Kinderen: verwijscriteria voor diagnostiek en/of revalidatie
Uitgangsvraag
Welke verwijscriteria voor diagnostiek en/of revalidatie zijn van toepassing bij kinderen met (het vermoeden van) een visuele beperking?
Aanbeveling
Verwijs en behandel kinderen met (gediagnosticeerde) visuele afwijken zoals beschreven in het stroomschema:
Overwegingen
In Noordwest-Europa is de prevalentie van slechtziendheid bij kinderen jonger dan 16 jaar ongeveer 10 tot 22 per 10.000 en de prevalentie van blindheid 3 tot 4 per 10.000 (Gilbert, 2001). Wereldwijd is de prevalentie van slechtziendheid bij kinderen is 7.26% (gebaseerd op ongecorrigeerde visus, 95% BI: 4.3% - 10.2%) en de prevalentie van blindheid 0.17% (95% BI: 1.% - 2.4%) (Yekta, 2022). Slechtziendheid onder kinderen kan diverse oorzaken hebben, waaronder behandelbare aandoeningen zoals cataract of glaucoom, congenitale/erfelijke afwijkingen of CVI. Ook kan er sprake zijn van functionele visuele klachten. De afgelopen decennia zijn de resultaten van chirurgie van cataract en glaucoom sterk verbeterd. Daardoor zijn erfelijke retinale afwijkingen als oorzaak van visuele beperkingen relatief toegenomen. Ook is er een betere overleving van extreem te vroeggeboren kinderen waardoor de incidentie van perinatale oorzaken is gestegen.
De meest voorkomende erfelijke oorzaken van visuele beperking bij kinderen zijn albinisme, retinale dystrofieën en erfelijke opticopathieën (Boonstra, 2012; Gilbert, 2011; Rahi, 2003).
De meest voorkomende niet-erfelijke visuele beperking bij kinderen zijn CVI, ROP, en visuele beperkingen als gevolg van neurologische oorzaken.
Gezien de zeldzaamheid en variabiliteit van de aangeboren en erfelijke oogheelkundige aandoeningen die de oorzaak kunnen zijn van visuele beperkingen bij kinderen hebben de meeste oogartsen geen routine in de diagnostiek. Bovendien is de expertise t.a.v. onderzoek en begeleiding van kinderen met visuele beperkingen verspreid over verschillende centra in het land (Bartimeus, Visio en academische (teritiare) centra), waardoor het in sommige gevallen onduidelijk is waar een kind met visuele beperkingen naar toe te verwijzen.
Wanneer kinderen zich presenteren bij de oogarts of orthoptist met de verdenking op visuele pathologie zijn er meerdere mogelijkheden wat betreft behandeling en verwijzing (zie het stroomschema). In eerste instantie dient er een oogheelkundig onderzoek te worden gedaan. Denk daarbij aan een visus meting, spleetlamponderzoek, refractiemeting, fundusscopie, etc. Hieruit volgt soms de noodzaak voor aanvullende diagnostiek. In een aantal gevallen beschikt de reguliere oogarts niet over alle diagnostische mogelijkheden om volledig (aanvullend) onderzoek te doen of soms lukt een onderzoek bij een jong kind niet. In die gevallen wordt er verwezen naar een tertiair centrum (zie stroomschema). Bij een vermoeden van slechtziendheid of blindheid is het belangrijk om direct begeleiding te organiseren. Dit kan parallel lopen aan diagnostisch onderzoek, mits er duidelijke afspraken zijn dat het onderzoek wordt voortgezet. Voor ouders kan snelle begeleiding een grote meerwaarde hebben, zeker als zij met vragen zitten. Het is in eerste instantie belangrijk dat deze begeleiding snel binnen de regio wordt gezocht (bij Visio danwel Bartimeus).
In het geval van een behandelbare aandoening (bijvoorbeeld cataract, glaucoom, uveitis, etc.) bepaalt de aanwezigheid van expertise in huis of een kind wel of niet behandeld kan worden in de eigen praktijk. Als de expertise niet aanwezig is, kan een kind worden verwezen naar een tertiair centrum (UMC/OZR) voor verdere behandeling (zie stroomschema).
