Transfusieproducten
Uitgangsvraag
- Hoe kan optimaal een transfusieproduct gevonden worden voor AIHA?
- Moet je uitgebreid compatibel transfunderen?
- Wat zijn de diagnostische uitdagingen en wat is de rol van genotypering van bloedgroepen bij een acute en ernstige AIHA?
- Moet er parvoB19 getest getransfundeerd worden?
Aanbeveling
De richtlijnwerkgroep ondersteunt de adviezen ten aanzien van preventief matchen en toediening van Parvo-B19 geteste bloedproducten bij patiënten met een auto-immuun hemolytische anemie uit de richtlijn bloedtransfusiebeleid (2020):
- Module Transfunderen voor erytrocytenbloedgroepantigenen van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid beschrijft transfunderen voor erytrocytenbloedgroep antigenen;
- Module Antistofscreening/-identificatie bij bloedtransfusiebeleid van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid beschrijft antistofscreening en identificatie;
- Module Indicatie voor Parvo-B19 veilige producten van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid beschrijft de indicatie voor Parvo-B19 geteste producten; waarbij van belang is dat dit criterium niet leidt tot het geven van minder compatibel bloed of vertraging van een noodzakelijke transfusie
Alloantistof identificatie in de aanwezigheid van auto autoantistoffen kan zeer gecompliceerd zijn, daarnaast is er tevens een verhoogd risico op aanwezigheid van alloantistoffen en een mogelijk verhoogd risico tot de novo vorming. Daarom:
- Onderzoek dient vroegtijdig ingezet te worden.
- Er dient laagdrempelig een gespecialiseerd laboratorium te worden geconsulteerd.
Overwegingen
Erytrocytenantigenen
Deze overwegingen zijn conform: Transfunderen voor erytrocytenbloedgroepantigenen - Richtlijn - Richtlijnendatabase en in lijn met de ervaringen van de werkgroepleden. Bij patiënten met AIHA ten gevolge van klinisch belangrijke antistoffen, met name de groep met warme autoantistoffen, is de kans op aanwezigheid van alloantistoffen relatief aanzienlijk (tot boven de 30%; (4)). Er zijn geen studies naar het effect van preventief matchen bij patiënten met AIHA. Het is aannemelijk dat matchen voor Rh en K-bloedgroepantigenen de vorming van alloantistoffen bij deze patiënten voorkomt. Er is geen reden om het advies uit de richtlijn van 2020 aan te passen.
Het kan voorkomen dat autoantistoffen met een bloedgroepantigeen specificiteit binnen het Rh bloedgroepsysteem tot sterk verkorte overleving van de erytrocyten van zowel de patiënt als van het donorbloed leiden. In dat geval kan afwijken van het preventief matchen advies (en indien mogelijk dus rekening houden met de specificiteit van de autoantistof) verstandig zijn om zo te beoordelen of dit tot een betere opbrengst van de transfusie leidt.
Naast het uittyperen voor de RhCcEe en K bloedgroepantigenen is het van belang potentieel transfusie-afhankelijke patiënten met AIHA voor de eerste transfusie ook uit te typeren voor de bloedgroepantigenen van het Duffy, Kidd en MNS-systeem (S en s antigenen, eventueel typeren voor het M antigeen). Indien uitsluiten/aantonen van alloantistoffen niet mogelijk is (bijvoorbeeld door de noodzaak sneller te transfunderen dan deze onderzoeken kunnen worden uitgevoerd, of indien het niet lukt volledig uit te sluiten) kan een preventief uitgebreid gematched transfusieproduct op basis van Kidd (Jk(a), Jk(b)), Duffy (Fy(a), Fy(b)) en M en S (op volgorde van belangrijkheid) de risico’s op vorming van alloantistoffen verlagen.
Britse richtlijn
Ook in deze richtlijn wordt geadviseerd minimaal te transfunderen met ABO, Rh en K gematchte erytrocyten, met de opmerking dat dit bij een levensbedreigende anemie belangrijker is dan uitstel tot volledige matching (2). Er worden geen specifieke adviezen over verder uitgebreid typeren of matchen gegeven. Ten dele wordt verwezen naar de Britse bloedtransfusie richtlijn, waarbij met name ook laagdrempelig wordt verwezen naar gespecialiseerde laboratoria, omdat er vaak individuele afwegingen nodig zijn, die niet in een eenduidig advies te vangen zijn.
