Congenitale Melanocytaire Naevi (CMN)

Initiatief: NVDV Aantal modules: 33

MRI hersenen/ruggenmerg bij CMN en neurologische follow-up

Publicatiedatum: 19-05-2026
Beoordeeld op geldigheid: 19-05-2026

Uitgangsvraag

Bij welke patiënten is MRI van meerwaarde bij het opsporen van neurocutane melanocytose (NCM)?

 

Wordt een MRI hersenen/ruggenmerg aanbevolen bij de geboorte als uitgangswaarde bij patiënten in de risicoklasse 3? 

 

Wat zijn de behandelconsequenties?

Wat is de kosteneffectiviteit?

Aanbeveling

Onderstaande adviezen gelden voor kinderen tot de leeftijd van 18 jaar, bij volwassenen wordt op basis van kliniek gehandeld.

  • Verricht bij jonge kinderen met CMN in risicoklasse 3-5, in een centrum met CMN expertise, een screenende MRI van hersenen en wervelkolom, bij voorkeur vóór de leeftijd van 3 maanden en uiterlijk binnen 6 maanden, zonder anesthesie. Zie de toelichting in de overwegingen (screenende MRI).
  • Wanneer initieel screenend MRI onderzoek geen melanine deposities toont, kan vervolgens worden overgegaan tot klinische follow-up.
  • Overweeg om routinematig, het MRI onderzoek van hersenen en wervelkolom te herhalen indien de initiële MRI afwijkingen toont in het kader van neurocutane melanocytose (NCM), zie ook follow-up protocol in de overwegingen.
  • Indien een patiënt met CMN géén neurologische symptomen en geen CMN gerelateerde afwijkingen op de initiële MRI heeft, is standaard follow-up middels MRI-onderzoek niet aangewezen. De neurologische follow-up is leidend. Het beleid om eventuele afwijkingen op de MRI te vervolgen, dient primair gebaseerd te worden op het klinisch beeld.
  • Verricht bij patiënten met enige aanwijzing voor het bestaan van neurologische symptomen laagdrempelig een MRI onderzoek van hersenen én wervelkolom, inclusief series met contrasttoediening volgens follow-up protocol (zie overwegingen). Zie voor Algemene adviezen kindzorg onder het kopje bijlagen bij deze module.
  • Verwijs patiënten met spoed naar een kinderneurologisch centrum bij ernstige neurologische klachten, zoals tekenen van epilepsie, hersenzenuwuitval, verhoogde intracraniële druk of ruggenmergcompressie.
  • Het MRI onderzoek dient te worden beoordeeld in een centrum met expertise, in de context van de aandoening door een neuroradioloog/kinderradioloog die bekend is met NCM.
  • Er wordt geadviseerd neurologische follow-up te verrichten door een kinderneuroloog of kinderarts (geschoold in oriënterend neurologisch onderzoek) (zie hiervoor ook figuur 4. Standaard follow-up schema bij CMN (2025) uit de module Voorlichting en zelfmanagement).
  • Denk bij kinderen van alle leeftijden aan voorbereiding op het MRI onderzoek afgestemd op de leeftijd en aan adequate pijnstilling voor het infuus. Zie ook Algemene adviezen kindzorg onder het kopje bijlagen bij deze module.
  • Besteed ook aandacht aan de begeleiding van de patiënt en diens ouders bij de uitvoering van het MRI-onderzoek.

Overwegingen

Kwaliteit van het bewijs

Voor deze vraag is niet naar wetenschappelijke literatuur gezocht. Binnen de GRADE-methodiek is het systematisch literatuuronderzoek gebaseerd op vergelijkend onderzoek, veelal gerandomiseerd onderzoek. Het is niet aannemelijk dat onze uitgangsvraag met dit type onderzoek beantwoord kan worden, of dat dergelijk onderzoek in dit kader is verricht.

 

Professioneel perspectief

Wetenschappelijke onderbouwing

Voor de beeldvorming van neurocutane melanocytose is MRI-onderzoek van hersenen en wervelkolom de techniek van keuze. Contrasttoediening in de vorm van gadolinium (Gd) is hierbij waardevol gebleken, dit verhoogt de sensitiviteit voor het opsporen van afwijkingen (Kadanoga, 1991).