Bij een verdenking op een congenitale/erfelijke (niet-behandelbare) afwijking (bijvoorbeeld congenitale nystagmus, albinisme, erfelijke opticopathie of retinale pathologie) is meestal verder onderzoek geïndiceerd. Afhankelijk van de beschikbaarheid en expertise ten aanzien van dit aanvullend onderzoek bij kinderen (VEP, ERG of (handheld) OCT) kan dit binnen het ziekenhuis plaatsvinden, of moet een kind worden doorgestuurd naar een tertiair oogheelkundig centrum (zie stroomschema).
Een positieve familieanamnese en navraag van consanguiniteit kan leiden tot het vermoeden van een erfelijke aandoening.
De volgende signalen en symptomen kunnen volgens Morgan (2017) wijzen op een congenitale danwel erfelijke visuele aandoening:
- afwijkend kijkgedrag, geen fixeren en volgen;
- afwijkend gezichtsveld;
- lage visus voor de leeftijd;
- afwijkende oogbewegingen: dwalen, congenitale nystagmus;
- anatomische zichtbare oogafwijkingen, zoals voorsegmentafwijkingen, irisdiafanie, cataract, chorioretinale colobomen, opticushypoplasie, macula-afwijkingen;
- hoge refractieafwijking (hoger dan de leeftijd), met name in combinatie met nystagmus en/of een subnormale visus;
- opvallende lichtschuwheid of nachtblindheid;
Als bij oogheelkundig en/of orthoptisch onderzoek geen afwijkingen worden gevonden kan sprake zijn van een onderliggende neurologische aandoening zoals bij CVI. Bij een verdenking op functionele visuele klachten kan een kind ook verwezen worden naar een gespecialiseerd tertiair oogheelkundig centrum voor verdere diagnostiek en begeleiding (zie stroomschema).
Bij een verdenking op CVI, dient onderzoek en begeleiding te verlopen zoals beschreven in de richtlijn cerebral visual impairment.
CVI
Met name kinderen met een belaste medische voorgeschiedenis zoals prematuriteit of perinatale asfyxie en met een afwijkende neurologische ontwikkeling hebben een verhoogd risico op CVI. Belangrijk bij een beslissing voor verwijzing naar een tertiair centrum zijn de anamnese en de familieanamnese. Informatie over de zwangerschap, de bevalling en vroegkinderlijke ontwikkeling kan aanwijzingen geven voor een mogelijke CVI.
Aandachtspunten bij onderzoek en verwijzing van kinderen met visuele beperkingen zijn:
Genetisch onderzoek
Voor steeds meer oogheelkundige aandoeningen wordt een genetische oorzaak gevonden. Het is belangrijk om dat in overweging te nemen. Genetisch onderzoek wordt in de meeste gevallen aangevraagd door oogartsen in een tertiair centrum of in een centrum waar ook klinische genetici aanwezig zijn.
Functionele visusdaling
Bij kinderen met visus lager dan passend bij de leeftijd en het vermoeden van een functionele visusdaling kan een visus-VEP helpend zijn voor de diagnose.
Onderzoek bij kinderen < 4 jaar
Wanneer kinderen onder de vier jaar zich presenteren met visuele beperkingen, zijn er een aantal aanvullende aandachtspunten. De ontwikkeling van normale visuele functies loopt normaal parallel met de ontwikkeling van de ogen en de hersenen. In deze periode is ook de binoculaire ontwikkeling en de samenwerking een belangrijk onderdeel. Na de geboorte groeit het oog en emmetropiseert. In de retina ontwikkelt zich de fovea, de myelinisatie van de oogzenuw wordt voltooid en de visuele gebieden in de hersenen ontwikkelen zich onder invloed van visuele prikkels. Deze anatomische ontwikkelingen gaan gepaard met een toename van visuele functies. Rond 80% van de normaal ontwikkelende kinderen heeft op vierjarige leeftijd een visus > 0.5 (Grönlund, 2016). Het bepalen van de visus bij kinderen kan als volgt:
- Bij heel jonge kinderen kan de visus bepaald worden met preferential looking d.m.v. TAC kaarten (Neijzen, 2025).
- Bij kinderen vanaf 2½ tot 3 jaar kan de visus met benoemen of matchen van symbolen bepaald worden (Kay pictures en Lea symbols) en bij kleuters met E-haken (zie ook richtlijn JGZ ‘opsporen oogafwijkingen’ https://www.ncj.nl/richtlijnen/alle-richtlijnen/richtlijn/opsporen-oogafwijkingen-2019).
