Sterkwerkende opioïden bij pijn bij patiënten met kanker
Uitgangsvraag
Op welke wijze dient pijn bij patiënten met kanker met sterkwerkende opioïden te worden behandeld?
Hierbij wordt ingegaan op de volgende deelvragen:
- Is er verschil in effectiviteit tussen sterkwerkende opioïden?
- Is er verschil in bijwerkingen tussen sterkwerkende opioïden?
- Wat is de effectiviteit van sterkwerkende opioïden bij neuropatische pijn?
Aanbeveling
Bij patiënten met pijn bij kanker:
- Op basis van effectiviteit en bijwerkingen (anders dan obstipatie) kan geen keuze voor een specifiek sterkwerkend opioïd (morfine, fentanyl, oxycodon, hydromorfon, methadon of tapentadol) worden gemaakt. Maak een keuze mede op basis van eigen ervaring en/of een eventuele voorkeur van de patiënt voor een specifiek middel of een specifieke toedieningsvorm.
- Kies voor transdermale toediening van fentanyl, indien de kans op obstipatie groot is.
- Kies voor transdermale toediening van fentanyl indien orale toediening niet mogelijk of gewenst is.
- Kies alleen voor methadon als u ervaring heeft met het middel of in overleg met iemand met ervaring.
- Overweeg bij gecombineerde nociceptieve en neuropatische pijn een sterkwerkend opioïd als eerste behandeling.
- Overweeg bij zuiver neuropatische pijn toevoeging van een sterkwerkend opioïd als een antidepressivum en/of een anti-epilepticum onvoldoende effect sorteren.
Overwegingen
Keuze voor een specifiek opioïd
Hoewel de waarde van sterkwerkende opioïden nauwelijks is bewezen door placebo- gecontroleerd onderzoek kan er geen twijfel bestaan over de werking en de rol van sterkwerkende opioïden bij de behandeling van pijn bij patiënten met kanker.
Op basis van effectiviteit en bijwerkingen kan geen keuze voor een specifiek sterkwerkend opioïd worden gepropageerd, behalve in situaties waarin er een grote kans is op obstipatie. In dat geval kan gekozen worden voor transdermaal fentanyl.
Andere argumenten voor een keuze voor een specifiek opioïd kunnen zijn:
- toedieningsweg: indien er bezwaar bestaat voor de orale route, wordt gekozen voor transdermale toediening van fentanyl;
- voorkeur van de patiënt (op basis van eerdere ervaringen);
- ervaring van de arts met een specifiek opioïd; voor methadon geldt daarbij de overweging dat (gezien het risico op accumulatie) het alleen moet worden voorgeschreven door of in overleg met iemand die ervaring heeft met het middel;
- kosten;
- ernstige nierfunctiestoornissen (zie de uitgangsvraag Bijzondere patiëntgroepen).
Opioïden en neuropatische pijn
Er is weinig bewijs voor de effectiviteit van opioïden bij patiënten met kanker en neuropatische pijn.
In de gerandomiseerde studie van Arbaiza werd bij 36 patiënten met kanker en neuropatische pijn tramadol vergeleken met placebo (Arbaiza, 2007). In de groep die met tramadol werd behandeld trad een pijnvermindering van 57% ten opzichte van baseline op, die statistisch significant groter was dan de pijnvermindering in de placebogroep (39%).
Op grond van de gegevens over effecten bij niet kanker-gerelateerde neuropatische pijn (Finnerup, 2015) bedraagt de Number Needed to Treat (NNT) voor tramadol 4,7, voor sterkwerkende opioïden 4,3 en voor tapentadol 10,2. De Numbers Needed to Harm (NNHs) zijn eveneens vergelijkbaar (12,6 en 11,7). De review geeft een aanbeveling voor tramadol in de tweede lijn en sterkwerkende opioïden in de derde lijn; beide aanbevelingen worden als zwak gegradeerd. De voorkeur voor tramadol komt voort uit rapporten over misbruik van sterkwerkende opioïden in de VS, Canada en het Verenigd Koninkrijk. Dit lijkt voor de Nederlandse situatie niet relevant. Op basis van casuïstiek en ervaringen uit de praktijk lijken ouderen met een kwetsbare gezondheid gevoeliger voor neuropsychiatrische verschijnselen, zoals hallucinaties en delier, in het bijzonder bij nierfunctiestoornissen of comedicatie (Kabel, 2006).
