Chirurgische behandeling bij DCIS
Uitgangsvraag
Wat is de aanbevolen chirurgische strategie bij patiënten met ductaal carcinoma in situ (DCIS) om het risico op progressie naar invasief carcinoom te verminderen?
Subuitgangsvragen:
- Bij welke patiënten met DCIS is (chirurgische) behandeling geïndiceerd ter preventie van progressie naar invasief carcinoom?
- Welke (chirurgische) behandeling is geïndiceerd bij patiënten met DCIS om het risico op progressie naar invasief carcinoom te verminderen?
- Welke snijvlakken zijn acceptabel bij de behandeling van DCIS om recidief DCIS en/of invasief carcinoom te verminderen?
Aanbeveling
Eindoordeel: Conditionele aanbeveling voor (Doen)
Aanbeveling 1:
Behandel patiënten met DCIS met een radicale resectie (no tumor on ink). Het type operatie (lumpectomie of mastectomie) hangt o.a af van de wens van patiënt en grootte gebied DCIS ten opzichte van borstgrootte.
Aanbeveling 2:
Bespreek met patiënten van 45 jaar of ouder met screen-detected ER+, Her2- DCIS graad 1-2 met uitsluitend calcificaties op mammografie actieve surveillance versus resectie – (bij voorkeur via inclusie in studieverband).
Aanbeveling 3:
- Behandel meer dan focaal irradicale marges met een re-excisie.
- Bespreek bij focaal irradicale marges een re-excisie of als alternatief een boost na bespreking in het multidisciplinair overleg (MDO) en middels samen beslissen met de patiënt.
Voor de overwegingen van het geven van adjuvante radiotherapie na borstsparende chirurgie zie module Radiotherapie na radicale borstsparende operatie van DCIS.
Laat echo axilla achterwege bij DCIS 1-2. Overweeg bij DCIS graad 3 waarbij de sentinel node niet wordt verricht om echo axilla uit te voeren.
Overwegingen
Eerst volgt een reflectie op de literatuur over chirurgische behandeling van DCIS (hoog en laaggradig). Waar relevant aangevuld vanuit de rondvraag aan de Nederlandse oncologisch chirurgen en radiotherapeuten. Deze studies en rondvraag vormen samen met expert opinie de basis voor de aanbevelingen in deze module.
Chirurgie
Buiten studieverband is operatie (in geval van borstsparende operatie gevolgd door radiotherapie) de standaardbehandeling voor DCIS. Na zowel mastectomie als borstsparende operatie (inclusief radiotherapie) zijn borstkanker-specifieke 10-jaars overlevingscijfers gerapporteerd van 98-99% (Sagara 2015, Elshof 2018). Vanuit het Nederlands Kanker Instituut (NKI) blijkt dat in 2023 ongeveer 62% van de borstkankerbehandelingen, voor DCIS en invasief carcinoom samen, mammasparend waren. Het percentage borstsparende operaties voor DCIS was tussen 2021 en 2023 stabiel tussen 71 en 75% (IKNL, 2025).
Chen (2024) onderzocht in een systematische review en meta-analyse de lange termijn uitkomsten van laag-risico ductaal carcinoom in situ (DCIS) op basis van 33 studies met 47.696 patiënten. De kans op progressie naar invasieve kanker was 3,3% na 5 jaar en 5,9% na 10 jaar, waarbij chirurgie significant lagere recidiefkansen bood dan geen chirurgie (6,4% versus 22,7% na 10 jaar, P = 0,008). Ook verminderde radiotherapie na borstsparende chirurgie het risico op een lokaal recidief. Zij concludeerden verder dat toekomstige resultaten van lopende klinische trials, zoals de LORD-, LORIS- en COMET-studies, essentieel zullen zijn om de veiligheid en effectiviteit van actieve surveillance bij laag-risico DCIS beter te begrijpen en overbehandeling te voorkomen
Voorwaarde voor een borstsparende operatie van DCIS is een complete excisie van de afwijking met een acceptabel cosmetisch resultaat. De mogelijkheden van borstsparende operatie al dan niet in combinatie met oncoplastische technieken hangen samen met de uitgebreidheid van de laesies in verhouding tot de grootte van de borst en met de wens van de patiënt. Preoperatief dient men een inschatting van de grootte van het DCIS-gebied te maken op basis van calcificaties op het mammogram (en MRI bij DCIS graad 3 als er onduidelijkheid bestaat over de uitbreiding en als er sprake is van (micro) invasie) – zie sectie diagnostiek in deze richtlijn (NABON/NIV, 2012).
Bij DCIS blijkt de kans op meer dan focaal niet vrije snijvlakken bij een eerste borstsparende operatie aanmerkelijk hoger te zijn dan bij invasief carcinoom. In 2020 werden 960 patiënten voor DCIS initieel borstsparend geopereerd (70% van de totaal 1372 nieuwe diagnoses), daarvan ondergingen uiteindelijk 83 (8.6%) een of meer re-excisies en 41 (4.2%) uiteindelijk toch een mastectomie – ofwel als tweede operatie ofwel voorafgegaan door een re-excisie (NBCA, 2020).
Als een borstsparende operatie niet haalbaar of gewenst is (ook niet in twee stappen), dan bestaat er een indicatie voor een mastectomie met of zonder directe reconstructie. Dit geldt ook wanneer er na borstsparende operatie (persisterend) DCIS-positieve snijvlakken zijn en er geen ruimte is voor een tweede sparende operatie. Bij een re-excisie dan wel mastectomie speelt de te verwachten cosmetische uitkomst, samen met de wens van de patiënt, een doorslaggevende rol. Ook kan er in sommige situaties, als een tweede operatie niet mogelijk of gewenst is, overwogen worden om radiotherapie met boost te geven.