- Bij kinderen onder de 7-8 jaar moet de gemeten visus altijd vergeleken worden met de normale range voor de leeftijd.
Taylor (2017) heeft voor kinderen van 0 tot 2 jaar de ontwikkeling van de visus een grating acuity tabel (tabel 1) opgesteld met een 95% predictie interval die ingezet kan worden voor de bepaling of een baby of peuter slechtziend is.
Tabel 1 ontwikkeling van visus bij kinderen van 0 tot 2 jaar (uit Taylor, 2017)
Eveneens heeft Taylor (2017) voor kinderen vanaf 3 jaar de ontwikkeling van de visus een symbol acuity tabel (Tabel 2) opgesteld met een 95% predictie interval die ingezet kan worden voor de bepaling van eventuele slechtziendheid bij een kind van 3 jaar of ouder.
Tabel 2 ontwikkeling van visus bij kinderen van 3 tot 12 jaar (uit Taylor, 2017)
Verder is het aan te bevelen naar een tertiair centrum te verwijzen bij
- syndromen waarbij er een groot risico bestaat op oogheelkundige afwijkingen of visuele stoornissen;
- het vermoeden van een visuele stoornis bij een belaste perinatale voorgeschiedenis of een afwijkende neurologische ontwikkeling (zie ook richtlijn cerebral visual impairment.)
Bij gezonde baby’s met congenitale nystagmus is de meest voorkomende oorzaak een oogheelkundige (netvlies-)afwijking. Oogheelkundig onderzoek inclusief elektrofysiologie is daarom meer zinvol als eerste diagnostisch onderzoek dan een MRI (Bertsch, 2017).
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
De zeldzaamheid en variabiliteit van de mogelijke oorzaken van visuele beperkingen bij kinderen maakt adequate diagnostiek en doorverwijzing lastig. Belangrijk is om na standaard oogheelkundig onderzoek te bepalen of er sprake is van een (mogelijke) congenitale of erfelijke afwijking, (mogelijke) CVI, (mogelijke) functionele visuele klachten of een mogelijk behandelbare aandoening.
Onderbouwing
Achtergrond
Introduction
For children with (a suspicion of) a visual impairment, referral does not always take place in a timely manner. Sometimes visually impaired children participate in school for a long time without visual impairments being noticed. A visual impairment in children has a major impact on all aspects of the development from a baby to an adult. The impact of a visual impairment on personal and social life and also the economic costs are considerable (Rahi, 2003). In order to ensure that the development of children with a visual impairment proceeds as well as possible, it is important to refer early for diagnosis, treatment, rehabilitation and guidance. In countries with a high socio-economic status, at least half of children with a visual impairment also have additional limitations, for example motor, sensory (hearing), learning difficulties or a chronic condition (Rahi, 2012).
In children under the age of 4, visual assessment and additional diagnostic research are not always possible in regular practice and then symptoms that indicate a possible visual impairment must be relied on.
Zoeken en selecteren
An earlier systematic literature search (up to 2019) for the searchquestion: "Which referral criteria apply to diagnosis and/or rehabilitation for children aged 0 to 4 years with (suspected) visual impairment?" did not yield any useful literature.
Therefore, no systematic literature analysis was conducted for this research question, as the initial question pertains specifically to the Dutch context and the question is not easy to investigate in a research setting. Given the nature of the question, the recommendations are therefore based on the considerations. These considerations were formulated by the members of the guideline development group, drawing on practical experience and, where possible, supported by literature.
Referenties
- Bertsch M, Floyd M, Kehoe T, Pfeifer W, Drack AV. The clinical evaluation of infantile nystagmus: What to do first and why. Ophthalmic Genet. 2017 Jan-Feb;38(1):22-33. doi: 10.1080/13816810.2016.1266667. PMID: 28177849; PMCID: PMC5665016.
- Boonstra N1, Limburg H, Tijmes N, van Genderen M, Schuil J, van Nispen R. Changes in causes of low vision between 1988 and 2009 in a Dutch population of children. Acta Ophthalmol. 2012 May;90(3):277-86.
