Uitgangsvraag

Juridische aspecten bij intoxicatie:

  1. Hoe moet bij patiënten met een acute intoxicatie omgegaan worden met een eventuele wilsverklaring en een wens tot behandelbeperking?
  2. Hoe moet bij patiënten met een acute intoxicatie omgegaan worden met weigeren van behandeling door patiënten?
  3. Hoe moet bij patiënten met een acute intoxicatie omgegaan worden met weigering van het afwachten van psychiatrische beoordeling in het ‘interbellum’?
  4. In welke gevallen is het raadzaam bij patiënten met een acute intoxicatie, die kinderen hebben, de kinderbescherming in te lichten?
  5. Wat is het juridisch kader ten aanzien van het inspecteren en eventueel afnemen van bezittingen van patiënten met een acute intoxicatie na een suïcidepoging ter preventie van een tweede poging?

Aanbeveling

  1. Wanneer een geïntoxiceerde patiënt noodzakelijke somatische diagnostiek of behandeling op de SEH weigert, dient een arts te beoordelen of de patiënt in staat is tot een redelijke waardering van de belangen terzake.
  2. Indien een patiënt wilsonbekwaam wordt geacht ten aanzien van noodzakelijke diagnostiek of behandeling, zoekt de behandelaar zo mogelijk vervangende toestemming. In volgorde zijn dit 1) een door de rechter benoemd vertegenwoordiger, 2) een door de patiënt aangewezen vertegenwoordiger, 3) een persoon die schriftelijk gemachtigd is door de patiënt, 4) de echtgenoot of partner van de patiënt, 5) een ouder, kind, broer of zus van de patiënt.
  3. Voor interventies die onmiddellijk moeten plaatsvinden (bijvoorbeeld het beheersbaar maken van een potentieel gevaarlijke situatie of een levensreddende somatische handeling/diagnostiek), handelt de behandelaar zonder vertraging als goed hulpverlener conform de WGBO. De hulpverlener houdt hierbij rekening met actuele evidence-based richtlijnen en zorgstandaarden.
  4. De beslissing om te handelen wordt gestuurd door de algemeen juridische principes 1) doelmatigheid (de beoogde ingreep moet effectief zijn om het onmiddellijke gevaar af te wenden), 2) proportionaliteit (de ingreep moet in verhouding staan tot het te voorkomen gevaar) en 3) subsidiariteit (er moet worden gekozen voor de minst ingrijpende vorm van diagnostiek of behandeling).
  5. De argumentatie voor een inbreuk op de zelfbeschikking moet sterker zijn naarmate die inbreuk meer de intieme sfeer en de lichamelijke en geestelijke integriteit raakt. Daarnaast moet de ingreep strikt noodzakelijk zijn en dient de veiligheid in termen van de te verwachte bijwerkingen daarvan in overweging te worden genomen.
  6. Als de arts twijfelt over de wilsbekwaamheid dient een (consultatief) psychiater in consult gevraagd te worden voor (mede)beoordeling daarvan. Dit is alleen mogelijk als de patiënt somatisch voldoende stabiel is om te wachten op een psychiatrische consultatie.
  7. Bij twijfel en wanneer de patiënt in potentieel levensgevaar verkeert geldt: wel handelen.

 

F1

Inleiding

Informed consent is volgens de Wet op de Geneeskundige Behandelovereenkomst (WGBO) vereist voordat diagnostiek of een (medicamenteuze) behandeling plaatsvindt. Dit geldt voor zowel somatisch als psychiatrisch handelen bij patiënten met een intoxicatie op de SEH. In verband met bewustzijnsveranderingen, verwardheid of opwindingstoestanden kunnen noodzakelijke diagnostiek of behandeling op de SEH niet altijd met de voorafgaande expliciete toestemming van de patiënt plaatsvinden. De behandelaar realiseert zich hierbij doorgaans dat dergelijke interventies conform de WGBO in principe verboden zijn. De WGBO laat in uitzonderlijke situaties echter de mogelijkheid om af te wijken van de eis van voorafgaand informed consent, te weten 1) indien de patiënt niet in staat is tot een redelijke behartiging van de belangen ‘ter zake’ oftewel wilsonbekwaam is ten aanzien van de beoogde diagnostiek of behandeling, 2) diagnostiek of een ingrijpende behandeling noodzakelijk is om het leven van de patiënt te redden of ernstige gevolgen voor de gezondheid te voorkomen en de patiënt zich actief tegen de behandeling verzet en 3) de wettelijk vertegenwoordiger instemt met de beoogde diagnostiek of behandeling. Het is dan wel zaak de betrokkene vooraf, dan wel minstens achteraf, zo goed mogelijk te informeren en hierover melding te maken in het dossier. De Wet Bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) maakt daarnaast een dwangopname mogelijk met als uitsluitelijk doel om acuut gevaar dat een direct gevolg is van een psychiatrische stoornis, en dus geen somatisch gevaar, af te wenden. Vanuit SEH-perspectief is de BOPZ relevant omdat een acute psychiatrische opname middels een inbewaringstelling (IBS) soms noodzakelijk zal zijn. Een BOPZ-opname impliceert echter geen toestemming om over te gaan tot een gedwongen behandeling, hetzij psychiatrisch, hetzij somatisch.