Op basis van bovenstaande gegevens lijkt er bij de behandeling van neuropathische pijn een plaats voor tramadol of sterkwerkende opioïden in de tweede lijn, bij onvoldoende effect van antidepressiva of anti-epileptica.
Onderbouwing
Achtergrond
Sinds 1986 wordt door de Wereldgezondheidsorganisatie de WHO-analgetische ladder aanbevolen. Deze propageert een stapsgewijze behandeling van pijn bij patiënten met kanker. Stap twee (een zwakwerkend opioïd, zoals codeïne of tramadol, eventueel in combinatie met paracetamol en/of een nonsteroidal anti-inflammatory drug (NSAID)) wordt bij patiënten met kanker in principe achterwege gelaten (zie de module Zwakwerkende opioïden). Bij stap drie wordt gestart met sterkwerkende opioïden (morfine, fentanyl, buprenorfine, oxycodon, hydromorfon, methadon of tapentadol).
Methadon is behalve een opioïd ook een NMDA-receptorantagonist. Tapentadol is ook een noradrenaline heropnameremmer.
Morfine, oxycodon en hydromorfon worden geleverd als immediate release (IR) preparaat of als slow release (SR) preparaat, ook wel aangeduid als ‘met vertraagde afgifte’ (MVA), ‘met gereguleerde afgifte’ (MGA) of als ‘retard’.
Fentanyl wordt geleverd als snelwerkend preparaat (de zgn. Rapid Onset Opioids (ROOs), buccaal, oromucosaal, sublinguaal of nasaal toegediend) of als langwerkende pleister (transdermaal).
De volgende sterkwerkende opioïden zijn beschikbaar.
Snelwerkend:
- oraal
- morfine IR: drank in eenheden van 10 mg en 30 mg, beiden in een volume van 5 ml
- morfine IR: drank 1, 2, 5 en 20 mg/ml
- morfine IR: tabletten 10 en 20 mg
- oxycodon IR: capsules 5, 10 en 20 mg
- oxycodon IR: tabletten 5 en 10 mg
- oxycodon IR: orodispergeerbaar tablet 5, 10 en 20 mg
- oxycodon IR: drank 10 mg/ml
- hydromorfon IR: capsules 1,3 en 2,6 mg
- buccaal (via het wangslijmvlies)
- fentanyl 100, 200 en 400µg
- oromucosaal:
- fentanyl 200, 400, 600 en 800 µg
- sublinguaal (onder de tong)
- fentanyl : 100, 133, 267, 300, 400, 600 en 800 µg
- buprenorfine 0,2 mg,
- buprenorfine 2 en 8 mg (geregistreerd voor gebruik bij verslaving)
- nasaal
- fentanyl neusspray 50, 100, 200 en 400 µg
- rectaal
- morfinezetpillen 10, 20 en 50 mg
- subcutaan/intraveneus
- morfineampullen 1 ml (10 en 20 mg/ml)
- morfineampullen 5 ml (20 mg/ml)
- morfineampullen 10 ml (10 mg/ml)
- fentanylampullen 2en 10 ml (0,05 mg/ml)
- fentanyl flacon 50ml (0,05 mg/ml) oxycodonampullen 1 ml (50 mg/ml)
- oxycodonampullen 2 ml (10 mg/ml)
- methadonampullen 2ml (10mg/ml)
- buprenorfine 1ml (0,3mg/ml)
- hydromorfonampullen 1 ml (10 en 50 mg/ml)
- sufentanilampullen 2 en 10 ml (5 µg/ml)
- sufentanilampullen 1, 5 en 20 ml (50 µg/ml)
Langwerkend:
- oraal
- morfine SR: tabletten 10, 15, 30, 60 en100 mg
- oxycodon SR: tabletten 5, 10, 15, 20, 30, 40, 60, 80 en 120 mg
- hydromorfon SR: capsules 4, 8, 16 en 24 mg
- methadontabletten 5, 10, 20, 40 en 50 mg
- methadondrank 5 mg/ml
- tapentadol SR: tabletten 25, 50, 100, 150, 200 en 250 mg
- transdermaal
- fentanyl 12, 25, 37, 50, 75 en 100 µg/uur (wisselen om de 3 dagen)
- buprenorfine
- 35, 52,5 en 70 µg/uur (wisselen om de 3 of 4 dagen)
- 5, 10, 15 en 20 µg/uur (wisselen om de 7 dagen, niet geregistreerd voor pijn bij kanker)
In tegenstelling tot paracetamol en NSAID's is er bij opioïden (behalve bij buprenorfine) bij klinisch gebruikelijke doseringen geen ‘ceiling'-effect, dat wil zeggen dat er geen maximale dosis is waarboven geen additioneel analgetisch effect meer kan worden bereikt. Indien de patiënt een opioïd goed verdraagt zonder bijwerkingen en dosisverhoging een gunstig effect heeft op de pijn, kan de dosering indien nodig worden opgehoogd om het gewenste analgetische effect te bereiken. Bij het grootste deel van de patiënten is dit echter niet noodzakelijk. Daarnaast is er bij opioïden een hoger risico op obstipatie, sedatie of ademdepressie. Wanneer toediening plaatsvindt in combinatie met andere medicatie, kunnen er ook nog andere bijwerkingen zich voordoen.