Internationaal consensus artikel
In het consensusartikel wordt beschreven dat bij patiënten zonder voorgeschiedenis van transfusie of zwangerschap het risico op alloantistoffen verwaarloosbaar is en dat overwogen kan worden te volstaan met AB0- en RhD gematchted rode bloedcellen in spoedgevallen (3). In alle overige gevallen en indien geen spoed, wordt in dit artikel uitgebreide typering met C,c,E,e, Kell, Kid dan S/s aanbevolen, waarbij genotypering overwogen kan worden.
Diagnostische uitdagingen en genotypering
Deze overwegingen zijn conform: Antistofscreening/-identificatie bij bloedtransfusiebeleid - Richtlijn - Richtlijnendatabase (5). Hieronder een samenvatting van de meest belangrijke overwegingen.
Bij patiënten met klinisch belangrijke autoantistoffen kan het identificatie onderzoek (naar onderliggende alloantistoffen) zeer gecompliceerd zijn. De kans op aanwezigheid van alloantistoffen of allo-antistofvorming is bij patiënten met autoantistoffen relatief aanzienlijk (tot boven 30%) (4, 6). Daarom is het voor deze groep belangrijk dat de aanwezigheid van alloantistoffen (zo mogelijk) wordt uitgesloten (bijvoorbeeld met behulp van adsorptietechnieken) (4, 7). Deze technieken kunnen zeer tijdrovend zijn, wat het belang van tijdige diagnostiek en overleg met een gespecialiseerd laboratorium onderstreept.
De antigenen van het Rhesus-, Kell- Kidd en Ss-systeem en andere antigenen die met een directe methode kunnen worden vastgesteld, zijn bij patiënten met warme autoantistoffen, indien de persoon de laatste drie maanden niet is getransfundeerd, doorgaans serologisch met monoklonale IgM reagentia vast te stellen. Spontane agglutinatie van rode bloedcellen door IgG of IgM autoantistoffen kan interfereren met serologische antigeenfenotypering. Typering van het Duffy-antigeen is serologisch niet mogelijk. Voor alle antigenen die alleen met een indirecte methode kunnen worden vastgesteld en typering van personen die de laatste drie maanden zijn getransfundeerd bestaat de mogelijkheid op DNA-niveau te typeren.
Parvo-B19 geteste bloedproducten
Deze overwegingen zijn conform: Indicatie voor Parvo-B19 veilige producten - Richtlijn - Richtlijnendatabase.
Bij patiënten of auto-immuun hemolytische anemie kan het Parvovirus B19 een aplastische crisis tot gevolg hebben. Daarom wordt in actuele richtlijnen het advies gegeven B19-getest te transfunderen.
Daarbij zijn de werkgroepleden aanvullend van mening dat het Parvo-B19 criterium als eerste kan komen te vervallen, indien dit het geven van een maximaal antigeen compatibel bloedproduct bemoeilijkt.
Onderbouwing
Bloedtransfusie bij een auto-immuun hemolytische anemie (AIHA) kent specifieke uitdagingen en aandachtspunten. Van groot belang is dat pre-transfusie onderzoek sterk bemoeilijkt kan worden door aanwezigheid van auto-antistoffen, en het uitsluiten van irregulaire allo-antistoffen tijdrovend en soms niet volledig mogelijk kan zijn. Er wordt in beperkte literatuur een suggestie gedaan dat patiënten met AIHA een verhoogd risico hebben op ontwikkeling van allo-antistoffen (1). Bij een zeer klein deel van de patiënten kan hyperhemolyse optreden (Hb na transfusie lager dan voorheen). Echter, deze risico’s zijn beperkt en zouden geen reden zijn om een patiënt een klinisch noodzakelijke transfusie te onthouden. Wat een klinisch noodzakelijke transfusie is, is niet eenduidig te definiëren, er is altijd een individuele afweging van voordelen en risico’s.