Het cluster trekt geen harde conclusie over of preoperatieve MRI de kans op re-operaties en irradicaliteit verkleint. Een meta-analyse uit 2015 (Fancellu, 2015) toonde geen verschil, net als een Nederlandse registratiestudie (Keymeulen, 2019). Een Koreaanse retrospectieve studie van Yoon (2020) rapporteerde een odds ratio van 0.39 (95% CI 0.16-0.93) voor positieve resectie marges en 0.33 (95% CI: 0.12-.92) voor heroperaties. In de enige recente RCT (Belleyguier 2019) waren de verschillen net niet significant: zij zagen 20% re-interventies met MRI en 27% zonder MRI, waarbij het verschil van 7% net niet significant was met een 95% CI van –2 tot 16%. In de per protocol analyse was er 9% verschil met een OR van 0.59 (95% CI 0.35-1.0): ook net niet significant. Standaard MRI bij DCIS wordt dan ook niet aanbevolen, alleen bij DCIS graad 3 wanneer er onduidelijkheid bestaat over de uitbreiding.
Resectiemarges en positieve snijvlakken: definitie & rol van chirurgie en radiotherapie
Patiënten met negatieve resectiemarges bij DCIS hebben een kleinere kans op een lokaal recidief dan bij positieve resectiemarges, radiotherapie compenseert hier onvoldoende voor (Morrow, 2016). Voor invasief carcinoom (met of zonder aanwezigheid van DCIS) veronderstellen we “no ink on tumor” van het preparaat als een adequate marge. Voor DCIS bestond jarenlang discussie ten aanzien van de optimale resectiemarges.
In de SSO-ASTRO-ASCO richtlijn wordt gesteld dat een marge van minimaal 2 mm de kans op een lokaal recidief verkleint (Morrow, 2016). Er is geen bewijs dat een grotere marge dan 2 mm leidt tot minder lokale recidieven. In een meta-analyse van 20 studies met in totaal 865 lokaal recidieven bij 7883 resecties is het relatieve risico (RR) op lokaal recidief 0.45 [95% CI 0.32-0.61] bij een marge van 0 tot 1 mm (vergeleken met positieve snijvlakken) en 0.32 [95% CI 0.21-0.48] bij 2 mm marge vergeleken met positieve snijvlakken. Meer dan 2 mm marge verlaagde dit RR niet verder (Marinovich, 2016). Een Nederlandse studie onderzocht de recidiefkans bij ruim 47000 vrouwen met DCIS behandeld tussen 1999 en 2017. Het 10-jaars risico op invasief carcinoom na behandeling was 3.2%. Na borstsparende behandeling was zowel de kans op een DCIS recidief als een invasief recidief verhoogd bij marges <2 mm tov ≥2 mm, HR 1.39 resp 1.40 (Schmitz, 2023). Bij de besluitvorming over marges en de bijbehorende consequenties moeten klinische risicofactoren, zoals de graad van DCIS, de leeftijd van de patiënt, de locatie van de marge (huid-, pectoraliszijde of zijranden) en de hoeveelheid DCIS nabij het snijvlak, zorgvuldig per patiënt worden meegewogen. Het belang van de marge is afhankelijk van het absolute recidiefrisico en de potentiële absolute risicoreductie van aanvullende behandeling bij een marge >0-2 mm. Gezien de lage absolute kans op recidief bij ‘no ink on tumor’ en dit vergelijkend met marges >2 mm en de nadelige gevolgen van re-excisies, beschouwt het cluster ‘no ink on tumor’ als een veilige marge waarbij aanvullende chirurgie niet noodzakelijk is.
Focale irradicaliteit
In de internationale literatuur wordt een focaal irradicale marge niet gedefinieerd en niet anders beschouwd dan een tumorpositieve marge (Marinovich, 2016) met adviezen zoals omschreven in de vorige alinea.
Van focale uitbreiding in een snijvlak is er sprake als tumor (invasief carcinoom en/of DCIS) in één beperkt gebied (≤ 4 mm) in een geïnkt vlak reikt. Meestal betreft dit een of meer van de radiaire uitlopers van een stervormig/gespiculeerd carcinoom.
Bij meer dan focale uitbreiding reikt de tumor in een groter gebied (> 4mm) of in meerdere kleine gebieden (op meerdere plekken focaal niet vrij) tot in het geïnkte resectievlak. Hierbij moeten meerdere afzonderlijke kleine irradicale gebieden, ongeacht hun gezamenlijke extensie, als 'meer dan focale uitbreiding' te worden beschouwd Hierbij hoeven deze kleine gebieden niet te worden opgeteld om een gezamenlijke omvang van > 4 mm te bereiken.
