Alopecia areata

Initiatief: NVDV Aantal modules: 8

Medicamenteuze behandeling bij kinderen

Publicatiedatum: 21-09-2026
Beoordeeld op geldigheid: 21-09-2026

Uitgangsvraag

Hoe kan alopecia areata bij kinderen worden behandeld?
a. In het geval van milde alopecia areata (SALT score <50)

b. In het geval van ernstige alopecia areata (SALT score ≥50 )

Aanbeveling

Algemeen

  • Bespreek met het kind, en waar van toepassing met de ouders, de:
    • acceptatie van AA;
    • mogelijkheid om een expectatief beleid te voeren;
    • verschillende conservatieve behandelingen (zie module Conservatief beleid);
    • verschillende behandelopties en het mogelijk onvoorspelbare beloop tijdens en na de medicamenteuze behandeling.
  • Neem de leeftijd, ontwikkeling en de wens van het kind mee in de overweging van alle behandelvormen.
  • Definieer behandeldoelen doormiddel van 'samen beslissen'. Zie de algemene inleiding voor overwegingen omtrent samen beslissen.
  • Raadpleeg het kinderformularium voor de juiste doseringen van de medicamenteuze therapie.
  • Monitor bij iedere behandeling de ziekteactiviteit (zie ook de module Classificatie), bijwerkingen en behandelwensen van patiënt, en pas hier toekomstige therapie op aan.
  • Zie voor een overzicht van de verschillende behandelopties het flowdiagram 'Overzicht medicamenteuze behandelingsmodaliteiten bij kinderen en volwassenen met AA'.

Disclaimer: voor de effectiviteit van de behandelopties die hieronder beschreven worden, geldt, met uitzondering van de JAK-remmers, een lage tot zeer lage bewijskracht. De behandelaar dient samen met de patiënt de afweging te maken of het onvoorspelbare resultaat van de behandeling die overwogen wordt, opweegt tegen de bijwerkingen en eventueel benodigde monitoring.

 

Definities classificatie: Milde AA = SALT <50, ernstige AA = SALT ≥50 (zie ook module Classificatie).

 

Lokale therapie

  • Overweeg een lokale klasse III corticosteroïden bij kinderen van 1 jaar en ouder met milde of ernstige AA als eerste keus medicamenteuze behandeling. Dit kan ook als aanvulling worden toegepast bij systemische therapie bij kinderen van 6 jaar en ouder met ernstige AA. Overweeg een intermitterend schema bij langdurig gebruik om bijwerkingen te voorkomen.
  • Overweeg calcipotriol of topicale minoxidil als aanvulling op andere lokale therapie bij kinderen van 2 jaar en ouder met milde AA. Dit kan ook als aanvulling worden toegepast bij systemische therapie bij kinderen van 6 jaar en ouder met ernstige AA.
  • Overweeg DPCP te starten bij kinderen van 6 jaar en ouder met milde AA. Tijdens deze behandeling dient behandeling middels topicale corticosteroïden gestaakt te worden.

Intralesionale therapie (0 t/m 11 jaar)

  • Pas in principe geen intralesionale therapie toe. Zie het ‘Professioneel perspectief’ voor een nadere toelichting.

Intralesionale therapie (≥12 jaar)

  • Overweeg intralesionaal triamcinolonacetonide bij adolescenten van 12 jaar en ouder met milde AA. Zie het ‘Professioneel perspectief’ voor een toelichting op de dosering en behandelduur.

Systemische therapie (0 t/m 5 jaar)

  • Pas in principe geen systemische therapie toe. Zie het ‘Professioneel perspectief’ voor een nadere toelichting.

Conventionele systemische therapie (≥6 jaar)

  • Overweeg systemische therapie toe te passen bij kinderen van 6 jaar en ouder met milde tot ernstige AA, zeker wanneer er sprake is van een hoge ziektelast. Zie het ‘Professioneel perspectief’ voor een toelichting op de dosering en behandelduur.
  • Overweeg bij snel progressieve ziekte, waarbij AA totalis of universalis dreigt, een systemisch corticosteroïd of ciclosporine, boven methotrexaat.

Conventionele systematische therapie (niet in volgorde van voorkeur):

    • Ciclosporine oraal
    • Methotrexaat
    • Prednisolon pulse oraal
  • Overleg bij voorkeur met een kinderarts-immunoloog alvorens de behandeling wordt gestart.

Conventionele systemische therapie (≥12 jaar)

  • Overweeg systemische therapie toe te passen bij adolescenten van 12 jaar en ouder met milde tot ernstige AA, zeker wanneer er sprake is van een hoge ziektelast. Zie het ‘Professioneel perspectief’ voor een toelichting op de dosering en behandelduur.
  • Overweeg bij snel progressieve ziekte, waarbij AA totalis of universalis dreigt, een systemisch corticosteroïd of ciclosporine, boven methotrexaat.

Conventionele systemische therapie (niet in volgorde van voorkeur):

    • Ciclosporine oraal
    • Methotrexaat als monotherapie of als onderhoud ter aanvulling op inductietherapie middels prednisolon pulse oraal, triamcinolonacetonide i.m. of intralesionale therapie
    • Triamcinolonacetonide intramusculair als inductietherapie of onderhoudstherapie
    • Prednisolon pulse oraal
  • Overleg bij voorkeur met een kinderarts-immunoloog alvorens de behandeling wordt gestart.

JAK-remmers (12 jaar)

  • Bespreek met de patiënt met ernstige AA de mogelijkheid tot behandeling middels baricitinib of ritlecitinib, mits aan de voorwaarden in het ‘Professioneel perspectief’ is voldaan.
  • Neem voor het starten met een JAK-remmer de overwegingen zoals beschreven in het ‘Professioneel perspectief’ in acht. Daarin wordt een nadere toelichting op de voorwaarden, dosering, screening, monitoring en speciale overwegingen (zoals vaccinatieadviezen) beschreven.

Overwegingen

Kwaliteit van bewijs
Over het algemeen was de bewijskracht van de studies omtrent de effectiviteit op de hergroei van haar laag. Mede doordat er per uitkomstmaat veelal naar een beperkte studiepopulatie werd gekeken (een enkele studie of meerdere studies met beperkte omvang). De studies naar de JAK-remmer ritlecitnib vormt hierop een uitzondering (King, 2023). Andere punten waarvoor veelvuldig, maar onderbouwd, is afgewaardeerd tijdens de GRADE analyse zijn een laag aantal geïncludeerde kinderen, heterogeniteit binnen de studiepopulatie (op basis van ernst AA en leeftijd), geen placebogroep, het niet benoemen van betrouwbaarheidsintervallen of de beschrijvende (deels overlappende) brede betrouwbaarheidsintervallen en als er geen studieprotocol beschikbaar was. Er is voor gekozen om niet af te waarderen wanneer er niet dubbel geblindeerd werd, omdat we niet verwachten dat dit een groot effect heeft op de uitkomstmaat.

 

De aanbevelingen in deze module zullen, door eerder genoemde limitaties van de literatuur, mede gebaseerd worden op expert opinion. Door het ontbreken van goed uitgevoerde vergelijkende studies, is het voor de werkgroep niet altijd mogelijk om een duidelijke uitspraak te doen over de voorkeursbehandeling.

 

Balans van gewenste en ongewenste effecten

AA is moeilijk te behandelen en er zijn weinig RCT’s met voldoende deelnemers verricht voor de medicamenteuze behandeling, in het bijzonder bij kinderen. Gezien spontane remissie vaak optreedt bij patiënten met milde AA van korte duur (<1 jaar), is deze patiëntengroep in het bijzonder met goede uitleg mogelijk afdoende gebaat. Indien gekozen wordt geen behandeling te starten, is het belangrijk te benoemen dat hergroei van haar niet te verwachten is binnen 3 maanden na het ontstaan van iedere individuele alopetische areaal. Bij kinderen met chronische en ernstige AA is de prognose in het bijzonder slecht, waardoor goede counseling is aangewezen (zie ook hieronder en de module Conservatief beleid). Negatief prognostische factoren zijn onder andere: vroege aanvangsleeftijd, ernstige ziekte, langdurige ziekte, ophiasis type en nagelafwijkingen passend bij AA. Gezien de prognose voor de individuele patiënt echter lastig te voorspellen is, blijft gezamenlijke besluitvorming van groot belang.

 

Het is belangrijk om zowel de positieve als negatieve aspecten van een actieve behandeling af te wegen. Sommige patiënten reageren goed op behandeling, echter kan behandeling oncomfortabel zijn, tijdrovend en ongewenste bijwerkingen geven. Bij kinderen dient in het bijzonder ook rekening gehouden te worden met prikangst. Ook is het belangrijk te realiseren dat aanvang van de ziekte op kinderleeftijd geassocieerd is met een slechtere prognose en dat de ziekte in het bijzonder bij kinderen een grote impact kan hebben op het psychosociaal welzijn. Deze bevindingen kunnen de keuze voor zowel het ingaan als afzien van een medicamenteus behandeltraject ondersteunen. Enerzijds valt te beargumenteren dat de psychische impact van de ziekte en de slechtere prognose bij kinderen juist redenen vormen om sneller over te gaan tot medicamenteuze behandelingen, ondanks de beperkte bewijskracht voor de effectiviteit ervan. Een behandelrespons zou immers een positief effect kunnen hebben op het psychosociaal welzijn en hopelijk het beloop ten gunste beïnvloeden. Anderzijds zou de sociale verstoring door het behandeltraject en de toegenomen aandacht bij het kind op de haarziekte door de actieve behandeling, mogelijk juist negatieve impact hebben op het psychosociaal welzijn. Dit is zeker het geval wanneer behandelresultaten tegenvallen of wanneer terugval optreedt na initieel succesvolle therapie. Kinderen zijn hier mogelijk vatbaarder voor dan volwassenen. Hierop valt weer te zeggen dat sommige patiënten juist dankbaar zijn dat er behandelingen zijn geprobeerd, zelfs als deze niet gewerkt hebben. Ook is er geen bewijs voorhanden dat medische interventies het ziektebeloop zouden beïnvloeden. Zowel met als zonder behandeling blijft het beloop onzeker en onvoorspelbaar. Deze overwegingen geven het belang aan van goede counseling bij het al dan niet besluiten tot overgaan tot behandeling, zodat ouders en kind realistische verwachtingen hebben en beter kunnen omgaan met tegenvallende behandelresultaten of terugval na initieel succesvolle therapie.

 

Ten slotte reageren patiënten op emotioneel vlak verschillend op deze haarziekte. De reactie hangt onder andere af van het lichamelijk zelfbeeld, zelfvertrouwen, coping strategieën, persoonlijkheidseigenschappen en sociaal vangnet. Patiënten kunnen zich onder andere zelfbewust, boos, afgewezen of beschaamd voelen en kunnen zich gedragen op een onder andere verlegen, voorzichtige, agressieve, teruggetrokken, ontwijkende of defensieve manier. Het is van belang zelfacceptatie te benoemen, met name bij lang bestaande, uitgebreide en persisterende AA. De diagnose AA kan langdurig aanhoudende effecten hebben op het zelfbeeld. Indien gewenst kan psychische begeleiding worden aangeboden.

 

Professioneel perspectief
De behandelaar dient met de patiënt de verschillende behandelopties, het behandeldoel, het onvoorspelbare natuurlijke beloop en de onvoorspelbare therapeutische respons tijdens en na de medicamenteuze behandeling te bespreken.

Alvorens medicamenteuze behandeling wordt gestart, dient de behandelaar met elke patiënt een expectatief beleid en de conservatieve behandelingsmogelijkheden te bespreken. Met name bij kinderen t/m 12 jaar dient een niet medicamenteus beleid voldoende overwogen te worden.

Wanneer wordt overgegaan tot behandeling is het van belang om de ziekteactiviteit, bijwerkingen en behandelwensen te monitoren. De therapie kan hierop worden aangepast.

In onderstaand flowdiagram worden de verschillende medicamenteuze behandelingen weergegeven per leeftijdscategorie en naar ernst van AA. De werkgroep definieerde een SALT score van <50 als milde alopecia en ≥50 als ernstige alopecia. Onder het flowdiagram worden de verschillende behandelingen nader toegelicht voor kinderen en adolescenten. In de module Medicamenteuze behandeling bij volwassenen wordt dit beschreven voor volwassenen met AA. Voor een overzicht van de conservatieve therapie opties verwijzen we naar de module Conservatief beleid.

 

Flowdiagram Overzicht medicamenteuze behandelingsmodaliteiten bij kinderen en volwassenen met AA
Flowdiagram Overzicht medicamenteuze behandelingsmodaliteiten bij kinderen en volwassenen met AA

Lokale therapieën

Lokale therapie middels potente corticosteroïden klasse III, topicale minoxidil en DPCP wordt binnen de Nederlandse praktijk reeds toegepast. Het verwachte resultaat van deze therapieën neemt af naarmate de ernst van de ziekte toeneemt.

Behandeling middels corticosteroïden klasse III kan gestart worden bij kinderen van 1 jaar en ouder met milde of ernstige AA. Dit is de eerste keus medicamenteuze behandeling voor deze groep patiënten. Overweeg een intermitterend schema bij langdurig gebruik om bijwerkingen zoals atrofie te voorkomen. Intermitterend smeren houdt in dat de patiënt geïnstrueerd wordt om 4 of 5 dagen te smeren en 2 tot 3 dagen niet. Het hangt af van het type topicale corticosteroïd of de patiënt aansluitend smeert of bijvoorbeeld tussendoor een dag niet. Bij een lange halfwaardetijd, wordt het aanbevolen om aansluitend te smeren en bij een korte halfwaardetijd, is het ook mogelijk om tussendoor een dag niet te smeren.


Additionele behandeling middels topicale minoxidil of calcipotriol kan gestart worden naast topicale (bij kinderen van 2 jaar en ouder) of een systemische behandeling (bij kinderen van 6 jaar en ouder). Er bestaan ook topicale combinatiepreparaten zoals calcipotriol/betamethason gel of schuim. Indien minoxidil goed verdragen wordt, kan dit als onderhoudsbehandeling gecontinueerd worden.  

Een studie naar het werkingsmechanisme van topicale toepassing van minoxidil keek naar het effect op de IL-1α gen expressie op menselijke keratinocytcellen. In dit onderzoek werd een statistisch significante reductie in deze gen expressie gezien in vergelijking tot cellen die geen behandeling kregen. (Pekmesci, 2018)


Diphencyprone (6 jaar en ouder)
Bij patiënten van 6 jaar en ouder met milde AA kan behandeling middels diphencyprone (DPCP) worden overwogen. DPCP is een zeer potent contactallergeen, sterk verdund met aceton dat aangebracht dient te worden met een wattenstaaf. Bij de behandeling van DPCP treedt een reactie op die geassocieerd is met hergroei van haar. Het is tot op heden niet duidelijk waarom deze respons optreedt. Gedacht wordt dat een immunomodulerend effect op inflammatie rondom haarfollikels een rol speelt.


Tijdens de behandeling kunnen verschillende bijwerkingen optreden, waaronder ernstige lokale dermatitis met lymfadenopathie, jeuk, urticaria, koorts, gegeneraliseerd eczeem, pigmentstoornissen en psychologische afhankelijkheid.