Om deze uitgangsvragen te beantwoorden wordt grotendeels verwezen naar de richtlijn Bloedtransfusiebeleid uit 2020 (Bloedtransfusiebeleid). In die richtlijn komt in een aantal hoofdstukken de aanwezigheid van auto-antistoffen aan bod:
- Module Transfunderen voor erytrocytenbloedgroepantigenen van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid beschrijft transfunderen voor erytrocytenbloedgroep antigenen;
- Module Antistofscreening/-identificatie bij bloedtransfusiebeleid van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid beschrijft antistofscreening en identificatie;
- Module Indicatie voor Parvo-B19 veilige producten van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid beschrijft de indicatie voor Parvo-B19 geteste producten;
De aanbevelingen voor de onderhavige richtlijn zijn getoetst aan de bestaande Britse Richtlijn en een internationaal consensusartikel (2, 3). De werkgroep heeft op basis van deze richtlijnen en artikelen, lokale expertise vanuit de Nederlandse situatie en consensus binnen de werkgroep de aanbevelingen uit de bestaande Nederlandse richtlijn Bloedtransfusiebeleid overgenomen ten aanzien van parvoB19, getest transfunderen en erytrocyten bloedgroepantigenen. Van belang zijn de overwegingen ten aanzien van moeizame diagnostiek en genotypering: de zeer beperkte literatuur over dit onderwerp is voor zover relevant samengevat in de overwegingen.
De richtlijnwerkgroep merkt op dat een herziening van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid uit 2020 gepland is. Een aantal van de richtlijnwerkgroepleden van de richtlijn AIHA maakt ook deel uit van de richtlijnwerkgroep voor de herziening van de richtlijn Bloedtransfusiebeleid. De richtlijnwerkgroep acht het belangrijk om de aanbevelingen van deze module opnieuw tegen het licht te houden bij publicatie van de herziene richtlijn Bloedtransfusiebeleid.
- 1. Petz LD. A physician's guide to transfusion in autoimmune haemolytic anaemia. Br J Haematol. 2004;124(6):712-6.
- 2. Hill QA, Stamps R, Massey E, Grainger JD, Provan D, Hill A. The diagnosis and management of primary autoimmune haemolytic anaemia. Br J Haematol. 2017;176(3):395-411.
- 3. Jäger U, Barcellini W, Broome CM, Gertz MA, Hill A, Hill QA, et al. Diagnosis and treatment of autoimmune hemolytic anemia in adults: Recommendations from the First International Consensus Meeting. Blood Rev. 2020;41:100648.
- 4. Engelfriet CP, Reesink HW, Garratty G, Knight R, de Silva M, Contreras M, et al. The detection of alloantibodies against red cells in patients with warm-type autoimmune haemolytic anaemia. Vox Sang. 2000;78(3):200-7.
- 6. Ahrens N, Pruss A, Kähne A, Kiesewetter H, Salama A. Coexistence of autoantibodies and alloantibodies to red blood cells due to blood transfusion. Transfusion. 2007;47(5):813-6.
- 7. Leger RM, Garratty G. Evaluation of methods for detecting alloantibodies underlying warm autoantibodies. Transfusion. 1999;39(1):11-6.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 17-06-2026
Beoordeeld op geldigheid : 17-06-2026
Herziening
De aan deze praktijkrichtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers ervan delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied. Deze ontwikkelingen kunnen aanleiding zijn om (delen van) de richtlijn te herzien. Uiterlijk in 2031 bepaalt de Nederlandse Internisten Vereniging of deze richtlijn nog actueel is. Als nieuwe ontwikkelingen daartoe aanleiding geven, zal dit eerder gebeuren. Als de richtlijn geheel of gedeeltelijk moet worden herzien, wordt daarvoor een herzieningstraject gestart, met het instellen van een nieuwe richtlijnwerkgroep.
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence' gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.
Algemene gegevens
Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd vanuit een toegekende projectsubsidie vanuit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). SKMS heeft geen invloed gehad op de inhoud van deze richtlijn.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2022 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de diagnostiek en behandeling van patiënten met auto-immuun hemolytische anemie.