 

Indien er neurologische klachten zijn is beeldvormende diagnostiek van belang om te inventariseren wat de aard van de afwijking is en of er mogelijk therapeutische opties zijn. Om neurologische klachten te voorkomen is er toenemend bewijs dat screening in hoog risico patiënten van aanvullende waarde is voor vroege interventie en prognosticeren van het beloop.

 

Het nadeel van screenende beeldvorming is dat er afwijkingen gevonden kunnen worden, zonder dat er daadwerkelijk neurologische klachten zullen ontstaan: er is weinig goede literatuur hierover beschikbaar. Alikhan (2012) et al. beschrijven een spreiding van 10~68. Door kinderen in hoge risicoklassen te screenen verklein je de kans op onopgemerkte ontwikkeling van neurocutane melanocytose met potentieel ernstige gevolgen.

 

Middels MRI onderzoeken kunnen we antwoord geven op commentaar dat de werkgroep heeft op het artikel van Waelchli en Kinsler uit 2015. De auteurs nemen kinderen met duidelijke neurologische symptomen op in hun serie (die dus in feite geen “screenende MRI” maar een volledige follow-up MRI onderzoek) (Kinsler, 2015). Zij schrijven elke gevonden afwijking toe aan CMN/ neurocutane melanocytose (Waelchli, 2015). Er zijn geen therapeutische opties voorhanden bij asymptomatische MRI-bevindingen (Jakchairoongruang, 2018). Zij accepteren de grote aantallen onderzoeken die gedaan worden en geen afwijkingen laten zien, terwijl het gaat om voor kind en ouders (wachten op uitslag, eventuele onzekerheid op basis van uitslag) belastend en kostbaar onderzoek dat meestal onder narcose zal (moeten) plaatsvinden bij een jong kind (Fledderus, 2022). Een normale MRI is geen garantie dat zich in de toekomst geen neurocutane melanocytose zal ontwikkelen (Neale, 2022). Zij gaan er impliciet vanuit dat een beleid met “laagdrempelig scannen bij zorgen in verband met neurologische klachten” niet goed is, maar daar is geen enkel bewijs voor.

 

Screenende MRI

Bij jonge kinderen met CMN in risicoklassen 3-5 wordt geadviseerd om, in een centrum met CMN expertise, een screenende MRI van hersenen en wervelkolom te verrichten, bij voorkeur vóór de leeftijd van 3 maanden en uiterlijk binnen 6 maanden, zonder anesthesie.

 

Indien een MRI vóór de leeftijd van 6 maanden niet mogelijk is gebleken, wordt geadviseerd om bij kinderen van 6 maanden of ouder alsnog een MRI onder narcose te verrichten, bij voorkeur in een centrum met expertise in CMN. Hierbij dient het volledige screeningsprotocol, inclusief contrasttoediening, toegepast te worden. Dit maakt vergelijking met data van jongere kinderen mogelijk. Ook bij eventuele MRI-follow-up wordt contrasttoediening aanbevolen.

 

Op basis van MRI bevindingen zijn er 2 subgroepen te identificeren:

(1) patiënten met alleen intraparenchymateuze melanose (meest voorkomend), welke in het algemeen goedaardig verloopt, zelfs wanneer het symptomatisch is; en

(2) een hoogrisicogroep die vaak neurochirurgie nodig heeft op vroege kinderleeftijd, en mogelijk een hoger risico op overlijden door CNS-melanoom heeft.

 

Voorstel voor follow up (voorlopig tot de leeftijd van 18 jaar) na het initiële screenende MRI onderzoek in risicoklassen 3-5 is:

  • MRI onderzoek toont geen afwijkingen; wel formele neurologische follow-up, maar geen routinematige MRI follow-up.
  • MRI onderzoek toont afwijkingen; regelmatige formele neurologische follow-up en routinematige MRI follow-up.
  • Op indicatie kan de frequentie van MRI follow-up worden verhoogd. Bij stabiele MRI bevindingen kan de frequentie van MRI follow-up worden verlaagd op basis van inzicht van het behandelteam.