Let op!: wanneer gestart wordt met DPCP dient behandeling middels corticosteroïden gestaakt te worden.

Behandeling middels DPCP kent drie fases: de sensibiliteitsfase, opbouwfase en responsfase. Hieronder worden deze verschillende fase nader toegelicht in een behandelschema. De opbouwfase die volgt na de sensibilisatiefase kan na adequate instructie ook bijvoorbeeld worden uitgevoerd door de ouders/verzorgers van de patiënt. Het is van belang dat deze persoon handschoenen draagt en de DPCP aanbrengt met een wattenstaaf. 

Fase 1 (sensibilisatiefase)

  • DPCP 2% wordt aangebracht op een veldje van 4x4 cm op de hoofdhuid.
  • De beoogde reactie bestaat uit laaggradig erytheem, milde pruritus op het behandelde gebied voor 24 tot 36 uur.
  • Als er geen merkbare reactie in het behandelde gebied is opgetreden wordt fase 1 tot maximaal 4 bezoeken herhaald.

Fase 2 (opbouwfase → kan ook thuis worden uitgevoerd na adequate instructie)

  • De eerste helft van de scalp wordt behandeld met DPCP in een start concentratie van 0.001%.
  • Wanneer geen reactie is opgetreden moet per week de DPCP concentratie verhoogd worden (0.01%, 1%, 2%).
  • De juiste concentratie DPCP wordt wekelijks aangebracht op de eerste helft van de scalp.
  • Vanaf het moment dat er haargroei geobserveerd wordt op de eerste helft van de scalp, mag de tweede helft van de scalp behandeld worden.

Fase 3 (responsfase)

  • Respons (hergroei van haar) treedt vaak op na 3 maanden.
  • Indien na 6 maanden geen respons optreedt, dient de behandeling te worden gestopt.
  • Bij een beginnende respons kan de applicatiefrequentie verlaagd worden.
  • Bij een totale respons (volledige hergroei van haar), dient de behandeling te worden gestopt. 

Maatregelen wanneer er een ernstige eczemateuze of bulleuze reactie optreedt:

  • Was de DPCP van de huid.
  • Start applicatie van een lokaal corticosteroïd.
  • Overweeg de applicatie een week over te slaan.
  • Overweeg de DPCP concentratie te verlagen. 

De volgende adviezen geeft de behandelaar mee aan de patiënt:

  • Patiënten dienen tot 24 uur na applicatie van de DPCP een hoed of haarwerk te dragen.
  • Na 48 uur mag de behandelde plek met shampoo gewassen worden. 

Conclusie van de werkgroep t.a.v. lokale therapieën bij kinderen en adolescenten
De leeftijd, ontwikkeling en de wens van het kind dienen meegenomen te worden in de overweging van alle behandelvormen.

De werkgroep adviseert om:

  • Als eerste keus medicamenteuze behandeling bij kinderen van 1 jaar en ouder een lokale klasse III corticosteroïden te overwegen. Dit kan ook aanvullend worden toegepast bij systemische therapie bij kinderen van 6 jaar en ouder met ernstige AA. Overweeg een intermitterend schema bij langdurig gebruik om bijwerkingen te voorkomen.
  • Calcipotriol of topicale minoxidil als aanvulling op andere lokale therapie te overwegen bij kinderen van 2 jaar en ouder met milde AA. Dit kan ook als aanvulling worden toegepast bij systemische therapie bij kinderen van 6 jaar en ouder met ernstige AA.
  • Behandeling met DPCP te overwegen bij kinderen van 6 jaar en ouder met milde AA. Tijdens deze behandeling dient behandeling middels topicale corticosteroïden gestaakt te worden.

Intralesionale therapieën
Intralesionale behandeling met triamcinolonacetonide (TCA) is een veel toegepaste behandeling bij volwassenen met AA. Bij kinderen kan deze therapie beperkt ingezet worden door te verwachten pijnklachten. Toch kan TCA een zeer geschikte en effectieve behandeling zijn bij beperkte vormen of specifieke lokalisaties van AA in adolescenten van 12 jaar en ouder, zoals in het gelaat, mits op de juiste manier, in de juiste dosering en traumavrij toegepast. Stichting Kind en Ziekenhuis verstrekt uitgebreide informatie over traumavrije kindzorg via https://kindenziekenhuis.nl/traumavrijekindzorg/.

Omdat het ontstekingsinfiltraat bij AA hoog in de subcutis rondom de bulbus van de haarfollikel gelokaliseerd is dient TCA ook hoog in de subcutis (langzaam) geïnjecteerd te worden. Hogere doseringen van TCA geven een grotere kans op atrofie  terwijl lagere doseringen vaak al effectief zijn (Ustuner, 2017; Rajan, 2021). Om deze reden wordt er aanbevolen door de werkgroep om te starten met een dosering van 2,5-3,3mg/ml 0.1ml per cm2 welke bij onvoldoende effect en uitblijven van bijwerkingen kan worden opgehoogd tot maximaal 10 mg/ml (maximaal 5 mg/ml in het gelaat). Deze doseringen kunnen gemakkelijk worden verkregen door de standaardbereidingen van 40 mg/ml of 10 mg/ml te verdunnen met NaCl of lidocaïne (voorbeeld: voor een dosering van 2,5 mg/ml dient de een standaardbereiding van 10 mg/ml 1:3 verdund te worden). Een voordeel van deze lage doseringen is dat ook gebieden behandeld kunnen worden waarbij atrofie eerder cosmetisch onacceptabel is, zoals ter plaatse van de wenkbrauwen. De frequentie van behandeling is elke 4-6 weken waarbij na 2-3 behandelingen het effect beoordeeld kan worden. Tevens dient er ook gecontroleerd te worden op eventueel ontstane bijwerkingen. Bijwerkingen die bij deze behandeling kunnen optreden zijn o.a. atrofie, hypopigmentatie, teleangiëctasieën, pijn en infecties.

 

Conclusie werkgroep t.a.v. intralesionale therapieën
De leeftijd, ontwikkeling en de wens van het kind dienen meegenomen te worden in de overweging van alle behandelvormen.
De werkgroep adviseert om:

  • In principe geen intralesionele therapieën toe te passen bij kinderen t/m 11 jaar.
  • Intralesionale triamcinolonacetonide te overwegen bij adolescenten van 12 jaar en ouder met milde AA in een startdosering van 2,5-3,33 mg/mL (0.1ml per cm2) elke 4-6 weken. Evalueer het effect na 2-3 behandelingen en verhoog zo nodig de dosering naar maximaal 10 mg/mL (in het gelaat maximaal 5 mg/mL). Intralesionale therapie is niet geschikt bij matig ernstige AA. 

Systemische therapieën
De werkgroep is van mening dat systemische therapieën in principe geen plaats hebben in de behandeling van kinderen t/m 5 jaar met AA. Bij individuele patiënten kan dit in uitzonderlijke situaties wel overwogen worden. 

Alleen ritlecitnib, een JAK-remmer, is geregistreerd voor de indicatie ernstige AA bij adolescenten van 12 jaar en ouder, alle overige therapieën worden off-label toegepast. Overwegingen met betrekking tot de behandeling met JAK-remmers staan verder toegelicht onder het kopje ‘JAK-remmers’.

 

In de huidige klinische praktijk wordt systemische therapie, zoals methotrexaat en prednisolon, zeer hoogdrempelig voorgeschreven bij kinderen.

 

Bij ernstige AA (SALT ≥50%) is systemische therapie te overwegen. Het moment van inzetten van systemische therapie is niet eenduidig. Het is belangrijk om de door patiënt ervaren ziektelast, patiëntvoorkeuren en/of voorkeur van ouders/verzorgers en comorbiditeiten mee te laten wegen in de uiteindelijke behandelkeuze. De werkgroep is van mening dat bij snel progressieve AA, waarbij AA totalis of universalis dreigt, een relatief snel werkend systemische therapie (zoals systemische corticosteroïden) de voorkeur heeft boven een relatief traag werkende therapie (zoals methotrexaat).

De opgenomen studies in deze richtlijn verschillen deels van de dagelijkse praktijk. Een deel van de studies includeert patiënten met een langere ziekteduur van AA (meerdere jaren) zodat kans op spontane remissie kan worden geminimaliseerd. Kortere ziekteduur kan een beter effect opleveren van een therapie. Daarnaast zijn de resultaten van de kinderen en adolescenten die geïncludeerd waren vaak niet apart geanalyseerd en beschreven.

In de dagelijkse praktijk is het ook goed om te realiseren dat hergroei van haar pluksgewijs kan optreden en niet altijd diffuus. Het doorbehandelen bij pluksgewijs haargroei kan worden overwogen in afwachting van uiteindelijk diffuse hergroei van haar. Anderzijds kan de mate van activiteit van AA fluctueren; tijdelijke relapse kan optreden wanneer herstelgroei is ingezet. Overweeg daarom bij een relapse om de ingezette systemische therapie te continueren wanneer er initieel wel haargroei optrad; de richtlijnwerkgroep kan geen uitspraak doen over hoeveel tijd een relapse mag duren alvorens de systemische therapie te staken.

Constitutioneel eczeem

Bij kinderen van 6 jaar en ouder met matig tot ernstig constitutioneel eczeem met een indicatie voor systemische therapie dient dit mee te worden gewogen in de keuze voor systemische therapie. Zie ook de richtlijn ‘Constitutioneel eczeem’.

 

Conclusie van de werkgroep t.a.v. conventionele systemische therapieën

Indien gekozen wordt voor systemische therapie, dient in het bijzonder bij kinderen rekening gehouden te worden met de toedieningsvorm (bv. injecties, drank, tablet), de frequentie van toediening (dagelijks, wekelijks) en de (lab)monitoring. De leeftijd, ontwikkeling en de wens van het kind dienen meegenomen te worden in de overweging van alle behandelvormen.
Zo adviseert de werkgroep om:

  • In principe geen systemische therapie toe te passen bij kinderen t/m 5 jaar.
  • Bij kinderen van 6 jaar en ouder met milde tot ernstige AA,  systemische therapie te overwegen, zeker wanneer er sprake is van een hoge ziektelast. De werkgroep adviseert bij snel progressieve ziekte een systemisch corticosteroïd of ciclosporine, boven methotrexaat.
    Conventionele systemische therapie (niet in volgorde van voorkeur):
    • Ciclosporine oraal.
    • Methotrexaat.
    • Prednisolon pulse oraal.
  • Bij adolescenten van 12 jaar en ouder met milde tot ernstige AA systemische therapie te overwegen, zeker wanneer er sprake is van een hoge ziektelast. De werkgroep adviseert bij snel progressieve ziekte een systemisch corticosteroïd of ciclosporine, boven methotrexaat.
    Conventionele systemische therapie (niet in volgorde van voorkeur):
    • Ciclosporine oraal.
    • Methotrexaat als monotherapie of als onderhoud ter aanvulling op inductietherapie middels prednisolon pulse oraal, triamcinolonacetonide intramusculair of intralesionaal.
    • Triamcinolonacetonoide intramusculair als inductie- of onderhoudstherapie.
    • Prednisolon pulse oraal
  • Voor de juiste dosering van bovenstaande geneesmiddelen bij kinderen verwijzen we naar de adviezen van het Nederlands Kenniscentrum Farmacotherapie bij Kinderen via https://www.kinderformularium.nl/. Alvorens de behandeling wordt gestart, is het aan te raden om te overleggen met een kinderarts-immunoloog.

Hieronder volgen overwegingen en voorzorgen voor het gebruik van conventionele systemische geneesmiddelen voor de behandeling van AA.

Ciclosporine
Voor relatieve en absolute contra-indicaties, interacties, aanvullende voorzorgen en de bijwerkingen verwijzen we naar de actuele SMPC tekst van het geneesmiddel: https://www.cbg-meb.nl/.

 

Monitoring
Bij voorschrijven van ciclosporine is goede inspectie (mate van ernst AA en controle voor cutane maligniteit) en bloedcontroles voor de veiligheid noodzakelijk. De werkgroep is van mening dat monitoring het volgende dient in te houden:

  • Laboratoriumcontroles zoals hieronder weergegeven.
  • Bloeddrukmeting.
  • Monitoring van de bloedspiegels van ciclosporine wordt niet geadviseerd. Het bepalen van bloedspiegels ciclosporine is wel van toegevoegde waarde als men twijfelt aan de therapietrouw van de patiënt en bij mogelijke toxiciteit. Eventuele dosisaanpassing vindt plaats op geleide van klinisch effect of bijwerkingenprofiel.
  • Bij eenmalige bloeddrukstijging wordt geadviseerd om de meting te herhalen, eventueel via de huisarts. Bij een creatininestijging >130% t.o.v. uitgangswaarde dient de meting herhaald te worden binnen 2 weken. Indien er opnieuw een stijging van >130% is, dan is een dosisreductie (met circa 25-50%) geïndiceerd. Wanneer er na de dosisreductie geen daling van het serum creatinine plaatsvindt, moet men de behandeling staken.

Tabel Aanbevolen laboratoriumcontroles (ciclosporine)

Parameter

Voor behandeling

Na 4 weken

Na 8 weken

Na 12 weken

Daarna elke 3-6 maanden

Volledig bloedbeeld*

x

x

x

x

x

ALAT, γGT, bilirubine

x

x

x

x

x

Natrium, kalium

x

x

x

x

x

Serumkreatinine/eGFR

x

x

x

x

x

Albumine/kreatinine ratio urine

x

x

 

 

x

Urinezuur

x

x

x

x

x

Zwangerschapstest (urine of bloed)

x

 

 

 

 

Cholesterol, triglyceriden

x

 

x

 

x

Magnesium***

x

 

x

 

x

HBV

x

 

 

 

 

HCV

x

 

 

 

 

HIV

x

 

 

 

 

Bloeddruk controle

x

x

x

x

x

Niet alle testen zijn nodig bij alle patiënten. De voorgeschiedenis, het blootstellingsrisico en de patiëntkenmerken moeten worden meegewogen. Aanvullende testen kunnen noodzakelijk zijn, afhankelijk van de klinische verschijnselen, risico’s en mate van blootstelling.

* Hb, leukocyten, trombocyten

*** Alleen op indicatie (spierkrampen)

Methotrexaat
Voor relatieve en absolute contra-indicaties, interacties, aanvullende voorzorgen en de bijwerkingen verwijzen we naar de actuele SMPC tekst van het geneesmiddel: https://www.cbg-meb.nl/.

Monitoring
Bij voorschrijven van methotrexaat is goede inspectie (mate van ernst AA en controle voor cutane maligniteit) en bloedcontroles voor de veiligheid noodzakelijk. De werkgroep is van mening dat monitoring het volgende dient in te houden:

  • Laboratoriumcontroles zoals hieronder weergegeven.

Tabel Aanbevolen laboratoriumcontroles (methotrexaat)

Parameter*

 

Voor behandeling

 

< 4 weken

 

Na 8 weken

Elke 3 maanden

Volledig bloedbeeld (Hb, leukocyten, trombocyten)*

x

x

x

x

Leverenzymen**

x

x

x

x

Serumkreatinine

x

x

x

x

Albumine/kreatinine ratio urine

x

 

 

 

Zwangerschapstest (urine of bloed)***

x

 

 

 

HBV/HCV

x

 

 

 

HIV

x

 

 

 

Serumalbumine**

x

x

x

x

Niet alle testen zijn nodig bij alle patiënten. De voorgeschiedenis, het blootstellingsrisico en de patiëntkenmerken moeten worden meegewogen. Aanvullende testen kunnen noodzakelijk zijn, afhankelijk van de klinische verschijnselen, risico’s en mate van blootstelling.