Zie ook de module 'verzet tegen noodzakelijke initiële diagnostiek of behandeling en weigering van vervolgdiagnostiek of behandeling na eerste opvang'.

Samenvatting literatuur

Voor een juridische uitwerking van het begrip wilsbekwaamheid wordt verwezen naar het rapport van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) over de implementatie van de WGBO. Hierin wordt gesteld dat bij de beoordeling van wilsbekwaamheid drie aspecten moeten worden onderscheiden, te weten het begripsvermogen, de beslisvaardigheid en het afwegen van waarden. Voor de wettelijke kaders van de BOPZ wordt verwezen naar de recente richtlijnen ‘Diagnostiek en behandeling van suïcidaal gedrag’ en ‘Besluitvorming dwang: opname en behandeling’.

Referenties

  1. Hemert AM van, Kerkhof AJFM, Keijser J de , Verwey B, Boven C van, Hummelen JW et al, Multidisciplinaire Richtlijn Diagnostiek en Behande-ling van Suicidaal Gedrag, Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP), Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), 2012.
  2. Rijksoverheid. Handreiking voor de beoordeling van wilsbekwaamheid. 2007.
  3. Tilburg W van, Veldhuizen JR van, Beijaert EW, Ven-Dijkman MV van de, Mulder CL, Schulte PFJ, et al. Richtlijn besluitvorming dwang: Opname en behandeling, Uitgeverij de Tijdstroom, 2008.
  4. Vinkers CH, Kraats GB van de, Biesaart M, Tijdink JK. Is mijn patiënt wilsbekwaam? Volg de leidraad. Ned Tijdschr Geneeskd. 2014; 158.
  5. Witmer JM, Roode RP de . Implementatie van de WGBO. Van wet naar praktijk: Deel 2 informatie en toestemming. Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot Bevordering der Geneeskunst (KNMG). 2004.

Overwegingen

Wanneer kinderbescherming inlichten? Kindcheck

De kindcheck is een onderdeel van de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld. De kindcheck houdt in dat wanneer volwassen patiënten zich presenteren met een suïcidepoging of middelenintoxicatie, na wordt gegaan of er kinderen in het gezin zijn en ingeschat wordt of zij veilig zijn. Bij twijfels over de veiligheid van de kinderen, worden de stappen van de KNMG-meldcode of van het eigen ziekenhuisprotocol doorlopen.

 

Omgang met monsters en resultaten van analyses op het moment dat het onderzoek een forensisch karakter krijgt

Analysemonsters die afgenomen zijn in het ziekenhuis in het kader van de behandeling van de patiënt mogen niet meegegeven worden aan derden (bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie) voor forensisch of ander onderzoek. Bij dergelijke verzoeken moet worden doorverwezen naar de (medische) directie van het ziekenhuis. Zij besluiten of het monster aan derden meegegeven mag worden, waarbij de toestemming van de patiënt in de regel is vereist. Ook verzoeken tot het bekendmaken of overdragen van resultaten van eerdere analyses, uitgevoerd in het kader van de behandeling van een patiënt, worden alleen verstrekt na akkoord en in opdracht van de (medische) directie en de patiënt.

De forensisch arts zal in opdracht van de officier van Justitie bloed- en/of urineafnames doen.

