Chronische posttraumatische anterieure schouderinstabiliteit

Initiatief: NOV Aantal modules: 11

Anamnese en klinisch onderzoek

Publicatiedatum: 17-02-2026
Beoordeeld op geldigheid: 17-02-2026

Uitgangsvraag

Welke anamnestische vragen en klinisch onderzoek dienen verricht te worden om het type schouderinstabiliteit te bepalen en zijn richtinggevend voor de behandeling bij chronische recidiverende anterieure/antero-inferieure (unidirectionele) posttraumatische (sub)luxaties van de schouder?

Aanbeveling

Krijg na de anamnese een idee over: het type instabiliteit, de richting en de impact van eventuele recidief (sub)luxaties en duidelijkheid over de sport-werk-activiteiten wens van de patiënt om toekomstige armbelasting te kunnen inschatten.

 

Krijg na de anamnese een idee welke diagnostiek en eventuele vervolgbehandeling moet plaatsvinden.

 

Sluit na anamnestisch onderzoek uit of er sprake zou kunnen zijn van posterieure, volontaire, multidirectionele instabiliteit.

  • traumatische anterieure/antero-inferieure instabiliteit;
  • volontaire, multidirectionele- of posterieure instabiliteit;
  • neurologische schade.

Overwegingen

Instabiliteit is een pathologische situatie van excessieve translatie van de humeruskop ten opzichte van de kom. De gradering van de instabiliteit kan variëren van een subluxatie tot een volledige luxatie. De begrippen dislocatie, (sub)luxatie, worden vaak door elkaar gebruikt. In deze richtlijn wordt gekozen om de termen luxatie en subluxatie te gebruiken (Alkaduhimi, 2021). Laxiteit is een fysiologische term die verwijst naar flexibiliteit van weke delen wat kan leiden tot hypermobiliteit van het schoudergewricht.

 

Naarmate het capsulolabrale complex door repeterende abductie/exorotatie bewegingen tijdens bovenhands sporten laxer wordt, kan een kleine impact beweging met lage energie ook een eerste luxatie veroorzaken. In sommige gevallen van een eerste luxatie is er reeds sprake van een pre-existente kapsellaxiteit, soms verworven en soms congenitaal. Middels de Stanmore classificatie kan onderscheid gemaakt worden in 3 verschillende vormen van schouder (sub)luxaties.

  • De traumatische vorm, Polar type 1 wordt besproken in deze richtlijn. Hierbij is er sprake van een grote impact met een hoge kans op structurele schade.
  • De niet -traumatische vorm, Polar type 2 en 3 wordt vaker gezien bij personen met aangeboren hypermobiliteit en/of verworven hypermobiliteit door bovenhandse activiteiten. Type 3 start meestal met voluntaire (vrijwillige) (sub)luxaties. Beide vormen (2 en 3) kunnen leiden tot afwijkingen in het bewegingspatroon. De typen 2 en 3 instabiliteit blijven buiten de scope van deze richtlijn.

De driehoeksvorm geeft ruimte voor tussen-classificaties om nuances te kunnen beschrijven. Bijvoorbeeld type 1-2, een traumatische eerste luxatie met kenmerken van verworven hypermobiliteit (Jaggi, 2010).

 

Figuur 1 Stanmore classificatie

Figuur 1. Stanmore classificatie (uit Jaggi, 2010)

 

Multidirectionele instabiliteit, posterieure (sub)luxatie en voluntaire instabiliteit (Type 3), blijven buiten de scope van deze richtlijn. Ook neurologische of ernstige aangeboren hypermobiliteit, zoals Ehler Danlos of Marfan syndromen zullen in deze richtlijn niet worden besproken.

 

Prognostische factoren recidief (sub)luxatie van de schouder

Ten aanzien van de prognostische factoren c.q. risicofactoren voor een recidief (sub)luxatie na eerste traumatische (sub)luxatie wordt verwezen naar de richtlijn acute primaire schouderluxatie. Jonge leeftijd en het mannelijk geslacht zijn belangrijke risicofactoren. Een begeleidende cuffruptuur of een tuberculum majus fractuur lijkt een beschermende factor te zijn t.a.v. het ontstaan van een recidief.

