Pathologie onderzoek bij eenduidig- en niet eenduidig benigne afwijkingen
Uitgangsvraag
Wat is het optimale klinisch vervolgbeleid bij eenduidig- en niet eenduidig benigne afwijkingen van de mamma?
Aanbeveling
Eindoordeel: Sterke aanbeveling voor
Bij het bespreken van het klinisch vervolgbeleid van een benigne laesie is het belangrijk om de uitslag van het histologisch biopt altijd te correleren aan de kliniek en de beeldvorming
Bij het bepalen van het klinisch vervolgbeleid moet onderscheid gemaakt worden tussen eenduidig benigne laesies en niet-eenduidig benigne laesies. Bij de laatste categorie dient het relatieve risico op het ontwikkelen van een invasieve tumor het vervolgbeleid te bepalen.
Overwegingen
De aanbevelingen zijn gebaseerd op consensus binnen de multidisciplinaire werkgroep, aangevuld met beschikbare evidence uit de literatuur, internationale richtlijnen (onder andere EUSOMA en NCCN) en op praktijkervaring binnen Nederlandse expertisecentra.
In de literatuursamenvatting is de beschikbare literatuur over pathologisch onderzoek bij eenduidig en niet-eenduidig benigne afwijkingen beknopt weergegeven. Hieruit blijkt dat bij eenduidig benigne afwijkingen, mits radiologisch en pathologisch concordant, geen aanvullend onderzoek of behandeling nodig is. Bij niet-eenduidig benigne laesies bepaalt het relatieve risico op maligniteit de verdere aanpak, zodat mogelijke onderschatting van een kwaadaardige aandoening wordt voorkomen.
Balans tussen gewenste en ongewenste effecten
Er zijn geen gewenste en ongewenste effecten bij het beleid naar benigne afwijkingen.
Kwaliteit van bewijs
Er heeft geen systematisch literatuuronderzoek plaatsgevonden om de samenvattingen van de literatuur inclusief GRADE beoordeling een update te geven.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)
Er zijn geen specifieke waarden en voorkeuren van de patiënt, noch aanvullende gewenste of ongewenste effecten bij de diagnostiek naar benigne afwijkingen.
Gelijkheid ((health) equity/equitable)
De diagnostische mogelijkheden voor benigne borstafwijkingen leiden niet tot een toename of afname van gezondheidsgelijkheid aangezien deze diagnostische handelingen uniform worden toegepast ongeacht patiëntkenmerken zoals leeftijd, geslacht of sociaaleconomische status.
Aanvaardbaarheid
Ethische aanvaardbaarheid
De toegepaste diagnostische methoden lijken aanvaardbaar voor de betrokkenen. Er zijn geen ethische bezwaren.
Duurzaamheid
Duurzaamheidsaspecten spelen geen rol bij de diagnostiek naar benigne afwijkingen.
Haalbaarheid
De diagnostiek lijkt haalbaar. De diagnostische methoden zijn over het algemeen al standaardzorg in de praktijk.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Het vervolgbeleid van een benigne laesie moet altijd gebaseerd zijn op een correlatie tussen de kliniek, beeldvorming en histologische bevindingen. Dit voorkomt onnodige aanvullende diagnostiek bij eenduidig benigne laesies en minimaliseert de belasting voor de patiënt. Bij niet-eenduidig benigne laesies bepaalt het relatieve risico op maligniteit de verdere aanpak, zodat mogelijke onderschatting van een kwaadaardige aandoening wordt voorkomen.
Onderbouwing
Benigne laesies van de mamma geven een variabel risico op het ontwikkelen van een invasief carcinoom. In deze module wordt het beleid rondom de eenduidig benigne en niet-eenduidig benigne laesies die voorkomen in de mamma besproken.
Na cytologie, waarbij geen specifieke diagnose wordt verkregen of waarbij een proliferatieve laesie of atypie wordt vermoed, moet alsnog histologie worden verkregen.