Misverstanden en weerstanden ten aanzien van opioïden
Misverstanden en weerstanden ten aanzien van opioïden komen in de praktijk nog regelmatig voor. Deze misverstanden bestaan zowel bij patiënten, naasten als ook bij zorgverleners. Met name bij het starten van opioïden is het dan ook essentieel goede voorlichting te geven. Dit bevordert de therapietrouw en kan het effect van de pijnbehandeling positief beïnvloeden.
De begrippen gewenning, verslaving en afhankelijkheid en het verschil daartussen moeten daarbij aan de orde komen (Volkow, 2016).
Gewenning (tolerantie) betekent dat een steeds hogere dosis nodig is om hetzelfde effect te bereiken. Patiënten vragen zich vaak af of het opioïd uiteindelijk dan niet meer zal helpen. Hoewel opioïden soms in zeer hoge doseringen moeten worden toegediend, is er farmacologisch gezien geen plafondeffect aanwezig bij volledige mu-receptor agonisten en kan het opioïd daarom altijd verder verhoogd worden voor aanvullend effect. In de praktijk is het geven van zeer hoge doseringen echter onwenselijk, omdat dit toekomstige afbouw moelijker maakt, als ook rotatie naar een andere toedieningsvorm in de palliatieve fase compliceert.
Van belang is om onderscheid te maken tussen tumorprogressie en gewenning als oorzaak van de toename van pijn. Bij toename van pijn door tumorprogressie kan het opioïd worden opgehoogd of kan opioïdrotatie worden toegepast (zie submodule opioïdrotatie).
Bij gewenning is het belangrijk om de gepastheid van het (chronisch) opioïdgebruik te herevalueren en waar mogelijk afbouw na te streven. In de praktijk komt dit laatste steeds frequenter voor, omdat mensen met kanker steeds langer leven met een oncologische ziekte door de ontwikkeling van behandelmogelijkheden. Chronisch (hoog) opioïdgebruik kan bij een volgende pijncrisis zorgen voor een belemmering in adequate pijnstilling en kent ook veel andere nadelige effecten. Het is wenselijk om na een opvlamming van pijn opioïden af te bouwen waar mogelijk. Zeker wanneer de levensverwachting jaren betreft is verantwoord opioïdgebruik ook binnen de behandeling van oncologische pijn een voorwaarde (conform de richtlijn gepast opioïdgebruik, link toevoegen). Volg, waar relevant, het afbouwschema volgens de Handreiking afbouw opioïden.
Onder verslaving wordt verstaan psychische afhankelijkheid (gebruik vanwege de ‘kick'). Deze treedt bij opioïdgebruik bij kanker zeer zelden op.
Lichamelijke afhankelijkheid van opioïden treedt altijd op, waardoor een acuut tekort aan opioïden kan leiden tot ontwenning. De patiënt mag opioïden daarom nooit in één keer stoppen, maar moet ze in enkele dagen uitsluipen.
Andere factoren die kunnen leiden tot weerstanden tegen het gebruik van opioïden zijn:
- het gevoel ‘niets meer achter de hand te hebben' als gestart wordt met opioïden;
- angst voor bijwerkingen (m.n. sufheid en andere cognitieve functiestoornissen);
- angst voor een levensbekortend effect van opioïden;
- de gedachte dat het starten met opioïden impliceert dat het overlijden op korte termijn is te verwachten.