De richtlijnwerkgroep bestond uit de volgende personen:
- Dr. S.J. Bernelot Moens, internist-hematoloog, Amsterdam UMC, namens de Nederlandse Internisten Vereniging (voorzitter)
- Dr. J.M.I. Vos, internist-hematoloog, Amsterdam UMC, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- Dr. I Bultink, reumatoloog, Amsterdam UMC, namens de Nederlandse vereniging voor Reumatologie
- Dr. H.A.M. Kooistra, hematoloog, UMCG, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- M. Jalink, hematoloog/transfusie specialist, LUMC, namens de Nederlandse Internisten Vereniging en de Nederlandse Vereniging voor Bloedtransfusie
- Dr. L. van Vulpen, hematoloog, UMCU, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- Dr. P. te Boekhorst, hematoloog/transfusie specialist, LUMC, namens de Nederlandse Internisten Vereniging en de Nederlandse Vereniging voor Bloedtransfusie
- Dr. D.E. Evers, hematoloog, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- Dr. H. Russcher, klinisch chemicus, Erasmus MC, namens de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
- Dr. E. Wenstedt, klinisch chemicus in opleiding, Erasmus MC, namens de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
- Dr. C. Folman, klinisch chemicus, Sanquin, namens de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
- Dr. E. Huijssen-huisman, kinderarts, Erasmus MC, namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
- Dr. C. van der Torren, kinderarts, Amsterdam UMC, namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
- Dr. E. Rettenbacher, kinderarts, Amsterdam UMC, namens de Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
De uitwerking van de uitgangsvragen m.b.v. systematisch literatuuronderzoek en aanvullende overwegingen in conceptteksten voor de richtlijn is voorbereid door SBM. Alle conceptteksten zijn meerdere malen besproken in vergaderingen van de subwerkgroepen (diagnostiek, behandeling, bloedtransfusie, kinderen) en de richtlijnwerkgroep en in concept vastgesteld. Methodologisch advies werd gegeven door onafhankelijk richtlijnmethodoloog dr. M.K. Tuut (PROVA). Alle werkgroepleden zijn verantwoordelijk en stemmen in met de volledige tekst van deze richtlijn.
Voor de commentaarfase is de conceptrichtlijn voorgelegd aan een klankbordgroep, bestaande uit de volgende personen:
- Dr. E. Beckers, hematoloog, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- Dr. V.M.J. Novotny, namens de Nederlandse Vereniging voor Bloedtransfusie
- Mw. M. Nillesen, hematoloog, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- Dr. M. Hoeks, hematoloog, namens de Nederlandse Internisten Vereniging
- Dr. C.L. de Groot-Eckhardt, kinderarts, UMCU, namens de Nederlandse Vereniging voor kindergeneeskunde
- Dr A. van der Veer, kinderarts, MUMC, namens de Nederlandse Vereniging voor kindergeneeskunde
- Dr. A. Albersen, klinisch chemicus, LUMC, namens de Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
- Mw. R. Verstappen, namens de Stichting Zeldzame Bloedziekten
- Mw. D.L. Havinga, namens de Stichting Zeldzame Bloedziekten
- Mw. H. Klaseboer, namens de Stichting Zeldzame Bloedziekten
Belangenverklaringen
Alle richtlijnwerkgroepleden hebben een KNAW-belangenverklaring ingevuld. Hierbij is geen belemmering voor participatie in de richtlijnwerkgroep geconstateerd. Een overzicht v.d. ingevulde belangenverklaringen is opgenomen in de belangentabel.