De uitslag van een histologische biopsie moet steeds worden gecorreleerd aan de kliniek en de beeldvorming. Als sprake is van microcalcificaties is het voor de patholoog een vereiste dat de calcificaties nauwkeurig beschreven zijn met passende BI-RADS eindcategorie (Burnside, 2007) en dat er een specimenradiogram van de biopten is gemaakt. De accuratesse van de pathologie-uitslag ten aanzien van de aanwezigheid van maligniteit neemt toe bij aanwezigheid van voldoende calcificaties: een maligne diagnose werd bij biopten waarin zich calcificaties bevonden slechts in 1% gemist. Bij biopten waarin geen calcificaties te zien waren werd de diagnose in 11% gemist (p<0.001) (Johnson, 2009).
In een grote retrospectieve cohortstudie werden de relatieve risico’s op het ontwikkelen van borstkanker berekend voor 9.087 vrouwen met benigne borstafwijkingen, aan de hand van een follow-up periode van 15 jaar (mediaan). Het RR voor afwijkingen met atypie bedroeg 4,24 (95% CI 3,26-5,41). Het relatieve risico voor proliferatieve veranderingen zonder atypie bedroeg 1,88 (95%CI 1,66-2,12). De familiaire belasting was een onafhankelijke, additionele risicofactor. Het relatieve risico bij matig verhoogd risico bedroeg 1,43 (95% CI 1,15-1,75%) en bij sterk verhoogd risico 1,98 (95% CI 1,58-2,32) (Hartmann, 2005). Als gesproken kan worden van concordante benigne bevindingen bij een vrouw zonder additionele risicofactoren is het risico op een gemist carcinoom dus niet groter dan na diagnostische excisiebiopsie en niet groter dan in de algemene populatie.
Als bij asymptomatische of symptomatische patiënten sprake is van een BI-RADS 3-laesie (waarschijnlijk benigne), BI-RADS 4-laesie (waarschijnlijk maligne) laesie of BI-RADS 5-laesie (maligne), wordt bij een aanzienlijk deel van de BI-RADS 3-laesies en in principe bij alle BI-RADS 4- en 5-laesies een histologisch biopt verricht. Het is van groot belang dat het histologische biopt representatief is. Fout-positieve resultaten zijn ook mogelijk. Het beleid na biopten dient daarom altijd vastgesteld te worden na multidisciplinair overleg. De representativiteit van histologische biopten van mammografische afwijkingen met calcificaties moet worden gecontroleerd door middel van een specimen opname. Bij de diagnose (hooggradig) DCIS in een histologisch biopt is er een substantiële kans op invasief carcinoom bij excisie (ongeveer 25% in verschillende studies (Brennan 2011; Reiner 1988; Sim 2015)).
Eenduidig benigne pathologie-diagnose
Als de pathologie-diagnose eenduidig benigne is en overeenkomt met de kliniek en beeldvorming, is aanvullende diagnostiek of controle niet noodzakelijk. Eenduidig benigne pathologie-diagnoses zijn: hamartoom, fibroadenoom, tubulair adenoom, pleiomorf adenoom, benigne ductale hyperplasie, scleroserende lobulaire hyperplasie, fibro-cysteuze veranderingen, ductectasieën, apocriene metaplasie, pseudoangiomateuze stromahyperplasie, apocrien adenoom, cylindercellaesie, cylindercelhyperplasie, adenose, normaal of fibreus borstweefsel (Johnson, 2009; Hargaden, 2008).
Niet-eenduidig benigne pathologie-diagnose
Daarnaast zijn er pathologie-afwijkingen die gelden als een risicofactor voor de ontwikkeling van een maligniteit, evenals pathologie-afwijkingen die kunnen samengaan met DCIS in de directe nabijheid van de verkregen biopsie, waardoor de biopsie mogelijk niet representatief wordt geacht voor de gehele afwijking. Deze twee categorieën overlappen en de grootte van het risico is moeilijk vast te stellen, omdat de gepubliceerde series allemaal klein en retrospectief zijn.