Gebruik van opioïden voor sedatie en/of bespoediging van het levenseinde
Opioïden in opklimmende doseringen worden nogal eens ingezet met het impliciete of expliciete doel om sedatie en/of bespoediging van het levenseinde te bewerkstelligen. Dit beleid moet om meerdere redenen als een kunstfout worden benoemd:
- Opioïden zijn geen sedativa; zeker bij patiënten die al langer opioïden gebruiken kan het sederende effect geheel ontbreken. Indien sedatie wordt nagestreefd, wordt palliatieve sedatie met midazolam ingezet (zie de richtlijn Palliatieve sedatie).
- Er zijn geen aanwijzingen dat behandeling met opioïden met doseringen die getitreerd worden op geleide van pijn leidt tot levensverkorting.
- Indien levensverkorting het doel is van de behandeling, kan een euthanasieprocedure in gang gezet worden volgens de richtlijn (zie de richtlijn Euthanasie). Daarbij wordt gebruik gemaakt van de geëigende euthanatica (zie de richtlijn Euthanasie).
- (Te) hoge doseringen opioïden kunnen leiden tot (verergering van) een terminaal delier. Opioïden worden in de palliatieve fase alleen gebruikt ter behandeling van pijn en dyspneu. Daarbij wordt de dosering getitreerd aan de hand van het effect van de behandeling op de pijn of dyspneu.
Conclusies / Summary of Findings
Summary of Findings
Subvraag 1: Is er verschil in effectiviteit tussen sterk werkende opioïden?
Er is bewijs van lage kwaliteit dat oraal toegediend morfine, oxycodon en hydromorfon en transdermaal toegediend fentanyl even effectief zijn bij de behandeling van pijn bij patiënten met kanker (laag GRADE).
(Caraceni, 2011; Hadley, 2013; King, 2011; Koyyalagunta, 2012; Mesgarpour, 2014; Pigni, 2011; Tassinari, 2011; Wiffen, 2013; Yang, 2010)
Er is bewijs van matige kwaliteit dat oraal toegediend tapentadol even effectief is als morfine of oxycodon bij de behandeling van pijn bij patiënten met kanker (matig GRADE).
(Imanaka, 2013; Imanaka, 2014; Kress, 2014)
Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat methadon even effectief is als morfine bij de behandeling van pijn bij patiënten met kanker (zeer laag GRADE).
(Good, 2014; Nicholson, 2007)
Er is onvoldoende bewijs over de effectiviteit van buprenorfine ten opzichte van de overige opioïden bij patiënten met kanker (zeer laag GRADE).
Subvraag 2: Zijn er verschillen in bijwerkingen tussen sterk werkende opioïden?
Er is een bewijs van lage kwaliteit dat transdermaal toegediend fentanyl en buprenorfine minder vaak leiden tot obstipatie dan andere opioïden (laag GRADE).
(Hadley, 2013; Koyyalagunta, 2012; Tassinari, 2011; Yang, 2010)
Er is bewijs van lage kwaliteit dat er geen verschillen zijn in andere bijwerkingen tussen oraal toegediend morfine, oxycodon, hydromorfon en methadon en transdermaal toegediend fentanyl en buprenorfine (laag GRADE).
(Caraceni, 2011; Good, 2014; Hadley, 2013; King, 2011; Koyyalagunta, 2012; Mesgarpour, 2013; Nicholson, 2007; Pigni, 2011; Tassinari, 2008; Tassinari, 2011; Wiffen, 2013; Wiffen, 2014; Yang, 2010)
Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat er een grotere kans is op het staken van methadon als gevolg van bijwerkingen in vergelijking met morfine (zeer laag GRADE).
(Nicholson, 2007)
Er is bewijs van matige kwaliteit dat tapentadol een lager risico op gastro-intestinale bijwerkingen (vooral misselijkheid en braken) geeft dan morfine en oxycodon (matig GRADE).
(Imanaka, 2013; Imanaka, 2014; Kress, 2014)
Er is bewijs van zeer lage kwaliteit dat gebruik van opioïden gepaard gaat met symptomatisch hypogonadisme (zeer laag GRADE).
(McWilliams, 2014)
Subvraag 3: Wat is de effectiviteit van opioïden bij neuropatische pijn?
Over de effectiviteit van sterk werkende opioïden bij patiënten met kanker en neuropatische pijn kan geen uitspraak worden gedaan.