 

Anamnese

Na de anamnese heeft de zorgverlener een idee over de etiologie en aanleiding van de eerste traumatische luxatie, het aantal recidief luxaties, de aanleiding voor het recidief, de richting en de ernst van het recidief (volledige luxatie die gereponeerd moest worden of subluxatie die spontaan reponeerde). Daarnaast krijgt men een indruk over mogelijke neurologische uitval, cuff pathologie en/of tuberculum majus fractuur, angst voor bewegen, hypermobiliteit en het activiteitenniveau alsmede de wens voor terugkeer naar adl activiteiten, werk, sport, en hobby’s van de patiënt. De mate van intra-articulaire schade kan niet worden bepaald met anamnese en lichamelijk onderzoek. Hiervoor is aanvullende beeldvorming nodig, dit staat beschreven in de module beeldvorming bij schouderinstabiliteit.

 

Op basis van de anamnese en lichamelijk onderzoek kan ook het beleid niet worden vastgesteld, hiervoor is ook aanvullende beeldvorming noodzakelijk, zie hiervoor de module beeldvorming bij schouderinstabiliteit. Indien een patiënt geen operatieve ingreep wenst (hanteer hierbij de principes van samen beslissen) is aanvullende beeldvorming niet noodzakelijk en wordt gekozen voor een niet- operatieve behandeling (zie module Niet-operatieve behandeling).

 

Frequentie

  • Wanneer vond de eerste luxatie plaats?
  • Hoe vaak heeft er een (sub)luxatie plaatsgevonden en wat is de frequentie en het tijdsinterval tussen deze (sub)luxaties?
  • Hoe oud was de patiënt toen de eerste luxatie plaatsvond? (Olds, 2015)

Etiologie

Het uitvragen van het traumamechanisme, de positie van de arm tijdens de impact van het trauma zijn belangrijke indicatoren voor het bepalen van het type (sub)luxatie (zie inleiding en figuur 1 Stanmore classificatie). Bij een forse impact kan gedacht worden aan meer intra- of extra-articulaire schade. Bij minder forse impact kan de mogelijke oorzaak overbelasting of vermoeidheid, eenzijdige belasting, een nieuwe sporttechniek of materiaal veranderingen etc. zijn. Is er sprake van bekende gewrichtslenigheid of hypermobiliteit? Frequente enkel distorsies of luxaties in andere gewrichten, zijn klachten die kunnen wijzen op gegeneraliseerde hypermobiliteit.

 

Richting

De stand van de arm/schouder, hoe de repositie tot stand is gekomen, via welke manoeuvre of repositietechniek kan informatie geven over de richting van de (sub)luxatie. Belangrijk is te verifiëren of de schouder altijd op dezelfde manier, dezelfde richting, uit de kom gaat. Bij abductie, retroversie en exorotatie bewegingen van de bovenarm, is het waarschijnlijk dat het gaat over anterieure/ antero-inferieure schouder(sub)luxatie. Bij horizontale adductie endorotatie of axiale belasting is een posterieure luxatie meer voor de hand liggend.

 

Ernst

Of er sprake is geweest van een echte luxatie of een subluxatie is soms moeilijk te verifiëren tijdens de anamnese als er geen beeldvorming of SEH-bezoek is geweest. Ondanks dat er een spontane repositie heeft plaatsgevonden, kunnen er toch ossale veranderingen te zien zijn op beeldvorming, waardoor er duidelijkheid kan worden verkregen of er al dan niet sprake is geweest van een volledige luxatie (bijvoorbeeld bij een evidente Hill-Sachs laesie moet er sprake zijn geweest van een volledige luxatie).

 

Overige vragen

Neurologische uitval of neuropraxie kan voorkomen ten gevolge van de anterieure/antero-inferieure schouderluxatie. Symptomen van krachtsverlies, paresthesieën, ‘dead arm’, subjectieve zwakte, hypaesthesie, geven een indicatie voor mogelijk neurogeen letsel (Lorente, 2023). Cuffpathologie, vooral m. infraspinatus en m. subscapularis, is suspect bij patiënten boven de 40 jaar die persisterende pijn met krachtsverlies aangeven (Eibel, 2023).

 

Om een inschatting te maken over de te verwachten arm belasting voor die patiënt en de timing voor operatie, zal meer informatie verzameld moeten worden over activiteiten van het dagelijks leven, type werk, type sport en hobby’s.