* Indien aantal leukocyten < 3.0, neutrofielen < 1.0, trombocyten < 100, verlaag de dosis of stop de medicatie; indien de leverenzymen > 2-3x verhoogd zijn, start aanvullende diagnostiek (inclusief herhaling van testen), schakel MDL-arts in, en overweeg de dosis te verlagen of de medicatie te stoppen.

** Op indicatie Transaminases (ALAT), γGT, bilirubine (d.w.z. bij hypoalbuminemie of bij patiënten die medicijnen gebruiken met een hoge bindingsaffiniteit aan serum albumine).

*** Indien klinisch noodzakelijk, zwangerschapstest herhalen.

Prednisolon

Voor relatieve en absolute contra-indicaties, interacties, aanvullende voorzorgen en de bijwerkingen verwijzen we naar de actuele SMPC tekst van het geneesmiddel: https://www.cbg-meb.nl/.  

Monitoring

Bij een kortdurende behandeling met orale glucocorticoïden is uitgebreide monitoring niet zinvol. Monitoring van (bestaande) diabetes mellitus is wel zinvol middels het bepalen van een bloedglucosewaarde. Bij patiënten die langdurig systemische corticosteroïden gebruik moet osteoporoseprofylaxe gegeven worden en kunnen controle van bloeddruk, oogonderzoek, hypothalamus-hypofyse-bijnier as suppressietesten, botdichtheid metingen en groeimetingen (kinderen) nodig zijn (Sidbury, 2014).

 

Waarschuwingen/voorzorgen

  • Bij stress-situaties dient de dosering prednisolon te worden verhoogd (stress schema).
  • Secundaire bijnierschorsinsufficiëntie kan het gevolg zijn van te snel staken van de corticosteroïden. Dit risico kan door geleidelijke dosisverlaging tot een minimum worden teruggebracht.
  • Bij gebruik van corticosteroïden bestaat een verhoogde gevoeligheid voor infectie met maskering van de klinische verschijnselen hiervan; tevens kunnen tuberculose en parasitaire infecties worden gereactiveerd.
  • Voor adviezen met betrekking tot fractuurpreventie bij glucocorticoïden verwijzen we naar de module Medicatie voor fractuurpreventie bij glucocorticoïden in de richtlijn ‘Osteoporose en fractuurpreventie’ van de Nederlandse Internisten Vereniging.

JAK-remmers (ritlecitinib)
Ritlecitnib is een JAK-remmer en geregistreerd voor de behandeling van adolescenten (12 jaar en ouder) en volwassenen met ernstige AA (SALT-score ≥50). De werkzaamheid van deze JAK-remmer bij volwassenen en adolescenten met ernstige AA is onderzocht in ruim opgezette gerandomiseerde studies waarbij de JAK-remmer effectiever bleek dan placebobehandeling.

 

Het is essentieel om de psychosociale impact van AA te monitoren tijdens behandeling. Tot op heden is er echter geen gevalideerd meetinstrument beschikbaar in Nederland. In de module Conservatief beleid staan voorbeeldvragen beschreven die richting kunnen geven in het gesprek met patiënten en ouders waarin inzicht wordt verkregen over mogelijk psychosociale problematiek.

 

Systemische immunosuppressiva in het algemeen kunnen op lange termijn (huid) maligniteiten veroorzaken. De follow-up van de beschreven studies is te kort om dat theoretische risico te kunnen detecteren. Dit risico dient meegenomen te worden in de afwegingen bij de keuze voor een JAK-remmer. Er zijn geen data beschikbaar met betrekking tot vergelijkende studies met de bestaande systemische behandelopties voor AA. Aangezien er geen andere systemische therapie geregistreerd is voor de behandeling van patiënten met AA, vormt ritlecitinib een belangrijke aanvulling op het therapeutisch arsenaal voor deze specifieke patiëntengroep.

 

Op basis van bovengenoemde overwegingen kan ritlecitinib in bepaalde omstandigheden worden ingezet. Nauwkeurige monitoring van het therapeutisch effect als ook mogelijke bijwerkingen is noodzakelijk.


Indicatie/voorwaarden voor voorschrijven

  1. Een dermatoloog is hoofdbehandelaar.
  2. De patiënt heeft ernstige AA (SALT ≥50%).
  3. De huidige episode van AA is korter dan 8 jaar.
  4. De hergroei van haar is onvoldoende ondanks de inzet van lokale middelen en ten minste één systemisch immunosuppressivum (methotrexaat, ciclosporine, prednison oraal of i.m.) in een adequate dosis voor een behandelduur van ten minste 6 maanden, tenzij er contra-indicaties zijn voor of bijwerkingen zijn van deze middelen.
  5. Na 6 maanden wordt geëvalueerd door de behandelaar of de behandeling wordt voortgezet.
  6. De ernst van de ziekte wordt bij voorkeur gemonitord middels de SALT score en/of fotografische vastlegging in het patiëntendossier. 

Registratie in landelijk register

De NVDV adviseert om de AA patiënten die starten met baricitinib of ritlecitinib op te nemen in een landelijk register. Zie ook: https://sta2r.nl/.

 

Dosering
De aanbevolen dosering van ritlecitinib bij patiënten van 12 jaar en ouder met een ernstige vorm van AA is 50 mg 1dd.

 

Er is tot op heden onvoldoende literatuur naar de behandelduur van deze geneesmiddelen. 

 

Contra-indicaties ritlecitinib (LET OP: neem begeleidende dikgedrukte tekst in acht)

Absolute contra-indicaties

  • Ernstige actieve infecties, zoals actieve tuberculose (TBC).
  • Onbehandelde latente TBC.
  • Actieve maligniteit.
  • Ernstige levercirrose (Child Pugh C).
  • Nierfunctiestoornis: bij eGFR < 30 ml/min.
  • Actieve zwangerschap of actieve kinderwens bij vrouw.
  • Het geven van borstvoeding.
  • Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de hulpstoffen.

Relatieve contra-indicaties

  • Leeftijd ≥65 jaar*.
  • Verhoogd risico op of voorgeschiedenis van ernstige cardiovasculaire problemen (zoals myocardinfarct of herseninfarct)*.
  • Rokers of patiënten die in het verleden gedurende een langere tijd hebben gerookt*.
  • Patiënten met een verhoogd risico op maligniteiten*.
  • Maligniteit in de voorgeschiedenis, met uitzondering van non-melanoma skin cancer (NMSC)*.
  • Diep veneuze trombose of longembolie (in de voorgeschiedenis) of hoog risico hierop* (leeftijd, obesitas, grote chirurgische ingreep, immobilisatie).
  • Recente of geplande vaccinatie met levend vaccin (zie paragraaf: speciale overwegingen).
  • Diverticulitis.
  • Gastro-intestinale perforatie.
  • Obesitas.
  • Diabetes, hypertensie en hypercholesterolemie (NB: indien leefstijlaanpassing en/of medicatie, met goed effect: géén contra-indicatie voor start JAK-remmer).
  • Patiënten blootgesteld aan tuberculose (TBC) of woonachtig geweest of gereisd in gebieden met endemische TBC of endemische mycoses.
  • Chronische of recidiverende infecties.
  • Onderliggende conditie met verhoogde kans op infecties.
  • Voorgeschiedenis van een ernstige of opportunistische infectie. 

*Het CHMP van het EMA heeft een dringend aanvullend advies uitgebracht om de risico’s op maligniteit, ernstige cardiovasculaire events, ernstige infecties, veneuze trombo-embolie en mortaliteit tot een minimum te beperken bij gebruik van de JAK-remmers abrocitinib, baricitinib, upadacitinib, filgotinib en tofacitinib. De aanbeveling, zoals hieronder beschreven, geldt voor verschillende chronische inflammatoire aandoeningen, waaronder alopecia areata. (EMA/142279/2023)

Het EMA heeft geen advies afgegeven voor het gebruik van ritlecitinib. De NVDV adviseert om voorlopig de aanvullende relatieve contra-indicaties zoals hierboven aangeduid met een * mee te nemen in de afweging van de therapeutische opties bij patiënten met ernstige AA, aangezien ritlecitinib ook behoort tot de JAK remmers en theoretisch dus dezelfde bijwerkingen zou kunnen hebben.

 

Aanvullende overwegingen voorafgaand, tijdens en na de behandeling

Voorafgaand aan de behandeling

  • Anamnese: neem een anamnese af o.a. gericht op groei en ontwikkeling, medicatie gebruik, klachten bij de patiënt (of in de familie) passende bij of een voorgeschiedenis van: maligniteit (inclusief de huid), cardiovasculaire ziekten en risicofactoren (m.n.: roken (of in het verleden)), myocardinfarct, herseninfarct, DVT/longembolie), nier- en leverfunctiestoornissen, actieve/chronische infecties, herpesinfecties, doormaken waterpokken. Vraag tevens naar: zwangerschap, lactatie, (actieve) kinderwens, vaccinatiestatus en toekomstige reisplannen (en reisvaccinaties).
    • Vaccinaties:
      • Check vaccinatiestatus volgens het Rijksvaccinatieprogramma, waarbij met name de levende (verzwakte) vaccins van belang zijn (BMR vaccinatie op leeftijd 14 maanden en 3 jaar). Overweeg de tweede BMR-vaccinatie naar voren te halen met een minimale tussenpoos van 28 dagen. Vaccineer niet met een levend (verzwakt) vaccin tijdens en vlak voor de behandeling met een JAK-remmer.
      • Voor vaccinatieadviezen kan Tabel Overzicht van vaccinaties bij kinderen met AA die behandeld worden met ritlecitinib als handvat worden gebruikt. Voor aanvullende algemene informatie verwijzen wij naar de module ‘Vaccinaties bij juveniele idiopathische artritis (JIA)’. Vaccinatie bij kinderen met immunosuppressieve therapie is complex en vraagt om een individuele afweging. Daarbij spelen factoren zoals leeftijd, het type en de combinatie van immunosuppressiva en of een kind niet of onvolledig is gevaccineerd een rol. In complexe of uitzonderlijke situaties en bij twijfel wordt overleg met een kinderinfectioloog of kinderimmunoloog geadviseerd.
      • Waterpokken/ varicella zoster: inventariseer of waterpokken zijn doorgemaakt ná de leeftijd van 1 jaar. Test bij twijfel of atypisch beloop varicella-antistoffen in bloed. Adviseer vaccinatie als antistoffen niet aantoonbaar zijn (expert opinie).
    • Bespreek bij meisjes die seksueel actief zijn voorafgaande en tijdens alle controlemomenten de kans op een zwangerschap en voer bij twijfel een zwangerschapstest (urine of bloed) uit. Adviseer aan deze patiëntgroep adequate anticonceptie tijdens en tot tenminste 4 weken na de laatste dosis.
  • Aanvullend onderzoek:
  • Geef algemene adviezen over zonbescherming vanwege verhoogde kans op huidmaligniteiten bij immuunsuppressie.
  • Overweeg laagdrempelig om de dosis te verlagen of de behandeling te onderbreken bij het optreden van bijwerkingen (bijv. (ernstige) infecties, laboratorium afwijkingen) of comorbiditeiten (bijv. maligniteiten, cardiovasculaire events).

Tijdens de behandeling

  • Anamnese: neem een anamnese af gericht op klachten passende bij of een voorgeschiedenis van maligniteit (inclusief de huid), recente cardiovasculaire events (ook bij familie), actieve infecties, herpesinfecties, spierklachten, acne en (actieve) kinderwens.
    • Bespreek bij meisjes die seksueel actief zijn voorafgaande en tijdens alle controlemomenten de kans op een zwangerschap en voer bij twijfel een zwangerschapstest (urine of bloed) uit. Adviseer aan deze patiëntgroep adequate anticonceptie tijdens en tot tenminste 4 weken na de laatste dosis.
  • Lichamelijk onderzoek:
    • Wees bij het lichamelijk onderzoek alert op de aanwezigheid van secundaire infecties, herpes simplex/zoster infectie en acne.
  • Aanvullend onderzoek: Laboratoriumonderzoek conform Tabel Aanbevolen laboratoriumcontroles (ritlecitinib).
  • Check jaarlijks de vaccinatiestatus en adviseer het Rijksvaccinatieprogramma te volgen.
  • Vaccineer niet met een levend (verzwakt) vaccin tijdens behandeling met een JAK-remmer.
  • Voor vaccinatieadviezen kan Tabel Overzicht van vaccinaties bij kinderen met AA die behandeld worden met ritlecitinib als handvat worden gebruikt. Voor aanvullende algemene informatie verwijzen wij naar de module ‘Vaccinaties bij juveniele idiopathische artritis (JIA)’.  In complexe of uitzonderlijke situaties en bij twijfel wordt overleg met een kinderinfectioloog of kinderimmunoloog geadviseerd.
  • Overweeg laagdrempelig om de dosis te verlagen of de behandeling te onderbreken bij het optreden van bijwerkingen (bijv. (ernstige) infecties, laboratorium afwijkingen) of comorbiditeiten (bijv. maligniteiten, cardiovasculaire events).
  • Adviseer bij verbetering van het eczeem de topicale steroïden geleidelijk af te bouwen en niet abrupt te staken.
  • Adviseer bij verbetering van het eczeem het emolliens blijvend te continueren.
  • Overweeg dosisverlaging bij gecontroleerde ziekte (zie ‘Dosering’ bij ‘Overige zaken’ in de volwassenen richtlijn).

Na de behandeling

  • Adviseer aan meisjes die zwanger kunnen worden de anticonceptie nog tenminste 4 weken te continueren na staken van ritlecitinib.

Speciale overwegingen bij behandeling met ritlecitinib
Vaccinaties: Ritlecitinib is een immunosuppressivum en adolescenten die met ritlecitinib worden behandeld worden beschouwd als immuungecompromiteerd. Daarom zijn een goede screening en optimalisering van de vaccinatiestatus vooraf aan starten belangrijk. Het wordt aanbevolen om de vaccinatiestatus volgens het Rijksvaccinatieprogramma te checken omdat infecties ernstiger kunnen verlopen bij het gebruik van immunosuppressieve medicatie. Het wordt geadviseerd om niet te immuniseren met een levend (verzwakt) vaccin tijdens behandeling met ritlecitinib. Indien toediening van een levend vaccin tijdens behandeling met een biologic toch noodzakelijk is, wordt geadviseerd te overleggen met een kinderimmunoloog of kinderinfectioloog over de te hanteren intervallen voor het staken, toedienen en hervatten van de behandeling.


Vanaf 1 januari 2025 krijgen kinderen binnen het rijksvaccinatieprogramma op de leeftijd van 3 jaar de tweede BMR-vaccinatie, waar dit voorheen pas bij 9 jaar was. In de overgangsfase naar deze aanpassing krijgt de groep kinderen geboren tussen 2016 tot en met 2021 de tweede BMR-vaccinatie op de leeftijd van 5 t/m 9 jaar. Bij kinderen die in deze groep vallen wordt aanbevolen om deze BMR-booster te vervroegen alvorens te starten met ritlecitinib. Het minimale interval tussen de eerste en tweede BMR-vaccinatie is 28 dagen (Rijksvaccinatieprogramma, z.d.).

