Polyfarmacie bij ouderen

Initiatief: NHG / NVKG Aantal modules: 12

Geschikte patiënten, geschikte momenten & rolverdeling bij minderen en stoppen van medicatie

Uitgangsvraag

  • Wie zijn geschikte patiënten (doelgroepen) en wat zijn geschikte momenten voor minderen of stoppen van medicatie en hoe selecteert men deze patiënten?
  • Hoe dient de rolverdeling huisarts-apotheker en tussen andere professionals er uit te zien?

Aanbeveling

Overwegingen

Het is niet zo dat er behoefte is aan extra momenten waarbinnen het gesprek over minderen en stoppen van medicatie gestart moet worden, maar eerder zo dat de beschikbare momenten niet optimaal worden benut. De richtlijnwerkgroep onderscheidt de volgende momenten waarop een gesprek over minderen en stoppen van medicatie aan de orde is, hetzij in het kader van routinezorg, hetzij naar aanleiding van een farmacotherapeutisch probleem (FTP).

 

Planmatig minderen en stoppen in het kader van routinezorg

Proactieve medicatiebeoordeling (MBO)

Minderen en stoppen van medicatie is een vast onderdeel van de systematische aanpak die wordt aanbevolen in de module Medicatiebeoordeling bij de MDR Polyfarmacie bij ouderen. MBO wordt in deze module als volgt gedefinieerd:

 

‘een integrale beoordeling van de farmacotherapie door patiënt (of mantelzorger), arts en apotheker op basis van een gestructureerde, kritische evaluatie van de medische-, farmaceutischeen gebruiksinformatie met als doel het optimaliseren van de effectiviteit van de farmacotherapie en het verminderen van de kans op farmacotherapeutische problemen’.

 

Maatstaf bij deze beoordeling zijn de individuele behoeften van een patiënt met betrekking tot het geneesmiddelgebruik. De module omschrijft de doelgroep voor een MBO in de eerste lijn als volgt:

 

‘Indien de huisarts en apotheker een uitgebreidere analyse van het medicatiegebruik noodzakelijk achten, kunnen zij een MBO uitvoeren. Voor een beperkte groep patiënten met een sterk verhoogd risico op FTP’s is het wenselijk dat huisarts en apotheker proactief een MBO uitvoeren. De module MBO adviseert hierbij in de eerste lijn primair te kiezen voor patiënten ≥ 75 jaar met chronisch gebruik van ≥ 10 geneesmiddelen (hyperpolyfarmacie) en/of met vastgestelde kwetsbaarheid.

 

Instellingen waarin patiënten langdurig of blijvend worden opgenomen, moeten hebben vastgelegd wanneer en met welke frequentie er een evaluatie van de gehele medicatieset plaatsvindt. Voor de verpleeghuizen is gebruikelijk dat dit kort na opname en vervolgens minimaal jaarlijks gebeurt.

Bij een MBO is de aandacht niet bij voorbaat gericht op een specifiek klinisch probleem, specifieke medicatiegroep of geneesmiddel. Voorstellen voor minderen en stoppen van medicatie volgen uit de systematische analyse van de farmacotherapie met behulp van instrumenten zoals de Systematic Tool to Reduce Inappropriate Medication (STRIP).

In de MDR Polyfarmacie bij ouderen is afgesproken dat een MBO voor thuiswonende patiënten primair plaatsvindt binnen de eerste lijn. Deze vorm van niet-probleemgericht minderen en stoppen van medicatie zal dus in principe niet plaatsvinden in ziekenhuizen (zowel klinisch als poliklinisch). Uitzondering hierop is de uitvoering van een MBO op verwijzing van de huisarts zoals omschreven in de module Medicatiebeoordeling.

 

Eerstelijns zorgpaden (bijvoorbeeld diabetes, COPD, kwetsbare ouderen, CVRM)

Veel patiënten uit de doelgroep van deze module vallen binnen reguliere eerstelijns zorgpaden. Deze zorgpaden zijn bij uitstek geschikt om periodiek te evalueren of medicatie die binnen dit zorgpad wordt voorgeschreven moet worden gecontinueerd. (Oudere) patiënten met mogelijke risicomedicatie kunnen in dit kader worden opgespoord met selectieprocedures of medisch-farmaceutische beslisregels.

 

Herhaalreceptuur

Ieder herhaalrecept moet worden gezien als een nieuwe beslissing om niet te stoppen met het geneesmiddel. Het verdient daarom aanbeveling jaarlijks samen met de patiënt te beoordelen of chronische medicatie die niet anderszins structureel wordt geëvalueerd nog gecontinueerd moet worden. Middels (lokale) samenwerkingsafspraken kan worden afgesproken welke zorgverlener hierin het voortouw neemt. Naast de evaluatie van chronische medicatie door de voorschrijver kan bijvoorbeeld de apotheker in overleg met de arts de herhaalmedicatie evalueren bij wijzigingen in de behandeling (nieuwe medicatie, interacties, andere dosering) of in bepaalde situaties (zoals opname en ontslag).

 

Routine-evaluatie op basis van medisch-farmaceutische beslisregels

In de openbare apotheek wordt gebruik gemaakt van geautomatiseerde medisch-farmaceutische beslisregels waaruit naar voren kan komen dat bepaalde medicatie in aanmerking kan komen voor minderen en stoppen. De apotheker kan in deze gevallen de huisarts of voorschrijver informeren en afstemmen of medicatieaanpassingen gewenst zijn. Ook kan de apotheker afspraken met de huisarts maken over minderen of stoppen van specifieke medicatie (zoals bisfosfonaten of protonpompremmers zonder indicatie). Op lokaal niveau spreken huisarts en apotheker af hoe dit proces verloopt en leggen dit vast.

 

Probleemgestuurd minderen en stoppen naar aanleiding van een farmacotherapiegerelateerd probleem

Eerste lijn, verpleeghuis of instelling verstandelijk gehandicapten

Naast de geplande, proactieve MBO kunnen er ook specifieke aanleidingen zijn om het geheel van de medicatie geheel of gedeeltelijk te evalueren, bijvoorbeeld nieuwe gezondheidsproblemen (vallen, cognitieve achteruitgang, recente ziekenhuisopname, verslechterende medische conditie of beperkte prognose), een verzoek van de patiënt of mantelzorger, en signalen van mogelijke FTP’s (waaronder verminderde therapietrouw) afkomstig van huisarts, apotheker of derden zoals ziekenhuis en thuiszorg. Deze evaluatie kan worden gedaan in de vorm van een MBO, maar afhankelijk van de aanleiding zijn ook andere vormen van evaluatie mogelijk, zoals het gerichte medicatieconsult door apotheker of voorschrijver (zie module Medicatiebeoordeling).