Flat epithelial atypia (FEA)
Flat epithelial atypia (FEA) wordt gekenmerkt door één tot enkele cellagen mild atypische cilindercellen, vaak met apicale snouts. Het onderscheid tussen cilindercellaesies/hyperplasie en flat epithelial atypia kan gemaakt worden aan de hand van beschreven criteria (O’Malley, 2006). FEA geeft een zeer gering verhoogd risico op het ontstaan van invasief carcinoom (Said, 2015).
Atypische ductale hyperplasie (ADH)
ADH heeft een morfologie overeenkomstig aan laaggradig DCIS. Het wordt echter gediagnosticeerd op basis van een volumecriterium (gedeeltelijke inname van meerdere ducten; of uniforme inname van ducten, maar ≤ 2 mm extensie). Strikt genomen is het derhalve niet mogelijk om de diagnose ADH op basis van een naaldbiopt te stellen. Bovendien is er aanzienlijke interobserver variatie bij het diagnosticeren van ADH. ADH geeft een 3-5 maal verhoogd risico op het ontstaan van een invasief carcinoom (Hartman, 2005).
Lobulaire neoplasie (Atypische Lobulaire Hyperplasie en Lobulair Carcinoma in Situ)
Deze afwijkingen hebben meestal geen radiologisch substraat en kunnen daarom als toevalsbevindingen worden beschouwd. Het zijn meestal diffuse afwijkingen. Maligniteiten die optreden in de follow-up worden in ongeveer de helft van de gevallen in de contralaterale borst gezien, waardoor chirurgische behandeling lastig is. Deze laesies worden derhalve vooral beschouwd als een marker voor een verhoogd risico op borstkanker en worden in de regel niet geëxcideerd; in plaats daarvan wordt volstaan met mammografische controle.
Uitzonderingen waarbij wel excisie moet plaatsvinden zijn:
- Als ze voorkomen met macroacinaire (met vaak necrose) en pleomorfe morfologie.
- Als ze voorkomen in combinatie met mammografisch zeer suspecte microcalcificaties.
Ductaal Carcinoom In Situ (DCIS)
DCIS is een niet obligate precursor van invasieve borstkanker. De underestimate rate met betrekking tot invasieve groei bedraagt 10-38%. De kans neemt toe bij hooggradig DCIS, als comedo-necrose wordt gezien of als de afwijking gepaard gaat met een solide of palpabele component. De kans op een invasief carcinoom is bij laaggradig DCIS vergelijkbaar met een bij toeval gevonden LCIS. Voor gradering van DCIS wordt verwezen naar Borstkanker - Criteria DCIS - dd. invasief carcinoom - Richtlijn - Richtlijnendatabase (NABON/NIV, 2012a).
Papillaire laesies
Zowel bij solitaire papillomen als bij multipele papillomen of atypische papillomatose is sprake van een toegenomen frequentie ADH en maligniteit. De frequenties zijn hoger bij multipele papillomen en atypische papillomatose. Het risico bij een solitair papilloom kan worden onderschat omdat de core biopten door het gefragmenteerde weefsel moeilijk te beoordelen zijn en sprake kan zijn van sampling error. Als het papilloom tepeluitvloed veroorzaakt, is er een therapeutische reden voor chirurgische of ductoscopische excisie.
Solide papillair carcinoom en omkapseld papillair carcinoom kenmerken zich doordat er rondom de laesie geen myoepitheliale laag aanwezig is. Hierbij wordt aangenomen dat deze tumoren scherp begrensde indolente tumoren zijn die een prognose hebben die vergelijkbaar is met in situ carcinoom (Bhargava, 2011). Om deze reden worden deze geclassificeerd als in situ carcinoom. Sporadisch zijn metastasen beschreven. Soms worden overgangen naar een duidelijk invasief carcinoom gezien.