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenfuncties |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Acties naar aanleiding van belangen |
|
S.J.Bernelot Moens |
Internist-Hematoloog, Amsterdam UMC |
Voorzitter AIHA richtlijn commissie, onbetaald Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald Sprekersvergoedingen van Janssen, Sanofi, AOP Health en BeOne. Uitbetaald aan Amsterdam UMC en niet persoonlijk ontvangen |
Geen |
Geen |
2025 LSBR early career grant voor onderzoek naar B cel signalling in AIHA Als centrum deelname aan diverse farmaceutische studies naar wAIHA en kAIHA |
Amsterdam UMC AIHA expertise centrum |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
A.A. Albersen |
Klinisch chemicus, LUMC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
E.A.M. Beckers |
Internist-Hematoloog, MUMC |
Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald Lid Landelijke GebruikersRaad Sanquin, onbetaald Lid NIV sectie bloedtransfusie, onbetaald Lid NIV sectie Hematologie, onbetaald Voorzitter Medische Advies Raad Sanquin, betaald Voorzitter Ethische Advies Raad Sanquin. Betaald Lid van de ZonMW commissiepoule Goed Gebruik Geneesmiddelen, betaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
P. te Boekhorst |
Internist-Hematoloog/Transfusiespecialist, Erasmus MC |
Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald Voorzitter Stichting TRIP (Transfusie Reacties in Patienten), onbetaald Voorzitter HOVON werkgroep, onbetaald Deelname advies raad SanofI (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
I. Bultink |
Reumatoloog, Amsterdam UMC |
Lid medisch actienetwerk Amnesty International; onbetaald vrijwilligerswerk. |
Deelname aan adviesraad op verzoek van AstraZeneca dd. 6-7-2023 met betrekking tot de plaatsbepaling van anifrolumab in de behandeling van patiënten met systemische lupus erythematosus (SLE). Dit heeft geen plaats in de behandeling van AIHA |
Geen |
1. Onderzoeksproject: "Onderzoek naar de oorzaak van zwangerschapscomplicaties bij vrouwen met systemische lupus erythematosus (SLE)". Subsidie: toegekend in 2023 door NVLE Fonds, Utrecht, Nederland (Main applicant). 2. Onderzoeksproject: "Designing an in vitro placenta model to study maternal-fetal tolerance in SLE patients". Subsidie: Amsterdam Reproduction & Development Open Research Grant 2021, toegekend in 2021 door onderzoeksinstituut Amsterdam Reproduction & Development, Amsterdam UMC, Amsterdam (Co-applicant). 3. Onderzoeksproject: "Failing maternal-fetal tolerance in SLE: finding the molecular mechanisms behind pregnancy complications". Subsidie: FOREUM Career Research Grant, toegekend in 2021 door FOREUM Foundation for Research in Rheumatology, Kilchberg, Zwitserland (Co-applicant). 4. Onderzoeksproject: "Fundamental mechanisms behind failing maternal-fetal tolerance in SLE pregnancy". Subsidie: Amsterdam UMC Postdoc Career Bridging Grant 2021, toegekend door Amsterdam UMC, Amsterdam (Co-applicant). |
Boegbeeldfunctie bij een patiëntenorganisatie: 1. Vice-voorzitter Medische Advies Raad van de Nationale Vereniging LE patiënten (NVLE). 2. Medisch adviseur Reumapatiëntenvereniging Amstelland en omstreken |
geen |
Geen (niet relevant) |
|
C.L. Eckhardt |
Kinderhematoloog, UMCU |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
D.E. Evers |
Internist-Hematoloog en transfusiespecialist, Radboud UMC |
Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald
|
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
C. Folman |
Senior klinisch laboratorium specialist, Sanquin Diagostiek BV |
Docent Hogeschool Arnhem Nijmegen (betaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
M. Hoeks |
Internist-Hematoloog/transfusiespecialist, Radboud UMC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
E. Huisman |
Kinderhematoloog, Erasmus MC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
M. Jalink |
Internist-Hematoloog/Transufisiespecialist in opleiding, LUMC |
Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald
|
Geen |
Geen |
Geen |
LUMC, AIHA expertise centrum |
|
Geen (niet relevant) |
|
H. Klaseboer |
Patiënt vertegenwoordiger, Lid van de klankbordgroep AIHA |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
H.A.M. Kooistra |
