Uitgangsvraag

Patiëntenperspectief en nazorg bij intoxicatie

Aanbeveling

Communicatie/bejegening

  • Communiceer oordeelvrij.
  • Pas de-escalatietechnieken toe.
  • Zet belangrijke informatie op papier voor de patiënt. Duidelijkheid zorgt voor meer rust en begrip.
  • Zorg voor (herhaalde) scholing door (ervarings)deskundigen aan betrokken zorgverleners.

 

Nazorg

  • Patiënten die worden opgenomen in verband met een intoxicatie dienen pas te worden ontslagen als de nazorg adequaat is georganiseerd.
  • Bij (verdenking op) een psychiatrische stoornis in het algemeen en bij intoxicaties als gevolg van een tentamen suïcidii in het bijzonder, wordt een (consultatief) psychiater betrokken bij het organiseren van de nazorg.
  • Zorg voor een volledige en tijdige overdracht bij een overgang van een patiënt. Vul deze overdracht aan met de belangrijkste aandachtspunten bij (auto-)intoxicatie.
  • Geef de patiënt informatie (op papier) bij ontslag.

Inleiding

De aanbevelingen ten aanzien van het patiëntenperspectief zijn tot stand gekomen door middel van een aantal interviews, gehouden met ervaringsdeskundigen. De psychiater in de richtlijnwerkgroep heeft deze tekst verder aangevuld.

Referenties

  1. Finkelstein Y, Macdonald EM, Hollands S, Hutson JR, Sivilotti ML, Mamdani MM, et al; Canadian Drug Safety and Effectiveness Research Net-work (CDSERN). Long-term outcomes following self-poisoning in adolescents: a population-based cohort study. Lancet Psych 2015; 2: 532-9.
  2. Finkelstein Y, Macdonald EM, Hollands S, Sivilotti ML, Hutson JR, Mamdani MM, et al; Canadian Drug Safety and Effectiveness Research Net-work (CDSERN). Risk of Suicide Following Deliberate Self-poisoning. J Am Med Assoc Psych 2015; 72: 570-5.
  3. Richmond JS, Berlin JS, Fishkind AB, Holloman GH, Zeller SL, Wilson MP, et al. Verbal de-escalation of the agitated patient: consensus state-ment of the American association for emergency psychiatry project BÈTA de-escalation workgroup. West J Emerg Med 2012; 8: 17-25.
  4. Suominen K, Isometsä E, Suokas J, Haukka J, Achte K, Lönnqvist J. Completed suicide after a suicide attempt: a 37-year follow-up study. Am J Psych 2004; 161: 562-3.

Overwegingen

Communicatie/bejegening

Neutrale en waardevrije bejegening naar de patiënt bevordert medewerking aan de geïndiceerde behandeling. Voor patiënten is het belangrijk dat zorgverleners oordeelvrij zijn in de communicatie. Nog te vaak ervaart men dat de zorgverleners (bewust of onbewust) kleinerende uitspraken doen. De fenomenen overdracht en tegenoverdracht kunnen hier een rol in spelen, bijvoorbeeld gevoelens van afkeer en boosheid. Zorg ervoor dat de patiënt en familie/naasten daadwerkelijk onderdeel uitmaken van het gesprek. Dit bevordert het wederzijdse begrip.

Daarnaast geven patiënten aan dat het voor hen belangrijk is om duidelijkheid te krijgen. Wat is de stand van zaken, wat moet er nog gebeuren en wat is er al gebeurd in de behandeling? Momenteel lijkt hier weinig tijd voor te zijn, terwijl duidelijkheid bij kan dragen aan rust en begrip bij de patiënt, wat de medewerking voor (verdere) behandeling vergroot.

Bij belangrijke informatie helpt het de patiënt om dit op papier te hebben. Als gevolg van de (auto-)intoxicatie, en alles daaromheen, zijn patiënten minder goed in staat alle informatie te onthouden. Daarnaast hoeft de patiënt dan niet herhaaldelijk dezelfde vragen te stellen aan de zorgverleners. De patiënt kan zich bezwaard voelen om dit te moeten doen. Betrek ook de familie of naasten bij deze informatievoorziening.

