstige zorg en wetenschappelijk onderzoek van CMN.
Waarden en voorkeuren van patiënten
Zowel professionals als patiënten kiezen de kernuitkomstmaten en kernmeetinstrumenten. Door patiënten mee te laten beslissen wordt het perspectief van patiënten meegenomen in toekomstige zorg en onderzoek. Zo worden er patiëntgerichte uitkomstmaten en meetinstrumenten gekozen bij het beoordelen van de effectiviteit van behandelingen en beleid. Omdat patiënten betrokken zijn bij het kiezen van de kerninstrumenten, worden er toepasbare en gebruiksvriendelijke instrumenten geselecteerd. Patiënten spelen een belangrijke rol bij het valideren van de meetinstrumenten. Patiënten spelen bijvoorbeeld een belangrijke rol bij het beoordelen van de 'inhoudsvaliditeit' (content validity), wat betekent dat de inhoud van een instrument representatief moet zijn voor de onderwerpen die het probeert te meten.
Aanvaardbaarheid en haalbaarheid
Samen met internationale patiëntenverenigingen en specialisten uit verschillende zorg- en onderzoeksinstituten zijn door middel van consensus de kernuitkomsten bepaald voor zowel zorg als onderzoek. Het OCOMEN-onderzoeksteam zal vanaf 2025 een project van 2 jaar starten om de kerninstrumenten te bepalen.
Onderbouwing
Homogeniteit in uitkomstmaten en bijbehorende meetinstrumenten is van groot belang om de zorg en onderzoek van CMN te optimaliseren. Het Outcomes for Congenital Melanocytic Naevi (OCOMEN) project is in 2019 gestart in samenwerking tussen de internationale patiëntenvereniging Naevus Global en internationale centra met expertise, waarbij het getrokken wordt door het Erasmus MC, het Amsterdam UMC en Marseille Medical Genetics. Het doel van het OCOMEN-project is om samen met internationale patiënten, ouders en specialisten een core outcome set (COS) te ontwikkelen voor CMN. Een COS is een geaggregeerde lijst van de belangrijkste uitkomsten en meetinstrumenten die moeten worden gemeten en gerapporteerd in zorg en klinische onderzoeken binnen een specifiek gezondheidsgebied. Een COS bestaat uit wat er minimaal gemeten moet worden (kernuitkomstmaten) en hoe dit gemeten moet worden (kernmeetinstrumenten) in alle toekomstige zorg en wetenschappelijk onderzoek, waarna uitkomsten vergeleken en gecombineerd kunnen worden. Een COS (uitkomsten + instrumenten) zorgt voor consistentie en vergelijkbaarheid. Daarnaast zorgt een COS dat de gerapporteerde uitkomsten in onderzoeken relevant zijn voor patiënten, zorgverleners en andere belanghebbenden. Het versterkt het patiëntgerichte perspectief bij het beoordelen van de effectiviteit van beleid en behandelingen. Ook zorgt het voor efficiëntie en kostenbesparing in de zorg en het onderzoek. Het definiëren van een COS helpt voorkomen dat er onnodige of onbelangrijke uitkomsten gemeten worden, wat tijd en middelen bespaart. De kwaliteit van onderzoek wordt gewaarborgd omdat goed gevalideerde meetinstrumenten worden gekozen als kernmeetinstrumenten. De COS voor CMN zal gebruikt kunnen worden in onderzoek naar bijvoorbeeld de beste chirurgische behandelingen, maar ook bij onderzoek voor eventuele nieuwe (medicamenteuze) behandelingen. Ook helpt een COS bij dataverzameling voor onderzoek om te onderscheiden welke patiënten een hoog risico hebben op ernstige complicaties.
Niet van toepassing.
Samen met patiënten en specialisten uit verschillende landen is besloten wat er minimaal gemeten moet worden in alle toekomstige CMN zorg en onderzoeken. Dit is in verschillende stappen uitgevoerd: er is gestart met een lange lijst met uitkomstmaten, deze uitkomstmaten zijn vastgesteld door middel van onderzoek binnen focusgroepen met CMN-patiënten en een systematische review (Fledderus et al 2020, 2019). Dit werd uitgevoerd aan de hand van een online e-Delphi studie en twee online consensus bijeenkomsten (Oei et al, 2020, Fledderus et al, 2021). De volgende kernuitkomstmaten zijn gekozen voor zorg: aantal satelliet naevi, kleur, textuur en grootte van de CMN, emotioneel lijden, aanwezigheid van een melanoom, neurologische symptomen, wond- en littekenproblemen (zie onderstaande figuur 1). Dezelfde kernuitkomstmaten voor onderzoek inclusief nog de kernuitkomstmaat: moleculaire karakteristieken (zie onderstaande figuur 1).