- C Gilbert, A Foster: Childhood blindness in the context of VISION 2020: the right to sight. Bull World Health Organ. 79:227-232 2001
- C Gilbert, J Rahi: Magnitude and causes. G Johnson D Minassian R Weale S West Epidemiology of Eye Disease. 3rd ed 2011 Imperial College Press/World Scientific London
- Morgan Bertscha, Michael Floyda,b, Taylor Kehoea, c, Wanda Pfeifera, and Arlene V. Dracka. The clinical evaluation of infantile nystagmus: What to do first and why. Ophthalmic Genetics 2017, Vol. 38, No 1, 22-33
- Rahi, J., Cable, N. (BCVISG). BCVISG: Severe visual impairment and blindness in children in the UK. Lancet. 362:1359-1365 2003.
- Rahi J., Solebo A. (2012). Childhood eye disease and visual impairment. In: Hollar D., editor: Handbook on children with special health care needs. New York NY: Springer: 131-32.
- Taylor’s & Hoyt’s Pediatric Ophthalmology and Strabismus, 5e druk, 2017, blz 33 en 34.
- Yekta A, Hooshmand E, Saatchi M, Ostadimoghaddam H, Asharlous A, Taheri A, Khabazkhoob M. Global Prevalence and Causes of Visual Impairment and Blindness in Children: A Systematic Review and Meta-Analysis. J Curr Ophthalmol. 2022 Apr 16;34(1):1-15. doi: 10.4103/joco.joco_135_21. PMID: 35620376; PMCID: PMC9128433.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 18-12-2025
Beoordeeld op geldigheid : 18-12-2025
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2022 een multidisciplinaire cluster ingesteld. Het cluster Oog bestaat uit meerdere richtlijnen, zie hier voor de actuele clusterindeling. De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroep
- Mevr. dr. M.C. (Marjolijn) Bartels, Voorzitter Cluster Oog, Oogarts, NOG, Deventer Ziekenhuis
- Mevr. dr. N.C. (Nicole) Naus, Oogarts, NOG, Erasmus MC
- Mevr. dr. A.J. (Arlette) van Sorge, Oogarts, NOG, Koninklijke Visio,
- Dhr. drs. L.J. (Leo) Noordzij, Oogarts, NOG, Oog op Zuid Oogkliniek
- Mevr. dr. Ir M. (Marleen) van Aartrijk, Klinisch Fysicus NVKF, Koninklijke Visio
- Mevr. C. (Caroline) Osterholt-Bel, Adviseur oogzorg Oogvereniging
Clusterexpertisegroep
- Mevr. drs. Y.M. (Ymkje) Hettinga, Oogarts, NOG, Bartimeus
- Mevr. drs. F.S. (Floor) Tukkers-van Aalst, Oogarts, NOG, ETZ Tilburg
- Mevr. dr. S.E. (Sjoukje) Loudon, Oogarts, NOG, Erasmus MC
- Dhr. dr. W.J.M. (Wim) Damme, Klinisch Fysicus NVKF, Bartimeus
- Mevr. M.N. (Marlien) van Veen – Kruiswijk, Orthoptist, NVvO, Bartimeus
- Mevr. drs. V. (Vasanthi) Iyer, Jeugdarts KNMG, AJN, Jeugdartsen Nederland
Met ondersteuning van
- Mw. dr. A.C.J. (Astrid) Balemans, senior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten.
- Mw. MSc. D.G. (Dian) Ossendrijver, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten.