Complexe scleroserende laesie (radial scar)
De diagnose complexe scleroserende laesie (radial scar) kan met behulp van histologische biopten worden vastgesteld. Ondanks de suggestie in de literatuur dat complexe scleroserende laesies een verhoogd risico op invasief carcinoom geven is hiervoor geen bewijs. Het is bekend, dat deze afwijking geassocieerd kan zijn met invasief (tubulair) carcinoom of in situ carcinoom, met name bij oudere patiënten (>50 jaar) en bij grotere laesies (> 6mm).
Fibroepitheliale laesies
In zeldzame gevallen wordt in een fibroadenoom wel eens een LCIS, DCIS en zelfs invasief carcinoom beschreven (Kuijper, 2001). Dit heeft gezien de zeldzaamheid geen consequenties voor het beleid van een typisch fibroadenoom met concordante beeldvorming. Een aparte groep wordt gevormd door laesies met verdenking op phyllodestumor. Deze fibroepitheliale tumoren worden histologisch gekenmerkt door klonale overgroei van het stroma en worden geclassificeerd als benigne, borderline of maligne aan de hand van begrenzing, stromale celrijkdom, atypie en mitosen. Deze kenmerken spelen een rol bij de recidiefkans. Deze bedraagt gemiddeld 15%. Voor behandeling van phyllodestumoren wordt verwezen naar het hoofdstuk over phyllodes tumoren in de richtlijn Borstkanker (NIV, 2025).
Voor deze uitgangsvraag is geen systematische literatuuranalyse met GRADE uitgevoerd. De module is in 2025 geactualiseerd, omdat de eerdere versie niet meer aansloot bij de huidige dagelijkse praktijk en internationale richtlijnen. De aanbevelingen zijn opgesteld door de expertisegroep, op basis van consensus en praktijkervaring, aangevuld met relevante literatuur die door de clusterleden is ingebracht. Waar mogelijk wordt verwezen naar andere actuele richtlijnen, waarbij de literatuur uit die richtlijnen hier niet opnieuw systematisch is beoordeeld.
- 1 - Bhargava R, Esposito NN, Dabbs DJ. Intracystic papillary carcinomas of the breast are more similar to in situ carcinomas than to invasive carcinoma. Am J Surg Pathol. 2011 May;35(5):778-9; author reply 779-81. doi: 10.1097/PAS.0b013e3182142cf3. PMID: 21451361.
- 2 - Brennan ME, Turner RM, Ciatto S, Marinovich ML, French JR, Macaskill P, Houssami N. Ductal carcinoma in situ at core-needle biopsy: meta-analysis of underestimation and predictors of invasive breast cancer. Radiology. 2011 Jul;260(1):119-28. doi: 10.1148/radiol.11102368. Epub 2011 Apr 14. PMID: 21493791.
- 3 - Burnside ES, Ochsner JE, Fowler KJ, Fine JP, Salkowski LR, Rubin DL, Sisney GA. Use of microcalcification descriptors in BI-RADS 4th edition to stratify risk of malignancy. Radiology. 2007 Feb;242(2):388-95. doi: 10.1148/radiol.2422052130. PMID: 17255409.
- 4 - Elmore JG, Armstrong K, Lehman CD, Fletcher SW. Screening for breast cancer. JAMA. 2005 Mar 9;293(10):1245-56. doi: 10.1001/jama.293.10.1245. PMID: 15755947; PMCID: PMC3149836.
- 5 - Elston CW, Sloane JP, Amendoeira I, Apostolikas N, Bellocq JP, Bianchi S, Boecker W, Bussolati G, Coleman D, Connolly CE, Dervan P, Drijkoningen M, Eusebi V, Faverly D, Holland R, Jacquemier J, Lacerda M, Martinez-Penuela J, de Miguel C, Mossi S, Munt C, Peterse JL, Rank F, Reiner A, Sylvan M, Wells CA, Zafrani B. Causes of inconsistency in diagnosing and classifying intraductal proliferations of the breast. European Commission Working Group on Breast Screening Pathology. Eur J Cancer. 2000 Sep;36(14):1769-72. doi: 10.1016/s0959-8049(00)00181-7. PMID: 10974624.