 

Noodzakelijke somatische diagnostiek en behandeling gaan altijd vooraf aan psychiatrische diagnostiek en behandeling. In de context van patiënten met een intoxicatie op de SEH realiseert de behandelaar zich dat de WGBO geldt als algemene patiëntenwet, waaronder al het somatisch handelen valt. Anders dan de WGBO geldt de Wet BOPZ expliciet als een speciale wet voor gedwongen psychiatrische opnames en bepaalde behandelingen. Een inbewaringstelling (IBS) als BOPZ-maatregel rechtvaardigt op zich alleen een dwangopname op een psychiatrische afdeling en géén somatische behandeling of psychiatrische dwangbehandeling op de SEH.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 18-12-2017

Laatst geautoriseerd : 18-12-2017

Jaarlijks wordt door de commissie richtlijnen van de Nederlandse Internisten Vereniging bepaald of actualisatie van de richtlijn nodig is. Indien actualisatie gewenst is, spant de Nederlandse Internisten Vereniging zich om de hiervoor noodzakelijke voorwaarden (bijvoorbeeld financiering, samenstelling werkgroep) te realiseren. Nieuwe of nog niet behandelde knelpunten kunnen aanleiding zijn tot actualisatie van de richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Internisten Vereniging

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Patiëntenfederatie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) en ondersteund door het bureau van de Nederlandse Internisten Vereniging en PROVA.

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van deze richtlijn is de kwaliteit van zorg en patiëntveiligheid van patiënten met een acute intoxicatie te waarborgen en waar mogelijk te verbeteren. In deze richtlijn worden aanbevelingen geformuleerd die professionals in de zorg hiertoe de handvaten geven.

 

Doelgroep

De doelgroep van deze richtlijn zijn professionals die zich bezig houden met de opvang van patiënten, na een acute intoxicatie, in het ziekenhuis. Hieronder worden in ieder geval verstaan: spoedeisende hulp artsen, internisten (inclusief subspecialisaties zoals internisten acute geneeskunde en intensivisten op de intensive care), anesthesiologen, cardiologen, psychiaters en ziekenhuisapothekers. Maar, ook anderen kunnen deze richtlijn gebruiken.

Samenstelling werkgroep

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is een werkgroep geformeerd, onder voorzitterschap van dr. Kees Kramers, internist-klinisch farmacoloog. In de werkgroep hadden gemandateerde vertegenwoordigers van de belangrijkste beroepsverenigingen die te maken hebben met de opvang van patiënten met een acute intoxicatie zitting. Ook was een vertegenwoordiger van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum lid van de werkgroep. Om het patiëntenperspectief in de werkgroep te waarborgen, is de werkgroep aangevuld met een beleidsadviseur werkzaam bij Patiëntenfederatie Nederland. Tijdens de commentaarronde is een vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie aan de werkgroep toegevoegd en is commentaar van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie toegevoegd. De werkgroep werd procedureel en methodologisch ondersteund door PROVA en logistiek door het bureau van de Nederlandse Internisten Vereniging. De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd vanuit een projectbudget door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten.

  • Dhr. dr. C. Kramers, internist - klinisch farmacoloog, Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen, namens de Nederlandse Internisten Vereniging, voorzitter
  • Mw. drs. M.K. Tuut, epidemioloog, PROVA, Varsseveld, secretaris
  • Dhr dr. H.J. van Leeuwen, Internist-intensivist, Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem, namens de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Dhr. drs. D. Dekker, internist acute geneeskunde – klinisch farmacoloog, Universitair Medisch Centrum, Utrecht, namens de DAM, beroepsvereniging van internisten acute geneeskunde
  • Mw. drs. G.D. van Dijken, SEH-arts KNMG, St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein, namens de Nederlandse Vereniging voor Spoedeisende Hulp Artsen
  • Dhr. drs. J. Benedictus, Patiëntenfederatie Nederland, Utrecht, namens Patiëntenfederatie Nederland
  • Dhr. dr. D. W. de Lange, intensivist - toxicoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht, namens het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het UMC Utrecht
  • Dhr. drs. S.J.C. ten Napel, SEH-arts KNMG, Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem, namens de Nederlande Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Dhr. dr. R.E.J.H. Sentjens, cardioloog - intensivist, Flevo Ziekenhuis, Almere, namens de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Dhr. dr. F. Jansman, ziekenhuisapotheker - klinisch farmacoloog, Deventer Ziekenhuis, Deventer, en Universiteit Groningen, namens de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers
  • Dhr. dr. G.E. Jacobs, psychiater - klinisch farmacoloog, Vrije Universiteit Medisch Centrum, Amsterdam en Centre for Human Drug Research, Leiden, namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. dr. I.R.A.M. Mertens zur Borg, anesthesioloog, MMT arts, defensie arts, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, sinds december 2016