 

Voor vaccinatieadviezen kan Tabel Overzicht van vaccinaties bij kinderen met AA die behandeld worden met ritlecitinib als handvat worden gebruikt. Voor aanvullende informatie verwijzen wij naar de module ‘Vaccinaties bij juveniele idiopathische artritis (JIA)’ voor algemene adviezen. Vaccinatie bij kinderen met immunosuppressieve therapie is complex en vraagt om een individuele afweging. Daarbij spelen factoren zoals leeftijd, het type en de combinatie van immunosuppressiva en of een kind niet of onvolledig is gevaccineerd een rol. In complexe of uitzonderlijke situaties en bij twijfel wordt overleg met een kinderimmunoloog of kinderinfectioloog geadviseerd.

 

Varicellazostervirus (VZV): Ook varicella (zoster) infecties kunnen tijdens gebruik van een immunosupressivum ernstiger verlopen. Inventarisatie van het doormaken van een infectie ná de leeftijd van 1 jaar is van belang. Bij kinderen bij wie het onzeker is of varicella (waterpokken) is doorgemaakt of die waterpokken voor de leeftijd van 1 jaar hebben doorgemaakt, dienen varicella-antistoffen te worden bepaald. Als antistoffen niet aantoonbaar zijn is het advies om met patiënten de optie tot vaccinatie te bespreken (houd hierbij rekening dat het gaat om een levend verzwakt vaccin waarbij met een interval van 4-8 weken een tweede vaccin toegediend wordt en waarbij pas 4 weken na de vaccinatie gestart kan worden met ritlecitinib; daarbij worden de vaccins niet altijd vergoed vanuit het basispakket). In geval dat er geen varicella is doorgemaakt en niet is gevaccineerd dient de patiënt contact op te nemen met de behandelend arts bij klachten die bij varicella kunnen passen of indien iemand in de omgeving varicella krijgt. De behandelend arts kan overwegen om valaciclovir te starten bij de eerste symptomen.

 

Virale hepatitis en HIV: Hepatitis B en HIV worden overgedragen door seksuele contacten, bloedcontact of bloedproducten, of van moeder naar kind rondom de partus. In Nederland worden zwangere vrouwen actief gescreend op HIV en hepatitis B, waardoor overdracht van moeder naar kind vrijwel niet voorkomt. Daarnaast is sinds 2011 de vaccinatie tegen hepatitis B voor alle kinderen opgenomen in het Rijksvaccinatieprogramma. Een groot deel van de Nederlandse kinderen is dus inmiddels al beschermd tegen hepatitis B. De werkgroep adviseert slechts te screenen op hepatitis B, C en HIV bij verdenking op risicogedrag, zoals intraveneus drugsgebruik of vermoeden op onbeschermd seksueel contact met partners uit risicogroepen, alsmede bij immigratie vanuit een risicogebied.

 

Tuberculose: Screen voorafgaand aan de start van de behandeling met ritlecitinib op basis van de risico-inventarisatielijst: doe voorafgaand aan het starten met een JAK-remmer bij patiënten zonder risicofactoren een Mantoux of IGRA. Doe bij patiënten met risicofactoren een Mantoux én een IGRA én een X-thorax. Zie ook de module Screening op latente Tbc-infectie bij kinderen[NVALT, 2019]. Bij een positieve screening op (latente) tuberculose dient overlegd te worden met een kinderarts-infectioloog of kinderlongarts ten aanzien van beleid.

 

Luchtweginfecties komen tijdens gebruik frequent voor en kunnen langer aanhouden. Ook kunnen symptomen van een infectie minder duidelijk zijn, en wordt laagdrempelig contact met een (huis)arts geadviseerd wanneer er symptomen zijn van een (aanhoudende) infectie.

 

Kinderwens en zwangerschap: Bespreek bij meisjes die seksueel actief zijn de kans op een zwangerschap en voer bij twijfel een zwangerschapstest (urine of bloed) uit. Adviseer aan deze patiëntgroep adequate anticonceptie.

 

Screening en monitoring ritlecitinib

In de praktijk wordt door de richtlijnwerkgroep voor alle JAK-remmers dezelfde screening en onderzoeken ter monitoring van de behandeling aanbevolen.

 

Zie tabel ‘Aanbevolen laboratoriumcontroles’ voor adviezen en afkapwaardes.

 

Tabel Aanbevolen laboratoriumcontroles (ritlecitinib)

Parameter

Bij intake

Bij 4 weken

Bij 12-16 weken

Tijdens onderhoudsdosering (elke 3-6 maanden)

Bloedonderzoek

 

 

 

 

  • Hb, leukocyten met differentiatie, trombocyten

X

X

X

X

  • ALAT

X

X

X

X

  • Serum kreatinine (eGFR)

X

X

X

X

  • CK*

(X)

(X)

(X)

(X)

  • Cholesterol (HDL, LDL en totaal) en triglyceriden

X

 

X

Jaarlijks

Hepatitis B/C en HIV**

(X)

 

 

 

Zwangerschap***

X

X

X

X

TBC screening****

X

 

 

 

Screening op varicella-antistoffen*****

(X)

 

 

 

De behandeling mag niet gestart worden bij patiënten met een absolute lymfocytentelling van < 0,5 × 109/L, een absolute neutrofielentelling van < 1 x 109/L of met een hemoglobinewaarde < 5 mmol/L. De behandeling kan worden ingesteld zodra de waarden tot boven deze limieten hersteld zijn.

 

Grenswaarden:

Hemoglobine <5 mmol/L → de behandeling moet worden onderbroken en mag worden hervat als het boven deze waarde is teruggekeerd.

Absoluut lymfocyten aantal <0,5 x 109/L → de behandeling moet worden onderbroken en mag worden hervat als het boven deze waarde is teruggekeerd.

Absoluut neutrofielen aantal <1 x 109/L de behandeling moet worden onderbroken en mag worden hervat als het boven deze waarde is teruggekeerd.

Leukocyten <3,0 x 109/L → de behandeling moet worden onderbroken en mag worden hervat als het boven deze waarde is teruggekeerd.

Trombocyten <50 x 109/L. → de behandeling moet worden onderbroken en mag worden hervat als het boven deze waarde is teruggekeerd, streef naar >100 x 109/L. Bij 2x trombocyten tussen de 50-100 x 109/L: overweeg ook te onderbreken.

ALAT ≥3 x de bovengrens van normaalwaarde → overleg/verwijzen kinder(MDL-)arts.

Cholesterol en triglyceriden → indien van toepassing overleg met kinderarts bij afwijkingen.

Serum kreatinine (eGFR) >130% boven de uitgangswaarde van de patiënt → intensivering frequentie van controles en evt. aanpassing van de dosering.

CK >5 x bovengrens van normaalwaarde → (sport)anamnese uitvragen, opnieuw controle binnen een week, indien persisterend overleg met kinderreumatoloog/-immunoloog. Waarden met een klinische consequenties zijn een veelvoud hiervan, waarbij >10.000 vaak pas sprake kan zijn van rhabdomyolyse of myositis. Een verhoogd CK behoeft maar zelden tot staken van de medicatie te leiden.

(X) = op indicatie

* Op indicatie bij spierzwakte, spierstijfheid, verminderde inspanningstolerantie, snel optredende spierpijn met spierkrampen na inspanning, roodbruine urine, verwardheid

** Op indicatie: patiënten met risicofactoren voor een dergelijke infectie. HBV zit sinds 2011 in het Rijksvaccinatieprogramma.

*** Anamnestisch uitsluiten en bij twijfel testen middels zwangerschapstest

**** Op basis van risico-inventarisatielijst: Mantoux of IGRA voorafgaand aan start JAK-remmer bij patiënt zonder risicofactoren, en Mantoux + IGRA + X-thorax bij patiënt met risicofactoren. Zie Screening op latente Tbc-infectie bij kinderen - Richtlijn NVALT.

***** Test varicella-antistoffen bij twijfel over het doormaken van waterpokken ná leeftijd van 1 jaar, of een atypisch beloop in verband met het eventueel vaccineren voor waterpokken.

Overzicht van vaccinaties
Onderstaande tabel toont een overzicht van vaccinaties bij kinderen met AA die behandeld worden met ritlecitinib. Gebaseerd op de module Vaccinaties bij JIA (2025) - Richtlijn - Richtlijnendatabase en aangevuld met expert opinion van de Richtlijnwerkgroep Constitutioneel eczeem (2025).

 

Tabel Overzicht van vaccinaties bij kinderen met AA die behandeld worden met ritlecitinib

Overzicht vaccinaties bij kinderen met AA

 

Waarden en voorkeuren van patiënten
Kinderen met AA hebben mogelijk baat bij medicamenteuze behandeling, omdat zij uiteenlopende nadelige effecten kunnen ervaren van de aandoening en het haarverlies mogelijk sneller kan worden gestabiliseerd of hersteld met behandeling. Bij het toepassen van medicamenteuze behandeling dient het kind, en waar van toepassing de ouders, te worden ingelicht over de mogelijke bijwerkingen van de verschillende geneesmiddelen en dat bloedprikken inherent is aan het starten met systemische therapie. Daarnaast is het ook van belang voor de patiënt om juist te worden voorgelicht over het mogelijk onvoorspelbare beloop tijdens en na de behandeling. Ook bij een goed effect van de ingestelde behandeling kunnen er later in het ziektebeloop redenen zijn om de behandeling te staken, bijvoorbeeld vanwege  bijwerkingen. Dan is de kans groot dat de alopecia terugkeert.

Een passend behandelplan dient in samenspraak met de patiënt en diens ouders te worden opgesteld (Reyes-Hadsall, 2022). Hierin moet rekening gehouden worden met de leeftijd en de ontwikkeling van het kind. Tenslotte is het met name bij de behandeling van kinderen van belang dat er een goede afweging wordt gemaakt met betrekking tot de uitvoerbaarheid en de nadelige gevolgen (zoals pijn of sociale verstoring) van de betreffende behandeling.

Onderbouwing

Alopecia areata (AA) is een auto-immuunaandoening die gekarakteriseerd wordt door snel haarverlies van de schedel, wenkbrauwen en wimpers waarbij behandeling gelimiteerd is (King, 2022). Naast deze voorkeursplekken kan alle lichaamsbeharing aangedaan zijn. Het treft ongeveer 2% van de algehele bevolking op een bepaald moment in hun leven (Prat, 2017). De medicamenteuze behandeling van AA is moeilijk. Er zijn uiteenlopende behandelingen beschikbaar met lokale, intralesionale en/of systemische middelen waarmee gepoogd wordt het haarverlies tegen te gaan en de hergroei van haar te stimuleren. Over de effectiviteit van verschillende middelen is weinig bekend doordat er weinig goede gerandomiseerde studies zijn uitgevoerd; bovendien speelt de factor spontane remissie ook altijd een rol. Tenslotte is follow-up data beperkt beschikbaar waardoor het onduidelijk is of en in welke mate relapse optreedt na staken van de behandeling. In de dagelijkse praktijk is er weinig ervaring met de verschillende off-label behandelingen. Behandeling is symptomatisch waarbij het herstel van haarverlies door therapie veelal tijdelijk is; na staken van de behandeling kan haaruitval opnieuw optreden. Met name bij kinderen heeft AA een grote impact op het psychisch welzijn (Mulinari-Brenner, 2018; Christensen, 2017). De psychische impact en de slechtere prognose van AA bij kinderen benadrukken het belang van adequate counseling en dragen bij aan de overwegingen bij het al dan niet over gaan op medicamenteuze behandeling in deze patiëntengroep.

Deze module heeft als doel om meer inzicht te krijgen in de beschikbare medicamenteuze behandelingen voor AA bij kinderen en een handreiking te geven voor het voorschrijven van mogelijke therapieën.

De GRADE analyse van onderstaande vergelijkingen is terug te vinden in bijlage X.

Combinatietherapie met mometason 0.01% crème + calcipotriol 0.005% zalf vs. mometason 0.01% crème monotherapie (milde AA)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (SALT)


Het zou kunnen dat combinatietherapie met mometason en calcipotriol de mate van hergroei van haar verhoogt ten opzichte van mometason monotherapie.

 

Source: (Alam et al, 2019)

Latanoprost vs. betamethason (milde AA)

Zeer laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar 

We zijn onzeker over het effect van latanoprost en betamethason op de hergroei van haar. 

 

Source: (Bhat et al, 2021)

Clobetasol 0,05% vs. hydrocortison (milde tot ernstige AA in kinderen)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar 


Het zou kunnen dat clobetasol de mate van hergroei van haar verhoogt ten opzichte van hydrocortison.

Source (Lenane et al, 2013)

Triamcinolonacetonide intralesionaal 10mg/ml (elke 3 weken voor 12 weken) vs. betamethason (lokaal, 2dd voor 12 weken) vs. tacrolimus 0,1% (2dd voor 12 weken)
(onduidelijk bij welke ernst AA)

Zeer laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar 

 

We zijn onzeker over het effect van TCA 10mg/ml, betamethason (lokaal) en tacrolimus op de hergroei van haar.


Source: (Kuldeep et al, 2011)

Triamcinolonacetonide intralesionaal 2.5mg/ml 0.1ml per cm2 (elke 4 weken, voor 3 maanden) vs. placebo (bij milde AA in adolescenten)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (RGS)


Het zou kunnen dat TCA 2.5 mg/ml de mate van hergroei van haar matig verhoogt ten opzichte van placebo.

Source: (Rajan et al, 2021)

Triamcinolonacetonide intralesionaal 5mg/ml 0.1ml per cm2 (elke 4 weken, voor 3 maanden) vs. placebo (bij milde AA in adolescenten)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (RGS)


Het zou kunnen dat TCA 5 mg/ml en 10mg/ml de mate van hergroei van haar verhoogt ten opzichte van placebo.

Source: (Rajan et al, 2021)

Triamcinolonacetonide intralesionaal 3.33mg/ml 0.1ml per cm2, maximaal 3ml (elke 4 weken, max 6 maanden) vs. placebo (bij milde AA in adolescenten)

Zeer laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (RGS)


We zijn onzeker over het effect van TCA 3.33 mg/ml, TCA 5mg/ml en TCA 10mg/ml op de hergroei van haar ten opzichte van placebo.

Source: (Ustuner et al, 2017)

Ritlecitinib vs. placebo (bij ernstige AA)

Hoog

Uitkomstmaat: hergroei van haar (SALT score, EBA-respons, ELA-respons)

 

Ritlecitinib verhoogt waarschijnlijk de mate van hergroei van haar ten opzichte van placebo.

Sources: (King et al, 2023); subanalyse door Hordinsky et al, 2023)


Redelijk

 

Uitkomstmaat: hergroei van haar (PGI-C)

 

Ritlecitinib verhoogt waarschijnlijk de mate van hergroei van haar ten opzichte van placebo.

Source: (Kingt et al, 2023)

Laag

Uitkomstmaat: veiligheid (tot week 48)

Het zou kunnen dat ritlecitinib veilig is.