- 6 - Hargaden GC, Yeh ED, Georgian-Smith D, Moore RH, Rafferty EA, Halpern EF, McKee GT. Analysis of the mammographic and sonographic features of pseudoangiomatous stromal hyperplasia. AJR Am J Roentgenol. 2008 Aug;191(2):359-63. doi: 10.2214/AJR.07.2479. PMID: 18647902.
- 7 - Hartmann LC, Sellers TA, Frost MH, Lingle WL, Degnim AC, Ghosh K, Vierkant RA, Maloney SD, Pankratz VS, Hillman DW, Suman VJ, Johnson J, Blake C, Tlsty T, Vachon CM, Melton LJ 3rd, Visscher DW. Benign breast disease and the risk of breast cancer. N Engl J Med. 2005 Jul 21;353(3):229-37. doi: 10.1056/NEJMoa044383. PMID: 16034008.
- 8 - Hartmann LC, Sellers TA, Frost MH, Lingle WL, Degnim AC, Ghosh K, Vierkant RA, Maloney SD, Pankratz VS, Hillman DW, Suman VJ, Johnson J, Blake C, Tlsty T, Vachon CM, Melton LJ 3rd, Visscher DW. Benign breast disease and the risk of breast cancer. N Engl J Med. 2005 Jul 21;353(3):229-37. doi: 10.1056/NEJMoa044383. PMID: 16034008.
- 9 - Johnson NB, Collins LC. Update on percutaneous needle biopsy of nonmalignant breast lesions. Adv Anat Pathol. 2009 Jul;16(4):183-95. doi: 10.1097/PAP.0b013e3181a9d33e. PMID: 19546607.
- 10 - Kunju LP, Kleer CG. Significance of flat epithelial atypia on mammotome core needle biopsy: Should it be excised? Hum Pathol. 2007 Jan;38(1):35-41. doi: 10.1016/j.humpath.2006.08.008. Epub 2006 Nov 13. PMID: 17095049.
- 11 - Kuijper A, Mommers EC, van der Wall E, van Diest PJ. Histopathology of fibroadenoma of the breast. Am J Clin Pathol. 2001 May;115(5):736-42. doi: 10.1309/F523-FMJV-W886-3J38. PMID: 11345838.
- 12 - Lee CH, Philpotts LE, Horvath LJ, Tocino I. Follow-up of breast lesions diagnosed as benign with stereotactic core-needle biopsy: frequency of mammographic change and false-negative rate. Radiology. 1999 Jul;212(1):189-94. doi: 10.1148/radiology.212.1.r99jl42189. PMID: 10405741.
- 13 - Lopez-Garcia MA, Geyer FC, Lacroix-Triki M, Marchió C, Reis-Filho JS. Breast cancer precursors revisited: molecular features and progression pathways. Histopathology. 2010 Aug;57(2):171-92. doi: 10.1111/j.1365-2559.2010.03568.x. Epub 2010 May 24. PMID: 20500230.
- 14 - Kunju LP, Kleer CG. Significance of flat epithelial atypia on mammotome core needle biopsy: Should it be excised? Hum Pathol. 2007 Jan;38(1):35-41. doi: 10.1016/j.humpath.2006.08.008. Epub 2006 Nov 13. PMID: 17095049.
- 15 - Lee CH, Philpotts LE, Horvath LJ, Tocino I. Follow-up of breast lesions diagnosed as benign with stereotactic core-needle biopsy: frequency of mammographic change and false-negative rate. Radiology. 1999 Jul;212(1):189-94. doi: 10.1148/radiology.212.1.r99jl42189. PMID: 10405741.