Samenvatting literatuur
Beschrijving van de studies
De effectiviteit van opioïden voor de behandeling van chronische (niet-neuropatische) pijn bij kanker werd in 13 van deze reviews beschreven (Caraceni, 2011; Deandrea, 2009; Good, 2014; Hadley, 2013; King, 2011; Koyyalagunta, 2012; Mesgarpour, 2014; Nicholson, 2007; Pigni, 2011; Tassinari, 2011; Wang, 2012; Wiffen, 2013; Yang, 2010; zie tabel 2). In deze 13 reviews werden bovengenoemde sterkwerkende opioïden (met uitzondering van tapentadol) met elkaar vergeleken.
Over tapentadol, een recent op de markt verschenen opioïd, waren nog uitsluitend RCTs en geen reviews beschikbaar (Imanaka, 2013; Imanaka, 2014; Kress, 2014).
Drie reviews beschreven uitsluitend bijwerkingen van opioïden (McWilliams, 2014; Tassinari, 2008; Wiffen, 2014). In de andere reviews werden bijwerkingen samen met de effecten genoemd.
Hoewel er diverse studies zijn naar de effectiviteit van opioïden bij niet-oncologische neuropatische pijn, is er over de effectiviteit van opioïden voor neuropatische pijn bij kanker weinig gepubliceerd. In één review worden vier studies besproken, die de effectiviteit van diverse opioïden bij patiënten met kanker evalueren (Jongen, 2013).
Hieronder worden de geïncludeerde reviews in wat meer detail beschreven.
In de systematische review van Koyyalagunta (2012) werd de effectiviteit van opioïden bestudeerd bij pijn bij patiënten met kanker. Alleen studies met een follow-up van vier weken of langer werden geïncludeerd. In deze review werden uiteindelijk negen RCTs (n=1051) opgenomen, waarvan vier studies sterkwerkende opioïden met elkaar vergeleken.
In de systematische review van Mesgarpour (2014) werden de effectiviteit en veiligheid van langwerkende opioïden met vertraagde afgifte vergeleken. Deze studie includeerde vijf RCTs (om de effectiviteit te bestuderen) en vier observationele studies (om het bijwerkingprofiel te bestuderen).
In de systematische review van Wiffen (2013) werd de effectiviteit geëvalueerd van morfine bij pijn bij patiënten met kanker. In deze review werden 62 RCTs (n=4241) geïncludeerd. 21 van deze studies vergeleken immediate of slow release morfine met een ander sterkwerkend opioïd. Door de heterogeniteit in de uitkomstmaten van de studies was het niet mogelijk om de resultaten te poolen.
In de systematische review van Caraceni (2011) werden de effectiviteit en bijwerkingen van morfine bij pijn bij patiënten met kanker geëvalueerd. In deze review werden 17 RCTs (n=2053) geïncludeerd die de effectiviteit en bijwerkingen van immediate of slow release morfine vergelijken met placebo of een ander sterkwerkend opioïd. Door de heterogeniteit van de studies was het niet mogelijk om de resultaten te poolen.
In de systematische review van Hadley (2013) werden de effectiviteit en de bijwerkingen van transdermaal toegediend fentanyl onderzocht. Er werden negen studies (allen RCTs) bij 1244 patiënten (waarvan er bij 1197 de data geëvalueerd kon worden) geïdentificeerd. Zes van deze studies vergeleken fentanyl met een ander sterkwerkend opioïd. Ook hier was een meta-analyse van de data niet mogelijk.
In de systematische review van Deandrea (2009) werden de effectiviteit en bijwerkingen van transdermaal toegediende buprenorfine geëvalueerd. Er werden 12 studies (zes RCTs en zes prospectieve observationele studies, n=4699) geïdentificeerd. Eén RCT vergeleek buprenorfine met morfine.
Tassinari (2011) besprak in een systematische review de effectiviteit en bijwerkingen van transdermaal toegediend fentanyl en buprenorfine. Er werden twee eerder verschenen meta-analyses en 11 gerandomiseerde studies geïncludeerd, waarbij in zeven studies fentanyl of buprenorfine werd vergeleken met een ander sterkwerkend opioïd. Het aantal geïncludeerde patiënten werd niet vermeld.