Advies t.a.v. scanprotocol

Hersenen

3DT1 gewogen sequentie voor en na toediening van gadoliniumhoudend contrast, axiale T2 gewogen sequentie, 3D SWI sequentie, 3DT2FLAIR sequentie na toediening van gadoliniumhoudend contrast

 

Wervelkolom (gehele wervelkolom tot en met caudale uiteinde van duraalzak)

Sagittale T1 gewogen sequentie voor en na toediening van gadoliniumhoudend contrast, sagittale T2 gewogen sequentie, axiale T1 gewogen sequentie (precontrast) met dikke coupedikte (t.b.v. screening). In geval van afwijkende bevindingen op de sagittale sequenties aanvullende gerichte detailopnames van deze regio’s.

 

Indien om technische redenen een MRI onderzoek met contrast niet mogelijk is, dan wordt geadviseerd om bovenstaande sequenties uit te voeren met uitzondering van de sequenties na toediening van gadoliniumhoudend contrast.

 

Overige overwegingen

Naast de voorgestelde screening van hoog risicopatiënten, adviseren we verwijzing met spoed bij duidelijke tekenen van neurocutane melanocytose zoals tekenen van verhoogde intracraniële druk, epilepsie, hersenzenuwuitval of ruggenmergcompressie. Dit geldt ook voor CMN klassen 1-2. Daarnaast dient men ook bij subtiele neurologische symptomen, zoals twijfels over de ontwikkeling van het kind, alert te zijn op het mogelijk ontstaan van symptomatische neurocutane melanocytose en is tijdige doorverwijzing naar een kinderneuroloog in een expertisecentrum aangewezen. Bovenstaande geldt voor patiënten van álle leeftijden. Zoals boven beschreven dient naast screenende MRI, bij CMN klassen 3-5 ook een kinderneurologisch onderzoek plaats te vinden alsmede kinderneurologische follow up. 

 

De werkgroep is van mening dat bovenstaand beleidsvoorstel het beste past binnen de Nederlandse gezondheidszorg in zijn algemeenheid. Dit neemt niet weg dat bij elke individuele patiënt de best passende, individuele keuze gemaakt dient te worden. Mogelijk dat met langere follow-up duur van dit cohort of andere studies ons inzicht verandert, maar op dit moment is dit volgens de werkgroep de juiste conclusie op basis van de huidige literatuur en de praktijk in Nederland.

 

Voor routing en follow-up zie de module ‘Organisatie van zorg bij CMN’.

 

Balans van gewenste en ongewenste effecten

Het verdient de voorkeur om het MRI onderzoek te verrichten vóór de leeftijd van 3 maanden en uiterlijk binnen 6 maanden, zonder anesthesie. Dit is vanwege het myeliniserende brein. Daarnaast kunnen kinderen jonger dan 6 maanden zonder narcose een MRI onderzoek ondergaan.

 

Het vroeg verrichten van een MRI vergroot de kans op betrouwbare detectie van melanotische afwijkingen en kan bijdragen aan vroegtijdige herkenning van risicopatiënten, wat van belang is voor prognostiek en eventuele interventies.

 

Daartegenover staat dat een MRI belastend kan zijn voor kind en ouders, zeker indien sedatie of narcose noodzakelijk is, of bij herhaald onderzoek. Er is bovendien een reëel risico op het vinden van asymptomatische afwijkingen waarvan de klinische relevantie onduidelijk is. Dit kan leiden tot onzekerheid of onnodige vervolgonderzoeken. Ook een normale MRI sluit het ontstaan van latere neurologische complicaties niet volledig uit.