  • Is de aangedane arm de dominante arm?
  • Is er sprake van arm belastend werk?
  • Is er sprake van een contactsport of een risicovolle sport?
  • Wat is het gewenste sportniveau, competitieverband en in welke fase van het seizoen zit de patiënt voor de timing van de behandeling?

Psychosociale factoren, zoals depressie en angst voor bewegen en het vermijden van activiteiten, geven mogelijk indicaties over de inschatting van de timing van operatie of de inzet van fysiotherapie. Het vermijden van activiteiten kan duiden op angst voor nieuwe luxaties of andere blessures en een voorspeller zijn voor het niet terugkeren naar sport (van Iersel, 2023; Weekes, 2019).

 

Ook is het indicatief om te vragen of de patiënt zijn schouder ooit zelf uit de kom kon duwen of trucjes met de arm kon als kind of jongvolwassene. Als deze vraag wordt bevestigd is de kans groot dat er sprake is van onderliggende multidirectionele instabiliteit (Polar 3).

 

Klinisch onderzoek

Het is van belang om los van de anamnese op basis van lichamelijk onderzoek te bepalen c.q. uit te sluiten of er sprake zou kunnen zijn van posterior of multidirectionele instabiliteit. Indien in een dergelijk geval een anterieure/antero-inferieure schouderstabilisatie wordt uitgevoerd is dit een belangrijk risico op falen van de ingreep. Houd rekening met hersteltijd indien de laatste (sub)luxatie recent is voorgevallen. Onderzoek beide schouders met de niet aangedane schouder als referentie en beoordeel vanaf posterieur zonder bovenkleding zodat het schouderblad goed zichtbaar is.

 

Basis klinisch onderzoek bestaat uit:

  • Inspectie: spier- en benige contouren, stand scapulae.
  • Bewegingsonderzoek; actieve en passieve beweeglijkheid, scapulothoracaal ritme, (McClure, 2009), kinesiofobie?
  • Rotatorcuff weerstandstesten; external rotation lag sign
  • Oriënterend neurologisch onderzoek: krachttest MSC Medical Research Council schaal 0 t/m 5 en sensibiliteit van de huidgebieden.

Instabiliteit en laxiteit testen:

Anterieure/antero-inferieure instabiliteit:

  1. Anterior apprehension test. Schouder in 90 graden abductie, 90 graden exorotatie en elleboog in 90 graden flexie. Er wordt een lichte exorotatiekracht uitgeoefend. De test is positief als de patiënt angst ervaart en de manoeuvre herkent als moment van (sub)luxatie (Rabin, 2024).
  2. Relocation/release test. Patiënt liggend, schouder in 90 graden abductie en exorotatie. Er ontstaat apprehension bij stap 1. Vervolgens wordt de humeruskop weer in positie gebracht door deze naar posterior te transleren. Patiënt voelt zich comfortabel. Schouder blijft in abductie/exorotatie. De test is positief als de patiënt na de release van de posterior kracht op de humeruskop opnieuw apprehension ervaart. (Lo, 2004; Eshoj, 2018)

Inferieure laxiteit

  1. Sulcus sign. Arm in 0 graden rotatie en 45 graden abductie. Lengtetractie aan arm waarna een sulcus/dimple ontstaat tussen humeruskop en acromion. Gradering van 0 tot 3. Graad 1+: subluxatie naar inferior < 1 cm. Graad 2+: 1-2 cm, Graad 3+: >2 cm subluxatie. Subluxatie bij 0 graden abductie is indicatief voor laxiteit van het rotator cuff interval. Subluxatie bij 45 graden abductie is indicatief voor laxiteit van het inferior glenohumerale ligamentaire complex.
  2. Gagey hyperabductie test. De patiënt zit en de onderzoeker brengt de arm in abductie. Indien de hyperabductie >105 graden is, scoort de test positief en zou indicatief kunnen zijn voor een Inferieur GlenoHumeraal Ligament letsel (IGHL) of Humeral Avulsion of Glenohumeral Ligament (HAGL). Test hierbij ook de andere zijde aangezien iemand van nature een gewrichtslaxiteit kan hebben. Ook als de Beighton score laag is kan er wel hyperlaxiteit in de schouder aanwezig zijn.