Zie ook module 4.6 Borstkanker – Snijvlakonderzoek
De standaardbehandeling internationaal is een re-excisie. Één Nederlandse studie beschrijft 16 patiënten (2005-2014, single center) met puur DCIS die een focaal irradicaal snijvlak hadden, waarvan 14 een re-excisie ondergingen. Echter, uit een rondvraag in 2024 bij Nederlandse chirurgen en radiotherapeuten blijkt dat in de dagelijkse praktijk in het geval van een focaal irradicaal snijvlak DCIS, door slechts de helft van de behandelaars een re-excisie wordt verricht waarbij het essentieel werd geacht dit te bespreken in het multidisciplinare overleg en shared descision making. Een verschil met de adjuvante radiotherapie is dat na re-excisie waarbij postoperatief sprake is van radicaliteit de partial breast radiotherapie mogelijk is (5x), echter indien geen re-excisie bij focaal irradicale marges dan whole breast met boost (15x)
Irradicale DCIS na mastectomie
Ook na een irradicale mastectomie heeft een re-excisie de voorkeur als dit mogelijk is en de locatie van het niet radicale resectievlak te herleiden is (na overleg met de patholoog). In de praktijk is dit vaak heel lastig. Van belang zijn de wens van de patiënt, diameter irradicaliteit, positie ten opzichtte van de thoraxwand/prothese. Adjuvante radiotherapie na mastectomie bij DCIS wordt slechts bij <1% toegepast (Clements 2015). Uit de meta-analyse van Kim (2020) van 12 retrospectieve studies met 2902 patiënten blijkt geen significante vermindering op de kans op een lokaal recidief na adjuvante radiotherapie bij krappe of irradicale snijvlakken na mastectomie. Ondanks dat het lokaal recidief percentage hoger was voor patiënten met krappe of irradicale snijvlakken ten opzichtte van vrije snijvlakken (OR 3.72; 95% CI 2.3-6.01) was het absolute risico laag met 5.3% na een mediane follow-up van 86.4 maanden. De meeste recidieven waren invasieve carcinomen, namelijk 94%.
Actieve surveillance
De standaardbehandeling van DCIS beoogt een radicale verwijdering van de gehele laesie met een borstsparende operatie (doorgaans gevolgd door radiotherapie) of een mastectomie. Op het moment staat ter discussie of radicale resectie ook voor laaggradige DCIS nodig is, dit zal blijken uit onder andere de LORD-studie (NCT02492607). Deze studie loopt sinds 2017 in Nederland. Het is een niet-gerandomiseerde patiënt preferente studie naar operatie met of zonder radiotherapie versus actieve surveillance (jaarlijks mammogram). Een patiënt komt in aanmerking bij screen-detected DCIS graad 1 of 2 (> 45 jaar, DCIS Her2- en ER+ en uitsluitend calcificaties op mammografie, zonder mammacarcinoom in de voorgeschiedenis). Voor meer informatie zie https://www.boogstudycenter.nl/studies/studie-overzicht/lord/. In het buitenland lopen 2 vergelijkbare studies: COMET in de Verenigde Staten (NCT02926911, Hwang 2024, Hwang 2025) en LORIS in het Verenigd Koninkrijk (NCT02766881). De COMET-studie onderzocht ook of actief monitoren een veilig alternatief is voor de standaardzorg bij laag-risico DCIS. Na een mediane follow-up van 36,9 maanden was de 2-jaars cumulatieve incidentie van invasieve borstkanker 4,2% in de actieve surveillance-groep en 5,9% in de standaardzorggroep, wat wijst op vergelijkbare uitkomsten tussen beide benaderingen. Bovendien bleken de patiënt gerapporteerde uitkomsten, zoals kwaliteit van leven, angst en depressie, vergelijkbaar tussen de groepen gedurende de eerste twee jaar na diagnose (Hwang 2025).
Balans tussen gewenste en ongewenste effecten
Chirurgie is momenteel de standaardbehandeling voor DCIS. Het nadeel van chirurgie zijn de cosmetische gevolgen en psychische consequenties, mogelijke re-operaties, en de mogelijkheid dat een patiënt uiteindelijk een mastectomie nodig heeft, ondanks een initiële borstsparende benadering. Preoperatieve MRI kan bijdragen aan een betere inschatting van de tumoruitbreiding, maar het bewijs voor een vermindering van re-operaties is beperkt en controversieel.
Het bewijs voor chirurgie als behandeling voor DCIS is gebaseerd op meerdere retrospectieve en observationele studies, die een uitstekende overleving en goede lokale controle aantonen. Gerandomiseerde studies ontbreken, waardoor het bewijsniveau op basis van alleen literatuur onvoldoende is om een uitspraak te doen over de optimale chirurgische strategie. De effectiviteit van alternatieve strategieën zoals actieve surveillance wordt momenteel onderzocht in studies zoals LORD, LORIS en COMET.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en evt. hun verzorgers)
Patiënten verschillen in hun voorkeuren met betrekking tot de chirurgische behandeling van DCIS. Sommigen geven de voorkeur aan een mastectomie, terwijl anderen een borstsparende ingreep prefereren vanwege het cosmetisch resultaat en de minder ingrijpende aard van de ingreep. Uit de eerste resultaten van de LORD-studie blijkt dat 76% van patiënten de optie van actief monitoren verkiest boven directe chirurgie (Schmitz 2023 PMID 37657228), vooral wanneer zij goed geïnformeerd worden over de relatief lage progressiekans van laaggradig DCIS. Keuzehulpen en shared decision making zijn essentieel om patiënten goed te informeren en te begeleiden bij hun keuze.
Kosten (middelenbeslag)
In onze analyse van de literatuur en in onze aanbevelingen houden we rekening met zowel de kosten van onnodige (over-)behandeling, alsook met de nog veel hogere kosten van de behandeling van het (invasieve) recidief.
Gezondheidsgelijkheid
Chirurgische interventie heeft geen invloed op gezondheidsgelijkheid. Dit is standaardzorg die voor iedereen in dezelfde mate beschikbaar is.
Aanvaardbaarheid
Ethische aanvaardbaarheid
Chirurgische interventie is aanvaardbaar. Het cluster voorziet geen ethische bezwaren. Ook is afwachtend beleid aanvaardbaar in studieverband, maar is uiteindelijk deels afhankelijk van de uitkomsten van de LORD studie. Daaruit wordt duidelijker wat de balans is voor de afweging tussen een bepaald risico op recidief en de nadelen aan chirurgische interventie.