Om adequate omgang met de patiënt te bewerkstelligen is herhaalde training door deskundigen vanuit de ziekenhuispsychiatrie hier aangewezen. Het betrekken van ervaringsdeskundigen bij een training kan veel inzicht bieden. Een dergelijke scholing kan ook intern georganiseerd worden, bijvoorbeeld door middel van intervisie.

 

De-escalatietechnieken

De-escalatietechnieken zijn gedragsmatige interventies die gericht zijn op onder andere het contact maken met de patient, creeren van een werkrelatie en voorkomen van confrontatie. Enkele voorbeelden van dergelijke technieken zijn: [Richmond, 2012]

  1. Respecteer de persoonlijke ruimte van de patiënt;
  2. Voorkom lichaamstaal die als bedreigend kan worden ervaren door een persoon die verward of angstig is:
    1. Ga niet direct voor de patiënt staan;
    2. Laat zien dat je de patiënt geen kwaad wil doen (handen in het zicht, niet gesloten, geen gesloten lichaamshouding bijvoorbeeld gevouwen armen);
    3. maak geen starend oogcontact).
  3. Probeer verbaal contact te maken:
    1. Laat één persoon per keer met de patiënt praten;
    2. Introduceer jezelf en verschaf oriëntatie in tijd, plaats en persoon;
    3. Geef voldoende uitleg over de huidige situatie, het doel van het gesprek en welke (somatiche) onderzoeken moeten worden uitgevoerd en waarom;
    4. Spreek duidelijk en in een rustig tempo;
    5. Luister goed naar wat de patiënt zegt en probeer het te begrijpen, parafraseer nadrukkelijk om na te gaan dat je begrijpt wat de patient bedoelt;
    6. Wees empathisch en respectvol maar resoluut met betrekking tot grenzen en veiligheid van de patiënt en hulpverleners;
    7. Ga na of er sprake is van onduidelijkheid, onjuiste overtuigingen (bijvoorbeeld een verwarde patiënt die denkt vermoord te zullen worden op de SEH) en stel diensovereenkomstig voldoende gerust.
  4. Wees duidelijk en beknopt in de communicatie:
    1. Houd rekening met het opleidingsniveau en/of sociale achtergrond;
    2. Gebruik geen complexe formuleringen of medisch jargon;
    3. Herhaal zonodig.
  5. Zoek iets in het gesprek waarover je het eens kan zijn met de patiënt (bijvoorbeeld dat een ziekenhuisopname erg vervelend maar soms nodig is);
  6. Vergeet niet dat patiënten na een onsuccesvolle zelfmoordpoging zich diep kunnen schamen en spijt kunnen hebben van de poging;
  7. Vertel de patiënt duidelijk welk gedrag of omgangsvormen acceptabel zijn en wat niet en spreek de patiënt aan op gevaarlijk of ongepast gedrag;
  8. Betrek de patiënt zoveel mogelijk bij diagnostiche en behandelingsinterventies:
    1. Houdt rekening met angst of cognitieve stoornissen die dit kunnen bemoeilijken;
    2. Geef de patiënt een behandelingskeuze (bijvoorbeeld medicatie p.o. of i.m.) en biedt perspectief voor zover de patiënt in staat is om dit te begrijpen.

 

Nazorg

Adequate nazorg dient een plek te hebben in de algehele behandeling van geïntoxiceerde patiënten. Deze nazorg bestaat uit verschillende onderdelen. Vanuit patiëntenperspectief worden met name knelpunten ervaren op het gebied van kennis van intoxicatie bij andere zorgverleners en informatie bij ontslag.