Posterior instabiliteit/ Posteroinferior labrumlaesie

Kim test: de patiënt zit met de rug richting de onderzoeker. De onderzoeker stabiliseert het schouderblad met een hand en houd de aangedane arm in 90 graden abductie en endorotatie. Dan voert de onderzoeker een longitudinale druk door de humerus via de elleboog en beweegt de arm naar horizontale adductie. De test is positief indien de patiënt een plotse posterieure pijn en/of een klik gevoel krijgt in de schouder (Kim, 2004; Morey, 2016).

 

Volontaire instabiliteit

Er is niet een specifieke test om voluntaire instabiliteit te testen. Indien in de anamnese bevestigend is geantwoord op de vraag over vrijwillige (sub)luxaties, vraag dan de patiënt dit eenmalig te demonstreren.

 

Gegeneraliseerde laxiteit/hypermobiliteit

Ondank dat de Beightonscore een slechte voorspellende waarde heeft voor het opsporen van abnormale schouder laxiteit is deze score toch indicatief om een idee te krijgen over gegeneraliseerde gewrichtslaxiteit. (Whitehead, 2018) Metacarpophalangeale hyperextensie beide pinken > 90 graden (2 punten), hyperextensie beide ellebogen (2 punten) en beide knieën (2 punten), mogelijkheid om beide duimen tot aan onderarm te brengen in hyperabductie (2 punten) en het kunnen plaatsen van beide platte handen op de grond met gestrekte knieën (1 punt). Indien de Beighton score gelijk of hoger dan 6/9 is dan is er sprake van gegeneraliseerde hyperlaxiteit/mobiliteit (Bockhorn, 2021).

 

Patient Reported Outcome Measurements (PROMS)

PROMS hebben beperkte diagnostische waarde voor traumatische anterieure/antero-inferieure recidiverende schouderinstabiliteit. Daarbij hebben ze geen invloed op het behandeladvies. Echter voor evaluatieve- of onderzoeksdoeleinden worden de Western Ontario Shoulderinstability Index (WOSI) en de Oxford Shoulder Instability Scale door de werkgroep geadviseerd.

Onderbouwing

Bij patiënten met chronische, recidiverende unidirectionele (anterieure of antero-inferieure) posttraumatische schouder(sub)luxaties vormt het bepalen van het type schouderinstabiliteit een essentieel uitgangspunt voor een gerichte en effectieve behandeling. Een juiste differentiaaldiagnose vereist zorgvuldige anamnese en specifiek klinisch onderzoek. Deze informatie is onder andere richtinggevend voor de keuze tussen niet-operatieve of operatieve behandelingsstrategieën. Het is echter onduidelijk welke anamnestische vragen en klinische testen het meest informatief en betrouwbaar zijn om het type en de ernst van de instabiliteit vast te stellen.

No systematic literature study was conducted to answer the above question, due to the nature of the question. The recommendations are based on the considerations described. These considerations were formulated by the guideline development panel, based on expert opinion and, where possible, supported by knowledge from textbooks and non-systematic literature research.