 

De werkgroep weegt deze nadelen af tegen de potentieel ernstige gevolgen van gemiste of te laat ontdekte neurocutane melanocytose. Gezien de grote impact van een gemiste diagnose en het feit dat de indicatie beperkt blijft tot hoogrisicopatiënten (risicoklassen 3–5), acht de werkgroep de baten van vroege MRI-screening groter dan de mogelijke nadelen.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten

Patiënten (en hun ouders) hechten grote waarde aan een zorgvuldig en goed onderbouwd beleid rondom MRI-onderzoek bij CMN, met name op jonge leeftijd en in afwezigheid van neurologische klachten. Zij ervaren de impact van een MRI-onderzoek als aanzienlijk, mede vanwege de mogelijke sedatie of narcose, de ziekenhuisopname, reistijd en de bijbehorende zorgen. Ook herhaald (jaarlijks) MRI-onderzoek roept vragen op bij ouders, en dient daarom duidelijk gemotiveerd te worden.

 

De communicatie rondom het doel van het MRI-onderzoek en de interpretatie van de uitslag is voor patiënten cruciaal. Het is belangrijk dat zorgverleners uitleggen dat afwijkingen op MRI onderzoek niet per definitie pathologisch zijn, en dat het ontbreken van afwijkingen geen volledige uitsluiting van toekomstige complicaties garandeert. Onduidelijke of inconsistente communicatie over de betekenis van MRI-bevindingen heeft in het verleden geleid tot onterechte ongerustheid of juist een vals gevoel van geruststelling.

 

Patiënten willen dat MRI-uitslagen zorgvuldig worden besproken, bij voorkeur in overleg met een centrum met expertise. Zij waarderen het als behandelopties transparant en in samenwerking met gespecialiseerde centra worden afgestemd. Ook is er behoefte aan duidelijke afspraken over follow-up, tijdige verwijzing naar centra met expertise en eenduidige informatie, mede om te voorkomen dat perifere centra de complexiteit van neurocutane melanocytose onderschatten.

 

Tot slot vinden patiënten het essentieel dat in alle communicatie en voorlichting expliciet wordt erkend dat CMN en neurologische complicaties samen kunnen hangen. Eerdere ervaringen van ouders laten zien dat deze relatie regelmatig werd miskend, met als gevolg gemiste diagnoses van neurologische problematiek zoals epilepsie. Heldere, eerlijke en consistente communicatie draagt daarom direct bij aan vertrouwen en betere zorg.

 

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid

Het uitvoeren van een MRI van hersenen en wervelkolom bij jonge kinderen met CMN in risicoklassen 3 t/m 5 is binnen de Nederlandse zorgpraktijk haalbaar en aanvaardbaar, mits goed afgestemd met centra met expertise op het gebied van neurocutane melanocytose. MRI is een breed beschikbare en gestandaardiseerde beeldvormingstechniek. Voor kinderen jonger dan 4 maanden kan het onderzoek in veel gevallen zonder narcose plaatsvinden, wat de uitvoerbaarheid en aanvaardbaarheid vergroot. Bij kinderen tussen 4 maanden en 4 jaar is vaak sedatie of narcose nodig, wat aanvullende logistieke en personele inzet vergt.

 

De indicatiestelling zoals beschreven in deze module is bewust beperkt tot hoog risicopatiënten, waarmee onnodige belasting van kinderen en ouders, en onnodige zorgkosten worden voorkomen. MRI-onderzoek is kostbaar, maar de werkgroep acht de inzet gerechtvaardigd bij deze risicoklassen, gezien de mogelijke impact van neurocutane melanocytose op de neurologische ontwikkeling.

 

De implementatie van dit beleid vraagt om goede regionale afspraken en laagdrempelig intercollegiaal overleg met centra met expertise. De verwachting is dat dit beleid aansluit bij bestaande zorgstructuren, waarbij kinderneurologische expertise beschikbaar is. Voor de beoordeling van MRI-beelden is specifieke kennis van neurocutane melanocytose vereist; dit kan de inzet van gespecialiseerde neuroradiologen of kinderradiologen in centra met expertise noodzakelijk maken.

 

Therapietrouw is niet van toepassing op deze diagnostische interventie, maar acceptatie van het onderzoek door ouders kan verbeteren door goede uitleg over nut en mogelijke consequenties van het MRI onderzoek, inclusief heldere communicatie over wat afwijkende of normale bevindingen betekenen. Door het beperken van de indicatie tot hoog risicoklassen en het centraal stellen van gezamenlijke besluitvorming, acht de werkgroep dit beleid in de praktijk goed uitvoerbaar.