 

Tweede lijn

Bij een SEH-bezoek of (acute) ziekenhuisopname heeft de hoofdbehandelaar in het ziekenhuis de verantwoordelijkheid om, eventueel met inschakeling van op gebied van farmacotherapie deskundige medebehandelaars, te evalueren of de gebruikte medicatie (mede) de oorzaak zou kunnen zijn van het SEH-bezoek of de opname. Met name bij veel voorkomende problemen zoals vallen, duizeligheid en syncope is de rol van medicatie zelden geheel duidelijk. Wel wordt vaak op theoretische gronden aangenomen dat middelen zoals antihypertensiva, statines, alfablokkers of psychofarmaca de kans op deze problemen doen toenemen. Op basis van de analyse bij opname kan dan worden besloten tot gericht minderen en stoppen van een specifiek geneesmiddel of klasse van medicatie.

Ook poliklinisch kan besloten worden tot gericht minderen en stoppen van een specifiek geneesmiddel of van een bepaalde klasse geneesmiddelen. Aanleidingen kunnen zijn een concreet FTP, evaluatie van een eerder voorschrift of een concrete vraag van de patiënt. Uitgangspunt is hierbij dat de medicatie ooit is voorgeschreven door de betreffende specialist zelf of dat stoppen noodzakelijk is voor behandeling van de problematiek waarvoor de patiënt in behandeling is bij de specialist (denk bijvoorbeeld aan valproblematiek, cognitieve problemen, nierfunctiestoornissen).

Voor meer informatie zie Addendum Polyfarmacie bij ouderen 2e lijn (2018).

 

Rolverdeling

Het komt in de gezondheidszorg steeds vaker voor dat meerdere zorgverleners betrokken zijn bij de zorgverlening en de behandeling. Goede samenwerking is daarbij van groot belang, maar roept ook nieuwe vragen en problemen op. Zo zal er een duidelijke taaken verantwoordelijkheidsverdeling noodzakelijk zijn en moeten de betreffende zorgverleners met elkaar communiceren en hun werkzaamheden en informatie onderling afstemmen. Dat zijn belangrijke randvoorwaarden voor het bieden van verantwoorde zorg. In de Handreiking Verantwoordelijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg (2010) worden deze randvoorwaarden geëxpliciteerd. De afspraken in deze handreiking zijn ook op de onderhavige module van toepassing.

Belangrijk is dat minderen en stoppen van medicatie een vaste plek krijgt in de organisatie van de zorg, zodat alle patiënten voor wie dat relevant is worden bereikt en continuïteit van zorg geboden kan worden. De rolverdeling binnen dit proces verdient nadere explicitering. Vanuit de focusgroepen kwam geen specifiek, uniform model voor deze rolverdeling naar voren, wel werd duidelijk dat minderen en stoppen van medicatie een multidisciplinaire aanpak vergt en dat de (huis)arts een belangrijke rol speelt.

Uit de focusgroepen met zorgverleners kwam naar voren dat niet duidelijk is wiens rol het is om het initiatief te nemen. Huisartsen zagen een rol voor de apotheker bij de selectie van patiënten en het verzamelen van informatie op basis waarvan besluiten kunnen worden genomen, en ook bij gesprekken met de patiënt over het minderen van medicatie. Huisartsen zagen ook een rol voor de POH-ouderen bij zulke gesprekken. Apothekers zagen het als hun rol patiënten uitleg te geven waarom een middel gestopt kan worden en hen te begeleiden bij het minderen van die medicatie. Huisartsen en apothekers beiden vonden het zinvol als er bij complexe patiënten multidisciplinair overleg mogelijk zou zijn met een specialist ouderengeneeskunde of een geriater.

Het aanpassen van medicatie vraagt goede afstemming en overdracht tussen alle betrokken zorgverleners. Juist omdat de werkgroep als uitgangspunt heeft dat minderen van medicatie geen zelfstandige prestatie is, maar onderdeel kan zijn van velerlei zorgprocessen, kan niet worden gekozen voor een vast model van zorg rondom het proces van minderen en stoppen van medicatie. De module Medicatiebeoordeling gaat ervan uit dat artsen en apothekers taken afstemmen op basis van lokale of regionale afspraken. Ook in andere situaties zoals beschreven in deze submodule zal per situatie afgestemd moeten worden hoe het proces van minderen en stoppen van medicatie wordt begeleid en geëvalueerd.

Afhankelijk van de situatie worden afspraken gemaakt over de rol van andere disciplines dan artsen of apothekers – denk aan evaluatie van effecten door (wijk)verpleegkundigen, POH’s, farmaceutisch consulenten, apothekersassistenten en anderen.

Evaluatie van de gehele medicatieset is een gedeelde verantwoordelijkheid van de arts en de apotheker, maar ook de patiënt. In de praktijk zal de betrokken arts bij thuiswonende patiënten de huisarts zijn, bij opgenomen patiënten de specialist ouderengeneeskunde of arts verstandelijk gehandicapten. Het verdient aanbeveling dat de verantwoordelijk arts met de apotheker nagaan bij welke patiënten minderen en stoppen niet is meegenomen in de planmatige routinezorg, en afstemmen welke van hen in aanmerking komen voor minderen en stoppen van medicatie. Het initiatief hiertoe kan zowel door arts als door de apotheker worden genomen. De eindverantwoordelijkheid voor mutatie van een voorschrift naar aanleiding van een analyse ligt, behoudens bij wet toegestane uitzonderingen, bij de arts als voorschrijver. Uitgangspunt in alle hierboven beschreven situaties moet zijn dat het aanpassen van medicatie die is voorgeschreven door een andere discipline dan die van de beoordelaar in principe alleen kan plaatsvinden na overleg met de oorspronkelijke voorschrijver of een voorschrijver vanuit diezelfde discipline. Uitzonderingen op deze regel zijn situaties waarin continuering van de betreffende medicatie naar de mening van de hoofdbehandelaar direct gevaar oplevert voor de gezondheid van de patiënt, of situaties waarin de behandeling is overgenomen door een andere arts.