Auto-intoxicaties kunnen het gevolg zijn van (eenmalig) experimenteren met drugs, overdosering of polydrugsgebruik bij een stoornis in het gebruik van middelen of middelenafhankelijkheid en suïcidaal gedrag of oordeelsstoornissen bij een (al dan niet gediagnosticeerde) psychiatrische stoornis. Vóór ontslag uit het ziekenhuis dient daarom in ieder geval adequate en op de individuele situatie van de patiënt gerichte nazorg te worden georganiseerd in overleg met de huisarts, verslavingszorg of de geestelijke gezondheidszorg. Wanneer er sprake is van een (verdenking op een) psychiatrische stoornis, dient een (consultatief) psychiater te worden betrokken bij het organiseren van nazorg. Dit geldt met name bij patiënten die worden opgenomen in verband met een intoxicatie als gevolg van een poging tot zelfdoding: een tentamen suicidii (TS) is een sterke voorspeller voor life-time zelfdoding en daarmee vroegtijdig overlijden. [Finkelstein, 2015(a,b); Suominen, 2004] Bij suïcidaal gedrag dient bovendien het systeem (partner, familie, kennissen) van de patiënt voor zover mogelijk te worden betrokken bij het vervolgbeleid.

 

Kennis van intoxicatie bij andere zorgverleners

In sommige gevallen is het noodzakelijk dat een patiënt na (auto-)intoxicatie voor verdere observatie langer in het ziekenhuis verblijft. Patiënten worden daarvoor overgebracht naar een andere afdeling. Patiënten ervaren dat zorgverleners op andere afdelingen niet altijd goed op de hoogte zijn van de zorg die benodigd is bij een geïntoxiceerde patiënt, of onvoldoende kennis hebben van de mogelijke bijwerkingen na een (auto-) intoxicatie. Dit kan leiden tot inadequate zorgverlening. Tijdens opname dient daarom een (consultief) psychiater of consultief psychiatrisch verpleegkundige te worden betrokken teneinde adequate informatie te verschaffen over de oorzaken en gevolgen van intoxicaties, bejegening van de patiënt tijdens opname en het formuleren van beleid wat betreft veiligheid van de patiënt tijdens opname.

Zorg voor een volledige en tijdige overdracht zodat de betrokken zorgverleners na een overgang van de patiënt de juiste zorg kunnen verlenen. Besteed hierbij extra aandacht aan belangrijke aandachtspunten rondom (auto-)intoxicatie.

 

Informatie bij ontslag

Patiënten krijgen niet tot nauwelijks informatie mee naar huis bij ontslag. Hierdoor kan het voorkomen dat patiënten onvoldoende weten waar zij op moeten letten en wat zij beter wel en niet kunnen doen. Een aantal punten is van belang om te bespreken en om op papier mee te geven bij ontslag:

  • Wat kan men verwachten met betrekking tot klachten als gevolg van de (auto-)intoxicatie.
  • Met welke leefregels moet de patiënt rekening houden, bijvoorbeeld rondom voeding of medicatiegebruik.
  • Waar kan de patiënt terecht voor eventuele vragen of bij het ontstaan en/of terugkeren van klachten.
  • Vervolgafspraken bij de huisarts, verslavingszorg of geestelijke gezondheidszorg.

Betrek waar mogelijk familie/naasten van de patiënt.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 18-12-2017

Laatst geautoriseerd : 18-12-2017

Jaarlijks wordt door de commissie richtlijnen van de Nederlandse Internisten Vereniging bepaald of actualisatie van de richtlijn nodig is. Indien actualisatie gewenst is, spant de Nederlandse Internisten Vereniging zich om de hiervoor noodzakelijke voorwaarden (bijvoorbeeld financiering, samenstelling werkgroep) te realiseren. Nieuwe of nog niet behandelde knelpunten kunnen aanleiding zijn tot actualisatie van de richtlijn.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Internisten Vereniging

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Patiëntenfederatie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS) en ondersteund door het bureau van de Nederlandse Internisten Vereniging en PROVA.

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van deze richtlijn is de kwaliteit van zorg en patiëntveiligheid van patiënten met een acute intoxicatie te waarborgen en waar mogelijk te verbeteren. In deze richtlijn worden aanbevelingen geformuleerd die professionals in de zorg hiertoe de handvaten geven.