Onderbouwing

Neurocutane melanocytose (NCM) verwijst van oudsher naar de overmatige aanwezigheid van melanocytaire cellen in zowel de huid (‘cutaan’) als in het zenuwstelsel (‘neuro’). De melanocytaire cellen bevinden zich meestal in de hersenvliezen maar kunnen ook in het hersen- of ruggemergweefsel zelf zitten. De melanocytose kan nodulair of diffuus zijn. De term neurocutane melanocytose is in ontwikkeling en de werkgroep is zich ervan bewust dat deze in de toekomst mogelijk opnieuw gedefinieerd wordt. Hierover dient meer kennis te worden vergaard en is een kennislacune. Voor nu kiest de werkgroep ervoor de term neurocutane melanocytose te handhaven; de definitie en verdere toelichting zijn in de module opgenomen. Zie voor aanvullende informatie de module ‘Risico op neurocutane melanocytose (NCM)’.

 

De meest voorkomende CMN geassocieerde afwijkingen op het MRI onderzoek bij zowel asymptomatische- als prospectief verzamelde symptomatische patiënten, zijn foci van melanine-bevattende cellen in het hersenparenchym, ook wel melanose genoemd. Deze melanose kan secundair voorkomen aan invasieve maligne leptomeningeale ziekte of geïsoleerd (zonder betrokkenheid van de overliggende meningen). In het laatste geval wordt de melanine geproduceerd door neuronen en glia en niet door melanocyten, en is er sprake van een subtiele corticale dysplasie binnen deze laesies (Waelchli, 2015). Kinderen met een hogere CMN klasse hebben ook het risico op aanlegstoornissen van het brein en verschillende typen hersentumoren (Waelchli, 2015; Kinsler, 2015).

 

De richtlijn in 2016 verschilt van internationale literatuur met betrekking tot advies over uitvoeren van een MRI onderzoek. In Nederland werd er alleen een MRI onderzoek uitgevoerd als er sprake was van neurologische symptomen, gediagnosticeerd door een kinderneuroloog. Bij herziening van de richtlijn vinden wij echter dat screenend radiologisch onderzoek kan helpen bij voorspellen van het beloop van de neurocutane melanocytose. Het kan daarnaast van waarde zijn bij de diagnose melanoom ter onderscheiding van pre-existente laesies en hersenmetastasen.

 

Welch beschrijft dat bij kinderen met twee of meer CMN bij de geboorte, ongeacht de verwachte volwassen grootte of locatie van de grootste CMN, een MRI onderzoek uitgevoerd binnen het eerste levensjaar (bij voorkeur binnen de eerste 6 maanden, omdat myelinisatie het signaal voor melanine verdoezelt), de beste voorspeller is van psychomotorische ontwikkeling, epileptische aanvallen en de noodzaak van neurochirurgie op de kinderleeftijd. Vroege interventies verbeteren zorg voor deze kinderen. De werkgroep is van mening dat een MRI onderzoek alleen geïndiceerd is in risicoklassen 3-5. Voor risicoklassen 4 en 5 is bekend dat zij het grootste risico hebben op neurocutane melanocytose. Voor risicoklasse 3 is dat niet goed omschreven. Door deze groep mee te nemen in screening verzamelen we data om antwoord te kunnen geven of deze groep gescreend moet blijven worden. Er is ook onzekerheid over de vraag of de lokalisatie van een CMN het risico op het ontwikkelen van melanoom beïnvloedt. Beschikbare literatuur geeft hierover geen eenduidige conclusies. De werkgroep beschouwt dit daarom als een kennislacune en benadrukt de noodzaak van verder onderzoek om de rol van lokalisatie in het melanoomrisico beter te begrijpen.

Niet van toepassing.

Niet van toepassing.

Voor deze vraag is niet systematisch naar wetenschappelijke literatuur gezocht. Binnen de GRADE-methodiek is het systematisch literatuuronderzoek gebaseerd op vergelijkend onderzoek, veelal gerandomiseerd onderzoek. Het is niet aannemelijk dat onze uitgangsvraag met dit type onderzoek beantwoord kan worden, of dat dergelijk onderzoek in dit kader is verricht.