De uitkomst van een MBO dient, ook indien wordt besloten niets te veranderen, conform geldende richtlijnen vastgelegd te worden in het medisch dossier en moet daarnaast, indien dat van belang is voor de continuïteit van zorg, worden opgenomen in de medische correspondentie conform de Leidraad Overdracht van medicatiegegevens in de keten (2017).

 

Conclusies

  • Minderen en stoppen van medicatie vindt plaats binnen het al bestaande continue proces van voorschrijven, ter hand stellen en medicatiebewaking of -evaluatie, en is niet een zelfstandige activiteit die strikt periodiek en geïsoleerd van andere acties moet worden uitgevoerd.
  • Het aanwijzen van specifieke momenten of specifieke patiëntengroepen voor minderen en stoppen van medicatie buiten de bestaande zorgmogelijkheden en richtlijnen wordt door de werkgroep als onwenselijk gezien. Minderen en stoppen van medicatie heeft inmiddels een plek gekregen in meerdere richtlijnen en handreikingen, en dat zal naar verwachting ook in steeds meer aandoeningspecifieke richtlijnen het geval zijn.
  • Evaluatie van de gehele medicatieset is een gedeelde verantwoordelijkheid van de arts die verantwoordelijk is voor het gehele medisch beleid, de apotheker en de patiënt zelf. De eindverantwoordelijkheid voor het aanpassen van een medicatievoorschrift naar aanleiding van de evaluatie ligt, behoudens bij wet toegestane uitzonderingen, bij de arts als voorschrijver.
  • Omdat het minderen van medicatie geen zelfstandige prestatie is maar onderdeel van velerlei zorgprocessen kan niet worden gekozen voor een vast model rondom de begeleiding van minderen en stoppen, maar moet maatwerk worden geleverd. Per situatie moeten afspraken worden gemaakt hoe het proces van minderen en stoppen van medicatie wordt begeleid en geëvalueerd. Afhankelijk van de situatie worden afspraken gemaakt over de rol van andere disciplines dan arts of apotheker – denk aan (wijk)verpleegkundigen, POH’s en anderen, zoals farmaceutisch consulenten en apothekersassistenten.

Onderbouwing

Het identificeren van patiënten voor wie minderen en stoppen van medicatie relevant is, kan lastig zijn, evenals de keuze van het geschikte moment. Vanwege de relatief recente aandacht voor minderen en stoppen van medicatie zijn er nog onvoldoende (inter)nationale onderzoeken om een wetenschappelijk gefundeerd antwoord te kunnen geven op de uitgangsvraag.

Gezien de ten opzichte van andere landen unieke inrichting van de Nederlandse gezondheidszorg is er voor gekozen geen uitgebreid literatuuronderzoek te doen. Wel is specifiek gekeken naar hoe minderen en stoppen ingepast kan worden binnen het Nederlandse zorgsysteem.

De adviezen in deze paragraaf zijn gebaseerd op consensus binnen de werkgroep en mede gebaseerd op het Nederlandse systeem van geneesmiddelenzorg. Minderen en stoppen van medicatie is geen activiteit die strikt periodiek (bijvoorbeeld eens per jaar) en geïsoleerd van andere acties moet worden uitgevoerd, maar vindt plaats binnen het al bestaande continue proces van voorschrijven, ter hand stellen en medicatiebewaking en monitoring van medicatiegebruik.

Net als het starten of continueren van medicatie dient het aanpassen, minderen of stoppen van medicatie onderdeel te zijn van de dagelijkse praktijk en te passen binnen een bredere visie op de gewenste zorg. Zeker bij kwetsbare patiënten zal beoordeling van medicatie in veel gevallen een sterke samenhang moeten hebben met de algehele afstemming van zorg op de individuele patiënt, onder andere door advance care planning. Aanleidingen voor minderen en stoppen van medicatie zijn daarmee zeer divers en kunnen per sector verschillen (eerste lijn, ziekenhuis, verpleeghuis, verstandelijk gehandicapten, psychiatrie). Uit de intentie van minderen en stoppen van medicatie (het reduceren van medicatie waarbij de balans tussen effectiviteit en schadelijkheid negatief is geworden of waarvan de indicatie is komen te vervallen) volgt al snel dat er vele momenten kunnen zijn waarop minderen en stoppen plaats kan vinden.

De werkgroep acht het onwenselijk om buiten de bestaande zorgmogelijkheden en richtlijnen specifieke momenten of patiëntengroepen aan te wijzen die in aanmerking komen voor minderen of stoppen.

Minderen en stoppen van medicatie heeft inmiddels een plek gekregen in richtlijnen en handreikingen over onderwerpen zoals advance care planning, zorg rondom medicatiebeoordeling, kwetsbare ouderen en levenseinde, gepubliceerd door verschillende beroepsorganisaties. Naar verwachting zal de aandacht voor minderen en stoppen van medicatie ook in andere, aandoeningsspecifieke richtlijnen toenemen.