Duurzaamheid
Bij de overweging tussen een afwachtend beleid en chirurgische interventie speelt het duurzaamheidsaspect Refuse (weigeren/voorkomen van gebruik) een rol. Als de uitkomsten van met de name LORD-studie laten zien dat een afwachtend beleid oncologisch veilig is voor een geselecteerde groep van patiënten met DCIS, dan zal dat een grote impact hebben op duurzaamheid. Refuse is een van de belangrijkste pijlers hiervan, waarbij in de situatie van laaggradig DCIS zowel de operatie als de radiotherapie achterwege worden gelaten.
Haalbaarheid
De haalbaarheid van de aanbevelingen is deels nog afhankelijk van de uitkomsten van onder andere de LORD studie en kan de toekomstige adviezen veranderen. Chirurgische interventie is over het algemeen standaardzorg in de praktijk. Een afwachtend beleid vereist nu een aanpassing van zorgverlening voor patiënten van 45 jaar of ouder met screen-detected ER+, Her2- DCIS graad 1-2 uitsluitend calcificaties op mammografiewaarin actieve surveillance versus resectie wordt besproken. Op dit moment voorziet het cluster geen belemmeringen.
Rationale van de aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Het cluster beveelt chirurgie aan als standaardbehandeling voor hooggradig DCIS, waarbij de keuze tussen borstsparende chirurgie en mastectomie afhankelijk is van tumorgerelateerde factoren en patiëntvoorkeuren. Voor laag-risico DCIS kan, na zorgvuldige selectie en in overleg met de patiënt, actieve surveillance overwogen worden, bij voorkeur in studieverband. De keuze voor chirurgie als standaardbehandeling is gebaseerd op de huidige klinische praktijk gecombineerd met retrospectieve en observationele studies. Tegelijkertijd heeft chirurgie cosmetische gevolgen en psychische consequenties, mogelijke re-operaties, en de mogelijkheid dat een patiënt uiteindelijk een mastectomie nodig heeft, ondanks een initiële borstsparende benadering. Dit heeft grote invloed op het leven van de patiënt. Gezien de lage progressiekans bij sommige vormen van laag-risico DCIS, zoals onderzocht in de LORD-studie, én de eerste resultaten van de COMET studie die een uitstekende overleving en goede lokale controle aantonen kan actieve surveillance een alternatief zijn voor geselecteerde patiënten. Dit rechtvaardigt een genuanceerde aanbeveling waarbij shared decision making een centrale rol speelt. Lopende studies zullen verdere inzichten verschaffen over de veiligheid en effectiviteit van deze strategieën. In de literatuur wordt een focaal irradicale marge bij DCIS niet apart gedefinieerd en behandeld als een tumorpositieve marge, waarvoor standaard een re-excisie wordt geadviseerd. Er is praktijkvariatie in Nederland: bij een focaal irradicale marge bij DCIS kiest men soms voor re-excisie en soms voor radiotherapie- met boost. Omdat hiervoor geen evidence is, dient dit in het MDO te worden besproken.
Onderbouwing
Ductaal carcinoma in situ (DCIS) is een intraductale proliferatie van maligne ogende cellen. Het verschil met invasief carcinoom is dat DCIS in de ductolobulaire unit blijft en niet de myoepitheliale laag passeert naar het omliggende weefsel. In 2023 werden 2.368 personen gediagnosticeerd met DCIS (tegenover 15.634 nieuwe diagnoses invasieve borstkanker). De incidentie van DCIS is langzaam toegenomen van ongeveer 1.000 diagnoses per jaar in het jaar 2000, naar 2.000-2.500 diagnoses per jaar vanaf het jaar 2012 (LETB 2023).
De incidentie van DCIS in het bevolkingsonderzoek is 56 per 100.000 gescreende vrouwen (RIVM 2023). In 2023 werd 72% van de DCIS bij vrouwen in de screeningsleeftijd via het bevolkingsonderzoek gedetecteerd (IKNL, 2025).
DCIS is potentieel premaligne. Traditioneel werd altijd een operatieve behandeling geadviseerd. Om overbehandeling te voorkomen is het belangrijk om te identificeren welke DCIS indolent zal blijven zonder behandeling. Er is dan ook meer aandacht voor de brede tumorbiologie en de variatie in biologisch gedrag van DCIS.
Als DCIS niet behandeld wordt, zal naar schatting 10-60% ontwikkelen tot invasief carcinoom (Wang 2024; Sanders 2005; Ryser 2015; Ryser 2019; Erbas 2006). De uitdaging zit in het onderscheid maken tussen progressief en niet progressief DCIS, om zo onder- of overbehandeling te voorkomen. Hiermee kan een gepersonaliseerde behandeling geboden worden. Factoren geassocieerd met progressie zijn onder andere /HER2neu-expressie en een negatieve oestrogeenreceptor. Pleiomorf DCIS (graad 3) is een agressievere vorm van DCIS, gekenmerkt door grotere cellulaire atypie en vaak geassocieerd met Her2-overexpressie en een negatieve oestrogeenreceptorstatus. Dit subtype heeft een hoger risico op progressie naar invasief carcinoom vergeleken met laaggradig DCIS.