  1. Alikhan A, Ibrahimi OA, Eisen DB. Congenital melanocytic nevi: where are we now? Part I. Clinical presentation, epidemiology, pathogenesis, histology, malignant transformation, and neurocutaneous melanosis. J Am Acad Dermatol. 2012;67(4):495 e1-17; quiz 512-4.
  2. Fledderus AC, Widdershoven AL, Lapid O, Breugem CC, Pasmans SGMA, van der Horst CM, Engelen M.M, Spuls PI. Neurological signs, symptoms and MRI abnormalities in patients with congenital melanocytic naevi and evaluation of routine MRI-screening: systematic review and meta-analysis. Orphanet Journal of Rare Diseases 2022; 17(1):95.
  3. Jakchairoongruang K, Khakoo Y, Barkovich AJ. New insights into neurocutaneous melanosis. Pediatric Radiology 2018; Nov; 48(12): 1786–1796.
  4. Kadonaga JN, Frieden IJ. Neurocutaneous melanosis: definition and review of the literature. J Am Acad Dermatol. 1991;24(5 Pt 1):747-55.
  5. Kinsler VA. Spinoza lecture: Congenital melanocytic nevi. In: Academic Medical Center Amsterdam, 2015 Okt. (oral communication).
  6. Marla N. Jahnke, MD, Judith O’Haver, PhD, RN, CPNP-PC, Deepti Gupta, MD, Elena B. Hawryluk, MD, PhD, Nika Finelt, MD, Lacey Kruse, MD, Melinda Jen, MD, Kimberly A. Horii, MD,h Ilona J. Frieden, MD, Harper Price, MD, Carrie C. Coughlin, MD. Care of Congenital Melanocytic Nevi in Newborns and Infants: Review and Management Recommendations. PEDIATRICS Volume 148, number 6, December 2021.
  7. Neale H, Plumptre I, Belazarian L, Wiss K, Hawryluk EB. Central nervous system magnetic resonance imaging abnormalities and neurologic outcomes in pediatric patients with congenital nevi: A 10-year multi-institutional retrospective study. Journal of the American Academy of Dermatology 2022; Nov;87(5):1060-1068.
  8. Waelchli R, Aylett SE, Atherton D, Thompson DJ, Chong WK, Kinsler VA. Classification of neurological abnormalities in children with congenital melanocytic naevus syndrome identifies magnetic resonance imaging as the best predictor of clinical outcome. Br J Dermatol. 2015;173(3):739-50.

Niet van toepassing.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 19-05-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 19-05-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Landelijke vereniging Medische Psychologie
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Patiëntenfederatie Naevus Netwerk Nederland
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Pathologie
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Algemene gegevens

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers.

 

Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.

Doel en doelgroep

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. Deze richtlijn is bedoeld voor medisch specialisten betrokken bij de zorg voor patiënten met congenitale melanocytaire naevi. Denk in ieder geval aan dermatologen, kinderartsen, neurologen, pathologen, plastisch chirurgen, verpleegkundigen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, huidtherapeuten.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.

Werkgroepleden – herziening richtlijn CMN 2025

Vereniging

S. G. M. A. Pasmans

NVDV

M.P. Dierselhuis

NVK

K. Boshuisen

NVKN

O. Lapid

NVPC

A. L. Mooyaart

­­­NVVP

A. Zirar-Vroegindeweij

LVMP

C. J. A. van Eijsden

NVDV

A. C. Fledderus

NVDV

M. H. G. Dremmen

NVvR

A. J. M. J. Ebus

V&VN VS

E. C. Doganer

Kind & Ziekenhuis

M. van Kessel / E. Petiet

NNN

Ondersteuning werkgroep

Vereniging

W. A. M. Blokx (patholoog)

NVVP

H. B. Thio (dermatoloog)

NVDV

A. Wolkerstorfer (dermatoloog)

NVDV

M. M. Pleumeekers (plastisch chirurg)

NVPC

N. M. van der Lugt (Kinderarts)

NVK

S. M. Koudijs (kinderneuroloog)

NVKN

T. A. Teunissen (arts-onderzoeker NVDV)

NVDV

M. M. A. Verhoeven (senior beleidsadviseur NVDV)

NVDV

Belangenverklaringen

De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

Werkgroeplid

Hoofdfunctie(s)