In de systematische review en meta-analyse van Yang (2010) werden de effectiviteit van transdermaal toegediend fentanyl en morfine slow release met elkaar vergeleken bij Chinese patiënten. In deze meta-analyse werden 32 cohortstudies gepoold (n=2651) en werden de effectiviteit en de incidentie van bijwerkingen vergeleken.
In de systematische review van King (2011) werd het effect van oxycodon op pijn bij patiënten met kanker bestudeerd. In deze review werden 29 originele studies geïncludeerd waarvan acht RCTs, die immediate en slow release oxycodon vergeleken met een ander opioïd. Door heterogeniteit van de studies was het niet mogelijk om de resultaten te poolen.
In de systematische review en meta-analyse van Wang (2012) werden de effectiviteit en bijwerkingen onderzocht van oxycodon versus andere opioïden in Chinese patiënten met pijn en kanker. Er werden zeven RCTs (n=613) geïncludeerd in deze review, waarvan vier studies oxycodon (in twee studies in combinatie met paracetamol) vergeleken met morfine. Deze systematische review is uitsluitend uitgevoerd bij Chinese patiënten en de resultaten van de RCTs zijn uitsluitend gepubliceerd in Chinese tijdschriften.
De meta-analyse is verricht op basis van vier RCTs waarbij oxycodon (één keer combinatie met paracetamol) werd vergeleken met codeïne of morfine (drie keer).
Pigni (2011) beschrijft in een systematische review de effectiviteit van hydromorfon bij patiënten met pijn bij kanker. Er werden 13 RCTs (n=1208) geïncludeerd waarvan zeven studies immediate of slow release hydromorfon vergeleken met een sterkwerkend opioïd. Door heterogeniteit van de studies was het niet mogelijk om de resultaten te poolen.
Om de effectiviteit van methadon te bestuderen wordt de Cochrane review van Nicholson (2007) als uitgangspunt genomen. Voor deze review werd van 1966 tot mei 2007 gezocht in de Cochrane Library, Medline en Embase. RCTs van volwassenen met kanker en pijn worden geïncludeerd. Studies waarbij patiënten al methadon gebruikten of hadden gebruikt worden geëxcludeerd.
De recente systematische review van Good (2014) gaf een aanvulling op de bovengenoemde Cochrane review en bestudeerde de RCTs die vanaf januari 2007 tot december 2013 zijn gepubliceerd met dezelfde onderzoeksvraag. In totaal werden vier RCTs (n=272) geïncludeerd, waarbij methadon werd vergeleken met een ander sterkwerkend opioïd.
In tabel 2 staat een overzicht van de in de systematische reviews aangehaalde literatuur. Wanneer de Chinese studies buiten beschouwing worden gelaten, gaat het om 29 vergelijkende studies. Morfine werd in 26 studies onderzocht, fentanyl in 9 studies, buprenorfine in 2 studies, oxycodon in 11 studies, hydromorfon in 4 studies en methadon in 4 studies.
Er werden geen systematische reviews gevonden die het effect van tapentadol op pijnintensiteit beschreven bij patiënten met pijn bij kanker. Wel werden er drie RCTs gevonden die deze vraag hebben beantwoord.
Imanaka (2013) beschrijft in een RCT het effect van tapentadol (n=168) versus oxycodon (n=172) op pijnintensiteit bij patiënten met pijn bij kanker. Het doel was om de non- inferioriteit van tapentadol aan te tonen. Patiënten hadden reeds een sterk opioïd gebruikt en waren niet tevreden met hun pijnmedicatie. Beide medicijnen werden oraal toegediend. De pijnintensiteit werd gemeten met een Numeric Rating Scale (0 tot 10). Daarnaast werd de incidentie van bijwerkingen geëvalueerd. Patiënten werden gedurende vier weken gevolgd. Imanaka (2014) beschrijft een RCT die het effect van tapentadol (n=50) versus morfine met vertraagde afgifte (n=50) op pijnintensiteit bestudeert bij patiënten met pijn bij kanker. De patiënten werden reeds met een sterk opioïd behandeld. De pijnintensiteit werd gemeten met een Numeric Rating Scale (0 tot 10). Daarnaast werd de incidentie van bijwerkingen geëvalueerd. Patiënten werden gedurende acht weken gevolgd.
Kress (2014) beschrijft in een RCT het effect van tapentadol (n=106) versus morfine (n=102) en versus placebo (n=112) op pijnintensiteit bij patiënten met pijn bij kanker. Het doel was om non-inferioriteit van tapentadol aan te tonen. De pijnintensiteit werd gemeten met een Numeric Rating Scale (0 tot 10). Daarnaast werd de incidentie van bijwerkingen geëvalueerd. Patiënten werden gedurende vier weken gevolgd.