Tot op heden ontbreekt een gerandomiseerde dan wel retrospectieve studie, die enig overlevingsvoordeel van de ene behandeling (expectatief versus chirurgie met/zonder radiotherapie) van DCIS boven de andere biedt (Worni 2015). Er zijn nog geen bruikbare resultaten wat betreft markers voor biologisch gedrag van DCIS zoals receptorstatus of genexpressieprofielen. In Nederland is het niet gebruikelijk dat receptorbepaling bij DCIS routinematig wordt verricht (in tegenstelling tot de Amerikaanse NCCN richtlijn). Mede door wetenschappelijk onderzoek zoals de Management of Low-risk (Grade I and II) DCIS (LORD)-studie (Elshof 2015), wordt ook bij DCIS de receptorstatus steeds frequenter bepaald. De resultaten van deze trial zullen waardevol zijn voor nadere risicostratificatie en het opstellen van gepersonaliseerde behandeling van DCIS.
Er is voor deze vraag geen systematische literatuuranalyse uitgevoerd. De module is geactualiseerd omdat de eerdere versie niet meer aansloot bij de huidige dagelijkse praktijk. Bij publicatie van de momenteel lopende studies zoals de LORD trial zal een systematische herbeoordeling plaats vinden. De aanbevelingen zijn gebaseerd op expert opinion van de expertisegroep, onderbouwd met literatuur die door de leden van de expertisegroep is aangedragen. Waar van toepassing wordt naar andere richtlijnen verwezen, waarbij de literatuur die daar te vinden is hier niet opnieuw beoordeeld wordt. Daarnaast is het belangrijk dat er ook consensus is bereikt op basis van praktijkervaring en rondvraag aan de Nederlandse oncologisch chirurgen en radiotherapeuten.
- 1 - Balleyguier C, Dunant A, Ceugnart L, Kandel M, Chauvet MP, Chérel P, Mazouni C, Henrot P, Rauch P, Chopier J, Zilberman S, Doutriaux-Dumoulin I, Jaffre I, Jalaguier A, Houvenaeghel G, Guérin N, Callonnec F, Chapellier C, Raoust I, Mathieu MC, Rimareix F, Bonastre J, Garbay JR. Preoperative Breast Magnetic Resonance Imaging in Women With Local Ductal Carcinoma in Situ to Optimize Surgical Outcomes: Results From the Randomized Phase III Trial IRCIS. J Clin Oncol. 2019 Apr 10;37(11):885-892. doi: 10.1200/JCO.18.00595. Epub 2019 Feb 27. PMID: 30811290.
- 2 - Chen Q, Campbell I, Elwood M, Cavadino A, Aye PS, Tin Tin S. Outcomes from low-risk ductal carcinoma in situ: a systematic review and meta-analysis. Breast Cancer Res Treat. 2024 Nov;208(2):237-251. doi: 10.1007/s10549-024-07473-w. Epub 2024 Aug 24. PMID: 39180592; PMCID: PMC11457553.
- 3 - Clements K, Dodwell D, Lawrence G, Ball G, Francis A, Pinder S, Sawyer E, Wallis M, Thompson AM; Sloane Project Steering Group. Radiotherapy after mastectomy for screen-detected ductal carcinoma in situ. Eur J Surg Oncol. 2015 Oct;41(10):1406-10. doi: 10.1016/j.ejso.2015.07.021. Epub 2015 Aug 18. PMID: 26314790.
- 4 - Elshof LE, Tryfonidis K, Slaets L, van Leeuwen-Stok AE, Skinner VP, Dif N, Pijnappel RM, Bijker N, Rutgers EJ, Wesseling J. Feasibility of a prospective, randomised, open-label, international multicentre, phase III, non-inferiority trial to assess the safety of active surveillance for low risk ductal carcinoma in situ - The LORD study. Eur J Cancer. 2015 Aug;51(12):1497-510. doi: 10.1016/j.ejca.2015.05.008. Epub 2015 May 26. PMID: 26025767.
- 5 - Elshof LE, Schmidt MK, Rutgers EJT, van Leeuwen FE, Wesseling J, Schaapveld M. Cause-specific Mortality in a Population-based Cohort of 9799 Women Treated for Ductal Carcinoma In Situ. Ann Surg. 2018 May;267(5):952-958. doi: 10.1097/SLA.0000000000002239. PMID: 28375855; PMCID: PMC5916471.
- 6 - EORTC 1401-BCG Wesseling, Management of low risk ductal carcinoma in situ (low-risk DCIS): a non-randomized, multicenter, non-inferiority trial, between standard therapy approach versus active surveillance.
- 7 - Erbas B, Provenzano E, Armes J, Gertig D. The natural history of ductal carcinoma in situ of the breast: a review. Breast Cancer Res Treat. 2006 May;97(2):135-44. doi: 10.1007/s10549-005-9101-z. Epub 2005 Dec 1. PMID: 16319971.
- 8 - Fancellu A, Turner RM, Dixon JM, Pinna A, Cottu P, Houssami N. Meta-analysis of the effect of preoperative breast MRI on the surgical management of ductal carcinoma in situ. Br J Surg. 2015 Jul;102(8):883-93. doi: 10.1002/bjs.9797. Epub 2015 Apr 28. PMID: 25919321.
- 9 - Hwang ES, Hyslop T, Lynch T, Ryser MD, Weiss A, Wolf A, Norris K, Witten M, Grimm L, Schnitt S, Badve S, Factor R, Frank E, Collyar D, Basila D, Pinto D, Watson MA, West R, Davies L, Donovan JL, Shimada A, Li Y, Li Y, Bennett AV, Rosenberg S, Marks J, Winer E, Boisvert M, Giuliano A, Larson KE, Yost K, McAuliffe PF, Krie A, Tamirisa N, Carey LA, Thompson AM, Partridge AH; COMET Study Investigators. Active Monitoring With or Without Endocrine Therapy for Low-Risk Ductal Carcinoma In Situ: The COMET Randomized Clinical Trial. JAMA. 2025 Mar 18;333(11):972-980. doi: 10.1001/jama.2024.26698. PMID: 39665585; PMCID: PMC11920841.