- 16 - Lopez-Garcia MA, Geyer FC, Lacroix-Triki M, Marchió C, Reis-Filho JS. Breast cancer precursors revisited: molecular features and progression pathways. Histopathology. 2010 Aug;57(2):171-92. doi: 10.1111/j.1365-2559.2010.03568.x. Epub 2010 May 24. PMID: 20500230.
- 17 - O'Malley FP, Mohsin SK, Badve S, Bose S, Collins LC, Ennis M, Kleer CG, Pinder SE, Schnitt SJ. Interobserver reproducibility in the diagnosis of flat epithelial atypia of the breast. Mod Pathol. 2006 Feb;19(2):172-9. doi: 10.1038/modpathol.3800514. PMID: 16424892.
- 18 - Reiner O, Wigderson M, Horowitz M. Structural analysis of the human glucocerebrosidase genes. DNA. 1988 Mar;7(2):107-16. doi: 10.1089/dna.1988.7.107. PMID: 3359914.
- 19 - Said SM, Visscher DW, Nassar A, Frank RD, Vierkant RA, Frost MH, Ghosh K, Radisky DC, Hartmann LC, Degnim AC. Flat epithelial atypia and risk of breast cancer: A Mayo cohort study. Cancer. 2015 May 15;121(10):1548-55. doi: 10.1002/cncr.29243. Epub 2015 Jan 13. PMID: 25639678; PMCID: PMC4424157.
- 20 - Sim YT, Litherland J, Lindsay E, Hendry P, Brauer K, Dobson H, Cordiner C, Gagliardi T, Smart L. Upgrade of ductal carcinoma in situ on core biopsies to invasive disease at final surgery: a retrospective review across the Scottish Breast Screening Programme. Clin Radiol. 2015 May;70(5):502-6. doi: 10.1016/j.crad.2014.12.019. Epub 2015 Jan 31. PMID: 25649441.
- 21 - Telli ML, Horst KC, Guardino AE, Dirbas FM, Carlson RW. Phyllodes tumors of the breast: natural history, diagnosis, and treatment. J Natl Compr Canc Netw. 2007 Mar;5(3):324-30. doi: 10.6004/jnccn.2007.0027. PMID: 17439760.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 17-06-2026
Beoordeeld op geldigheid : 17-06-2026
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Borstkanker bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroepledenhoofdstuk 4 Pathologie
- C.H. (Carolien) Smorenburg, Internist-Oncoloog, NIV (tot september 2025)
- B.E.P.J. (Birgit) Vriens, Internist-Oncoloog, NIV
- A.W.G. (Annette) van der Velden, Internist, NIV (vanaf juli 2025)
- H.J.G.D. (Desirée) van den Bongard, Radiotherapeut-Oncoloog, NABON/NVRO
- M.A.M. (Marc) Mureau, Plastisch chirurg, NVPC
- C. (Cristina) Guerreo Paez, Directeur, BVN
- C. (Christiaan) van Swol, Klinisch fysicus, NVKF
- F.H. (Frederieke) van Duijnhoven, Chirurg-Oncoloog, NVvH
- J.H. (José) Volders, Oncologisch chirurg, NVvH
Betrokken clusterexpertisegroepleden
- B. (Bert) van der Vegt, Patholoog, NVVP
- C.P.H. (Celien) Vreuls, Patholoog, NVVP
- C.H.M. (Carolien) van Deurzen, Patholoog, NVVP
- L.F.S. (Loes) Kooreman, Patholoog, NVVP
- F.H. (Frederiek) van Duijnhoven, Chirurg-Oncoloog, NVvH
- D.J.P. (Dominique) van Uden, Chirurg, NVvH
- C. (Carla) Meeuwis, Mammaradioloog, NVvR
- A.W.G. (Annette) van der Velden, Internist, NIV
- J.H. (John) Maduro, Radiotherapeut-Oncoloog, NVRO
- H. (Helma) Dollevoet, Patiëntvertegenwoordiger, BVN
Met ondersteuning van
- S.N. (Sarah) van Duijn, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2024)
- J. (Joppe) Tra, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2023-2024)
- M.A. (Margreet) Pols, adjunct directeur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2024-2025)
- L.C. (Lotte) Houtepen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf 2025)
- E. (Eline) de Heus, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
- M. (Michiel Oerbekke, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
- J. (Joline) Rohof, junior adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden vindt u in onderstaande tabel. Alle clusterleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Belangrijk om te benoemen dat:
- Clusterleden werken niet als enige inhoudsdeskundige aan de module;
- Een clusterlid werkt tenminste samen met een ander clusterlid met een vergelijkbare expertise in alle fasen (zoeken, studieselectie, data-extractie, evidence synthese, Evidence-to-decision, aanbevelingen formuleren) van het ontwikkelproces. Indien nodig worden clusterleden toegevoegd aan het cluster;
- In alle fasen van het ontwikkelproces is een onafhankelijk methodoloog betrokken;
- Overwegingen en aanbevelingen worden besproken en vastgesteld tijdens een clustervergadering onder leiding van een onafhankelijk voorzitter.