In de Cochrane review van Wiffen (2014) werden de bijwerkingen van opioïden (morfine, fentanyl, oxycodon en codeïne) geëvalueerd in RCTs voor de behandeling van pijn bij patiënten met kanker. Sufheid, anorexie en dorst waren de primaire uitkomstmaten. In deze review werden 77 studies (n=5619) geselecteerd, waarvan 43 (n=2160) uitsluitend morfine bestudeerden, 18 (n=1382) morfine versus een ander opioïd, vier (n=801) uitsluitend fentanyl, zes (n=574) uitsluitend oxycodon, twee (n=371) oxycodon versus een ander opioïd (hydromorfon of tapentadol), twee (n=110) uitsluitend codeïne en twee (n=221) codeïne versus een ander opioïd (tramadol of hydrocodon). Het was niet mogelijk om de bijwerkingen te poolen, omdat de studies erg varieerden in de wijze en betrouwbaarheid waarmee bijwerkingen werden gerapporteerd.
McWilliams (2014) bestudeerde in een systematische review de relatie tussen opioïdgebruik en hypogonadisme in patiënten met kanker. Deze review identificeerde vier observationele studies (n=125). Door heterogeniteit van de studies was het niet mogelijk om de resultaten te poolen.
In de systematische review van Tassinari (2008) werden vier gerandomiseerde studies opgenomen, die de bijwerkingen van transdermaal toegediend fentanyl (drie studies) of buprenorfine (één studie) vergeleken met slow release morfine bij in totaal 425 patiënten.
Jongen (2013) bestudeerde in een systematische review het wetenschappelijk bewijs voor het effect en de bijwerkingen van medicamenteuze behandeling van neuropathische pijn bij kanker. Er werden in totaal 30 artikelen geïncludeerd, waarvan er vier (n=1081) de effecten van diverse opioïden beschreven. Eén studie (met tramadol) was gerandomiseerd.
Tabel 2. Vergelijkende studies van effectiviteit van sterkwerkende opioïden
|
Review
Vergelijking |
Caraceni 2011 |
Deandrea 2009 |
Good 2014 |
Hadley 2013 |
King 2011 |
Koyya- lagunta 2012 |
Mesgar- pour 2014 |
Nicholson 2007 |
Pigni 2011 |
Tassinari 2011 |
Wang 2012 |
Wiffen 2013 |
Yang 2010 |
|||||||||||||
|
Morfine |
Fentanyl (Van Seventer, 2003) |
+ |
|
|
+ |
|
+ |
+ |
|
|
+ |
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Fentanyl (Ahmedzai, 1997) |
+ |
|
|
+ |
|
|
+ |
|
|
+ |
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Fentanyl (Wong, 1997) |
+ |
|
|
+ |
|
|
|
|
|
+ |
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Fentanyl (Ozrurk, 2008) |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Fentanyl (Kress, 2008) |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||
|
|
Fentanyl (Hunt, 1999) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
||||||||||||
|
|
Fentanyl (32 vergelijkende Chinese cohortstudies) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
||||||||||||
|
|
Fentanyl en methadon (Mercadante, 2008) |
+ |
|
+ |
+ |
|
+ |
+ |
|
|
+ |
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Buprenorfine (Pace, 2007) |
+ |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Lauretti, 2003) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Heiskanen, 1997/2000) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (MuciLoRosso, 1998) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Kalso, 1990) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Bruera, 1998) |
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Ferrell, 1989) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Mercadante, 2010) |
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (Beaver, 1978) |
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
||||||||||||
|
|
Oxycodon (3 RCTs bij Chinese patiënten) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
||||||||||||
|
|
Hydromorfon (Moriarty, 1999) |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
+ |
|
||||||||||||
|
|
Hydromorfon (Hanna, 2008) |
+ |
|
|
|
|
|
+ |
|
+ |
|
|
+ |
|
|
|||||||||||
|
|
Hydromorfon (Napp laboratories, 2000) |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
|
Hydromorfon (Houde, 1986) |
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
|
Hydromorfon (Wirz, 2008) |
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
|
Methadon (Bruera, 2004) |
+ |
|
|
|
|
+ |
|
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|||||||||||
|
|
Methadon (Ventafridda, 1998) |
+ |
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
+ |
|
|
|||||||||||
|
|
Methadon (Mercadante, 1998) |
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
|
Bromptom Cocktail (Melzack, 1979) |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|||||||||||
|
|
Brompton Cocktail (Twycross, 1976) |
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
|
|
|||||||||||
|
Oxycodon |
Hydromorfon (Hagen, 1997) |
|
|
|
|
+ |
|
+ |
|
+ |
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
|
Oxymorfon (Gabrail, 2004) |
|
|
|
|
+ |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||||||
|
Hydromorf on |
Fentanyl en buprenorfine (Wirz, 2009) |
|
|
|
|
|
|
|
|
+ |
+ |
|
|
|
|
|||||||||||
1 De in de tabel genoemde literatuurreferenties staan vermeld in de literatuurlijst van de systematische reviews
Results
Subvraag 1: Is er verschil in effectiviteit tussen sterkwerkende opioïden?