Aan de hand van een systematische review is gezocht welke meetinstrumenten er beschikbaar zijn voor deze uitkomstmaten voor CMN en wat de kwaliteit is van deze uitkomstmaten. Er zijn meerdere subjectieve en objectieve meetinstrumenten gebruikt voor deze kernuitkomstmaten in CMN patiënten. Er zijn echter onvoldoende validatiestudies om goede meetinstrumenten voor te kunnen stellen voor de kernuitkomstmaten. Door middel van validatiestudies en consensus procedures behoren er adequate meetinstrumenten gekozen te worden voor de kernuitkomstmaten (Fledderus et al, 2022).
Figuur 1. Kernuitkomstmaten voor zorg en onderzoek (Oei et al, 2020; Fledderus et al, 2021)
NB1: Deze figuur hoort bij de module ‘scoresystemen bij CMN’ van richtlijn ‘Congenitale melanocytaire naevi’. Lees altijd de overwegingen en aanbevelingen van de betreffende module voor nuances, eventuele afwijkende situaties en extra achtergrondinformatie.
NB2: Betrek de patiënt bij de besluitvorming.
Voor deze vraag is niet opnieuw systematisch naar wetenschappelijke literatuur gezocht. Binnen de GRADE-methodiek is het systematisch literatuuronderzoek gebaseerd op vergelijkend onderzoek, veelal gerandomiseerd onderzoek.
Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion. Voor de uitwerking is gebruik gemaakt van ondersteunende artikelen.
- Fledderus AC, Oei W, Korfage I, Eggen CAM, van der Horst CMAM, Spuls PI, Brinkmann SJH, Wolkerstorfer A, van Kessel M, Pasmans SGM. Protocol for the development of core set of domains of the core outcome set for patients with congenital melanocytic naevi (OCOMEN project). J Eur Acad Dermatol Venereol. 2020;34(2):267-273.
- Fledderus, A., Franke, C., Eggen, C., Van Etten-Jamaludin, F., Van Der Horst, C., Brinkmann, S., & Spuls, P. (2019). Outcomes and measurement instruments used in congenital melanocytic naevi research: A systematic review. Journal Of Plastic Reconstructive & Aesthetic Surgery, 73(4), 703–715. https://doi.org/10.1016/j.bjps.2019.11.023
- Oei W, Fledderus AC, Spuls PI, Eggen CAM, Kottner J, van der Horst CMAM, Wolkerstorfer A, van Kessel MS, Krengel S, Etchevers HC, Korfage IJ, Pasmans SGMA. Development of an international core domain set for medium, large, and giant congenital melanocytic naevi as a first step towards a core outcome set for clinical practice and research. Br J Dermatol. 2020. doi: 10.1111/bjd.19694.
- Fledderus, A. C., Pasmans, S. G. M. A., Wolkerstorfer, A., Oei, W., Etchevers, H. C., van Kessel, M. S., van der Horst, C. M. A. M., & Spuls, P. I. (2021). Domains and outcomes of the core outcome set of congenital melanocytic naevi for clinical practice and research (the OCOMEN project): part 2. The British journal of dermatology, 185(5), 970–977. https://doi.org/10.1111/bjd.20437.
- Fledderus AC, Boom T, Legemate CM, van der Horst CMAM, Spuls PI. Measurement instruments for the core outcome set of congenital melanocytic naevi and an assessment of the measurement properties according to COSMIN: a systematic review. JPRAS Open. 2022. doi: 10.1016/j.jpra.2022.11.003.
Niet van toepassing.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 19-05-2026
Beoordeeld op geldigheid : 19-05-2026
Algemene gegevens
Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers.
Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.
Doel en doelgroep
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Deze richtlijn is bedoeld voor medisch specialisten betrokken bij de zorg voor patiënten met congenitale melanocytaire naevi. Denk in ieder geval aan dermatologen, kinderartsen, neurologen, pathologen, plastisch chirurgen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, huidtherapeuten.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.