Wellicht ten overvloede willen wij erop wijzen dat medisch specialistische richtlijnen niet worden vastgesteld door de betreffende richtlijnwerkgroep maar door de besturen/ledenvergadering van de betrokken verenigingen.
De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Clusterstuurgroepleden
|
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
|
|
Birgit Vriens |
Internist-oncoloog Catherinaziekenhuis Eindhoven |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Afgelopen jaren (2021-2022-2023) een sprekersvergoeding van Novartis ontvangen. |
|
Annette van der Velden
|
Internist-oncoloog |
Kaderarts palliatieve zorg |
nvt |
nvt |
nee |
nee |
nee |
|
Desiree van den Bongard |
Radiotherapeut-oncoloog, Amsterdam UMC |
Lid NABON bestuur (onbetaald) |
Geen |
Geen |
KWF/ Pink Ribbon - Eenmalige hoge dosis radiotherapie mammacarcinooom (ABLATIVE project, 2013 en 2020) - Projectleider; VARIAN grant voor Adaptive Radiotherapy in Breast Cancer patiënts (BREAST-ART, 2020) - Projectleider. |
Geen |
Lid landelijke werkgroep hypofractionering mammacarcinoom |
|
Marc Mureau |
Plastisch chirurg, Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam |
Maatschapslid AZR>SFG, werkzaamheden als plastisch chirurg (betaald) |
Geen |
Geen |
Polytech Health & Asethetics GmbH - Long-term results of breast reconstruction with polyurethane covered implants: a multicenter randomized controlled trial - Projectleider (Afgerond) |
Geen |
Geen |
|
Cristina Guerreo Paez |
Directeur Borstkanker Vereniging Nederland |
Lid Raad van Toezicht SPL te Leiden (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Als patiëntenorganisatie leveren wij vanuit partïëntenperspectief advies aan. Persoonlijk ben ik alleen betrokken bij het Covid consorium waar we onderzoek doen naar Covid en Borstkanker. Trekker is IKNL (geen rol als projectleider). |
Boegbeeldfuncties patiëntenorganisatie |
Wij ontvangen van de farmacie gelden voor specifieke projecten op het gebied van informatievoorziening en/of lotgenotencontact. Deze zijn multisponsored en worden altijd opgenomen in het transparantieregister. |
|
Christiaan van Swol |
* Klinisch Fysicus, St. Antonius Ziekenhuis (0,9 fte) |
Voorzitter Bestuur Stichting Opleiding Klinische Fysica - onbetaald. Zie www.stichtingokf.nl |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Frederieke van Duijnhoven |
Chirurg-oncoloog, Nederlands Kanker Instituut / Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis |
* European Organization for Research and Treatment of Cancer, secretary of the Breast Cancer Group |
Geen |
Geen |
* Innovatiefonds Zorgverzekeraars - Towards omitting breast surgery in patiënts with a complete response to neoadjuvant chemotherapy - biopten past NAC ter evaluatie respons onderzoek inmiddels afgerond- Geen projectleider, co-PI |
In antwoord op deze vraag moet ik vermelden dat ik als arts ook betrokken ben bij de patiëntenvereniging voor Phyllodes tumoren van de borst, wat 1 van de geformuleerde knelpunten vanuit onze beroepsvereniging is. Medisch-inhoudelijk voel ik daarbij absoluut geen persoonlijk intellectueel belang |