  1. Abou J, et al. Barriers and enablers of health care professionals to deprescribing cardiometabolic medication in older patients: a qualitative focus group study. 2021;
  2. Ailabouni NJ, Nishtala PS, Mangin D, Tordoff JM. Challenges and enablers of deprescribing: a general practitioner perspective. PLoS One. 2016;11:e0151066.
  3. Ailabouni NJ, Nishtala PS, Mangin D, Tordoff JM. General practitioners’ insight into deprescribing for the multimorbid older individual: a qualitative study. Int J Clin Pract. 2016;70:261-76.
  4. AlRasheed MM, Alhawassi TM, Alanazi A, Aloudah N, Khurshid F, Alsultan M. Knowledge and willingness of physicians about deprescribing among older patients: a qualitative study. Clin Interv Aging. 2018;13:1401-8.
  5. Anderson K, Foster M, Freeman C, Luetsch K, Scott I. Negotiating ‘unmeasurable harm and benefit’: perspectives of general practitioners and consultant pharmacists on deprescribing in the primary care setting. Qual Health Res. 2017;27:1936-47.
  6. Anderson K, Stowasser D, Freeman C, Scott I. Prescriber barriers and enablers to minimising potentially inappropriate medications in adults: a systematic review and thematic synthesis. BMJ Open. 2014;4:e006544.
  7. Barnett N, Kelly O. Deprescribing: is the law on your side? Eur J Hosp Pharm. 2017;24:21-25.
  8. Barnett N, Kelly O. Legal implications of deprescribing: a case scenario. Prescriber. 2017;28(3);49-52.
  9. Bolmsjö BB, Palagyi A, Keay L, Potter J, Lindley RI. Factors influencing deprescribing for residents in advanced care facilities: insights from general practitioners in Australia and Sweden. BMC Fam Pract. 2016;17:152.
  10. Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, et al.; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182:e839-42.
  11. Campins L, Serra-Prat M, Gózalo I, López D, Palomera E, Agustí C, Cabré M; REMEI Group. Randomized controlled trial of an intervention to improve drug appropriateness in community-dwelling polymedicated elderly people. Fam Pract. 2017;34:36-42.
  12. Campins L, Serra-Prat M, Palomera E, Bolibar I, Martínez MÀ, Gallo P. Reduction of pharmaceutical expenditure by a drug appropriateness intervention in polymedicated elderly subjects in Catalonia (Spain). Gac Sanit. 2019;33:106-11.
  13. Cane J, Richardson M, Johnston M, Ladha R, Michie S. From lists of behaviour change techniques (BCTs) to structured hierarchies: comparison of two methods of developing a hierarchy of BCTs. Br J Health Psychol. 2015;20:130-50.
  14. Crutzen S, et al. Older people’s attitudes towards deprescribing cardiometabolic medication. 2021;
  15. Crutzen S, Baas G, Abou J, Van den Born-Bondt T, Hugtenburg JG, Bouvy ML, et al. Barriers and enablers of older patients to deprescribing of cardiometabolic medication: a focus group study. Front Pharmacol. 2020;11: 1268.
  16. De Vries TP, Henning RH, Hogerzeil HV, Fresle DA. Guide to good prescribing: a practical manual. Geneva: World Health Organization Action Programme on Essential Drugs. 1994;
  17. Dills H, Shah K, Messinger-Rapport B, Bradford K, Syed Q. Deprescribing medications for chronic diseases management in primary care settings: a systematic review of randomized controlled trials. J Am Med Dir Assoc. 2018;19:923-35.e2.
  18. Djatche L, Lee S, Singer D, Hegarty SE, Lombardi M, Maio V. How confident are physicians in deprescribing for the elderly and what barriers prevent deprescribing? J Clin Pharm Ther. 2018;43:550-55.
  19. Fried TR, Tinetti M, Agostini J, Iannone L, Towle V. Health outcome prioritization to elicit preferences of older persons with multiple health conditions. Patient Educ Couns. 2011;83:278-82.
  20. Galazzi A, Lusignani M, Chiarelli MT, Mannucci PM, Franchi C, Tettamanti M, Reeve E, Nobili A. Attitudes towards polypharmacy and medication withdrawal among older inpatients in Italy. Int J Clin Pharm. 2016;38:454-61.
  21. Geijteman EC, Huisman BA, Dees MK, Perez RS, Van der Rijt CC, Van Zuylen L, et al. Medication discontinuation at the end of life: a questionnaire study on physicians’ experiences and opinions. J Palliat Med. 2018;21:1166-70.
  22. George J, Phun YT, Bailey MJ, Kong DC, Stewart K. Development and validation of the medication regimen complexity index. Ann Pharmacother. 2004;38:1369-76.
  23. Gillespie RJ, Harrison L, Mullan J. Deprescribing medications for older adults in the primary care context: A mixed studies review. Health Sci Rep. 2018;1:e45.
  24. Holmes HM, Todd A. The role of patient preferences in deprescribing. Clin Geriatr Med. 2017;33:165-75.
  25. Iyer S, Naganathan V, McLachlan AJ, Le Couteur DG. Medication withdrawal trials in people aged 65 years and older: a systematic review. Drugs Aging. 2008;25:1021-31.
  26. Kalogianis MJ, Wimmer BC, Turner JP, Tan EC, Emery T, Robson L, et al. Are residents of aged care facilities willing to have their medications deprescribed? Res Social Adm Pharm. 2016;12:784-8.
  27. Kalogianis MJ, Wimmer BC, Turner JP, Tan EC, Emery T, Robson L, Reeve E, Hilmer SN, Bell JS. Are residents of aged care facilities willing to have their medications deprescribed? Res Social Adm Pharm. 2016;12:784-8.
  28. Keijsers, CP. Education in appropriate pharmacotherapy in older patients (thesis). Utrecht: Utrecht University. 2015;
  29. Kennisinstituut van Medisch Specialisten (KiMS), Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0. 2012;
  30. Kennisinstituut van Medisch Specialisten (KiMS), Leidraad opstellen richtlijnen. 2011;
  31. KNM, V&VN, KNOV, KNGF, KNMP, NIP, NVZ, NFU, GGZ Nederland, NPCF. Handreiking Verantwoor- delijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg. 2010;
  32. Knol W, Verduijn MM, Lelie-van der Zande AC, Van Marum RJ, Brouwers JR, Van der Cammen TJ, et al. Onjuist geneesmiddelengebruik bij ouderen opsporen: De herziene STOPP/START criteria. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8904.
  33. Kua CH, Mak VSL, Huey Lee SW. Health outcomes of deprescribing interventions among older residents in nursing homes: a systematic review and meta-analysis. J Am Med Dir Assoc. 2019;20:362-72.e11.
  34. Lavan AH, Gallagher P, Parsons C, O’Mahony D. STOPPFrail (Screening Tool of Older Persons Prescriptions in Frail adults with limited life expectancy): consensus validation. Age Ageing. 2017;46:600-7.
  35. Le Bosquet K, Barnett N, Minshull J. Deprescribing: practical ways to support person-centred, evidence-based deprescribing. Pharmacy (Basel). 2019;7:129.
  36. Luymes CH, Van der Kleij RM, Poortvliet RK, De Ruijter W, Reis R, Numans ME. Deprescribing potentially inappropriate preventive cardiovascular medication: barriers and enablers for patients and general practitioners. Ann Pharmacother. 2016;50:446-54.
  37. Lyu H, Xu T, Brotman D, Mayer-Blackwell B, Cooper M, Daniel M, et al. Overtreatment in the United States. PLoS One. 2017;12:e0181970.
  38. Mantelli S, Jungo KT, Rozsnyai Z, Reeve E, Luymes CH, Poortvliet RKE, et al. How general practitioners would deprescribe in frail oldest-old with polypharmacy the LESS study. BMC Fam Pract. 2018;19:169.
  39. Meulendijk MC, Spruit MR, Drenth-van Maanen AC, Numans ME, Brinkkemper S, Jansen PA, et al. Computerized decision support improves medication review effectiveness: an experiment evaluating the STRIP assistant’s usability. Drugs Aging. 2015;32:495-503.
  40. Michie S, Johnston M, Abraham C, Lawton R, Parker D, Walker A; ‘Psychological Theory’ Group. Making psychological theory useful for implementing evidence basedpractice: a consensus approach. Qual Saf Health Care. 2005;14:26-33.
  41. Monteiro L, Maricoto T, Solha I, Ribeiro-Vaz I, Martins C, Monteiro-Soares M. Reducing potentially inappropriate prescriptions for older patients using computerized decision support tools: systematic review. J Med Internet Res. 2019;21:e15385.
  42. NHG, NIV, NVVC. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair Risicomanagement. 2019;