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Clusterstuurgroepleden
Tabel 1 Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Datum |
Restrictie |
|
Marjolijn Bartels (Voorzitter cluster t/m maart 2025) |
oogarts Deventer ziekenhuis |
Lid van Concilium, bestuurslid kwaliteit NOG en lid van cornea werkgroep (NOG). |
Geen |
Geen |
ja, 4. Deelname ZonMW- optimise. Lokale PI (vanaf jan 2025) |
meer persoonlijk belang van goed op de hoogte zijn van alles, hetgeen gebruikt wordt in de dagelijkse praktijk en als opleider, lid van Concilium, lid van commissie kwaliteit en voorzitter van cornea werkgroep. |
Geen |
18-4-2025 |
Geen trekker of 1ste meelezer vanwege intellectueel belang bij BICAT |
|
Nicole Naus – Postema (voorzitter vanaf april 2025) |
oogarts Erasmus MC Rotterdam |
Afdelingshoofd oogheelkunde Erasmus MC Voorzitter richtlijnencommissie NOG, Lid richtlijn PCC NVDV |
Geen |
Geen |
nee |
Geen |
Geen |
23-04-2025 |
Geen restricties |
|
Arlette Verpoorten - van Sorge |
Oogarts Koninklijke Visio |
ROP richtlijn Kennisinstituut, Voorzitter VRS (vereniging voor revalidatie bij slechtziendheid, onbetaald), betrokken bij NEDROP2 studie (onbetaald), guest editor bij CVI editie bij Frontiers of Neuroscience (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
30-01-2022 |
Geen restricties
|
|
Leo Noordzij |
Oogarts bij Coöperatie Oogheelkunde op Zuid voor 3.5 dag in de week. |
Lid richtlijn werkgroep FMS/ NOG betreffende leeftijdsgebonden macula degeneratie (tm juli 2023). |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
20-04-2025 |
Geen restricties ('advieswerk' neergelegd per juni/augustus 2022)
|
|
Marleen van Aartrijk |
Klinisch Fysicus bij Koninklijke Visio (Revalidatie & Advies): betaald,
|
Geen |
Geen persoonlijk financieel belang. Indien een richtlijn verwijzing naar revalidatiezorg stimuleert kan dat impact hebben op mijn werkgever (en dan indirect op mijzelf) |
Geen |
Binnen de revalidatiezorg zijn er fondsen (oa Novum, ZonMW) die exptertiseprojecten ondersteunen. Aan een aantal van deze projecten draag ik bij, maar dat gaat om een zeer beperkt deel van mijn tijd (ben geen hoofdonderzoeker oid) |
Verduidelijking van rol revalidatiezorg in de zorgketen |
Geen |
22-04-2025 |
Geen restricties |
|
Caroline Osterholt- Bel |
Adviseur Oogzorg Oogvereniging |
TOA Ikazia |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
29-4-2025 |
Geen |
Betrokken clusterexpertisegroepleden
Tabel 2 Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Datum |
Restrictie |
|
Ymkje Hettinga |
Oogarts |
Geen |
Geen |
geen persoonlijke relaties |
Geen |
Geen |
Geen |
09-11-2023 |
Geen restricties |
|
Floor Tukkers- van Aalst |
Oogarts ETZ
|
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
29-05-2023 / 21-07-2025 |
Geen restricties |
|
Sjoukje Loudon |
Erasmus MC Rotterdam |
Geen |
Geen |
Geen |
Stichting Lijf en Leven |
Geen |
Geen |
06-11-2023 |
Geen restricties |
|
Wim van Damme |
Klinisch fysicus, Bartimeus |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
26-09-2023 /21-07-2025 |
Geen restricties |
|
Marlien van Veen |
Orthoptist Bartimeus |
Lid commissie slechtziendezorg Nederlandse Vereniging van orthoptisten (NVvO) (tot 1-12-2023) |
Geen . |
nee |
nee |
nee |
nee |
10-10-2023 / 28-07-2025 |
Geen restricties |
|
Vasanthi Iyer
|
Instituutsopleider TNO, arts M+G, jeugdarts KNMG, betaalde functie |
"AJN ambassadeur VisusInzicht, onbetaald Voorzitter Stichting Netwerk Zicht op Buiten, onbetaald Buitenpromovendus (UMCG/Erasmus), onbetaald Klankbordgroep NOG richtlijn hoge myopie op kinderleeftijd, onkostenvergoeding" |
geen |
n.v.t. |
Oogfonds Onderzoek met database Jeugd in Beeld (JIB) Publicatiekosten artikel in journal" |
AJN ambassadeur VisusInzicht (beroepsorganisatie) Voorzitter Stichting Netwerk Zicht op Buiten (belang van ooggezondheid bij de jeugd)") |
n.v.t. |
10-02-2022 |
Geen restricties |
Inbreng patiëntenperspectief
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Module kinderen met visuele beperkingen |
Geen financiële gevolgend |
Uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) niet breed toepasbaar zijn (<5000) en zal daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen hebben voor de collectieve uitgaven. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.