- 10 - Hwang ES, Hyslop T, Lynch T, Ryser MD, Weiss A, Wolf A, Norris K, Witten M, Grimm L, Schnitt S, Badve S, Factor R, Frank E, Collyar D, Basila D, Pinto D, Watson MA, West R, Davies L, Donovan JL, Shimada A, Li Y, Li Y, Bennett AV, Rosenberg S, Marks J, Winer E, Boisvert M, Giuliano A, Larson KE, Yost K, McAuliffe PF, Krie A, Tamirisa N, Carey LA, Thompson AM, Partridge AH; COMET Study Investigators. Active Monitoring With or Without Endocrine Therapy for Low-Risk Ductal Carcinoma In Situ: The COMET Randomized Clinical Trial. JAMA. 2025 Mar 18;333(11):972-980. doi: 10.1001/jama.2024.26698. PMID: 39665585; PMCID: PMC11920841.
- 11 - Integraal kankercentrum Nederland (IKNL), Borstkanker in Nederland - Kerncijfers uit de Nederlandse Kankerregistratie. Geraadpleegd op 29 juni 2025 via https://iknl.nl/borstkankercijfers
- 13 - Keymeulen KBIM, Geurts SME, Lobbes MBI, Heuts EM, Duijm LEM, Kooreman LFS, Voogd AC, Tjan-Heijnen VCG. Population-based study of the effect of preoperative breast MRI on the surgical management of ductal carcinoma in situ. Br J Surg. 2019 Oct;106(11):1488-1494. doi: 10.1002/bjs.11299. Epub 2019 Aug 6. PMID: 31386197; PMCID: PMC6790575.
- 14 - Kim D, Ki Y, Kim W, Park D, Joo J, Jeon H, Nam J. Comparison of local recurrence after mastectomy for pure ductal carcinoma in situ with close or positive margins: A meta-analysis. J Cancer Res Ther. 2020 Oct-Dec;16(6):1197-1202. doi: 10.4103/jcrt.JCRT_160_19. PMID: 33342773.
- 15 - Landelijk Evaluatie Team voor bevolkingsonderzoek naar Borstkanker (LETB), 2023. Landelijke evaluatie van bevolkingsonderzoek naar borstkanker in Nederland - het vijftiende evaluatierapport. Geraadpleegd op 29 juni 2025 via https://www.rivm.nl/documenten/letb-resultaten-bevolkingsonderzoek-borstkanker-2023-rapport-xv.
- 16 - Morrow M, Van Zee KJ, Solin LJ, Houssami N, Chavez-MacGregor M, Harris JR, Horton J, Hwang S, Johnson PL, Marinovich ML, Schnitt SJ, Wapnir I, Moran MS. Society of Surgical Oncology-American Society for Radiation Oncology-American Society of Clinical Oncology Consensus Guideline on Margins for Breast-Conserving Surgery With Whole-Breast Irradiation in Ductal Carcinoma In Situ. J Clin Oncol. 2016 Nov 20;34(33):4040-4046. doi: 10.1200/JCO.2016.68.3573. Epub 2016 Oct 31. PMID: 27528719; PMCID: PMC5477830.
- 17 - Marinovich ML, Azizi L, Macaskill P, Irwig L, Morrow M, Solin LJ, Houssami N. The Association of Surgical Margins and Local Recurrence in Women with Ductal Carcinoma In Situ Treated with Breast-Conserving Therapy: A Meta-Analysis. Ann Surg Oncol. 2016 Nov;23(12):3811-3821. doi: 10.1245/s10434-016-5446-2. Epub 2016 Aug 15. PMID: 27527715; PMCID: PMC5160992.
- 18 - NABON / NIV, 2012. Richtlijn Borstkanker. Module Primaire diagnostiek. Geautoriseerd in 2012. Te raadplegen via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/borstkanker/primaire_diagnostiek.html
- 19 - NABON Breast Cancer Audit (NBCA), 2020 Jaarverslag uitkomsten. Geraadpleegd op 19 juni 2025 via: https://www.kanker.nl/sites/default/files/library_files/2020%20NBCA%20jaarverslag%20.pdf
- 20 - Ryser MD, Worni M, Turner EL, Marks JR, Durrett R, Hwang ES. Outcomes of Active Surveillance for Ductal Carcinoma in Situ: A Computational Risk Analysis. J Natl Cancer Inst. 2015 Dec 17;108(5):djv372. doi: 10.1093/jnci/djv372. PMID: 26683405; PMCID: PMC4849804.
- 21 - Ryser MD, Weaver DL, Zhao F, Worni M, Grimm LJ, Gulati R, Etzioni R, Hyslop T, Lee SJ, Hwang ES. Cancer Outcomes in DCIS Patiënts Without Locoregional Treatment. J Natl Cancer Inst. 2019 Sep 1;111(9):952-960. doi: 10.1093/jnci/djy220. PMID: 30759222; PMCID: PMC6748726.
- 22 - Sagara Y, Mallory MA, Wong S, Aydogan F, DeSantis S, Barry WT, Golshan M. Survival Benefit of Breast Surgery for Low-Grade Ductal Carcinoma In Situ: A Population-Based Cohort Study. JAMA Surg. 2015 Aug;150(8):739-45. doi: 10.1001/jamasurg.2015.0876. Erratum in: JAMA Surg. 2015 Aug;150(8):820. doi: 10.1001/jamasurg.2015.2000. PMID: 26039049.