  1. Alkaduhimi H, Connelly JW, van Deurzen DFP, Eygendaal D, van den Bekerom MPJ. High Variability of the Definition of Recurrent Glenohumeral Instability: An Analysis of the Current Literature by a Systematic Review. Arthrosc Sports Med Rehabil. 2021 Apr 6;3(3):e951-e966. doi: 10.1016/j.asmr.2021.02.002. PMID: 34195665; PMCID: PMC8220632.
  2. Bockhorn LN, Vera AM, Dong D, Delgado DA, Varner KE, Harris JD. Interrater and Intrarater Reliability of the Beighton Score: A Systematic Review. Orthop J Sports Med. 2021 Jan 20;9(1):2325967120968099. doi: 10.1177/2325967120968099. PMID: 33786328; PMCID: PMC7960900.
  3. Dhir J, Willis M, Watson L, Somerville L, Sadi J. Evidence-Based Review of Clinical Diagnostic Tests and Predictive Clinical Tests That Evaluate Response to Conservative Rehabilitation for Posterior Glenohumeral Instability: A Systematic Review. Sports Health. 2018 Mar/Apr;10(2):141-145. doi: 10.1177/1941738117752306. Epub 2018 Jan 22. PMID: 29356622; PMCID: PMC5857733.
  4. Eibel A, Reddy RP, Hughes JD, Smith C, Popchak A, West R, Musahl V, Lesniak B, Lin A. Traumatic rotator cuff tears with concomitant shoulder dislocation: tear characteristics and postsurgical outcomes. J Shoulder Elbow Surg. 2023 Apr;32(4):842-849. doi: 10.1016/j.jse.2022.09.022. Epub 2022 Oct 25. PMID: 36307054.
  5. Eshoj H, Ingwersen KG, Larsen CM, Kjaer BH, Juul-Kristensen B. Intertester reliability of clinical shoulder instability and laxity tests in subjects with and without self-reported shoulder problems. BMJ Open. 2018 Mar 3;8(3):e018472. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018472. PMID: 29502086; PMCID: PMC5855406.
  6. Jaggi A, Alexander S. Rehabilitation for Shoulder Instability - Current Approaches. Open Orthop J. 2017 Aug 31;11:957-971. doi: 10.2174/1874325001711010957. PMID: 28979601; PMCID: PMC5611703.
  7. Jaggi A, Lambert S. Rehabilitation for shoulder instability. Br J Sports Med. 2010 Apr;44(5):333-40. doi: 10.1136/bjsm.2009.059311. PMID: 20371558.
  8. Kim SH, Park JS, Jeong WK, Shin SK. The Kim test: a novel test for posteroinferior labral lesion of the shoulder--a comparison to the jerk test. Am J Sports Med. 2005 Aug;33(8):1188-92. doi: 10.1177/0363546504272687. Epub 2005 Jul 6. PMID: 16000664.
  9. Kuhn JE. A new classification system for shoulder instability. Br J Sports Med. 2010 Apr;44(5):341-6. doi: 10.1136/bjsm.2009.071183. PMID: 20371559.
  10. Lo IK, Nonweiler B, Woolfrey M, Litchfield R, Kirkley A. An evaluation of the apprehension, relocation, and surprise tests for anterior shoulder instability. Am J Sports Med. 2004 Mar;32(2):301-7. doi: 10.1177/0095399703258690. PMID: 14977651.
  11. McClure P, Tate AR, Kareha S, Irwin D, Zlupko E. A clinical method for identifying scapular dyskinesis, part 1: reliability. J Athl Train. 2009 Mar-Apr;44(2):160-4. doi: 10.4085/1062-6050-44.2.160. PMID: 19295960; PMCID: PMC2657031.
  12. Morey VM, Singh H, Paladini P, Merolla G, Phadke V, Porcellini G. The Porcellini test: a novel test for accurate diagnosis of posterior labral tears of the shoulder: comparative analysis with the established tests. Musculoskelet Surg. 2016 Dec;100(3):199-205. doi: 10.1007/s12306-016-0422-3. Epub 2016 Sep 3. PMID: 27591779.
  13. Lorente A, Mariscal G, Barrios C, Lorente R. Nerve Injuries after Glenohumeral Dislocation, a Systematic Review of Incidence and Risk Factors. J Clin Med. 2023 Jul 7;12(13):4546. doi: 10.3390/jcm12134546. PMID: 37445581; PMCID: PMC10342334.
  14. Rutgers C, Verweij LPE, Priester-Vink S, van Deurzen DFP, Maas M, van den Bekerom MPJ. Recurrence in traumatic anterior shoulder dislocations increases the prevalence of Hill-Sachs and Bankart lesions: a systematic review and meta-analysis. Knee Surg Sports Traumatol Arthrosc. 2022 Jun;30(6):2130-2140. doi: 10.1007/s00167-021-06847-7. Epub 2022 Jan 6. PMID: 34988633; PMCID: PMC9165262.
  15. Rabin A, Chechik O, Olds MK, Uhl TL, Kazum E, Deutsch A, Citron E, Cohen T, Dolkart O, Bibas A, Maman E. The supine moving apprehension test-Reliability and validity among healthy individuals and patients with anterior shoulder instability. Shoulder Elbow. 2024 Feb;16(1):98-105. doi: 10.1177/17585732231170197. Epub 2023 Apr 18. PMID: 38435037; PMCID: PMC10902411.
  16. van Iersel TP, van Spanning SH, Verweij LPE, Priester-Vink S, van Deurzen DFP, van den Bekerom MPJ. Why do patients with anterior shoulder instability not return to sport after surgery? A systematic review of 63 studies comprising 3545 patients. JSES Int. 2023 Jan 20;7(3):376-384. doi: 10.1016/j.jseint.2023.01.001. PMID: 37266170; PMCID: PMC10229421.
  17. Weekes DG, Campbell RE, Shi WJ, Giunta N, Freedman KB, Pepe MD, Tucker BS, Tjoumakaris FP. Prevalence of Clinical Depression Among Patients After Shoulder Stabilization: A Prospective Study. J Bone Joint Surg Am. 2019 Sep 18;101(18):1628-1635. doi: 10.2106/JBJS.18.01460. PMID: 31567799.
  18. Whitehead NA, Mohammed KD, Fulcher ML. Does the Beighton Score Correlate With Specific Measures of Shoulder Joint Laxity? Orthopaedic Journal of Sports Medicine. 2018;6(5). doi:10.1177/2325967118770633.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 17-02-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 17-02-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
Geautoriseerd door:
  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Vereniging voor Sportgeneeskunde
  • Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland

Algemene gegevens

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodules is in 2022 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met schouderinstabiliteit.

 

Werkgroep richtlijn schouderinstabiliteit

  • Prof. Dr. M.P.J (Michel) Bekerom, orthopedisch chirurg OLVG en MC Jan van Gooijen, NOV – voorzitter richtlijnwerkgroep
  • Dr. J.J.A.M. (Jos) van Raaij, orthopedisch chirurg, niet praktiserend, NOV
  • Dr. O.A.J. (Olivier) van der Meijden, orthopedisch chirurg Albert Schweitzer Ziekenhuis, NOV
  • Dr. A.R. (Alex) Poublon, orthopedisch chirurg Ziekenhuis Gelderse Vallei, NOV
  • Dr. T.D.W. (Tjarco) Alta, orthopedisch chirurg Spaarne Gasthuis, NOV
  • Dr. R.J. (Robert Jan) Derksen, traumachirurg, Zaans Medisch Centrum, NVvH
  • MSc. F. (Femke) Boon, fysio-, manueel therapeut, extended scope specialist Schoudercentrum IBC, KNGF
  • MSc. K.M.C. (Karin) Hekman, fysio-, manueel therapeut, extended scope specialist, Schoudercentrum IBC, KNGF
  • Dr. I.D. (Iris) Kilsdonk, radioloog Deventer Ziekenhuis, NVvR
  • Dr. H.J. (Henk-Jan) van der Woude, radioloog OLVG, NVvR
  • Drs. H.K. (Rik) van der Kolk, sportarts OLVG, VSG
  • Mevr. drs. G. (Gerardine) Willemsen-de Mey, patiëntvertegenwoordiger Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland

Met ondersteuning van

  • Dr. J. (Jacqueline) Jennen, adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (tot december 2023)
  • Dr. F. (Floor) Willeboordse, senior adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Speciaisten (tot januari 2025)
  • Dr. M.S. (Matthijs) Ruiter, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf januari 2025)
  • MSc. D.G. (Dian) Ossendrijver, adviseur kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf december 2023)
  • Dr. M. (Michiel) Oerbekke, adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. J. (Jing) de Haan-Du, adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • E. (Esther) van Bijl, medisch informatiespecialist, kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.

 

Gemelde (neven)functies en belangen werkgroep

Naam

Hoofdfunctie

Neven

werkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Datum

Restrictie

Michel van den Bekerom (voorzitter)

Orthopedisch chirurg, OLVG, Amsterdam
Orthopedisch chirurg, OEC, Amsterdam
Hoogleraar, VU, Amsterdam

Betaald onderwijs geven bij/voor:
Orthopedisch Expertisecentrum Amsterdam, Nederlands paramedisch instituut, SOMT (University of Physiotherapy Master)
Onbetaald onderwijs op vele congressen/symposia

Geen

Geen

Onderzoek gesteund door: SECEC (European Society for surgery of the shoulder an the elbow), ZonMW, SNN (Smith and Nephew).