Nevenfunctie(s)

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Acties (voorstel)

S. G. M. A. Pasmans (voorzitter)

Commissielid van meerdere adviesraden (zeldzame) huidaandoeningen en bestuurslid van ERNS, ESPD, Huidhuis.nl

dermatoloog

Geen

Geen

Wel, maar n.v.t. voor deze richtlijn

Geen, maar automatisch meer zichtbaarheid bij professionals en patiënten

Geen

09-10-2023

 

M.P. Dierselhuis

Kinderoncoloog

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

K. Boshuisen

Kinderneuroloog         

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

14-05-2024

 

O. Lapid

Plastisch chirurg

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

A. L. Mooyaart

Patholoog

N.v.t. op deze richtlijn

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-05-2024

 

A. Zirar-Vroegindeweij

GZ psycholoog

 

Docent bij PROSA kenniscentrum

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

C. J. A. van Eijsden

Dermatoloog

Lid domeingroep dermatochirurgie en lasers, kindermodule hyperhidrosis. Beide onbetaald

Geen

Geen

Geen

Geen, geeft wel maandelijks supervisie van naevus spreekuren

Geen

28-03-2024

Geen actie nodig

A. C. Fledderus

Schrijven aan richtlijn

AIOS dermatologie MUMC Maastricht

Geen

Geen

Onderzoek naar CMN kernuitkomstmaten wordt gefinancierd door stichting vrienden van het Sophia.

Geen

Geen

05-02-2025

Geen

M. H.G. Dremmen

Erasmus MC, radioloog (kinderradioloog)

Lid van meerdere richtlijn werkgroepen (vergoeding naar afdeling)

Presentaties geven op cursussen / congressen / onderwijs (vergoeding naar afdeling)

Geen

Geen

Lid van Generation R onderzoeksgroep, deels gefinancierd door ZonMw subsidie

Geen

Geen

13-01-2026

Geen

A. J. M. J. Ebus

Verpleegkundig specialist VieCuri

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-01-25

 

E. C. Doganer

Projectmanager/beleidsmedewerker

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-05-2024

 

M. van Kessel

Bestuurslid patiëntenorganisatie NNN

Inval leerkracht basisonderwijs

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

09-04-2024

 

E. Petiet

Consultant bij Rebel Strong Society B.V. – Full time

Bestuurslid bij NNN

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

10-04-2024

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiënt in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting.

 

Reeds sinds de start van het richtlijntraject is de patiëntenvereniging Nevus Netwerk Nederland (NNN) zeer betrokken geweest bij de totstandkoming van deze richtlijn, door afvaarding van een bestuurslid in de werkgroep. Zij zijn in deze hoedanigheid tijdens het gehele richtlijntraject betrokken geweest, door actieve participatie tijdens werkgroepvergaderingen, en het aandragen van knelpunten die vanuit patiëntenperspectief van groot belang zijn, evenals het deelgenoot maken van lopende initiatieven in het veld. Nevus Netwerk Nederland heeft ook zijn fiat verleend aan de inhoud van de richtlijn.

 

Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst Raming

Toelichting

MRI hersenen/ruggenmerg bij CMN en neurologische follow-up

Geen substantiële financiële gevolgen

Uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in de bijlagen per module.

Werkwijze

Agree

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.

 

Knelpuntenanalyse

In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerden van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar tabel 1. 

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden onder het kopje Zoekverantwoording bij elke module.  

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

GRADE

Definitie

Hoog

 

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

 

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

 

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

 

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).

 

Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)

Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen, 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse-onderzoek

Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek)

 

 

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen, 2004).

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Indicatorontwikkeling

Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie de bijlagen bij elke module).

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.

Volgende:
Behandeling bij CMN