  43. NHG, NVKG. Multidisciplinaire richtlijn Polyfarmacie bij ouderen. 2019;
  44. NHG, Ephor, KNMP. STOP-START-NL. 0000;
  45. NHG, V&VN, KNMP. LESA Organisatie van zorg bij chronische medicatie. 2020;
  46. NHG, Module Medicatiebeoordeling. 2019;
  47. Nixon MS, Vendelø MT. General practitioners’ decisions about discontinuation of medication: an explorative study. J Health Organ Manag. 2016;30:565-80.
  48. NVKG, Addendum Polyfarmacie bij ouderen 2e lijn. 2018;
  49. Page AT, Clifford RM, Potter K, Schwartz D, Etherton-Beer CD. The feasibility and effect of deprescribing in older adults on mortality and health: a systematic review and meta-analysis. Br J Clin Pharmacol. 2016;82:583-623.
  50. Palagyi A, Keay L, Harper J, Potter J, Lindley RI. Barricades and brickwalls--a qualitative study exploring perceptions of medication use and deprescribing in long-term care. BMC Geriatr. 2016;16:15.
  51. Parekh N, Schenker Y, Good CB, Neilson L, Shrank WH. Deprescribing in advanced illness: aligning patient, clinician, and health plan goals. J Gen Intern Med. 2019;34:631-3.
  52. Potter K, Flicker L, Page A, Etherton-Beer C. Deprescribing in frail older people: a randomised controlled trial. PLoS One. 2016;11:e0149984.
  53. Reeve E, Bell JS, Hilmer SN. Barriers to optimising prescribing and deprescribing in older adults with dementia: a narrative review. Curr Clin Pharmacol. 2015;10:168-77.
  54. Reeve E, Denig P, Hilmer SN, Ter Meulen R. The ethics of deprescribing in older adults. J Bioeth Inq. 2016;13:581-90.
  55. Reeve E, Low LF, Hilmer SN. Beliefs and attitudes of older adults and carers about deprescribing of medications: a qualitative focus group study. Br J Gen Pract. 2016;66:e552-60.
  56. Reeve E, To J, Hendrix I, Shakib S, Roberts MS, Wiese MD. Patient barriers to and enablers of deprescribing: a systematic review. Drugs Aging. 2013;30:793-807.
  57. Reeve E, Wolff JL, Skehan M, Bayliss EA, Hilmer SN, Boyd CM. Assessment of attitudes toward deprescribing in older medicare beneficiaries in the United States. JAMA Intern Med. 2018;178:1673-80.
  58. Rieckert A, Reeves D, Altiner A, Drewelow E, Esmail A, Flamm M, et al. Use of an electronic decision support tool to reduce polypharmacy in elderly people with chronic diseases: cluster randomised controlled trial. BMJ. 2020;369:m1822.
  59. Rodríguez-Pérez A, Alfaro-Lara ER, Albiñana-Perez S, Nieto-Martín MD, Díez-Manglano J, PérezGuerrero C, et al. Novel tool for deprescribing in chronic patients with multimorbidity: List of EvidenceBased Deprescribing for Chronic Patients criteria. Geriatr Gerontol Int. 2017;17:2200-7.
  60. Schiøtz ML, Frølich A, Jensen AK, Reuther L, Perrild H, Petersen TS, et al. Polypharmacy and medication deprescribing: A survey among multimorbid older adults in Denmark. Pharmacol Res Perspect. 2018;6:e00431.
  61. Schuling J, Gebben H, Veehof LJ, Haaijer-Ruskamp FM. Deprescribing medication in very elderly patients with multimorbidity, the view of Dutch GPs: A qualitative study. BMC Fam Pract. 2012;13:56.
  62. Schuling J, Sytema R, Berendsen AJ. Aanpassen medicatie: voorkeur oudere patiënt telt mee. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6491.
  63. Scott IA, Anderson K, Freeman CR, Stowasser DA. First do no harm: a real need to deprescribe in older patients. Med J Aust. 2014;201:390-2.
  64. Scott IA, Hilmer SN, Reeve E, Potter K, Le Couteur D, Rigby D, et al. Reducing inappropriatepolypharmacy: the process of deprescribing. JAMA Intern Med. 2015;175:827-34.
  65. Sirois C, Ouellet N, Reeve E. Community-dwelling older people’s attitudes towards deprescribing in Canada. Res Social Adm Pharm. 2017;13:864-70.
  66. Stegmann ME, Festen S, Brandenbarg D, Schuling J, Van Leeuwen B, De Graeff P, et al. Using the Outcome Prioritization Tool (OPT) to assess the preferences of older patients in clinical decision-making: A review. Maturitas. 2019;128:49-52.
  67. Thillainadesan J, Gnjidic D, Green S, Hilmer SN. Impact of deprescribing interventions in older hospitalised patients on prescribing and clinical outcomes: a systematic review of randomised trials. Drugs Aging. 2018;35:303-19.
  68. Thio SL, Nam J, Van Driel ML, Dirven T, Blom JW. Effects of discontinuation of chronic medication in primary care: a systematic review of deprescribing trials. Br J Gen Pract. 2018;68:e663-72.
  69. Thompson W, Farrell B, Welch V, Tugwell P, Way C, Richardson L, et al. Continuation or deprescribing of proton pump inhibitors: A consult patient decision aid. Can Pharm J (Ott). 2018;152:18-22.
  70. Thompson W, Lundby C, Graabaek T, Nielsen DS, Ryg J, Søndergaard J, et al. Tools for deprescribing in frail older persons and those with limited life expectancy: a systematic review. J Am Geriatr Soc. 2019;67:172-80.
  71. Tjia J, Givens J. Ethical framework for medication discontinuation in nursing home residents with limited life expectancy. Clin Geriatr Med. 2012;28:255-72.
  72. Turner JP, Edwards S, Stanners M, Shakib S, Bell JS. What factors are important for deprescribing in Australian long-term care facilities? Perspectives of residents and health professionals. BMJ Open. 2016;6:e009781.
  73. Ulley J, Harrop D, Ali A, Alton S, Fowler Davis S. Deprescribing interventions and their impact on medication adherence in community-dwelling older adults with polypharmacy: a systematic review. BMC Geriatr. 2019;19:15.
  74. Van der Linden L, Decoutere L, Walgraeve K, Milisen K, Flamaing J, Spriet I, et al. Combined use of the Rationalization of home medication by an Adjusted STOPP in older Patients (RASP) list and a pharmacist-led medication review in very old inpatients: impact on quality of prescribing and clinical outcome. Drugs Aging. 2017;34:123-33.
  75. Van Middelaar T, Ivens SD, Van Peet PG, Poortvliet RK, Richard E, Pols AJ, et al. Prescribing and deprescribing antihypertensive medication in older people by Dutch general practitioners: a qualitative study. BMJ Open. 2018;8:e020871.
  76. Van Summeren JJ, Haaijer-Ruskamp FM, Schuling J. Eliciting preferences of multimorbid elderly adults in family practice using an outcome prioritization tool. J Am Geriatr Soc. 2016;64:e143-8.
  77. Van Summeren JJ, Schuling J, Haaijer-Ruskamp FM, Denig P. Outcome prioritisation tool for medication review in older patients with multimorbidity: a pilot study in general practice. Br J Gen Pract. 2017;67:e501-6.
  78. Verdoorn S, Blom J, Vogelzang T, Kwint HF, Gussekloo J, Bouvy ML. The use of goal attainment scaling during clinical medication review in older persons with polypharmacy. Res Social Adm Pharm. 2019;15:1259-65.
  79. Verdoorn S, Kwint HF, Blom J, Gussekloo J, Bouvy ML. DREAMeR: Drug use Reconsidered in the Elderly using goal Attainment scales during Medication Review; study protocol of a randomised controlled trial. BMC Geriatr. 2018;18:190.
  80. Wallis KA, Andrews A, Henderson M. Swimming against the tide: primary care physicians’ views on deprescribing in everyday practice. Ann Fam Med. 2017;15:341-6.
  81. Wehling M, Burkhardt H, Kuhn-Thiel A, Pazan F, Throm C, Weiss C, et al. VALFORTA: a randomised trial to validate the FORTA (Fit fOR The Aged) classification. Age Ageing. 2016;45:262-7.
  82. Weir K, Nickel B, Naganathan V, Bonner C, McCaffery K, Carter SM, et al. Decision-making preferences and deprescribing: perspectives of older adults and companions about their medicines. J Gerontol B Psychol Sci Soc Sci. 2018;73:e98-107.
  83. Wimmer BC, Cross AJ, Jokanovic N, Wiese MD, George J, Johnell K, et al. Clinical outcomes associated with medication regimen complexity in older people: a systematic review. J Am Geriatr Soc. 2017;65:747-53.
  84. Wouters H, Scheper J, Koning H, Brouwer C, Twisk JW, Van der Meer H, et al. Discontinuing inappropriate medication use in nursing home residents: a cluster randomized controlled trial. Ann Intern Med. 2017;167:609-17.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 03-12-2020