Internist-Hematoloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Deelname als lokale PI aan de HOVON 169 (onderzoek naar zanubrutinib bij kAIHA), hiervan zijn de uitkomsten niet opgenomen in de richtlijn omdat deze nog niet bekend zijn. |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
M. Nillesen |
Internist-Hematoloog |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
V.M.J. Novotny |
Internist-Hematoloog/transfusie specialist Parttime werkzaam als internist-hematoloog bij een prive Kliniek (Balans-Bilance als eigenaar) voor 10 uur per week |
Lid expertise-groep leefstijl en kanker, onbetaald. Gastdocent AIM, betaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
E. Rettenbacher |
Kinderhematoloog, Emma kinderziekenhuis, Amsterdam UMC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
H. Russcher |
Klinisch chemicus, Erasmus MC |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
C.R. van der Torren |
Kinderarts en fellow kinderhematologie, Amsterdam UMC (0.4 FTE) Transfusiespecialist in opleiding, Sanquin Bloedbank (0.4 FTE) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
M. Tuut |
Zelfstandig richtlijnmethodoloog/epidemioloog - PROVA, Varsseveld (fulltime) |
- Buitenpromovenda - Care and Public Health Institute, Maastricht University (Rational diagnostic testing - how to increase awareness of uncertainty - onbetaald - Lid ZonMw programmacommissies Richtlijnen Jeugdgezondheidszorg, Beter Thuis en Verbetering kwaliteit Poortwachtersproces - vacatiegelden - Lid organisatiecomité GENEVER (netwerkorganisatie van richtlijnontwikkelaars) - onbetaald - Lid stuurgroep en commissies Richtlijnennetwerk Nederland - onbetaald - Lid GRADE Working Group en Dutch GRADE Network - onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
A. van der Veer |
Kinderarts – kinderhematoloog, Mosakids kinderziekenhuis, MUMC+, Maastricht |
geen |
geen |
geen |
geen |
geen |
geen |
Geen (niet relevant) |
|
R. Verstappen |
Patiënt vertegenwoordiger, Lid van de klankbordgroep AIHA |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen (niet relevant) |
|
J.M.I. Vos |
Internist-Hematoloog, Amsterdam UMC |
- Voorzitter landelijke werkgroep AIHA - Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald - Sprekersvergoedingen van Janssen, Sanofi, Beigene, Abbviee/Genmab, Uitbetaald aan Amsterdam UMC en niet persoonlijk ontvangen - Deelname wetenschappelijke adviesraad Sanofi, Jansen. Uitbetaald aan Amsterdam UMC en niet persoonlijk ontvangen |
geen |
geen |
Diverse onderzoeksbeurzen van LSBR en EHA voor pathofysiologisch onderzoek naar AIHA Als centrum deelname aan diverse farmaceutische studies naar wAIHA en kAIHA PI en Initiatief nemer van de HOVON 169 (onderzoek naar zanubrutinib bij kAIHA), hiervan zijn de uitkomsten niet opgenomen in de richtlijn omdat deze nog niet bekend zijn. |
Amsterdam UMC AIHA expertise centrum |
geen |
Geen (niet relevant) |
|
L. van Vulpen |
Internist-Hematoloog |
Vice-voorzitter hoofdredactieraad NTvH, onbetaald Secretaris NVHB, onbetaald Lid ODAP-indicatiecommissie sutimlimab, onbetaald |
geen |
geen |
geen |
geen |
geen |
Geen (niet relevant) |
|
E. Wenstedt |
Klinisch chemicus in opleiding, Erasmus MC |
geen |
geen |
geen |
geen |
geen |
geen |
Geen (niet relevant) |
Inbreng patiëntenperspectief
Het patiëntenperspectief in deze richtlijn is gewaarborgd door deelname van vertegenwoordigers van de Stichting Zeldzame Bloedziekten – AIHA Contactgroep aan de richtlijnwerkgroep. Bijvoorbeeld bij het vaststellen van relevante uitkomstmaten en het formuleren van de aanbevelingen zijn telkens expliciet de waarden en voorkeuren van patiënten meegenomen. Ook hebben ten aanzien van de geformuleerde aanbevelingen separate overleggen met de patiëntvertegenwoordigers plaatsgevonden.
Een samenvatting voor patiënten is opgenomen in bijlage Informatie voor patiënten
Implementatie
De ontwikkeling van een nieuwe richtlijn is niet los te zien van de invoering ervan. Bij alle fasen van de ontwikkeling van de richtlijn wordt daarom rekening gehouden met de implementatie. Zo is bij het vaststellen van de knelpunten gekeken naar knelpunten uit de praktijk, waarvan het veld graag wil dat ze opgelost worden. Ook bij het formuleren van aanbevelingen wordt rekening gehouden met de implementeerbaarheid daarvan. In het implementatieplan, behorend bij de richtlijn, worden belemmerende en bevorderende factoren voor invoering van de richtlijn besproken.