Geen |
|
Carolien Smorenburg |
* Internist-oncoloog Antoni van Leeuwenhoek (0,9 fte - betaald) |
Lid Bestuur gasthuis Antoni van Leeuwenhoek (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
In 2018 een vergoeding van €1307,00 ontvangen van Pfizer ivm congres. |
|
José Volder s |
Oncologische chirurg |
* Bestuurslid werkgroep Mammachirurgie NVCO - onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Betrokken clusterexpertisegroepleden
Tabel 1 Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
|
Bert van der Vegt |
Patholoog, Universitair Medisch Centrum Groningen |
* Patholoog, Academisch Borstcentrum Groningen, Martini Ziekenhuis Groningen (detachering) |
DEKRA, extern adviseur |
Nee |
* GE Healthcare - Digital spatial profiling of metastatic breast cancer - Projectleider |
Nee |
Nee |
|
Celien Vreuls |
patholoog, UMC Utrecht |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Dominique van Uden |
chirurg-oncoloog CWZ te Nijmegen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Carla Meeuwis |
Mammaradioloog Ziekenhuis Rijnstate
|
NABON werkgroep standaardisatie verslaglegging (onbetaald) |
Geen |
Geen |
1. SENO medical - Echografie gecombineerd met laeserlicht voor de diagnostiek bij verdachte massa's in de borst (Projectleider) |
Geen |
Geen |
|
John Maduro |
Radiotherapeut oncoloog, Universitaire Medisch Centrum Groningen en Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie |
Bestuur BOOG, onbetaald. |
Geen |
Geen |
1. EU - HARMONIC, gevolgen straling bij kinderen (Geen projectleider) |
Geen |
Geen |
|
Helma Dollevoet |
Belangenbehartiger Borstkankervereniging Nederland. Tijdelijke waarneming voor een openstaande FTE. Waarschijnlijk tot oktober 2025. |
Eigenaar van creatief bureau paars. Momenteel ook projectmanager voor herziening website Zeldzame bloedziekten patiëntenorganisatie. Zie evt.: https://creatiefbureaupaars.nl/ |
geen |
Nee |
Neem momenteel niet deel aan extern gefinancierd onderzoek |
Belangenbehartiging voor een specifieke doelgroep: Nederlandse patiënten met borstkanker en hun naasten. |
Zover ik weet niet. |
|
Loes Kooreman |
Maastricht Universitair Medisch Centrum, patholoog, afdelingshoofd a.i. |
Het ziekenhuis ontvangt een vergoeding voor gynaecologisch onderwijs, welke ik geef. |
geen |
geen |
geen |
Ik doe onderzoek naar borstkanker en lymfklieren. Op dit moment heb ik geen artikelen waar ik naar kan verwijzen, wel ben ik een artikel aan het afronden naar het verschil tussen cytologie en histologie van de lymfklier met landelijke PALGA data. Mocht dit wel eerder gepubliceerd zijn, dan kunnen we opnieuw in overleg. |
geen |
|
Calorien van Deurzen |
Patholoog Erasmus MC |
geen |
geen |
geen |
*Astrazeneca: HER2-low,projectleider. |
geen |
geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiënten perspectief door deelname van Borstkankervereniging Nederland.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Beleid bij eenduidig- en niet eenduidig benigne afwijkingen |
Geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet of het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.