 

Sources: (King et al, 2023; subanalyse door Hordinsky et al, 2023)

Combinatietherapie met methotrexaat en betamethason pulse-therapie vs. methotrexaat (bij ernstige AA in adolescenten)

Zeer laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (SALT, fotografisch score systeem en VAS (m.b.t. laesies))


We zijn onzeker over het effect van methotrexaat (monotherapie), betamethason pulse-therapie (monotherapie) en combinatietherapie met methotrexaat en betamethason pulse-therapie op de hergroei van haar.


Source: (Asilian et al, 2020)

TCA i.m. vs. dexamethason (bij milde tot ernstige AA in adolescenten)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (fotografisch score systeem met %)

 

Het zou kunnen dat TCA i.m. de mate van hergroei van haar verhoogt ten opzichte van dexamethason.

Source: (Kurosawa et al, 2006)

Laag

Uitkomstmaat: relapse 6 maanden na staken (nieuwe kale plekken of toename in haaruitval)

 

Het zou kunnen dat TCA i.m. en dexamethason een evenredige kans geven op relapse.
 
Source: (Kurosawa et al, 2006)

TCA i.m. vs. prednisolon (bij milde tot ernstige AA in adolescenten)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (fotografisch score systeem met %)

 

Het zou kunnen dat TCA i.m. en prednisolon de mate van hergroei van haar evenredig verhogen.

Source: (Kurosawa et al, 2006)

Laag

Uitkomstmaat: relapse 6 maanden na staken (nieuwe kale plekken of toename in haaruitval)

 

Het zou kunnen dat TCA i.m. en prednisolon een evenredige kans geven op relapse.
 
Source: (Kurosawa et al, 2006)

Prednisolon vs. dexamethason (bij milde tot ernstige AA in adolescenten)

Laag

Uitkomstmaat: hergroei van haar (fotografisch score systeem met %)

 

Het zou kunnen dat prednisolon en dexamethason de mate van hergroei van haar evenredig verhogen.  

Source: (Kurosawa et al, 2006)

Laag

Uitkomstmaat: relapse 6 maanden na staken (nieuwe kale plekken of toename in haaruitval)

 

Het zou kunnen dat prednisolon een lagere kans geeft op relapse dan dexamethason. 
 
Source: (Kurosawa et al, 2006)

Beschrijving van de studies
De zoekactie identificeerde 8 RCT’s.

Lenane et al. (2014) voerden een dubbel geblindeerde RCT uit onder 41 kinderen tussen de 2 en 16 jaar die zich presenteerden met AA met >10% haarverlies van de scalp. De patiënten werden gerandomiseerd in de clobetasol 0,05% groep (N=20) of de hydrocortison 1% groep.

 

Alam et al. (2019) voerden een RCT zonder blindering uit onder 100 patiënten tussen de 12 en 65 jaar die zich presenteerden met AA met <50% haarverlies van de scalp (exclusie van patiënten die ook op andere plekken haarverlies hadden dan de scalp). De patiënten werden gerandomiseerd in de combinatietherapie van mometason 0.1% crème + calcipotriol 0.005% zalf groep (N=50) of de mometason monotherapie groep.


Bhat et al. (2021) voerden een RCT zonder blindering uit onder 50 patiënten met AA met <40% haarverlies. De patiënten werden behandeld middels latanoprost of betamethason beide 2dd gedurende 16 weken.


Ustuner et al. (2017) voerden een RCT zonder blindering uit onder 89 patiënten tussen de 16 en 51 jaar die zich presenteerden met alopecia areata <3 jaar met <50% haarverlies (1-6 plekken met haarverlies van max. 3 cm in diameter, of AA subtotalis <50% haarverlies van de scalp of baardregio). De plekken met haarverlies (n=231) van de patiënten (n=83) werden gerandomiseerd in een van de triamcinolonacetonide intralesionaal (TCA) groepen of de natriumchloride (placebo) groep. TCA 40mg/ml werd verdund als volgt: TCA1 (1/4, 10mg/mL), TCA2 (1/8, 5mg/mL), TCA3 (1/12, 3,33mg/mL).  


Kuldeep et al (2011) voerden een RCT zonder blindering uit onder 105 (analyse van 78) patiënten tussen de 10 en 50 jaar die zich presenteerden met alopecia areata. De patiënten werden gerandomiseerd in de betamethason foam 0,1% 2dd groep, de tacrolimus zalf 0,1% 2dd groep of de triamcinolonacetonide intralesionaal 10 mg/ml elke 3 weken groep, allen voor 12 weken. 


Rajan et al. (2021) voerden een RCT zonder blindering uit onder 105 patiënten vanaf 12 jaar die zich presenteerden met AA met <50% haarverlies van de scalp. De plekken met haarverlies (n=168) van de patiënten (n=105) werden gerandomiseerd in een van de triamcinolonacetonide intralesionaal (TCA) groepen (10mg/ml, 5mg/ml of 2.5mg/ml) of de saline (placebo) groep.


Asilian et al. (2020) voerden een randomized placebo-controlled studie uit onder 36 patiënten (16-60 jaar) met alopecia areata met ≥50% haarverlies van de scalp en ≥6 maanden niet reagerend op lokale en systemische therapie. De patiënten werden gerandomiseerd in betamethason pulse groep (oraal, 0.5 mg in doseringen van 1 mg 1x/week voor 6 maanden), methotrexaat groep (2.5 mg 2 tabletten 3dd 1x/week voor 6 maanden) of de combinatie van bethamethason en methotrexaat (respectievelijk, pulse-therapie 0.5 mg in doseringen van 1mg 1x/week voor 6 maanden en 2.5 mg 2 tabletten 3dd 1x/week voor 6 maanden).


Kurosawa et al. (2006) voerden een RCT zonder blindering uit onder 89 patiënten (16-63 jaar) met alopecia waaronder 51 patiënten ≥1 kale plekken hadden en 38 patiënten AA totalis/universalis hadden. De patiënten werden gerandomiseerd in de orale dexamethason groep (0.5mg/dag voor 6 maanden), de intramusculaire triamcinolonacetonide groep (TCA i.m., 40mg 1x/maand voor 6 maanden, daarna 40 mg 1/1,5maand voor 12 maanden) of de prednisolon pulse-therapie groep (80 mg voor 3 opvolgende dagen eens per 3 maanden (duur van de behandeling niet omschreven).

Risk of bias
Alle studies zijn onderzocht op het risico op bias. Hieronder zijn bondig de resultaten beschreven onder Beschrijving van de resultaten.

Lenane et al. (2014) is van redelijke kwaliteit. De patiënten werden op de juiste manier geblindeerd en gerandomiseerd. Het gebruik van cm2 om het haarverlies vast te stellen is een goed meetinstrument gezien het oppervlak van de hoofdhuid van kinderen erg verschillend is. Er is echter geen placebogroep opgenomen in de studie. 

 

De RCT van Alam et al. (2019) is van matige kwaliteit. Er is geen placebogroep opgenomen in de studie. Er is geen blindering toegepast op patiënten, personeel en onderzoekers. Echter verwachten we niet dat dit effect heeft op de uitkomstmaten. Daarnaast is er geen studieprotocol beschikbaar en is het aantal patiënten dat geanalyseerd is, niet duidelijk op te maken uit het artikel.


De RCT van Bhat et al. (2021) is van matige kwaliteit. Er is geen placebogroep opgenomen in de studie. De geïncludeerde patiënten zijn onduidelijk beschreven. 


De RCT van Ustuner et al. (2017) is van redelijke kwaliteit. Er is een placebogroep opgenomen in de studie. De randomisatie is juist uitgevoerd. De patiënten die uitvielen tijdens de studie zijn niet duidelijk beschreven en er is geen studieprotocol beschikbaar.


De RCT van Kuldeep et al (2011) is van lage tot matige kwaliteit. Er is geen placebogroep opgenomen in de studie. Er was sprake van een hoge uitval in de studie van  28,35%, maar deze uitval wordt niet nader toegelicht. Daarbij wordt de ernst van de alopecia aratea van de groep gepresenteerd als geheel, maar is het niet zeker of deze verdeling ook van toepassing is op de geanalyseerde groep patiënten.


De RCT van Rajan et al. (2021) is van redelijke kwaliteit. Er is een placebogroep opgenomen in de studie. De randomisatie is juist uitgevoerd. Er is geen studieprotocol beschikbaar.


De RCT van Asilian et al. (2020) is van matig tot redelijke kwaliteit. Er is geen placebogroep opgenomen in de studie. De randomisatie is goed uitgevoerd en de patiënten werden geblindeerd. Echter is er onvoldoende informatie over de blindering van personeel en de onderzoekers beschikbaar. Daarnaast is het studieprotocol ook niet beschikbaar. 

 

De RCT van Kurosawa et al. (2006) is van matige kwaliteit. Er is geen placebogroep opgenomen in de studie. Er vond geen blindering plaats, maar we verwachten niet dat dit effect heeft op de uitkomsten. Er is geen studieprotocol beschikbaar. In de verschillende groepen was de verhouding tussen patiënten met ≥2 AA plekken en AA universalis/totalis verschillend, waardoor de resultaten moeilijker de interpreteren zijn.


Beschrijving van de resultaten
Gezien de uiteenlopende inclusie van studies naar verschillende therapieën, is in de tabel hieronder ‘Overzicht samenvatting resultaten’ een beknopte uiteenzetting van de geïncludeerde studies en diens resultaten beschreven. Voor de interpretatie van deze resultaten is ook de GRADE bewijskracht in de tabel opgenomen. Onder de tabel worden alle resultaten uitgebreid beschreven.

 

De werkgroep heeft haarverlies van <50% gedefinieerd als milde alopecia areata en ≥50% als ernstige alopecia areata.

 

Tabel Overzicht samenvatting resultaten

Vergelijking

Ernst AA in
studiepopulatie

N

Uitkomsten

GRADE bewijskracht

Latanoprost vs. betamethason (topicaal)
Bhat 2021

Mild

50

De mate van hergroei van haar na 16 weken was lager in de latanoprost groep dan in de betamethason groep (median 11,1, IQR 0-99,1 en 100, IQR 13,6-100, p=0,02). Significant minder patiënten in de latanoprost groep hadden een complete respons ten opzichte van de betamethason groep (6 (24%) vs. 14 (56%), p=0,02).

Zeer laag

Combinatietherapie met mometason 0.01% crème + calcipotriol 0.005% zalf vs. mometason 0.01% crème monotherapie
Alam 2019

Mild

100

Aan het einde van de 24 weken was de gemiddelde SALT score respectievelijk 4,24 en 3,39 percentagepunten gedaald (p<0,001).

Laag

Triamcinolonacetonide intralesionaal 3.33 mg/ml of 5 mg/ml of 10 mg/ml 0.1ml per cm2, maximaal 3ml (elke 4 weken, max 6 maanden) vs. placebo
Ustuner 2017

Mild

83

Algemeen gezien was het percentage AA plekken waar hergroei van haar werd gezien op 6 maanden significant lager in de placebo groep (0%) dan in de TCA 10mg/ml (97.1%) en TCA 5mg/ml (87.9%) groepen (p<0.01). En niet in de TCA 3.33mg/ml groep (56.3%)

Redelijk

Triamcinolonacetonide intralesionaal 2.5 mg/ml of 5 mg/ml of 10 mg/ml 0.1ml per cm2 (elke 4 weken, voor 3 maanden) vs. placebo
Rajan 2021

Mild

105

Op week 12 vertoonden meer dan 50% van de scalp kwadranten een RGS score van 3 of 4 in de 10 mg/ml (66,9%), 5 mg/ml (57,9%) en 2,5 mg/ml (53,7%) groep behalve in de placebo groep (38,8%). De interventiegroepen lieten een positief significant effect zien op de duur van de behandeling ten opzichte van placebo (p<0.001) waarbij de interventiegroep voor een kortere duur behandeld hoefde te worden. De interventiegroepen zijn hier onderling niet op vergeleken.

Redelijk

Triamcinolonacetonide intralesionaal 10mg/ml (elke 3 weken voor 12 weken) vs. betamethason (lokaal, 2dd voor 12 weken) vs. tacrolimus 0,1% (2dd voor 12 weken)
Kuldeep 2011

Onduidelijk

105

78 patiënten werden uiteindelijk meegenomen in de analyse. Een eerste therapeutische respons werd gezien in de TCA groep op 3 weken (HRG I, p<0,005). >75% hergroei van haar werd na 12 weken gezien in de betamethason en de TCA groep, respectievelijk in 12 (42,9%) en 16 (60%) patiënten. In de tacrolimus groep werd na 12 weken geen hergroei van >75% waargenomen (p<0,0000079).

Zeer laag

Combinatietherapie van methotrexaat + betamethason pulse-therapie vs. methotrexaat vs. betamethason pulse-therapie
Asilian 2020

Ernstig

36

Op 9 maanden was de verbetering van de betamethason pulse-therapie groep 26% (SALT), 3 punten op de VAS score en 1 punt op het fotografische score systeem. In de betamethason en combinatie therapie groepen werd een significante grotere verbetering van de SALT score gezien ten opzichte van de methotrexaat groep. (respectievelijk p=0.006, p<0.001).

Laag

Triamcinolonacetonide intramusculair vs. prednisolon pulse-therapie vs. dexamethason
Kurosawa 2006

Mild – ernstig

89

Respons (patiënten met >40% hergroei van haar) op 12 maanden werd gezien in 32/43 patiënten in de TCA i.m. groep (74%), 19/29 patiënten in de prednisolon groep (66%) en 7/19 in de dexamethason groep (37%). De totale respons was statistisch significant hoger in de TCA i.m. groep dan de dexamethason groep (p<0.02). Echter in de TCA i.m. groep zaten in verhouding ook meer patiënten met AA multiplex.  Relapse (nieuwe of uitbreidende kale plekken) binnen 6 maanden na het staken van de therapie werd gezien in 33% in de prednisolon groep, 46% in de TCA i.m. groep en in 75% in de dexamethason groep. Alleen tussen de prednisolon en de dexamethason groep was dit verschil statistisch significant (p<0.02).

Laag

Ritlecitinib vs. placebo
King 2023 en Hordinsky 2023

Ernstig

105 

Na 24 weken behaalde 17%–28% van de adolescenten een SALT score van ≤20 in de behandelingsgroepen met ritlecitinib 30 mg en hoger (30 mg: 17%, 50 mg: 25%, 200/30 mg: 18%, 200/50 mg: 28%) versus 0% voor placebo. Na 48 weken had 25%–50% van de patiënten een SALT-score ≤20 in de behandelingsgroepen met ritlecitinib 30 mg en hoger (30 mg: 26%, 50 mg: 50%, 200/30 mg: 39%, 200/50 mg: 25%). 45%-61% van de adolescenten rapporteerden dat hun AA “matig” of “sterk” verbeterd was in de ritlecitinib 30 mg en hoger groepen (30 mg: 45%, 50 mg: 59%, 200/30 mg: 53%, 200/50 mg: 61%) vs. 10%–22% voor placebo na 24 weken.

13,0% van de patiënten bereikte een SALT-respons ≤10 met 50 mg ritlecitinib vergeleken met -0% bij placebo na 24 weken. Het SALT-responspercentage ≤10 voor 50 mg ritlecitinib nam verder toe tot 33% na 48 weken.