Met medewerking van

  • Lieve Knarren
  • Marjolein Kremers
  • Peter Wierenga
  • Marjon Verschueren
  • Paul Brussee
  • Ylonne Sensen

Meelezers

  • Prof. dr. D.J. Touw
  • Mw. drs. M.E.C. Leenders

Belangenverklaringen

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Douwe Dekker

Internist acute geneeskunde - klinisch farmacoloog

geen

geen

geen

Aanspreekpunt voor toxicologische onderwerpen binnen Dutch Acute Medicine (DAM, beroepsvereniging voor acute interne geneeskunde)

Diabetes Fonds; 2007-2010, AGIKO salaris

Registratie patent voor gebruik van atazanavir als bilirubineverhogend geneesmiddel met anti-inflammatoire, anti-oxidante effecten, publicatie 31-03-2011

geen

Dylan de Lange

Internist-intensivist, UMC Utrecht

Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, UMC Utrecht

Geen conflicterende belangen

Geen conflicterende belangen

Geen (conflicterende) belangen

Geen (conflicterende) belangen

Geen (conflicterende) belangen

Geen (conflicterende) belangen

Frank Jansman

Ziekenhuisapotheker

Docent en onderzoeker Afdeling Farmacotherapie, Epidemiologi en Economie, Universiteit Groningen; lid METC Isala Zwolle; lid METC Stichting Bebo Assen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Gabriel Jacobs

Psychiater - klinisch farmacoloog, VU Medisch Centrum, 0,6 FTE

Klinisch onderzoeker, Centre for Human Drug Research, 0,4 FTE

geen

geen

geen

Gesponsord geneesmiddelenonderzoek, 2013 - heden, Stichting Centre for Human Drug Research, salaris

geen

geen

Henk van Leeuwen

Internist-intensivist

 

 

 

 

 

 

 

Ingrid Mertens zur Borg

Anesthesioloog, MMT-arts, defensie anesthesioloog

Forensisch arts in opleiding

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Jan Benedictus

Beleidsmedewerker Patiëntenfederatie NPCF

geen

geen

n.v.t.

geen

geen

n.v.t.

geen

Kees Kramers

Internist-klinisch farmacoloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Mariska Tuut

Eigenaar PROVA (advies-bureau evidence-based richtlijnontwikkeling)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Roel Sentjens

 

 

-

-

-

-

-

-

Sieuwert Jan ten Napel

SEH-arts KNMG

Opleider Spoedeisende Geneeskunde Rijnstate Ziekenhuis Arnhem

geen

geen

geen

geen

geen 

geen

Trudy van Dijken

SEH-arts KNMG St Antonius Ziekenhuis

 

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Inbreng patiëntenperspectief

De inbreng van het patiëntenperspectief werd gewaarborgd door de afvaardiging van een beleidsadviseur van Patiëntenfederatie Nederland in de richtlijnwerkgroep (zie ook de module 'Patiëntenperspectief en nazorg bij intoxicaties').

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Gedurende het hele proces van richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met implementatie van de richtlijn in de praktijk, bijvoorbeeld bij de samenstelling van de werkgroep, de brede knelpunteninventarisatie en de uitgebreide commentaarronde.

 

Na autorisatie van de richtlijn wordt deze ten minste op de website van de Nederlandse Internisten Vereniging gepubliceerd. Ook andere deelnemende partijen zijn vrij de richtlijn op hun website te publiceren. De richtlijn wordt ter publicatie aangeboden aan www.richtlijnendatabase.nl. Daarnaast wordt getracht samenvattingen van de richtlijn in Nederlandse tijdschriften te publiceren, om zo de implementatie van de richtlijn te bevorderen. De informatie uit deze richtlijn vormt de input voor de herziening van het Acute Boekje van de Nederlandse Internisten Vereniging.