 

Doelgroep

De doelgroep van deze richtlijn zijn professionals die zich bezig houden met de opvang van patiënten, na een acute intoxicatie, in het ziekenhuis. Hieronder worden in ieder geval verstaan: spoedeisende hulp artsen, internisten (inclusief subspecialisaties zoals internisten acute geneeskunde en intensivisten op de intensive care), anesthesiologen, cardiologen, psychiaters en ziekenhuisapothekers. Maar, ook anderen kunnen deze richtlijn gebruiken.

Samenstelling werkgroep

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is een werkgroep geformeerd, onder voorzitterschap van dr. Kees Kramers, internist-klinisch farmacoloog. In de werkgroep hadden gemandateerde vertegenwoordigers van de belangrijkste beroepsverenigingen die te maken hebben met de opvang van patiënten met een acute intoxicatie zitting. Ook was een vertegenwoordiger van het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum lid van de werkgroep. Om het patiëntenperspectief in de werkgroep te waarborgen, is de werkgroep aangevuld met een beleidsadviseur werkzaam bij Patiëntenfederatie Nederland. Tijdens de commentaarronde is een vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie aan de werkgroep toegevoegd en is commentaar van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie toegevoegd. De werkgroep werd procedureel en methodologisch ondersteund door PROVA en logistiek door het bureau van de Nederlandse Internisten Vereniging. De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd vanuit een projectbudget door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten.

  • Dhr. dr. C. Kramers, internist - klinisch farmacoloog, Radboud Universitair Medisch Centrum, Nijmegen, namens de Nederlandse Internisten Vereniging, voorzitter
  • Mw. drs. M.K. Tuut, epidemioloog, PROVA, Varsseveld, secretaris
  • Dhr dr. H.J. van Leeuwen, Internist-intensivist, Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem, namens de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Dhr. drs. D. Dekker, internist acute geneeskunde – klinisch farmacoloog, Universitair Medisch Centrum, Utrecht, namens de DAM, beroepsvereniging van internisten acute geneeskunde
  • Mw. drs. G.D. van Dijken, SEH-arts KNMG, St. Antonius Ziekenhuis, Nieuwegein, namens de Nederlandse Vereniging voor Spoedeisende Hulp Artsen
  • Dhr. drs. J. Benedictus, Patiëntenfederatie Nederland, Utrecht, namens Patiëntenfederatie Nederland
  • Dhr. dr. D. W. de Lange, intensivist - toxicoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht, namens het Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum (NVIC) van het UMC Utrecht
  • Dhr. drs. S.J.C. ten Napel, SEH-arts KNMG, Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem, namens de Nederlande Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Dhr. dr. R.E.J.H. Sentjens, cardioloog - intensivist, Flevo Ziekenhuis, Almere, namens de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Dhr. dr. F. Jansman, ziekenhuisapotheker - klinisch farmacoloog, Deventer Ziekenhuis, Deventer, en Universiteit Groningen, namens de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers
  • Dhr. dr. G.E. Jacobs, psychiater - klinisch farmacoloog, Vrije Universiteit Medisch Centrum, Amsterdam en Centre for Human Drug Research, Leiden, namens de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Mw. dr. I.R.A.M. Mertens zur Borg, anesthesioloog, MMT arts, defensie arts, Erasmus Medisch Centrum Rotterdam, namens de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, sinds december 2016

Met medewerking van

  • Lieve Knarren
  • Marjolein Kremers
  • Peter Wierenga
  • Marjon Verschueren
  • Paul Brussee
  • Ylonne Sensen

Meelezers

  • Prof. dr. D.J. Touw
  • Mw. drs. M.E.C. Leenders

Belangenverklaringen

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatiemanagement

Extern gefinancierd onderzoek

Kennisvalorisatie

Overige belangen

Douwe Dekker

Internist acute geneeskunde - klinisch farmacoloog

geen

geen

geen

Aanspreekpunt voor toxicologische onderwerpen binnen Dutch Acute Medicine (DAM, beroepsvereniging voor acute interne geneeskunde)