- 23 - Sanders ME, Schuyler PA, Dupont WD, Page DL. The natural history of low-grade ductal carcinoma in situ of the breast in women treated by biopsy only revealed over 30 years of long-term follow-up. Cancer. 2005 Jun 15;103(12):2481-4. doi: 10.1002/cncr.21069. PMID: 15884091.
- 24 - Schmitz RSJM, van den Belt-Dusebout AW, Clements K, Ren Y, Cresta C, Timbres J, Liu YH, Byng D, Lynch T, Menegaz BA, Collyar D, Hyslop T, Thomas S, Love JK, Schaapveld M, Bhattacharjee P, Ryser MD, Sawyer E, Hwang ES, Thompson A, Wesseling J, Lips EH, Schmidt MK; Grand Challenge PRECISION consortium. Association of DCIS size and margin status with risk of developing breast cancer post-treatment: multinational, pooled cohort study. BMJ. 2023 Oct 30;383:e076022. doi: 10.1136/bmj-2023-076022. PMID: 37903527; PMCID: PMC10614034.
- 25 - Vos EL, Gaal J, Verhoef C, Brouwer K, van Deurzen CHM, Koppert LB. Focally positive margins in breast conserving surgery: Predictors, residual disease, and local recurrence. Eur J Surg Oncol. 2017 Oct;43(10):1846-1854. doi: 10.1016/j.ejso.2017.06.007. Epub 2017 Jun 23. PMID: 28688723.
- 26 - Wang J, Li B, Luo M, Huang J, Zhang K, Zheng S, Zhang S, Zhou J. Progression from ductal carcinoma in situ to invasive breast cancer: molecular features and clinical significance. Signal Transduct Target Ther. 2024 Apr 3;9(1):83. doi: 10.1038/s41392-024-01779-3. PMID: 38570490; PMCID: PMC10991592.
- 27 - Worni M, Akushevich I, Greenup R, Sarma D, Ryser MD, Myers ER, Hwang ES. Trends in Treatment Patterns and Outcomes for Ductal Carcinoma In Situ. J Natl Cancer Inst. 2015 Sep 30;107(12):djv263. doi: 10.1093/jnci/djv263. PMID: 26424776; PMCID: PMC4707192
- 28 - Yoon GY, Choi WJ, Kim HH, Cha JH, Shin HJ, Chae EY. Surgical Outcomes for Ductal Carcinoma in Situ: Impact of Preoperative MRI. Radiology. 2020 May;295(2):296-303. doi: 10.1148/radiol.2020191535. Epub 2020 Mar 17. PMID: 32181727.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 17-06-2026
Beoordeeld op geldigheid : 17-06-2026
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Borstkanker bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroepleden
- C.H. (Carolien) Smorenburg, Internist-Oncoloog, NIV (tot september 2025)
- B.E.P.J. (Birgit) Vriens, Internist-Oncoloog, NIV
- A.W.G. (Annette) van der Velden, Internist, NIV (vanaf juli 2025)
- H.J.G.D. (Desirée) van den Bongard, Radiotherapeut-Oncoloog, NABON/NVRO
- M.A.M. (Marc) Mureau, Plastisch chirurg, NVPC
- C. (Cristina) Guerreo Paez, Directeur, BVN
- C. (Christiaan) van Swol, Klinisch fysicus, NVKF
- F.H. (Frederieke) van Duijnhoven, Chirurg-Oncoloog, NVvH
- J.H. (José) Volders, Oncologisch chirurg, NVvH
Betrokken clusterexpertisegroepleden
- S.C.J. (Sophie) Bosma, Radiotherapeut, NVRO
- F. (Femke) van der Leij, Radiotherapeut, NVRO
- H. (Helma) Dollevoet, Patiëntvertegenwoordiger, BVN
- M. (Maud) Bessems, chirurg-oncoloog, Jeroen Bosch Ziekenhuis
- E.C.M. (Eliane) Zeestraten, chirurg-oncoloog, Amphia Ziekenhuis Breda
- M. (Marjan) van Hezewijk, radiotherapeut-oncoloog, Radiotherapiegroep Arnhem/Ede
- M. (Martine) Moossdorff, chirurg, Maastricht UMC+ / Zuyderland Medisch Centrum
Met dank aan
- B. (Bart) Corten, AIOS heelkunde, Máxima MC
Met ondersteuning van
- S.N. (Sarah) van Duijn, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2024)
- J. (Joppe) Tra, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2023-2024)
- M.A. (Margreet) Pols, adjunct directeur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2024-2025)
- L.C. (Lotte) Houtepen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf 2025)
- E. (Eline) de Heus, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
- M. (Michiel Oerbekke, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
- J. (Joline) Rohof, junior adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden vindt u in onderstaande tabel. Alle clusterleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Belangrijk om te benoemen dat:
- Clusterleden werken niet als enige inhoudsdeskundige aan de module;
- Een clusterlid werkt tenminste samen met een ander clusterlid met een vergelijkbare expertise in alle fasen (zoeken, studieselectie, data-extractie, evidence synthese, Evidence-to-decision, aanbevelingen formuleren) van het ontwikkelproces. Indien nodig worden clusterleden toegevoegd aan het cluster;
- In alle fasen van het ontwikkelproces is een onafhankelijk methodoloog betrokken;
- Overwegingen en aanbevelingen worden besproken en vastgesteld tijdens een clustervergadering onder leiding van een onafhankelijk voorzitter.
Wellicht ten overvloede willen wij erop wijzen dat medisch specialistische richtlijnen niet worden vastgesteld door de betreffende richtlijnwerkgroep maar door de besturen/ledenvergadering van de betrokken verenigingen.