Laatst geautoriseerd  : 01-12-2020

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijnmodule is de werkgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2025 bepalen het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG) of de module nog actueel is. Er is een onderhoudsplan beschreven waarin de werkgroep een inschatting heeft gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening of update. De geldigheid van de module komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De NVKG en het NHG zijn regiehouder en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling. De andere aan deze module deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijnmodule delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

 

Module1

Regiehouder(s)2

Jaar van autorisatie

Eerstvolgende beoordeling actualiteit richtlijn3

Frequentie van beoordeling op actualiteit4

Wie houdt er toezicht op actualiteit5

Relevante factoren voor wijzigingen in aanbeveling6

Module Minderen en stoppen medicatie

NHG&NVKG

2020

2025

5 jaar

NHG&NVKG

Niet van toepassing

  1. Naam van de module.
  2. Regiehouder van de module (deze kan verschillen per module en er kunnen meerdere regiehouders zijn).
  3. Na maximaal 5 jaar.
  4. Eens per 6 maanden, eens per jaar, eens per 2 jaar of eens per 5 jaar.
  5. Regievoerende vereniging(en) of (multidisciplinaire) werkgroep die in stand blijft.
  6. Lopend onderzoek, wijzigingen in vergoeding of organisatie, beschikbaarheid van nieuwe middelen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie
  • Patiëntenfederatie Nederland

Algemene gegevens

De richtlijn is ontwikkeld in samenwerking met:

  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KMNP)
  • Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC)
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers (NVZA)
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde (Verenso).
  • Patiëntenfederatie Nederland (PFNL)

 

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (KiMS) en gefinancierd uit een subsidie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een bijdrage van het NHG en een subsidie van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten.

Doel en doelgroep

Doel

Het primaire doel van minderen en stoppen van medicatie is het optimaliseren van de medicamenteuze behandeling en daarmee het verbeteren van de kwaliteit van leven, gezondheid en welzijn van de patiënt. Deze module biedt handvatten aan voorschrijvers, apothekers en patiënten om het minderen en stoppen van geneesmiddelen in de dagelijkse praktijk vorm te geven.

 

Doelgroep

Deze module richt zich primair op de brede populatie van ouderen met polyfarmacie, ongeacht de situatie waarin zij verblijven. De MDR Polyfarmacie bij ouderen hanteert sinds 2019 een leeftijdsgrens van 70 jaar om ‘de oudere patiënt’ te definiëren. Deze leeftijdsgrens is niet absoluut, maar is met name gebruikt om richting te geven aan ondersteunend literatuuronderzoek en inbreng vanuit focusgroepen. Dit laat onverlet dat de principes zoals besproken in deze module ook toepasbaar kunnen zijn bij andere doelgroepen dan ouderen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodules is in 2018 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten waarvoor minderen en stoppen van medicatie relevant is.

De werkgroepsleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijnmodule.