Diabetes Fonds; 2007-2010, AGIKO salaris

Registratie patent voor gebruik van atazanavir als bilirubineverhogend geneesmiddel met anti-inflammatoire, anti-oxidante effecten, publicatie 31-03-2011

geen

Dylan de Lange

Internist-intensivist, UMC Utrecht

Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum, UMC Utrecht

Geen conflicterende belangen

Geen conflicterende belangen

Geen (conflicterende) belangen

Geen (conflicterende) belangen

Geen (conflicterende) belangen

Geen (conflicterende) belangen

Frank Jansman

Ziekenhuisapotheker

Docent en onderzoeker Afdeling Farmacotherapie, Epidemiologi en Economie, Universiteit Groningen; lid METC Isala Zwolle; lid METC Stichting Bebo Assen

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Gabriel Jacobs

Psychiater - klinisch farmacoloog, VU Medisch Centrum, 0,6 FTE

Klinisch onderzoeker, Centre for Human Drug Research, 0,4 FTE

geen

geen

geen

Gesponsord geneesmiddelenonderzoek, 2013 - heden, Stichting Centre for Human Drug Research, salaris

geen

geen

Henk van Leeuwen

Internist-intensivist

 

 

 

 

 

 

 

Ingrid Mertens zur Borg

Anesthesioloog, MMT-arts, defensie anesthesioloog

Forensisch arts in opleiding

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Jan Benedictus

Beleidsmedewerker Patiëntenfederatie NPCF

geen

geen

n.v.t.

geen

geen

n.v.t.

geen

Kees Kramers

Internist-klinisch farmacoloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Mariska Tuut

Eigenaar PROVA (advies-bureau evidence-based richtlijnontwikkeling)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Roel Sentjens

 

 

-

-

-

-

-

-

Sieuwert Jan ten Napel

SEH-arts KNMG

Opleider Spoedeisende Geneeskunde Rijnstate Ziekenhuis Arnhem

geen

geen

geen

geen

geen 

geen

Trudy van Dijken

SEH-arts KNMG St Antonius Ziekenhuis

 

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Inbreng patiëntenperspectief

De inbreng van het patiëntenperspectief werd gewaarborgd door de afvaardiging van een beleidsadviseur van Patiëntenfederatie Nederland in de richtlijnwerkgroep (zie ook de module 'Patiëntenperspectief en nazorg bij intoxicaties').

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Gedurende het hele proces van richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met implementatie van de richtlijn in de praktijk, bijvoorbeeld bij de samenstelling van de werkgroep, de brede knelpunteninventarisatie en de uitgebreide commentaarronde.

 

Na autorisatie van de richtlijn wordt deze ten minste op de website van de Nederlandse Internisten Vereniging gepubliceerd. Ook andere deelnemende partijen zijn vrij de richtlijn op hun website te publiceren. De richtlijn wordt ter publicatie aangeboden aan www.richtlijnendatabase.nl. Daarnaast wordt getracht samenvattingen van de richtlijn in Nederlandse tijdschriften te publiceren, om zo de implementatie van de richtlijn te bevorderen. De informatie uit deze richtlijn vormt de input voor de herziening van het Acute Boekje van de Nederlandse Internisten Vereniging.

Werkwijze

Knelpuntenanalyse

De richtlijnwerkgroep heeft in de eerste werkgroepvergadering knelpunten in de opvang van patiënten met een acute intoxicatie geïnventariseerd. Daarbij is uitgegaan van het ABCDE-systeem als ‘kapstok’, aangevuld met overige knelpunten. Deze knelpuntenlijst is ter commentaar en aanvulling in een schriftelijke ronde voorgelegd aan de volgende stakeholders:

  • Nationaal Vergiftigingen Informatie Centrum
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Intensive Care
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie
  • Nederlandse Vereniging van Medisch managers Ambulancezorg / Ambulancezorg Nederland
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
  • Event Medical Service
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen
  • Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra
  • Zorgverzekeraars Nederland
  • Nefarma
  • Inspectie voor de Gezondheidszorg
  • Zorginstituut Nederland
  • Nederlandse Zorgautoriteit
  • Toxicologie.org

De richtlijnwerkgroep heeft de input vanuit de knelpunteninventarisatie geanalyseerd en in de tweede werkgroepvergadering de knelpunten en uitgangsvragen vastgesteld.