De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Clusterstuurgroepleden
Tabel 2 Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
|
Birgit Vriens |
Internist-oncoloog Catherinaziekenhuis Eindhoven |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Afgelopen jaren (2021-2022-2023) een sprekersvergoeding van Novartis ontvangen. |
|
Annette van der Velden
|
Internist-oncoloog |
Kaderarts palliatieve zorg |
nvt |
nvt |
nee |
nee |
nee |
|
Desiree van den Bongard |
Radiotherapeut-oncoloog, Amsterdam UMC |
Lid NABON bestuur (onbetaald) |
Geen |
Geen |
KWF/ Pink Ribbon - Eenmalige hoge dosis radiotherapie mammacarcinooom (ABLATIVE project, 2013 en 2020) - Projectleider; VARIAN grant voor Adaptive Radiotherapy in Breast Cancer patiënts (BREAST-ART, 2020) - Projectleider. |
Geen |
Lid landelijke werkgroep hypofractionering mammacarcinoom |
|
Marc Mureau |
Plastisch chirurg, Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam |
Maatschapslid AZR>SFG, werkzaamheden als plastisch chirurg (betaald) |
Geen |
Geen |
Polytech Health & Asethetics GmbH - Long-term results of breast reconstruction with polyurethane covered implants: a multicenter randomized controlled trial - Projectleider (Afgerond) |
Geen |
Geen |
|
Cristina Guerreo Paez |
Directeur Borstkanker Vereniging Nederland |
Lid Raad van Toezicht SPL te Leiden (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Als patiëntenorganisatie leveren wij vanuit partïëntenperspectief advies aan. Persoonlijk ben ik alleen betrokken bij het Covid consorium waar we onderzoek doen naar Covid en Borstkanker. Trekker is IKNL (geen rol als projectleider). |
Boegbeeldfuncties patiëntenorganisatie |
Wij ontvangen van de farmacie gelden voor specifieke projecten op het gebied van informatievoorziening en/of lotgenotencontact. Deze zijn multisponsored en worden altijd opgenomen in het transparantieregister. |
|
Christiaan van Swol |
* Klinisch Fysicus, St. Antonius Ziekenhuis (0,9 fte) |
Voorzitter Bestuur Stichting Opleiding Klinische Fysica - onbetaald. Zie www.stichtingokf.nl |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Frederieke van Duijnhoven |
Chirurg-oncoloog, Nederlands Kanker Instituut / Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis |
* European Organization for Research and Treatment of Cancer, secretary of the Breast Cancer Group |
Geen |
Geen |
* Innovatiefonds Zorgverzekeraars - Towards omitting breast surgery in patiënts with a complete response to neoadjuvant chemotherapy - biopten past NAC ter evaluatie respons onderzoek inmiddels afgerond- Geen projectleider, co-PI |
In antwoord op deze vraag moet ik vermelden dat ik als arts ook betrokken ben bij de patiëntenvereniging voor Phyllodes tumoren van de borst, wat 1 van de geformuleerde knelpunten vanuit onze beroepsvereniging is. Medisch-inhoudelijk voel ik daarbij absoluut geen persoonlijk intellectueel belang |
Geen |
|
Carolien Smorenburg |
* Internist-oncoloog Antoni van Leeuwenhoek (0,9 fte - betaald) |
Lid Bestuur gasthuis Antoni van Leeuwenhoek (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
In 2018 een vergoeding van €1307,00 ontvangen van Pfizer ivm congres. |
|
José Volder s |
Oncologische chirurg |
* Bestuurslid werkgroep Mammachirurgie NVCO - onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Betrokken clusterexpertisegroepleden
Tabel 3 Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
|
Sophie Bosma |
Radiotherapeut-oncoloog, LUMC (per 1-11-2024) |
Geen |
Geen |
Nee |
- |
Geen |
Nee |
|
Femke van der Leij |
Radiotherapeut-oncoloog UMC Utrecht |
Niet van toepassing |
Geen |
Nee |
Niet van toepassing |
Niet van toepassing |
Nee |
|
Helma Dollevoet |
Belangenbehartiger Borstkankervereniging Nederland. Tijdelijke waarneming voor een openstaande FTE. Waarschijnlijk tot oktober 2025. |
Eigenaar van creatief bureau paars. Momenteel ook projectmanager voor herziening website Zeldzame bloedziekten patiëntenorganisatie. Zie evt.: https://creatiefbureaupaars.nl/ |
geen |
Nee |
Neem momenteel niet deel aan extern gefinancierd onderzoek |
Belangenbehartiging voor een specifieke doelgroep: Nederlandse patiënten met borstkanker en hun naasten. |
Zover ik weet niet. |
|
Eliane Zeestraten |
Oncologisch Chirurg, Amphia Ziekenhuis Breda |
Geen |
Geen |
Geen |
Sirius Medical: analyse workflow gebruik jodium bron vs magnetische marker in de behandeling van borstkanker, projectleider. |
Geen |
Geen |
|
Marjan van Hezewijk |
Radiotherapeut, Radiotherapiegroep |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Maud Bessems |
Jeroen Bosch Ziekenhuis, Chirurgenpraktijk Artemis bv, NVCO |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Martine Moossdorff |
Actueel: Maastricht UMC+, chirurg (fellow gastro-enterologische en oncologische chirurgie) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiënten perspectief door deelname van Borstkankervereniging Nederland.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Module Chirurgie |
Geen financiële gevolgen |
Uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) niet breed toepasbaar zijn (<5.000 patiënten) en daarom naar verwachting geen substantiële financiële gevolgen zal hebben voor de collectieve uitgaven. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.