 

Werkgroep

  • dhr. prof. dr. R.J. van Marum, klinisch geriater en klinisch farmacoloog, & bijzonder hoogleraar farmacotherapie bij ouderen, werkzaam in het Jeroen Bosch Ziekenhuis, ‘s-Hertogenbosch en werkzaam
  • in het Amsterdam UMC, locatie VUms, Amsterdam. Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (voorzitter).
  • dhr. prof. dr. M.A. van Agtmael, internist-infectioloog en klinisch farmacoloog, & hoogleraar farmacotherapieonderwijs, werkzaam in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam. Namens Nederlandse Internisten Vereniging (NIV).
  • dhr. J. Benedictus, patiëntvertegenwoordiger, werkzaam bij Patiëntenfederatie Nederland, Utrecht. Namens Patiëntenfederatie Nederland (PFNL).
  • mw. dr. F. Boersma, specialist ouderengeneeskunde & senior onderzoeker, werkzaam in het UMCG, Groningen. Namens Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde (Verenso).
  • dhr. drs. Th.L.A. Burm, ouderenpsychiater, werkzaam bij GGNet locatie RGC Apeldoorn. Namens Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • mw. prof. dr. P. Denig, hoogleraar kwaliteit van geneesmiddelgebruik, werkzaam in het UMCG, Groningen.
  • dhr. prof. dr. A.C.G. Egberts, ziekenhuisapotheker & hoogleraar klinische farmacie, werkzaam in het UMCU, Utrecht. Namens Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers (NVZA).
  • mw. dr. P.J.M. Elders, huisarts & hoofdonderzoeker afdeling Huisartsgeneeskunde en Ouderengeneeskunde, werkzaam in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG).
  • dhr. dr. E.C.T. Geijteman, aios interne geneeskunde en klinisch farmacoloog, werkzaam in het Erasmus MC, Rotterdam. Namens Nederlandse Internisten Vereniging (NIV).
  • dhr. dr. H.F. Kwint, openbaar apotheker, werkzaam bij Apotheek Stevenshof, Leiden, & onderzoeker SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy, Leiden. Namens Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP).
  • mw. prof. dr. M. Muller, internist ouderengeneeskunde & hoogleraar cardiovasculaire veroudering, werkzaam in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam. Namens Nederlandse Internisten Vereniging (NIV).
  • mw. drs. S.E. van Putten-de Wit, huisarts & wetenschappelijk medewerker, werkzaam bij het NHG, Utrecht. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (tot april 2019).
  • mw. dr. M.A. Verdoorn MSc., openbaar apotheker, werkzaam bij Apotheek Hoogland, Sliedrecht, & onderzoeker SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy, Leiden. Namens Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP).
  • dhr. drs. R.W. Vingerhoets, klinisch geriater, werkzaam in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis, Tilburg. Namens Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG).
  • mw. drs. C.J.H. de Vries, huisarts & wetenschappelijk medewerker, werkzaam bij het NHG, Utrecht. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (vanaf april 2019 tot februari 2020).
  • mw. A.S.G. van Walraven MSc., openbaar apotheker & wetenschappelijk medewerker, werkzaam bij het NHG, Utrecht. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (vanaf februari 2020).
  • dhr. dr. J. van Wijngaarden, cardioloog, werkzaam in het Deventer Ziekenhuis, Deventer, Namens Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC).

 

Met ondersteuning van

  • dhr. ir. T.A. van Barneveld, directeur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten, Utrecht.
  • A.A. Lamberts MSc., senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten, Utrecht.
  • mw. L.H.M. Niesink-Boerboom MSc., literatuurspecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
  • mw. drs. M.M. Verduijn, apotheker & senior wetenschappelijk medewerker, Nederlands Huisartsen Genootschap.

Belangenverklaringen

De ‘KNAW-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling‘ (2017) is gevolgd. Alle werkgroepsleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste 3 jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Actie

Benedictus

Programmamanager Patiëntenfederatie Nederland (1,0 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

1-9-2018

Geen actie

Boersma

Specialist ouderengeneeskunde, senior onderzoeker UMC Groningen (0,30 fte)

Lentis/Team 290: (0,64 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

1-10-2018

Geen actie

Burm

Ouderenpsychiater bij GGnet, Polikliniek Ouderenpsychiatrie, RGC, locatie Apeldoorn (1,0 fte)

Bestuurslid Afdeling Ouderenpsychiatrie NVvP (onbetaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

4-7-2018

Geen actie

De Vries

Huisarts n.p., wetenschappelijk medewerker, Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

20-8-2019

Geen actie

Denig

Hoogleraar kwaliteit van geneesmiddelgebruik, Afdeling Klinische Farmacie en Farmacologie, Universitair Medisch Centrum Groningen (0,8 fte)

Geen

Geen

Geen

Ik neem deel aan onderzoek dat gefinancierd wordt door ZonMW, KNMP en EU fondsen. De KNMP is als partij ook betrokken bij de ontwikkeling van de module Deprescribing. (Projecten: DISCARDt; financiering via KNMP)

Als persoon heb ik geen baat bij bepaalde uitkomsten van het advies. Ik voer onderzoek uit naar mogelijkheden voor, ervaringen met en hulpmiddelen bij Deprescribing, van waaruit ik als extern expert mijn input zal geven.

Geen

22-5-2018

Geen actie

Egberts

Ziekenhuisapotheker, UMC Utrecht (0,9 fte)

Hoogleraar klinische farmacie, bètafaculteit Universiteit Utrecht (0,1 fte)

Lid internationale wetenschappelijke adviesraad Zentrum fur psychische Gesundheit, Universität Wurzburg (onbetaald) Bestuurslid SIR Institute for Pharmacy Practice & Policy (onbetaald)

Lid kernteam Expertisecentrum Pharmacotherapie bij Ouderen (EPHOR) (onbetaald).

Voorzitter stichting KNMP-fondsen (onbetaald). Lid Editorial Board Drug Safety (onbetaald)

Plv lid CCMO (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

23-8-2018

Geen actie

Elders

Universitair hoofddocent onderzoekslijn Diabetes, overgewicht, leefstijl en osteoporose, Afdeling Huisartsgeneeskunde en Ouderenzorg, UMC Amsterdam, locatie VUmc (0,64 fte) Waarnemend huisarts (0,25 fte)

Lid vaste commissie bevolkingsonderzoek van de Gezondheid (betaald) Cursussen osteoporose of diabetes voor verschillende organisaties (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

30-8-2018

Geen actie

Geijteman

Aios interne geneeskunde, Reinier de Graaf gasthuis, Delft tot 1-7-2018

Aios interne geneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam vanaf

1-7-2018 (1,0 fte)

Arts onderzoeker Erasmus MC afdelingen maatschappelijke gezondheidszorg en klinische farmacologie en apotheek interne oncologie