Werkwijze
De ontwikkeling van deze richtlijn is uitgevoerd volgens de criteria die zijn beschreven in het AGREE-II instrument en het document Richtlijnen 2.0 (1, 2). Daarbij is waar relevant gewerkt volgens de GRADE methodiek, waarbij gebruik is gemaakt van GRADEpro voor het opstellen van de GRADE evidence profielen (3, 4).
Knelpuntenanalyse
Aan de hand van voor de financieringsaanvraag van deze richtlijn opgestelde knelpunten is in de eerste vergadering van de richtlijnwerkgroep gediscussieerd over knelpunten die in de richtlijn aan de orde zouden moeten komen. Gezien dit een nieuwe richtlijn betreft zijn de knelpunten globaal benoemd en worden deze verder gespecificeerd in de uitgangsvragen.
De door de richtlijnwerkgroep vastgestelde globale knelpunten zijn:
- Hoe en waar doen we diagnostiek?
- Hoe behandelen we (en waar behandelen we)?
- Wanneer en hoe geven we transfusies?
- Hoe is de zorg voor AIHA patiënten in Nederland georganiseerd?
Uitgangsvragen
Op basis van de knelpuntenanalyse is een veelheid aan uitgangsvragen opgesteld en door de richtlijnwerkgroep besproken en geaccordeerd. Bij de uitwerking van de uitgangsvragen zijn verschillende subuitgangsvragen/zoekvragen uitgewerkt, zie daarvoor de inhoudelijke hoofdstukken van deze richtlijn.
Literatuuronderzoek
Deze richtlijn beschrijft alle aspecten die horen bij AIHA: diagnostiek, medicamenteuze behandeling, ondersteunende behandeling, aandachtspunten bij bijzondere groepen, bloedtransfusie en organisatie van zorg. Dit zijn onderwerpen waarbij er zeer wisselende beschikbaarheid van bewijs is, maar in het algemeen is er weinig gericht of goed vergelijkend onderzoek verricht naar diagnostiek en behandeling van AIHA. Voor een aantal deelvragen is systematisch onderzoek gedaan zoals beschreven, voor het merendeel van de aanbevelingen betreft de level of evidence laag tot zeer laag, en zijn deze gebaseerd op expert opinie en consensus binnen de werkgroep. Voor een deel van de vragen wordt verwezen naar relevante andere richtlijnen.
Waar gespecifieerd zijn PICO’s uitgewerkt binnen de richtlijnwerkgroep, waarna het literatuuronderzoek is uitgevoerd. Specificaties hiervan zijn beschreven in de betreffende hoofdstukken per uitgangsvraag. Over het algemeen is gezocht in PubMed, waarbij gezocht is naar combinaties van gecontroleerde trefwoorden en vrije tekst. Daarnaast is de literatuurselectie uitgevoerd met tevoren vastgestelde selectiecriteria in twee stappen: eerst op basis van titel en abstract en daarna op basis van de volledige tekst. De geïncludeerde artikelen zijn beoordeeld op kwaliteit en inhoud en samengevat in tabellen met studiekarakteristieken en beschreven in de tekst van de hoofdstukken. De kracht van het wetenschappelijke bewijs is beoordeeld volgens de GRADE methodiek (3, 4). GRADE evidence profielen, gemaakt met de guidelinedevelopment tool per uitgangsvraag zijn weergegeven (zie de betreffende hoofdstukken). Op basis van de evidence zijn conclusies geformuleerd, voorzien van een gradering volgens de GRADE methodiek. De betekenis van deze gradering is als volgt:
|
GRADE |
Symbool |
Definitie |
|
Hoog |
⊕⊕⊕⊕ |
Het werkelijke effect ligt dicht in de buurt van de schatting van het effect. |
|
Redelijk |
⊕⊕⊕O |
Het werkelijke effect ligt waarschijnlijk dicht bij de schatting van het effect, maar er is een mogelijkheid dat het hier substantieel van afwijkt. |
|
Laag |
⊕⊕OO |
Het werkelijke effect kan substantieel verschillend zijn van de schatting van het effect. |
|
Zeer laag |
⊕OOO |
Er is veel onzekerheid over het werkelijke effect. |
Van evidence naar aanbevelingen
In de klinische besluitvorming zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijk bewijs ook andere aspecten van belang. Dit betreft onder meer waarden en voorkeuren van patiënten, kosten, balans tussen gewenste en ongewenste effecten van interventies en organisatorische aspecten (5, 6). Op basis van de evidence en de overige overwegingen zijn vervolgens door de richtlijnwerkgroep aanbevelingen geformuleerd.