Hoog

Clobetasol 0,05% vs. hydrocortison 1% (mild tot ernstige AA)
Behandeling middels clobetasol 0,05% en hydrocortison 1% (2dd voor 6 weken, waarna 6 weken geen therapie en dit repeterend tot 24 weken) werd onderzocht in de studie door Lenane et al. (2014) in 41 kinderen (2 tot 15 jaar, mean: 7,3) met >10% haarverlies van de scalp. Constitutioneel eczeem werd gezien in 65% van de deelnemers. 21 patiënten hadden AA in de voorgeschiedenis. Aan de start van de studie hadden patiënten in de clobetasol groep gemiddeld 72,2cmhaarverlies (IQR: 31,2-126,6) en in de hydrocortison groep 49,2cm2 (IQR: 27,3-75,4). Het percentage vermindering van het hoofdhuidoppervlak met haarverlies na 24 weken vergeleken met voor de therapie was groter in de clobetasol groep (96,5%, IQR, 64-100) in vergelijking met de hydrocortison groep (4,6%; IQR, -444,3 tot 80,8) (p = 0,002) (Tafel 3). Zeventien van de 20 kinderen in de clobetasol groep (85%) versus zeven van de 21 kinderen in de hydrocortisongroep (33,3%) hadden minstens 50% vermindering van het oppervlak met haaruitval op 24 weken (p<0,001).

 

Mometason 0.1%  + calcipotriol 0.005% vs. mometason 0,1% monotherapie (bij milde AA)
Behandeling middels mometason 0,1% crème met calcipotriol 0,005% zalf (1dd voor 24 weken) en mometason monotherapie (1dd voor 24 weken) werd onderzocht in de studie van Alam et al. (2019) in 100 patiënten van 12-65 jaar met ≤40% haarverlies van de scalp. De gemiddelde SALT scores voor het starten van de therapie waren 7,22% in de combinatietherapiegroep en 6,05 in de monotherapiegroep (p=0,145). Aan het einde van de 24 weken was de gemiddelde SALT score respectievelijk 4,24 en 3,39 percentagepunten gedaald (p<0,001).

DPCP monotherapie vs. DPCP en ditranol (bij mild tot matig-ernstige AA)
DPCP als monotherapie (D groep) en in combinatie met ditranol (D/A groep) werd onderzocht in de studie van Ghandi et al. (2021) in 50 patiënten met een SALT ≥25. In de studie zaten zowel kinderen als volwassenen (<10 jaar: 6, 11-30 jaar: 24, >31 jaar: 13). Na zes maanden werd de effectiviteit van de therapie en de bijwerkingen beoordeeld. Complete hergroei van haar werd gezien bij 3 patiënten van elke groep (18,75% in de D groep, 15,79% in de D/A groep). In 25% en 31% van groep D en 21% en 47% in groep D/A hadden respectievelijk >75% en >50% hergroei van haar (p=0,696).

Latanoprost vs. betamethason (milde AA)
Behandeling middels latanoprost 2dd voor 16 weken en betamethason 2dd voor 16 weken werd onderzocht in de studie van Bhat et al. (2021) in 50 patiënten (median [IQR] leeftijd, 24 [14.5–34.3]) met AA waarbij er sprake was van <40% haarverlies. Elke 4 weken tot het eind van de studie werd de effectiviteit beoordeeld middels de RGS schaal. De mate van hergroei van haar na 16 weken was lager in de latanoprost groep dan in de betamethason groep (median 11,1, IQR 0-99,1 en 100, IQR 13,6-100, p=0,02). Significant minder patiënten in de latanoprost groep hadden een complete respons ten opzichte van de betamethason groep (6 (24%) vs. 14 (56%), p=0,02).

 

Triamcinolonacetonide intralesionaal (bij milde AA)
Triamcinolonacetonide werd in verschillende doseringen en vergelijkingen beschreven in 3 artikelen, Ustuner et al. (2017), Rajan et al. (2021) en Kuldeep et al. (2011).

Triamcinolonacetonide intralesionaal (40mg/ml verdund in 1/4, 1/8 of 1/12, respectievelijk 10mg/ml, 5mg/ml of 3.33mg/ml, in 0.1ml per cm2 met een maximum van 3ml, elke 4 weken voor 6 maanden of tot voldoende mate van haargroei was bereikt) in vergelijking tot placebo (natriumchloride) werd onderzocht in de studie van Ustuner et al. (2017) in 83 patiënten >16 jaar met milde AA. De effectiviteit werd gemeten middels een 5-punts score systeem (RGS). De punten werden als volgt toegekend: 0 als de hergroei van haar <10% was, 1 bij 11-25%, 2 bij 26-50%, 3 bij 51-75% en 4 bij >75%. Een succesvolle behandeling werd gedefinieerd als 4 punten (>75% haar terug-groei). De kale plekken van de patiënten werden allemaal los meegenomen in de analyse (231). Na 2 sessies werd er bij 26 plekken geen respons gezien en werd de therapie gestaakt. De resterende 205 plekken waren ≥3 sessies behandeld: 24 plekken voor 3 sessies, 40 plekken voor 4 sessies, 29 plekken voor 5 sessies en 112 plekken voor 6 sessies. In de placebo groep was 6 het gemiddelde aantal sessies (SD: 0) en in de TCA 10mg/ml, 5mg/ml en 3.33mg/ml respectievelijk 3,74 (SD: 0.99), 4,91 (SD: 1.10) en 5.66 (SD 0.04). Deze uitkomsten waren statistisch significant verschillend (p<0.01). Het percentage AA plekken in de placebo groep dat een RGS score van 4 behaalde op 6 maanden (0%) was statistisch significant lager dan in de TCA 10mg/ml (85.7%) en TCA 5mg/ml (69.2%) groepen (p<0.01). Er werd geen statistisch significant verschil gezien in de TCA 3.33mg/ml groep (17.6%). Algemeen gezien was het percentage AA plekken waar haar teruggroei werd gezien op 6 maanden significant lager in de placebo groep (0%) dan in de TCA 10mg/ml (97.1%) en TCA 5mg/ml (87.9%) groepen (p<0.01) en niet in de TCA 3.33mg/ml groep (56.3%). Atrofie van de huid werd gezien in 6 plekken van de TCA 10mg/ml groep na 3 en 6 maanden, teleangiëctasieën werden gezien in 6 plekken van de TCA 10mg/ml groep na 3 en 6 maanden. 

Triamcinolonacetonide intralesionaal (10mg/ml, 5mg/ml of 2.5mg/ml, in 0.1ml per cm2, elke 4 weken voor 3 maanden) in vergelijking tot placebo (natriumchloride) werd onderzocht in de studie van Rajan et al. (2021) in 105 patiënten >12 jaar met milde AA. De effectiviteit werd gemeten middels een 5-punts score systeem (RGS). De punten werden als volgt toegekend: 0 als de hergroei van haar <10% was, 1 bij 11-25%, 2 bij 26-50%, 3 bij 51-75% en 4 bij >75%. Van de 105 patiënten werden in totaal 168 AA plekken behandeld. 75 patiënten en in totaal 121 AA plekken werden geanalyseerd aan het einde van de follow up op week 12. Op week 12 vertoonden meer dan 50% van de scalp kwadranten een RGS score van 3 of 4 in de 10 mg/ml (66,9%), 5 mg/ml (57,9%) en 2,5 mg/ml (53,7%) groep behalve in de placebo groep (38,8%). De analyse van de interventie met betrekking tot de behandelduur liet een significante verbetering zien in de 10 mg/mL groep in vergelijking tot placebo (estimate: 0.04; robust Z: 8.5; robust SE [RSE]: 0.005; p < 0,001), 5 mg/mL groep in vergelijking tot placebo (estimate: 0.04; robust Z: 7.32; RSE: 0.005; p < 0,001), en 2.5 mg/mL groep in vergelijking tot placebo (estimate: 0.03; robust Z: 5.98; RSE: 0.005; P < .001). Op week 12 werd in 33.1% van de kwadranten in de 10mg/ml, 23.4% in de 5mg/ml en 17.7% in de 2.5mg/ml groep atrofie gezien in vergelijking met 1.6% in de placebo groep. Op week 12 werd in 4.8% van de kwadranten in de 10mg/ml, 2.4% in de 5mg/ml en 1.6% in de 2.5mg/ml groep teleangiëctasieën gezien in vergelijking met 2.4% in de placebo groep. 

Triamcinolonacetonide intralesionaal (TCA) (10mg/ml elke 3 weken voor 12 weken) in vergelijking tot tacrolimus zalf (0,1% 2dd voor 12 weken) of betamethason valeraat foam (0,1% 2dd voor 12 weken) werd onderzocht in de studie van Kuldeep et al. (2011) in 105 patiënten van 10-50 jaar met elke vorm alopecia areata. De effectiviteit werd gemeten middels de HRG schaal (Hair Re-growth Grade). De schaal wordt als volgt opgedeeld: I (0-25%), II (26-50%), III (51-75%) en IV (76-100%). 78 patiënten werden uiteindelijk meegenomen in de analyse. Een eerste therapeutische respons werd gezien in de TCA groep op 3 weken (HRG I, p<0,005). >75% hergroei van haar werd na 12 weken gezien in de betamethason en de TCA groep, respectievelijk in 12 (42,9%) en 16 (60%) patiënten. In de tacrolimus groep werd na 12 weken geen hergroei van >75% waargenomen (p<0,0000079). In de TCA groep werd lokale pijn en atrofie gemeld bij 6 patiënten, jeuk bij 2 en branderigheid bij 3 patiënten. In de betamethason en tacrolimus groep werd in beide gevallen bij 3 patiënten lokale jeuk gemeld. In geen van de gevallen zijn serious adverse events gerapporteerd. 

Combinatietherapie van methotrexaat + betamethason pulse-therapie vs. methotrexaat vs. betamethason pulse-therapie (bij ernstige AA)

Combinatietherapie van methotrexaat (15mg 1x/week voor 6 maanden) en betamethason pulse-therapie (0.5mg in doseringen van 3mg/week voor 6 maanden) in vergelijking tot de 2 monotherapieën (methotrexaat en betamethason pulse) werd onderzocht in de studie van Asilian et al. (2020) in 36 patiënten met ernstige AA in de leeftijdscategorie 16-60 jaar. De hergroei van haar werd gemeten op 3, 6 en 9 maanden middels de SALT, een fotografisch score systeem en de VAS. Alle groepen lieten verbetering zien in de 3 meetinstrumenten op 3, 6 en 9 maanden. Op 9 maanden was de verbetering van de combinatietherapie groep 46% (SALT), 6 punten op de VAS score en 2 punten op het fotografische score systeem. Op 9 maanden was de verbetering van de methotrexaat groep 23% (SALT), 4 punten op de VAS score en 1 punt op het fotografische score systeem. Op 9 maanden was de verbetering van de betamethason pulse-therapie groep 26% (SALT), 3 punten op de VAS score en 1 punt op het fotografische score systeem. In de betamethason en combinatie therapie groepen werd een significante grotere verbetering van de SALT score gezien ten opzichte van de methotrexaat groep. (respectievelijk p=0.006, p<0.001).

 

Met betrekking tot de VAS score en het fotografisch score systeem liet de combinatiegroep significant betere resultaten zien dan de betamethason (respectievelijk p=0.015 en p=0.019) en de methotrexaat groep (respectievelijk p<0.001 en p<0.001). Er werden geen serieuze bijwerkingen gezien. 1 patiënt in de methotrexaat groep en 1 patiënt in de combinatie therapie groep hadden last van gastro-intestinale bijwerkingen die verholpen konden worden door dagelijkse foliumzuur suppletie tijdens de betreffende behandeling.


Triamcinolonacetonide intramusculair vs. prednisolon pulse-therapie vs. dexamethason (milde tot ernstige AA, 1-100%)
TCA i.m. (40mg 1x/maand voor 6 maanden gevolgd door 40mg 1x/1,5maand voor 1 jaar), dexamethason (0,5mg/dag voor 6 maanden) en prednisolon pulse-therapie (80mg 1dd voor 3 opvolgende dagen elke 3 maanden voor X maanden) werden onderzocht in de studie van Kurosawa et al. (2006) in 89 patiënten met milde tot ernstige AA (10-100%) in de leeftijdscategorie 16-63 jaar. De hergroei van haar werd gemeten op 3, 6 en 12 maanden middels een fotografisch score systeem. Daarmee werd het hergroei percentage  bijgehouden. Patiënten die goed reageerden werden gedefinieerd als patiënten met >40% haar teruggroei. Een terugval werd gedefinieerd als nieuwe of uitbreidende kale plekken. In de dexamethason groep zaten 10 patiënten met ≥2 AA plekken 9 patiënten met AA universalis, in de TCA i.m. groep 31 patiënten met AA multiplex en 12 patiënten met AA universalis, en in de prednisolon groep 12 patiënten met AA multiplex en 17 patiënten met AA universalis. Respons (patiënten met >40% hergroei van haar) op 12 maanden werd gezien in 32/43 patiënten in de TCA i.m. groep (74%), 19/29 patiënten in de prednisolon groep (66%) en 7/19 in de dexamethason groep (37%). De totale respons was statistisch significant hoger in de TCA i.m. groep dan de dexamethason groep (p<0.02). Echter in de TCA i.m. groep zaten in verhouding ook meer patiënten met ≥2 AA plekken. Relapse (nieuwe of uitbreidende kale plekken) binnen 6 maanden na het staken van de therapie werd gezien in 33% in de prednisolon groep, 46% in de TCA i.m. groep en in 75% in de dexamethason groep. Alleen tussen de prednisolon en de dexamethason groep was dit verschil statistisch significant (p<0.02).

Bijwerkingen werden gezien in 3/29 patiënten in de prednisolon groep (10%), 23/56 patiënten in de TCA i.m. groep (41%) en 6/20 patiënten in de dexamethason groep (30%). Twee van deze 3 patiënten uit de prednisolon groep ontwikkelden dysmenorroe, 1 rapporteerde buikpijn. In de TCA i.m. groep hadden 3 patiënten buikklachten, 1 patiënt verergering van acne en 16 patiënten  dysmenorroe.  In de dexamethason groep waren er 3 met gewichtstoename, 2 met buikklachten, 1 met algehele zwakte en 1 met zwelling in het gelaat. Geen van de patiënten ontwikkelden hypertensie, maagzweren, verhoogde nuchtere bloedsuikerspiegel, abnormale chemische serumprofielen of lenticulaire opaciteit na het starten van de behandeling.

 

Ritlecitinib (bij ernstige AA)

Onderstaande studie naar de effectiviteit van ritlecitinib is geïncludeerd naar aanleiding van de plaatsbepaling door de NVDV voor de beoordeling van het vergoedingsdossier door het Zorginstituut Nederland. De NVDV Commissie Dure Geneesmiddelen heeft verzocht dit geneesmiddel mee te nemen in de huidige herziening van de richtlijn AA. Gezien de systematische zoekactie voor dit geneesmiddel bij AA, is er ook een GRADE analyse verricht.

 

Fase 2b-3 trial (King 2023)

In de dubbel geblindeerde placebogecontroleerde RCT (AA-1) door King et al. (2023) werd de effectiviteit, dosisrespons en veiligheid van ritlecitinib onderzocht bij patiënten met alopecia areata van 12 jaar en ouder met ≥50% haaruitval van de scalp, waaronder alopecia totalis en alopecia universalis. Bij de geïncludeerde patiënten was er geen sprake van hergroei van terminaal haar in de voorgaande 6 maanden, het aantal jaar sinds de diagnose was ≤10 jaar en er was geen andere oorzaak van het haaruitval bekend. 