|
Werkgroepleden – herziening richtlijn CMN 2025 |
Vereniging |
|
S. G. M. A. Pasmans |
NVDV |
|
M.P. Dierselhuis |
NVK |
|
K. Boshuisen |
NVKN |
|
O. Lapid |
NVPC |
|
A. L. Mooyaart |
NVVP |
|
A. Zirar-Vroegindeweij |
LVMP |
|
C. J. A. van Eijsden |
NVDV |
|
A. C. Fledderus |
NVDV |
|
M. H. G. Dremmen |
NVvR |
|
A. J. M. J. Ebus |
V&VN VS |
|
E. C. Doganer |
Kind & Ziekenhuis |
|
M. van Kessel / E. Petiet |
NNN |
|
Ondersteuning werkgroep |
Vereniging |
|
W. A. M. Blokx (patholoog) |
NVVP |
|
H. B. Thio (dermatoloog) |
NVDV |
|
A. Wolkerstorfer (dermatoloog) |
NVDV |
|
M. M. Pleumeekers (plastisch chirurg) |
NVPC |
|
N. M. van der Lugt (Kinderarts) |
NVK |
|
S. M. Koudijs (kinderneuroloog) |
NVKN |
|
T. A. Teunissen (arts-onderzoeker NVDV) |
NVDV |
|
M. M. A. Verhoeven (senior beleidsadviseur NVDV) |
NVDV |
Belangenverklaringen
De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
|
Werkgroeplid |
Hoofdfunctie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Getekend op |
Acties (voorstel) |
|
S. G. M. A. Pasmans (voorzitter) |
Commissielid van meerdere adviesraden (zeldzame) huidaandoeningen en bestuurslid van ERNS, ESPD, Huidhuis.nl |
dermatoloog |
Geen |
Geen |
Wel, maar n.v.t. voor deze richtlijn |
Geen, maar automatisch meer zichtbaarheid bij professionals en patiënten |
Geen |
09-10-2023 |
|
|
M.P. Dierselhuis |
Kinderoncoloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
K. Boshuisen |
Kinderneuroloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
14-05-2024 |
|
|
O. Lapid |
Plastisch chirurg |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
A. L. Mooyaart |
Patholoog |
N.v.t. op deze richtlijn |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-05-2024 |
|
|
A. Zirar-Vroegindeweij |
GZ psycholoog
|
Docent bij PROSA kenniscentrum |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
C. J. A. van Eijsden |
Dermatoloog |
Lid domeingroep dermatochirurgie en lasers, kindermodule hyperhidrosis. Beide onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen, geeft wel maandelijks supervisie van naevus spreekuren |
Geen |
28-03-2024 |
Geen actie nodig |
|
A. C. Fledderus |
Schrijven aan richtlijn |
AIOS dermatologie MUMC Maastricht |
Geen |
Geen |
Onderzoek naar CMN kernuitkomstmaten wordt gefinancierd door stichting vrienden van het Sophia. |
Geen |
Geen |
05-02-2025 |
Geen |
|
M. H.G. Dremmen |
Erasmus MC, radioloog (kinderradioloog) |
Lid van meerdere richtlijn werkgroepen (vergoeding naar afdeling) Presentaties geven op cursussen / congressen / onderwijs (vergoeding naar afdeling) |
Geen |
Geen |
Lid van Generation R onderzoeksgroep, deels gefinancierd door ZonMw subsidie |
Geen |
Geen |
13-01-2026 |
Geen |
|
A. J. M. J. Ebus |
Verpleegkundig specialist VieCuri |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
13-01-25 |
|
|
E. C. Doganer |
Projectmanager/beleidsmedewerker |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
13-05-2024 |
|
|
M. van Kessel |
Bestuurslid patiëntenorganisatie NNN |
Inval leerkracht basisonderwijs |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
09-04-2024 |
|
|
E. Petiet |
Consultant bij Rebel Strong Society B.V. – Full time |
Bestuurslid bij NNN |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
10-04-2024 |
|
Inbreng patiëntenperspectief
Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting.
Reeds sinds de start van het richtlijntraject is de patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) zeer betrokken geweest bij de totstandkoming van deze richtlijn, door afvaarding van een bestuurslid in de werkgroep. Zij zijn in deze hoedanigheid tijdens het gehele richtlijntraject betrokken geweest, door actieve participatie tijdens werkgroepvergaderingen, en het aandragen van knelpunten die vanuit patiëntenperspectief van groot belang zijn, evenals het deelgenoot maken van lopende initiatieven in het veld. Nevus Netwerk Nederland heeft ook zijn fiat verleend aan de inhoud van de richtlijn.
Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst Raming |
Toelichting |
|
Scoresystemen |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven. |
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in de bijlagen per module.
Werkwijze
Agree
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.
Knelpuntenanalyse
In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerden van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar tabel 1.
Uitgangsvragen en uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Zoekverantwoording bij elke module.
Kwaliteitsbeoordeling individuele studies
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Samenvatten van de literatuur
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog
|
|
|
Redelijk
|
|
|
Laag
|
|
|
Zeer laag
|
|
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).
Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)
Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen, 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.
|
Kwaliteit |
Interventie |
Diagnostisch accuratesse-onderzoek |
Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose |
|
A1 |
Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau |
||
|
A2 |
Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang |
Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad |
Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten. |
|
B |
Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek) |
|
|
|
C |
Niet-vergelijkend onderzoek |
||
|
D |
Mening van deskundigen |
||
* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.
Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen, 2004).
|
Niveau |
Conclusie gebaseerd op |
|
1 |
Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2 |
|
2 |
1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B |
|
3 |
1 onderzoek van niveau B of C |
|
4 |
Mening van deskundigen |
Formuleren van de conclusies
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.
Indicatorontwikkeling
Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.
Kennislacunes
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlagen bij elke module).
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.