Het OLVG ontvangt financiële support voor een shoulder and elbow clinical and research fellowship van van Smith en Nephew. Dit fellowship wordt mede (financieel) ondersteund door een firma die materiaal maakt dat gebruikt wordt voor schouderstabilisaties. Het betreft een overeenkomst tussen het OLVG en de firma vanwege educatieve doeleinden.

Geen

Het OLVG is voornemens om een consultancy contract met zimmer/biomet op te stellen zodat ik op vraag elders kan opereren.

19-10-2022

Geen restricties

 

Jos van Raaij

Orthopedisch chirurg, Martini ziekenhuis Groningen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

11-07-2022

Geen restricties

Olivier van der Meijden

Orthopedisch chirurg
Albert Schweitzer ziekenhuis

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

28-09-2023

Geen restricties

Alexander Poublon

Orthopedisch chirurg met aandachtsgebied schouder

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

06-10-2023

Geen restricties

Tjarco Alta

Orthopedisch Chirurg
Spaarne Gasthuis

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

28-09-2023

Geen restricties

Karin Hekman

Fysiotherapeut bij Schoudercentrum IBC
Advanced Clinical Practitioner bij Medisch Centrum Jan van Goyen

Voorzitter Schoudernetwerk Nederland; onkostenvergoeding
Onderzoek schouderinstabiliteit; onbetaald, niet-gesubsidieerd

Ik behandel patiënten die schouderinstabiliteit hebben binnen het schoudercentrum en binnen MC Jan van Goyen, dit is de reden voor het plaatsnemen in deze expertise groep.

Geen

Geen

Het enige voordeel dat deelname aan deze richtlijn oplevert is nog meer persoonlijke expertise wat mogelijk leidt tot een verdieping van de fysiotherapeutische toepassingen bij schouderinstabiliteit. Dit is voor het SchouderNetwerk Nederland van primair belang en kan leiden tot uitdragen van kennis naar de regionale netwerken. Als voorzitter van deze stichting voel ik mij hier verantwoordelijk voor.

Geen

09-10-2023

Geen restricties

Femke Boon

Fysio- manueel therapeut en Extended Scope specialist bij Schoudercentrum IBC locatie Amstelland

- 2x/ maand elleboog-schouder orthopedie poli bij Medisch Centrum Jan van Goyen (betaald, gedetacheerd vanuit IBC)
- betrokken bij FMS richtlijn primaire anterieure schouderluxaties (betaald/ vacatiegelden van toepassing )
- Wetenschappelijk onderzoek gericht op inzet van PROMs bij rotator cuff gerelateerde pijn (onbetaald)
- betrokken in panel groups bij verschillende onderzoeken gericht op de schouder (onbetaald)

Werkzaam bij Schoudercentrum IBC Amstelland

Geen

Richtlijn ontwikkeling FMS primaire anterieure schouderluxaties

Geen

Geen

4-10-2023

Geen restricties

Iris Kilsdonk

Deventer Ziekenhuis
Radioloog

Bestuurslid NVvR, sectie muskuloskeletale radiologie

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

2-10-2023

Geen restricties

Robert Jan Derksen

Traumachirurg Zaans Medisch Centrum

Bestuurslid NVT
Voorzitter richtlijncommissie schouderluxaties
Course Director ATLS

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

28-08-2022

Geen restricties

Rik van der Kolk

Sportarts, OLVG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

10-08-2022

Geen restricties

Henk-Jan van der Woude

Radioloog Onze Lieve Vrouwe Gasthuis Amsterdam

Consulent Commissie voor Beentumoren, onbezoldigd

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

07-02-2023

Geen restricties

Inbreng patiëntenperspectief

De werkgroep besteedde aandacht aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van de Patiëntenfederatie Nederland en de Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland voor de knelpunteninventarisatie. Daarnaast nam een patiëntvertegenwoordiger van ReumaZorg Nederland deel aan de werkgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan Patiëntenfederatie Nederland en ReumaZorg Nederland en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt

 

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijnmodule voerde de werkgroep conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Anamnese en klinisch onderzoek

Geen financiële gevolgen

Uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven.

 

Werkwijze

Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling van deze richtlijn is hieronder weergegeven.

Volgende:
Beeldvorming bij schouderinstabiliteit