 

Het onderzoek bestond uit een placebogecontroleerde, 24 weken durende periode en een 24 weken durende vervolgperiode. In totaal werden 718 patiënten geïncludeerd en gerandomiseerd naar een van de volgende behandelingsschema’s gedurende 48 weken:

  1. 1dd 200 mg gedurende 4 weken, gevolgd door 1dd 50 mg gedurende 44 weken.
  2. 1dd 200 mg gedurende 4 weken, gevolgd door 1dd30 mg gedurende 44 weken.
  3. 1dd 50 mg gedurende 48 weken.
  4. 1dd 30 mg gedurende 48 weken.
  5. 1dd 10 mg gedurende 48 weken.
  6. Placebo gedurende 24 weken, gevolgd door 1dd 200 mg gedurende 4 weken en 1dd 50 mg gedurende 20 weken.
  7. Placebo gedurende 24 weken, gevolgd door 1dd 50 mg gedurende 24 weken.

In dit onderzoek werd als primaire uitkomstmaat gekeken naar het aantal proefpersonen dat een SALT-score van ≤10 (90% of meer bedekking met haar op de hoofdhuid) bereikte na 24 weken. Daarnaast werd in dit onderzoek als belangrijke secundaire uitkomst de Patient’s Global Impression of Change (PGI-C)-respons na 24 weken beoordeeld en werden als secundaire uitkomsten een SALT-score van ≤20 (80% of meer bedekking met haar op de hoofdhuid) na 24 weken en verbeteringen in hergroei van wenkbrauwhaar (EBA respons) en/of wimpers (ELA respons) na 24 weken beoordeeld. 

 

In totaal werden er 105 (14,6%) patiënten van 12 tot 18 jaar, 593 (82,6%) patiënten van 18 tot 65 jaar en 20 (2,8%) patiënten van 65 jaar en ouder geïncludeerd. De gemiddelde (SD) SALT-score bij baseline varieerde in de behandelingsgroepen van 88,3 (16,87) tot 93,0 (11,50); onder de patiënten zonder alopecia totalis/alopecia universalis bij baseline varieerde de gemiddelde SALT score van 78,3 tot 87,0. In de behandelingsgroepen hadden respectievelijk 83,0% en 74,7% van de patiënten (deels) uitval van de wenkbrauwen of de wimpers. De gemiddelde duur sinds de diagnose van AA was 6,9 jaar en de gemiddelde duur van de huidige episode van AA was 2,5 jaar.

 

Na 24 weken werd een SALT-score van ≤20 gerapporteerd bij 38 (31%) van de 124 patiënten in de ritlecitinib 200 mg + 50 mg groep, 27 (22%) van de 121 patiënten in de 200 mg + 30 mg groep, 29 (23%) van de 124 patiënten in de 50 mg groep, 17 (14%) van de 119 patiënten in de 30 mg groep, en twee (2%) van de 130 patiënten in de placebogroep.

 

Het verschil in responspercentage op basis van een SALT-score ≤20 tussen de placebo en de ritlecitinib 200 mg + 50 mg groep was 29,1% (95% BI 21,2–37,9; p<0,0001), 20,8% (13,7–29,2; p<0,0001) voor de 200 mg + 30 mg groep, 21,9% (14,7–30,2; p<0,0001) voor de 50 mg groep, en 12,8% (6,7–20,4; p=0,0002) voor de 30 mg groep.

Het SALT-responspercentage ≤20 nam verder toe tot 43% na 48 weken bij patiënten in de ritlecitinib 50 mg groep.

 

13,4% van de patiënten bereikte een SALT-respons ≤10 met 50 mg ritlecitinib vergeleken met 1,5% bij placebo na 24 weken. Het SALT-responspercentage ≤10 voor 50 mg ritlecitinib nam verder toe tot 31% na 48 weken.

 

49,2% van de patiënten bereikte een PGI-C respons met 50 mg ritlecitinib vergeleken met 9,2% bij placebo na 24 weken.  

 

Bij respectievelijk 29,0% en 28,9% van de patiënten werd verbetering gezien in de hergroei van wenkbrauwen en/of wimpers werden na 24 weken met 50 mg ritlecitinib groep ten opzichte van 4,7% en 5,2% in de placebogroep. De verbeteringen namen verder toe tot 29% na 48 weken voor beide uitkomstmaten in de ritlecitinib 50 mg groep.

 

Tot aan week 48 en inclusief de follow-up periode waren bijwerkingen gemeld bij 108 (82%) van de 131 patiënten in de ritlecitinib 200 mg + 50 mg groep, 105 (81%) van de 129 patiënten in de 200 mg + 30 mg groep, 110 (85%) van de 130 patiënten in de 50 mg groep, 106 (80%) van 132 patiënten in de 30 mg groep, 47 (76%) van 62 patiënten in de 10 mg groep, 54 (83%) van 65 patiënten in de placebo gevolgd door ritlecitinib 200 mg + 50 mg groep in de verlengingsperiode, en 57 (86%) van de 66 patiënten in de placebo gevolgd door ritlecitinib 50 mg groep.

 

Bijwerkingen die bij ≥10% van de patiënten werden gemeld waren bovenste luchtweginfecties, nasopharyngitis, misselijkheid, acne en hoofdpijn. De incidentie van de bijwerkingen die gezien werden waren vergelijkbaar tussen de groepen, behalve voor influenza, bovenste luchtweginfectie en urineweginfectie die vaker werden gezien in de ritlecitinib 200 mg + 50 mg groep.

 

16 serious adverse events werden gerapporteerd bij 14 patiënten (4 in de ritlecitinib 200 mg + 50mg, 2 in de 200 + 300 mg, 2 in de 50 mg, 1 in de 30 mg, 2 in de 10 mg groep en 3 in de placebogroep), waarvan 8 herpes zoster infecties (5 in de 50 mg groep, 0 in de twee placebo plus verlengde therapie groepen).

 

Fase 2b-3 trial – subgroep analyse adolescenten (Hordinsky 2023)
De resultaten van de subanalyse door hordinsky et al. (2023) van de trial beschreven door King et al. (2023) voor adolescenten van 12 jaar tot 18 jaar worden hieronder beschreven.


In totaal werden er 105 adolescenten geïncludeerd en gerandomiseerd. Na 24 weken behaalde 17%–28% van de adolescenten een SALT score van ≤20 in de behandelingsgroepen met ritlecitinib 30 mg en hoger (30 mg: 17%, 50 mg: 25%, 200/30 mg: 18%, 200/50 mg: 28%) versus 0% voor placebo. Na 48 weken had 25%–50% van de patiënten een SALT-score ≤20 in de behandelingsgroepen met ritlecitinib 30 mg en hoger (30 mg: 26%, 50 mg: 50%, 200/30 mg: 39%, 200/50 mg: 25%). 45%-61% van de adolescenten rapporteerden dat hun AA “matig” of “sterk” verbeterd was in de ritlecitinib 30 mg en hoger groepen (30 mg: 45%, 50 mg: 59%, 200/30 mg: 53%, 200/50 mg: 61%) vs. 10%–22% voor placebo na 24 weken.

 

13,0% van de patiënten bereikte een SALT-respons ≤10 met 50 mg ritlecitinib vergeleken met -0% bij placebo na 24 weken. Het SALT-responspercentage ≤10 voor 50 mg ritlecitinib nam verder toe tot 33% na 48 weken.

In de ritlecitinib 50 mg groep werd na 24 weken bij 40,0% van de patiënten verbetering gezien in de hergroei van wenkbrauwen en bij 20,0% van de patiënten bij de wimpers, ten opzichte van 0%-14% (wenkbrauwen) en 0%-13% (wimpers) in de placebogroepen. De verbeteringen namen verder toe tot 67% (wenkbrauwen) en 73% (wimpers) na 48 weken in de ritlecitinib 50 mg groep.

De meest voorkomende bijwerkingen bij adolescenten waren hoofdpijn, acne en nasofaryngitis. Er waren geen sterfgevallen, ernstige cardiovasculaire voorvallen, maligniteiten, longembolie, opportunistische infecties of herpes zoster-infecties gerapporteerd.


Overige literatuur

Onderstaande studies zijn aangedragen door de werkgroep gezien deze literatuur kan bijdragen aan de onderbouwing van de aanbevelingen. Van deze artikelen is geen risk of bias of GRADE analyse gedaan.

Systematic review naar de behandeling van AA bij kinderen (Barton, 2022)

Er werd in oktober 2019 een systematische review (zonder meta-analyse) uitgevoerd op de PubMed-database voor alle gepubliceerde artikelen met patiënten <18 jaar oud. Er werden artikelen opgenomen die de behandeling van AA bij kinderen bespraken, evenals artikelen die zowel kinderen als volwassen met AA bespraken, met als voorwaarde dat er gegevens over kinderen beschikbaar waren.

 

In totaal werden 122 artikelen geïncludeerd waarin 1032 patiënten werden besproken uit 2 gerandomiseerde gecontroleerde studies, 4 prospectieve vergelijkende cohorten, 83 caseseries, 2 case-control studies en 31 case reports. Geïncludeerde artikelen beoordeelden het gebruik van aloë, apremilast, ditranol, anti-interferon-gamma-antilichamen, botulinumtoxine, corticosteroïden, contactimmunotherapieën, cryotherapie, hydroxychloroquine, hypnotherapie, imiquimod, Januskinaseremmers, laser- en lichttherapie, methotrexaat, topicale minoxidil, fototherapie, psychotherapie, prostaglandine-analogen, sulfasalazine, lokale calcineurineremmers, lokale stikstofmosterd en ustekinumab.

 

Lokale corticosteroïden vormen de eerstekeusbehandeling aangezien ze het hoogste niveau van bewijs hebben, gevolgd door lokale immunotherapie. Terwijl behandeling middels intralesionale corticosteroïden als eerstekeusbehandeling kan worden ingezet bij volwassenen met milde AA, is het gebruik van deze geneesmiddelen bij kinderen beperkt door de pijn die ervaren kan worden. Systemische therapie kan ook effectief zijn, met name bij patiënten waarbij de ziekteduur beperkt is, de ziekte op een vroege leeftijd is ontstaan en bij uitgebreide ziekte. Echter kan de inzet van deze middelen beperkt worden door de bijwerkingen. Algemeen kan verondersteld worden dat topicale therapieën een goede optie zijn voor milde AA, terwijl de inzet van systemische therapie nodig kan zijn bij matig tot ernstige AA wanneer andere middelen niet effectief blijken of er sprake is van een hoge psychosociale impact op de patiënt.


Italiaanse richtlijn over de diagnose en behandeling van AA (Rossi, 2019)

Volgens de auteurs van de Italiaanse richtlijn zou de benadering van de behandeling van patiënten met AA moeten verschillen op basis van de leeftijd, de ernst van de ziekte en de activiteit van de ziekte.

 

Bij patiënten jonger dan 10 jaar, ongeacht de klinische presentatie, hebben lokale krachtige corticosteroïden de voorkeursbehandeling. Eventueel kan topicale minoxidil 5% worden toegevoegd. Ditranol kan worden overwogen bij zeer jonge kinderen (1-3 jaar).

 

Wanneer kinderen ouder dan 10 jaar zijn moet voldoende rekening worden gehouden met de activiteit en de ernst van de ziekte. Intralesionale en/of topicale corticosteroïden behoren tot de eerstekeusbehandeling wanneer trichoscopische tekenen van activiteit aanwezig zijn op de plek van het haarverlies, zoals black dots, afgebroken haren, vellushaar en zogenaamde ‘hair powder’. In specifieke gevallen kunnen korte kuren met systemische corticosteroïden worden toegevoegd om de progressie van de ziekte tijdelijk te stoppen.

 

De auteurs raden systemische corticosteroïden alleen aan als tijdelijke maatregel om snel voortschrijdende actieve ziekte te beheersen, na het bereiken van dit doel kunnen deze patiënten worden overgeschakeld op alternatieve therapieën. Veel voorkomende behandelingen zijn 50 mg prednisolon per dag bij volwassenen of 1 mg/kg per dag bij kinderen, afbouwend over vier tot zes weken, of 40 mg triamcinolonacetonide intramusculaire injectie elke 15 dagen, afbouwend over 6-12 weken.

 

Rossi et al. beschrijft dat desoximetason, betamethasonvaleraat en clobetasolpropionaat de enige krachtige lokale corticosteroïden zijn die in de onderzoeken zijn geëvalueerd en daarom worden aanbevolen.

Op basis van expert opinion van de Italiaanse werkgroep kan echter zelfs behandeling met vier verschillende krachtige lokale corticosteroïden in verschillende formuleringen worden overwogen. In dit therapeutische schema wordt de patiënt geïnstrueerd om lokale corticosteroïden in paren toe te passen (om de avond). Zo’n soort protocol zou volgens de auteurs nuttig kunnen zijn om een ​​plotselinge afname van de respons te voorkomen.

 

Topicale corticosteroïden met een hoge potentie moeten gedurende 3 tot 6 maanden worden gebruikt voordat de effectiviteit ervan kan worden beoordeeld. Behandeling kan verlengd worden als onderhoudsbehandeling.

Om de uitgangsvraag te beantwoorden is een systematische literatuuranalyse uitgevoerd. Voor dit onderzoek is de volgende PICO opgesteld:

P:

Kinderen met alopecia areata

I: Lokale therapieën, intralesionale therapieën, systemische therapieën (zie onderstaand)
C: Andere behandeling, geen behandeling, placebo
O: Zie uitkomstmaten

Lokale therapieën: corticosteroïden, tacrolimus, topicale minoxidil, vitamine D preparaten, diphencyprone, dithranol, prostaglandine analogen, topicale JAK-remmers, UV-kam.


Intralesionale therapieën: triamcinolonacetonide injecties, platelet rich plasma (PRP).

Systemische therapie: triamcinolonacetonide i.m., prednisolon, dimethylfumaraat, methotrexaat, ciclosporine, mycofenolaat mofeitil/mycofenolzuur, azathioprine, ezetimib/simvastatine, baricitinib, ritlecitinib, dupilumab, dexamethason minipulse.

 

Uitkomstmaten         

De werkgroep definieerde de uitkomstmaten als volgt in volgorde van prioriteit:

Cruciaal

  • Hergroei van haar (SALT score, foto’s, beoordeling door arts).

Belangrijk

  • Veiligheid (o.a. serious adverse events (ziekenhuis opname, mortaliteit), andere bijwerkingen).
  • Kwaliteit van leven (QOL).
  • Patiënttevredenheid.
  • Relapse na staken.
  • Patient global assessment.
  • Investigator global assessment.
  • Drug survival.