 

Methode richtlijnontwikkeling

De knelpunten en uitgangsvragen zijn uitgewerkt door de verschillende werkgroepleden. Uit explorerend literatuuronderzoek bleek, en dit werd bevestigd door de inhoudelijke experts uit de richtlijnwerkgroep, dat er voor veel knelpunten geen goede evidence voorhanden zou zijn. Het uitvoeren van bewijzend klinisch onderzoek voor deze knelpunten zou in veel gevallen ook een onhaalbare kaart zijn, gezien de vele verstorende en onbekende variabelen die bij acute intoxicaties een rol kunnen spelen.

Derhalve heeft de werkgroep een beperkt aantal vragen aangewezen waarvoor uitgebreid en systematisch literatuuronderzoek heeft plaatsgevonden (verlaagde EMV-score en intubatie, naloxon of intubatie bij opiatenintoxicatie, gebruik flumazenil, behandeling hyperthermie). Bij de uitwerking van deze uitgangsvragen door de richtlijnmethodoloog is uitdrukkelijk aangegeven op welke wijze naar literatuur is gezocht en hoe dit is beoordeeld. Ook na het uitgebreide literatuuronderzoek bleek de beschikbare evidence mager en moest veelal op mechanistische argumenten en klinische redeneringen worden teruggevallen voor het formuleren van aanbevelingen in deze paragrafen. Vanwege de forse kans op vertekening van de resultaten van het literatuuronderzoek, zijn zowel de conclusies als de aanbevelingen niet gegradeerd. De werkgroep constateert dat de evidence over het algemeen van zeer lage kwaliteit is, wanneer gekeken wordt volgens de GRADE criteria (bijvoorbeeld vanwege risk of bias en indirecte studiepopulaties).

Ook bij knelpunten waarvan op voorhand werd verwacht dat er geen evidence zou zijn, en waarbij geen systematisch literatuuronderzoek is uitgevoerd, bleek behoefte aan richtinggevende aanbevelingen. Hierbij is gebruik gemaakt van diverse bronnen (bijvoorbeeld aanpalende evidence) en de mening van experts. Deze knelpunten zijn telkens voorbereid door één of enkele werkgroepleden, waarna door middel van discussie in de richtlijnwerkgroep consensus werd bereikt over het te voeren beleid. Enkele knelpunten zijn door experts van buiten de richtlijnwerkgroep voorbereid. Deze experts zijn genoemd bij de samenstelling van de werkgroep.

De richtlijnwerkgroep is 7 maal bijeen geweest, waarbij conceptteksten werden bediscussieerd en de conceptrichtlijn werd vastgesteld.

 

Procedure voor commentaar en autorisatie

De conceptrichtlijn is ter commentaar aangeboden aan alle NIV-leden en de (deelspecialistische) verenigingen die bij de ontwikkeling van de richtlijn betrokken zijn. Daarnaast is de conceptrichtlijn ter commentaar verstuurd aan alle partijen die bij de knelpunteninventarisatie om input gevraagd zijn, evenals aan de KNMG-afdeling juridische zaken. Het binnengekomen commentaar is door de werkgroep beoordeeld en verwerkt in de richtlijn. Tijdens de commentaarronde is de werkgroep uitgebreid met een gemandateerde vertegenwoordiger van de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie.

Daarna is de richtlijn ter autorisatie voorgelegd aan de partijen die in de werkgroep vertegenwoordigd zijn. De richtlijn is geautoriseerd door de Nederlandse Internisten Vereniging, de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen, de Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers, de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie, de Nederlandse Vereniging voor Intensive Care, de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie, en heeft tevens de goedkeuring van de Patiëntenfederatie Nederland.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op evidence en consensus gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

 

Referenties

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.