Geen

Geen

ZonMW Medicatiemanagement in de laatste levensfase periode 2013-2016

Geen

Geen

14-6-2018

Geen actie

Kwint

Directeur/openbaar apotheker, Apotheek Stevenshof, Leiden (0,8 fte)

Senior-onderzoeker, SIR Institute for Pharmacy Practice and

Policy (0,2 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-7-2018

Geen actie

Lamberts

Senior adviseur, Kennisinstituut FMS (0,8 fte) Beleidsmedewerker Kwaliteit, NVKG (0,2 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

2018

Geen actie

Muller

Hoofd Sectie Interne Ouderengeneeskunde, Afdeling Interne Geneeskunde, Hoofd Onderzoeksgroep Cardiovascular Aging, Amsterdam UMC, locatie VUmc (1,0 fte)

Visiting professor National lnstitute on Aging

Lid richtlijncommissie CVRM addendum kwetsbare ouderen (betaald) Presentaties voor NWC over relatie hart-brein, CVRM ouderen (betaald) Werkgroep Diabetes and costs Merck (betaald) Presentatie over diabetes en ouderen, Landelijk Diabetescongres (betaald) Presentatie NVIVG CVRM bij ouderen (bvetaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

29-6-2018

Geen actie

 

Werkgroeplid

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Actie

Van Agtmael

Internist-klinisch farmacoloog (0,7 fte), hoogleraar farmacotherapie (0,3 fte), Amsterdam UMC, locatie VUmc

Voorzitter EACPT education working group

Voorzitter Stichting Informatiemanagement infectieziekten Bestuurder Stichting Pscribe)

Bestuurder NVKF&B, commissie onderwijszaken (onbetaald)

co-opted member EACPT executive committee) Alle functies zijn onbetaald en hebben geen

relatie met de farmaceuti-

sche industrie

Geen

Geen

Geen

De uitwerking van het concept deprescribing door deze commissie maakt het uitrollen van deze methode in het VUmc mogelijk makkelijker

Geen

4-6-2018

Geen actie

Van Marum*

Klinisch geriater, klinisch farmacoloog, Afdeling Geriatrie, Jeroen Bosch Ziekenhuis,

Den Bosch (0,7fte), bijzonder hoogleraar farmacotherapie bij ouderen, Afdeling Huisartsgeneeskunde en Ouderengeneeskunde, Amsterdam UMC,

locatie VUmc

Lid College ter beoordeling Geneesmiddelen (betaald, 0, 16 fte)

Lid wetenschappelijke adviesraad BENU Apotheken (vacatie)

Lid raad van toezicht zorginstelling Careyn

(betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-7-2018

Geen actie

Van Putten

Wetenschappelijk medewerker, Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG (0,4 fte)

Huisarts (0,2 fte)

Medisch inhoudelijke nascholing aan verpleegkundig specialisten van een woonzorginstelling voor verstandelijk beperkte mensen (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-6-2018

Geen actie

Van Walraven

Apotheker, Wetenschappelijk medewerker Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

9-3-20

Geen actie

Van Wijngaarden

Cardioloog, Deventer ziekenhuis, Deventer (1,0 fte)

Opleider cardiologie, Werkgroep Opleidingszaken (onbetaald) Concilium Ccardiologicum (onbetaald) Lid/ambassadeur projectgroep medisch specialist 2025 FMS (onbetaald)

Lid kamer medisch specialisten capiciteitsorgaan

KNMG (onbetaald)

Geen

Geen

Geen

Ambassadeur Medisch Specialist 2025

Geen

25-7-2018

Geen actie

Verdoorn

Openbaar apotheker, Thorbecke apotheek Sliedrecht (0,4 fte) Onderzoeker/promovendus, SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy, Leiden (0,6 fte)

Geen

Geen

Geen

Mijn werkgever SIR heeft een subsidie ontvangen voor mijn promotieonderzoek over het onderwerp medicatiebeoordelingen van de KNMP en Service Apotheek in de vorm van een unconditional grant. De richtlijn deprescribing heeft qua onderwerp

wel te maken met mijn promotieonderzoek. De financierders hebben geen direct belang bij de uitkomsten van de richtlijn. Zij vinden het alleen belangrijk dat deze richtlijn er komt om de apothekers te ondersteunen bij dit onderwerp

Geen

Geen

27-6-2018

Geen actie

Verduijn

Apotheker, senior wetenschappelijk medewerker Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

9-3-20

Geen actie

Vingerhoets

Klinisch geriater, klinisch farmacoloog en medisch manager, Zorgeenheid Geriatrie, Elisabeth-TweeSteden ziekenhuis, Tilburg (1,0 fte)

Jaarlijks onderwijs voor psychologen in opleiding, Universiteit Tilburg, en voor Nurse practitioners in opleiding, Fontys Hogeschool Tilburg (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

8-6-2018

Geen actie

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door een afgevaardigde van de Patiëntenfederatie Nederland zitting te laten nemen in de werkgroep. Ook is er een focusgroep met patiënten gehouden. De resultaten van deze focusgroep zijn beschreven in de submodule ‘Belemmerende en bevorderende factoren’. De Patiëntenfederatie Nederland en de seniorenorganisatie KBO-PCOB zijn uitgenodigd voor deelname aan de invitational conference die is georganiseerd in het kader van de knelpunteninventarisatie. Een verslag van deze bijeenkomst is besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijnmodules. Een verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 2. De conceptrichtlijnmodules zijn tevens voor commentaar voorgelegd aan KBO-PCOB en de Patiëntenfederatie Nederland.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijnmodules en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijnmodules in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is te vinden in de bijlagen.

Werkwijze

AGREE

De richtlijnmodules zijn opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport ‘Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0‘ van de Orde van Medisch Specialisten (2012). Dit rapport is gebaseerd op het internationaal breed geaccepteerde instrument Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II (AGREE II) [Brouwers 2010]. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidencebased richtlijn tot stand komt, wordt verwezen naar genoemd rapport.

 

Knelpunteninventarisatie

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. Een verslag hiervan is opgenomen in de aanverwante producten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur conceptuitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling worden naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere belangrijke aspecten meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepsleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs, de belangrijkste overwegingen en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. Het wetenschappelijke bewijs en het gewicht dat de werkgroep toekent aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodules is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg, zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur. Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste submodule.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De richtlijnmodules werden in concept ter commentaar voorgelegd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënten)organisaties. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werden de richtlijnmodules aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodules zijn aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënten)organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.