Er werd een systematische zoekstrategie uitgevoerd in de elektronische databases Embase en Medline. De zoekstrategie is toegevoegd onder het tabje Zoekverantwoording. Studies werden geïncludeerd wanneer deze overeenkwamen met de elementen van de PICO en aan de volgende in- en exclusiecriteria voldeden:

 

Inclusie

  • Vergelijkend onderzoek (n>30).
  • Uitkomstmaten worden idealiter gemeten na ten minste 3 maanden, maar bij voorkeur na 6 maanden of 1 jaar.
  • Controlegroep: placebo, andere behandeling of geen behandeling (kanttekening:
    natuurlijk beloop)
  • Een patiënt mag zijn/ haar eigen controle zijn (ook wel beschreven als ‘half head’).
  • Niet vergelijkend onderzoek wordt op hoofdlijnen beschreven als er geen (randomized  controlled trials) RCT’s zijn, geen analyse middels GRADE.

Exclusie

  • Interventies die niet in Nederland beschikbaar zijn of weinig toegepast worden: tofactinib, brepocitinib en CTP-543.
  • Studies waarin verschillende dosis of behandelfrequenties zijn onderzocht (zonder controle groep).
  • Studies waarbij behandeling van AA in aanwezigheid van een comorbiditeit onderzocht werd.

Resultaten

Er werden in totaal 112 studies geïncludeerd op basis van beoordeling van titel en abstract. Uiteindelijk zijn er na full text screening 8 studies geëxcludeerd. 

  1. Alam, M., Amin, S. S., Adil, M., Arif, T., Zahra, F. T., & Varshney, I. (2019). Comparative Study of Efficacy of Topical Mometasone with Calcipotriol versus Mometasone Alone in the Treatment of Alopecia Areata. International journal of trichology, 11(3), 123–127. https://doi.org/10.4103/ijt.ijt_18_19.
  2. Asilian, A., Fatemi, F., Ganjei, Z., Siadat, A. H., Mohaghegh, F., & Siavash, M. (2021). Oral Pulse Betamethasone, Methotrexate, and Combination Therapy to Treat Severe Alopecia Areata: A Randomized, Double-blind, Placebo-controlled, Clinical Trial. Iranian journal of pharmaceutical research : IJPR, 20(1), 267–273. https://doi.org/10.22037/ijpr.2020.113868.14536.
  3. Bhat, S., Handa, S., & De, D. (2021). A randomized comparative study of the efficacy of topical latanoprost versus topical betamethasone diproprionate lotion in the treatment of localized alopecia areata. Indian journal of dermatology, venereology and leprology, 87(1), 42–48. https://doi.org/10.25259/IJDVL_787_19.
  4. Kuldeep, C., Singhal, H., Khare, A. K., Mittal, A., Gupta, L. K., & Garg, A. (2011). Randomized comparison of topical betamethasone valerate foam, intralesional triamcinolone acetonide and tacrolimus ointment in management of localized alopecia areata. International journal of trichology, 3(1), 20–24.
  5. Kurosawa, M., Nakagawa, S., Mizuashi, M., Sasaki, Y., Kawamura, M., Saito, M., & Aiba, S. (2006). A comparison of the efficacy, relapse rate and side effects among three modalities of systemic corticosteroid therapy for alopecia areata. Dermatology (Basel, Switzerland), 212(4), 361–365. https://doi.org/10.1159/000092287.
  6. Lenane, P., Macarthur, C., Parkin, P. C., Krafchik, B., DeGroot, J., Khambalia, A., & Pope, E. (2014). Clobetasol propionate, 0.05%, vs hydrocortisone, 1%, for alopecia areata in children: a randomized clinical trial. JAMA dermatology, 150(1), 47–50. https://doi.org/10.1001/jamadermatol.2013.5764.
  7. Pelin Ustuner, Ali Balevi & Mustafa Özdemir (2017) Best dilution of the best corticosteroid for intralesional injection in the treatment of localized alopecia areata in adults, Journal of Dermatological Treatment, 28:8, 753-761, DOI: 10.1080/09546634.2017.1329497.
  8. Rajan M B, Bhardwaj A, Singh S, et al. Identification of novel step-up regimen of intralesional triamcinolone acetonide in scalp alopecia areata based on a double-blind randomized controlled trial. Dermatologic Therapy. 2021;34:e14555. https://doi.org/10.1111/dth. 14555.
  9. Reyes-Hadsall, S., Drake, L., Han, J. J., Lee, K. J., Zhou, G., Mostaghimi, A., & Huang, K. P. (2022). Shared Decision-Making, Therapeutic Choice, and Decisional Regret in Patients With Alopecia Areata. JAMA dermatology, 158(10), 1187–1191. https://doi.org/10.1001/jamadermatol.2022.3025.
  10. Rossi, A., Muscianese, M., Piraccini, B. M., Starace, M., Carlesimo, M., Mandel, V. D., Alessandrini, A., Calvieri, S., Caro, G., D'arino, A., Federico, A., Magri, F., Pigliacelli, F., Amendolagine, G., Annunziata, M. C., Arisi, M. C., Astorino, S., Babino, G., Bardazzi, F., Barruscotti, S., … Fortuna, M. C. (2019). Italian Guidelines in diagnosis and treatment of alopecia areata. Giornale italiano di dermatologia e venereologia : organo ufficiale, Societa italiana di dermatologia e sifilografia, 154(6), 609–623. https://doi.org/10.23736/S0392-0488.19.06458-7.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 21-09-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 21-09-2026

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep grotendeels in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update).

 

De Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) is regiehouder van deze richtlijn actinische keratose en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
Geautoriseerd door:
  • Alopecia Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

 

Tabel Overzicht betrokken partijen ontwikkeling richtlijn Alopecia areata 2024

Overzicht betrokken partijen richtlijn Alopecia areata 2024

Zitting neming in werkgroep

Knelpunten analyse

Commentaarfase

Autorisatie

Opmerkingen

Wetenschappelijke verenigingen

Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV)

X

X

X

X

 

Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)

X

X

X

X

 

Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK)

 

X

X

X

 

Overige organisaties

 

 

 

 

 

Nederlandse Vereniging Huidtherapeuten (NVH)

X

X

X

X

 

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)

 

 

X

X

 

Nederlandse Associatie Physician Assistants (NAPA)

X

 

X

X

 

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

 

 

X

X

 

Patiëntenverenigingen

Alopecia Vereniging

X

 

X

X

 

Huid Nederland (HN)

 

X

X

X

 

Stakeholders

Nederlandse Vereniging Ziekenhuizen (NVZ)

 

 

X

 

 

Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU)

 

 

 

 

 

Zelfstandige klinieken Nederland (ZKN)

 

 

 

 

 

Zorgverzekeraars Nederland (ZN)

 

 

 

 

 

Zorginstituut Nederland (ZiN)

 

 

 

 

 

Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG)

 

 

X

 

 

Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ)

 

 

 

 

 

Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuis Apothekers (NVZA)

 

 

 

 

 

*alle partijen werden uitgenodigd voor de knelpuntenanalyse (invitational conference) en de commentaarfase.

Deelname aan de werkgroep en autorisatie wordt enkel aan de wetenschappelijke verenigingen, patiëntenverenigingen en overige organisaties voorgelegd.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntenvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.

Werkgroepleden – richtlijnontwikkeling 2024

Vereniging

Petra Dikrama (dermatoloog)

NVDV

Tristan van Dongen (dermatoloog)

NVDV

Alexander Lokin (dermatoloog)

NVDV

Marlies de graaf (dermatoloog)

NVDV

Patrick Kemperman (dermatoloog)

NVDV

Barbara Horvath (dermatoloog)

­­­NVDV

Marja Oldhoff (dermatoloog)

NVDV

Ilse Bakker (AIOS dermatologie)

NVDV

Bashar Razoki (AIOS dermatologie) – vanaf februari 2023

NVDV

Zana Brkic (internist)

NIV

Meike Jutten (physician assistant)

NAPA

Karlijn Sterkenburg (huidtherapeut)

NVH

Caroline Vos (patiëntvertegenwoordiger)

Alopecia Vereniging

Ondersteuning werkgroep

Vereniging

Carin Smit (arts-onderzoeker) – Januari 2023 t/m mei 2024

NVDV

Ayla de Waal (arts-onderzoeker) – April 2022 t/m december 2022

NVDV

Esther van Veen (arts-onderzoeker) – Mei 2021 t/m april 2022

NVDV

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u hieronder.

 

De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.

 

Werkgroep-lid

Namens

Hoofdfunctie

Neven-functies

Persoonlijke financiële belangen,

Persoonlijke relaties,

Reputatie management

Extern gefinancierd onderzoek

Overige belangen

Getekend op

Acties

Petra Dikrama (voorzitter)

NVDV

Dermatoloog Erasmus MC Rotterdam (0,65 fte)

Onderwijs coördinator Erasmus MC Rotterdam (0,05 fte)

Dermatoloog Bodyclinic Amsterdam, (injectables) betaald

 

Geen, echter ik superviseer wel een haar-poli in het Erasmusmc en wordt wel eens gevraagd om te spreken voor de alopecia patientenvereniging (onbetaald)

Geen

Geen

21-08-2020

 

Marlies de Graaf

NVDV

Dermatoloog, met aandachtsgebied kinderen (kinderdermatoloog)

Universitair Medisch Centrum Utrecht

NVT

Geen

Ik neem deel aan onderzoek met JAK remmers bij de behandeling van constitutioneel

eczeem.

Geen

03-01-2022

 

Patrick Kemperman

NVDV

Dermatoloog Amsterdam UMC en Dijklander ziekenhuis

NVT

Geen

Geen

Geen

28-10-2021

 

Tristan van Dongen

NVDV

Arts in opleiding tot dermatoloog, Erasmus MC, Rotterdam

NVT

Geen

Geen

Geen

07-01-2022

 

Barbara Horvath

NVDV

Afdelingshoofd dermatologie, Universitair Medisch Centrum Groningen

Onbetaald: Medisch adviseur van Hidradenitis patiëntenvereniging en van Pemphigus pemfigoïd Netwerk Nederland, Associate Editor the British Journal of Dermatology, Board member ERN-SKIN, Member EADV taskforces on Autoimmune Blistering Diseases, Member EADV taskforces on Acne, Rosacea and Hidradenitis, Lid NVDV domeingroep inflammatoire dermatosen, lid NVDV commissie Dure geneesmiddelen

Alle fees betaald aan het UMCG:

On topics: Blaarziekten, hidradenitis, Acne

- Janssen-Cilag: advisory boards, educational grants, consultations, investigator initiative studies, multicenterstudies

- AbbVie: aDvisory boards, educational grants, consultations, investigator initiative studies, multicenter studies

- Novartis: Advisory boards, consultations, Multicenter studies, investigator initiative studies

- UCB Pharma: Advisory boards, consultations

- Leo Pharma: Consultations

- Solenne B.V.: Investigator Initiative Studies

- Celgene: Consultations, Investigator Initiative Studies

- Akari therapeutics: Consultations, investigator initiative studies

- Philips: consultation

- Regeneron: consultation

- Sanofi: consultation

NVT in verband met de inhoud van deze richtlijn

Geen

01-12-2021

 

Marja Oldhoff

NVDV

Dermatoloog, opleider UMCG

NVT

Geen

Geen

Geen

03-01-2022

 

Alexander Lokin

NVDV

AIOS dermatologie, Amsterdam UMC

Lid patiëntenvoorlichtingscommissie NVDV, Lid werkgroep Richtlijn Chronische Jeuk NVDV, onbetaald

Geen

Geen

Geen

30-11-2021

 

Zana Brkic

NIV

Internist-allergoloog/klinisch immunoloog Erasmus Medisch Centrum

NVT

Geen

Geen

Geen

03-12-2021

 

Caroline Vos

Alopecia Vereniging

Vertegenwoordiger patientvereniging.

In het dagelijks leven gynaecoloog in het ETZ.

Geen betaalde nevenwerkzaamheden behoudens gastlessen als gynaecoloog in bachelorcursus Seksuologie voor psychologen UvT.

Eerder meegeschreven aan de richtlijn vulvodynie en Medische leidraad zorg voor vrouwen en meisjes na VGV.

Actief in medische adviesraad bekkenbodem4all.

Diverse onderzoeksactiviteiten naar leefstijl bij baarmoederkanker en keuzehulpen bij verzakkingen

Persoonlijke relaties: als patiënt vanzelfsprekend zelf

Geen

Geen

11-01-2022

 

Meike Jutten

NAPA

Physician Assistent Maurits Kliniek

NVT

Geen

Geen

Geen

18-02-2022

 

Karlijn Sterkenburg

NVH

Beleidsmedewerker Onderzoek en Kwaliteit bij de Nederlandse Vereniging van Huidtherapeuten

Projectlid Eczeemvriendelijk Veenendaal

Geen

Geen

Geen

28-06-2022

 

Ilse Bakker

NVDV

AIOS Dermatologie UMCG

NVT

Geen

Geen

Geen

19-12-2022

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door de zitting neming van een patiëntvertegenwoordiger in de werkgroep en de opname van een stuk over samen beslissen in de algemene inleiding van de richtlijn. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de Alopecia Vereniging en Huid Nederland.

 

Wkkgz & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er à beoordeling volgt.

Module

Uitkomst Raming

Toelichting

Medicamenteuze behandeling bij kinderen

Geen substantiële financiële gevolgen*

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

*Disclaimer:
1. De module ‘Medicamenteuze therapie bij volwassenen’ bevat veelal zwakke aanbevelingen.
2. Er is op moment van schrijven (16-05-2024) geen sprake van een vergoedingsstatus voor de geneesmiddelen ritlecitinib en baricitinib bij patiënten met ernstige AA. De beoordeling van het vergoedingsdossier (en daarmee de Budget Impact Analyse) van deze geneesmiddelen wordt uitgevoerd door het Zorginstituut Nederland. De NVDV is nauw betrokken bij deze beoordelingen.

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. Het volledige implementatieplan is opgenomen in het bijlagedocument.

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.

 

Knelpuntenanalyse

In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden; NVDV, NIV, NVK, NAPA, NVH en de Alopecia Vereniging. Tevens werden uitgenodigd Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Nederlandse Vereniging Ziekenhuizen (NVZ), Zorginstituut Nederland (ZiNL), Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen (VIG) en de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU).

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in bijlage 4.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

GRADE

Definitie

Hoog

 

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

 

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

 

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

 

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).

Beoordelen van het niveau van het wetenschappelijke bewijs (oude modules)

Bij de EBRO-methode (Evidence Based Richtlijn Ontwikkeling) wordt een andere classificatie voor de beoordeling van de kwaliteit van studies aangehouden (van Everdingen 2004). Hierbij ligt de belangrijkheid van de uitkomstmaten niet van tevoren vast en is er geen vastgelegde procedure voor upgraden en downgraden van bewijs, zoals die bij GRADE geldt.

Kwaliteit

Interventie

Diagnostisch accuratesse-onderzoek

Schade/bijwerkingen*, etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controleonderzoek, cohortonderzoek)

 

 

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Bij het werken volgens de EBRO-methode zijn op basis van de beschikbare literatuur een of meerdere conclusies geformuleerd. Afhankelijk van het aantal onderzoeken en de mate van bewijs is een niveau van bewijskracht toegekend aan de conclusie (van Everdingen 2004).

 

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg

 

Indicatorontwikkeling

Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie bijlage 10).

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron (Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt). Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel ‘Overzicht betrokken partijen ontwikkeling richtlijn Alopecia areata 2024’). De commentaren zijn  verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.

 

Literatuur

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.

 

Higgins JPT, Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from www.handbook.cochrane.org.

 

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit.. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst]

 

Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.

 

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html

Volgende:
Organisatie van zorg