Alle conceptteksten zijn meerdere malen besproken in vergaderingen van de richtlijnwerkgroep en in concept vastgesteld. Alle werkgroepleden zijn verantwoordelijk en stemmen in met de volledige tekst van deze richtlijn.
Commentaar- en autorisatiefase
In februari 2026 is de conceptrichtlijn ter commentaar voorgelegd aan de volgende partijen:
- Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd
- Nederlands Huisartsen Genootschap
- Nederlandse Associatie Physician Assistants
- Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra
- Nederlandse Internisten Vereniging
- Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
- Nederlandse Vereniging voor Bloedtransfusie
- Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
- Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie
- Nederlandse Vereniging voor Reumatologie
- Nederlandse Vereniging voor Ziekenhuizen
- Samenwerkende Topklinische Ziekenhuizen
- Sanquin
- Stichting Zeldzame Bloedziekten – AIHA Contactgroep
- Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
- Zelfstandige Klinieken Nederland
- Zorginstituut Nederland
- Zorgverzekeraars Nederland
Het commentaar uit de commentaarronde is geanalyseerd door de richtlijnwerkgroep en verwerkt in de definitieve versie van de richtlijn, waarbij de verwerking van de commentaren is teruggekoppeld aan de indieners ervan. De definitieve versie van de richtlijn is ter autorisatie voorgelegd.
De belangrijkste commentaren betreffen het hoofdstuk diagnostiek en met name de rol van het eluaat en de rol van de aanvullende testen bij verdenking op koude AIHA. De teksten zijn verduidelijkt en de plaats en al dan niet noodzaak van deze testen is duidelijker beschreven n.a.v. het commentaar.
Referenties
- Adviescommissie Richtlijnen - Raad Kwaliteit. Medisch specialistische richtlijnen 2.0. 2011.
- Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, et al. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42.
- Brozek JL, Akl EA, Alonso-Coello P, Lang D, Jaeschke R, Williams JW, et al. Grading quality of evidence and strength of recommendations in clinical practice guidelines. Part 1 of 3. An overview of the GRADE approach and grading quality of evidence about interventions. Allergy. 2009;64(5):669-77.
- Kunz R, Burnand B, Schunemann HJ, Grading of Recommendations AD, Evaluation Working G. [The GRADE System. An international approach to standardize the graduation of evidence and recommendations in guidelines]. Internist (Berl). 2008;49(6):673-80.
- Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, et al. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016;353:i2089.
- Alonso-Coello P, Schunemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, et al. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016;353:i2016.
Zoekverantwoording
Bloedtransfusie
Ziekte terminologie
anemia, autoimmune hemolytic[MeSH Terms] AND (humans[Filter])
AND
(hemoly*[Title/Abstract]) OR (heamoly*[Title/Abstract]) AND (humans[Filter])
AND
((warm[Title/Abstract]) OR (acquier*[Title/Abstract])) OR (autoimmun*[Title/Abstract]) AND (humans[Filter])
AND
(anemi*[Title/Abstract]) OR (anaemi*[Title/Abstract]) AND (humans[Filter])
Transfusie searches
(Blood OR "Redbloodcell" OR "Redbloodcells" OR RBC) AND (therap* OR transfus*)
AND
(polic* OR practice OR protocol* OR trigger* OR threshold* OR indicator* OR strateg* OR criteri* OR standard* OR restrict* OR liberal* OR management OR program*)
Filters
Human