Werkwijze

Knelpuntenanalyse

De richtlijnwerkgroep heeft in de eerste werkgroepvergadering knelpunten in de opvang van patiënten met een acute intoxicatie geïnventariseerd. Daarbij is uitgegaan van het ABCDE-systeem als ‘kapstok’, aangevuld met overige knelpunten. Deze knelpuntenlijst is ter commentaar en aanvulling in een schriftelijke ronde voorgelegd aan de volgende stakeholders:

  • Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie
  • Nederlandse Vereniging van Medisch managers Ambulancezorg / Ambulancezorg Nederland
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
  • Event Medical Service
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen
  • Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra
  • Zorgverzekeraars Nederland
  • Nefarma
  • Inspectie voor de Gezondheidszorg
  • Zorginstituut Nederland
  • Nederlandse Zorgautoriteit
  • Toxicologie.org

De richtlijnwerkgroep heeft de input vanuit de knelpunteninventarisatie geanalyseerd en in de tweede werkgroepvergadering de knelpunten en uitgangsvragen vastgesteld.

 

Methode richtlijnontwikkeling

De knelpunten en uitgangsvragen zijn uitgewerkt door de verschillende werkgroepleden. Uit explorerend literatuuronderzoek bleek, en dit werd bevestigd door de inhoudelijke experts uit de richtlijnwerkgroep, dat er voor veel knelpunten geen goede evidence voorhanden zou zijn. Het uitvoeren van bewijzend klinisch onderzoek voor deze knelpunten zou in veel gevallen ook een onhaalbare kaart zijn, gezien de vele verstorende en onbekende variabelen die bij acute intoxicaties een rol kunnen spelen.

Derhalve heeft de werkgroep een beperkt aantal vragen aangewezen waarvoor uitgebreid en systematisch literatuuronderzoek heeft plaatsgevonden (verlaagde EMV-score en intubatie, naloxon of intubatie bij opiatenintoxicatie, gebruik flumazenil, behandeling hyperthermie). Bij de uitwerking van deze uitgangsvragen door de richtlijnmethodoloog is uitdrukkelijk aangegeven op welke wijze naar literatuur is gezocht en hoe dit is beoordeeld. Ook na het uitgebreide literatuuronderzoek bleek de beschikbare evidence mager en moest veelal op mechanistische argumenten en klinische redeneringen worden teruggevallen voor het formuleren van aanbevelingen in deze paragrafen. Vanwege de forse kans op vertekening van de resultaten van het literatuuronderzoek, zijn zowel de conclusies als de aanbevelingen niet gegradeerd. De werkgroep constateert dat de evidence over het algemeen van zeer lage kwaliteit is, wanneer gekeken wordt volgens de GRADE criteria (bijvoorbeeld vanwege risk of bias en indirecte studiepopulaties).

Ook bij knelpunten waarvan op voorhand werd verwacht dat er geen evidence zou zijn, en waarbij geen systematisch literatuuronderzoek is uitgevoerd, bleek behoefte aan richtinggevende aanbevelingen. Hierbij is gebruik gemaakt van diverse bronnen (bijvoorbeeld aanpalende evidence) en de mening van experts. Deze knelpunten zijn telkens voorbereid door één of enkele werkgroepleden, waarna door middel van discussie in de richtlijnwerkgroep consensus werd bereikt over het te voeren beleid. Enkele knelpunten zijn door experts van buiten de richtlijnwerkgroep voorbereid. Deze experts zijn genoemd bij de samenstelling van de werkgroep.

De richtlijnwerkgroep is 7 maal bijeen geweest, waarbij conceptteksten werden bediscussieerd en de conceptrichtlijn werd vastgesteld.

 

Procedure voor commentaar en autorisatie

De conceptrichtlijn is ter commentaar aangeboden aan alle NIV-leden en de (deelspecialistische) verenigingen die bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken zijn. Daarnaast is de conceptrichtlijn ter commentaar verstuurd aan alle partijen die bij de knelpunteninventarisatie om input gevraagd zijn, evenals aan de KNMG-afdeling juridische zaken. Het binnengekomen commentaar is door de werkgroep beoordeeld en verwerkt in de richtlijn. Tijdens de commentaarronde is de werkgroep uitgebreid met een gemandateerde vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie.

Daarna is de richtlijn ter autorisatie voorgelegd aan de partijen die in de werkgroep vertegenwoordigd zijn. De richtlijn is geautoriseerd door de Nederlandse Internisten Vereniging, de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers, de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie, de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care, de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, en heeft tevens de goedkeuring van de Patiëntenfederatie Nederland.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op evidence en consensus gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

 

Referenties

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.