Alle systematische reviews laten zien dat er geen verschillen aantoonbaar zijn in effectiviteit tussen sterkwerkende opioïden (morfine, fentanyl, oxycodon, hydromorfon en methadon) bij de behandeling van pijn bij patiënten met kanker (Caraceni, 2011; Deandrea, 2009; Good, 2014;Hadley, 2013; King, 2011; Koyyalagunta, 2012; Mesgarpour, 2014; Nicholson, 2007; Pigni, 2011; Tassinari, 2011; Wiffen, 2013; Yang, 2010). Uit de reviews van Deandrea (2009) en Tassinari (2011) blijkt dat er voor buprenorfine slechts één vergelijkende studie (met morfine) beschikbaar is bij 52 patiënten met kanker, waarbij de mogelijkheid bestond om buprenorfine te combineren met tramadol bij onvoldoende effect (Pace, 2007). Op basis van deze studie kan niet worden geconcludeerd dat buprenorfine even effectief is als morfine voor de behandeling van pijn bij patiënten met kanker. De bewijskracht van de meeste in de systematische reviews opgenomen studies is laag tot zeer laag, mede door de heterogeniteit in uitkomstmaten die in de studies wordt gebruikt. Een rechtstreekse VAS- of NRSscore wordt vaak niet genoemd. Veel genoemde uitkomstmaten zijn het percentage verbetering of het aantal responders met een bepaalde mate van pijnreductie of pijn na behandeling. De enige beschikbare meta-analyse (Wang, 2012) laat een verschil zien ten voordele van oxycodon (vergeleken met codeïne en morfine). De kwaliteit van deze meta-analyse is zeer laag. Bovendien zijn alle studies verricht bij Chinese patiënten en uitsluitend gepubliceerd in Chinese tijdschriften.
Van het recenter op de markt gekomen tapentadol zijn er (nog) geen systematische reviews gepubliceerd. De RCTs die bij pijn bij patiënten met kanker zijn uitgevoerd (Imanaka, 2014; Imanaka, 2013; Kress, 2014) geven aan dat het effect van tapentadol op pijnintensiteit niet inferieur is aan dat van morfine of oxycodon. Bewijskracht van de literatuur Wat betreft de sterke opioïden is de bewijskracht voor de uitkomstmaat pijnintensiteit met 2 niveaus verlaagd, wegens beperkingen in studieopzet (deze varieerde per studie, maar de belangrijkste beperkingen waren onduidelijkheid over randomisatie, geen adequate vergelijking met controlegroep, geen duidelijke rapportage van verandering pijnintensiteit) en heterogeniteit (waardoor pooling niet mogelijk was)). Wat betreft de tapentadol is de bewijskracht voor de uitkomstmaat pijnintensiteit met 1 niveau verlaagd wegens beperkingen in studieopzet (geen adequate blindering). Wat betreft methadon is de bewijskracht voor de uitkomstmaat pijnintensiteit met 3 niveaus verlaagd wegens beperkingen in studieopzet (onduidelijkheid over randomisatieprocedure en blindering), imprecisie (onvoldoende gepowerde studies) en heterogeniteit van de geïncludeerde studies.
Subvraag 2: Zijn er verschillen in bijwerkingen tussen sterkwerkende opioïden?
Met betrekking tot bijwerkingen wordt in vier systematische reviews aangegeven dat transdermaal toegediend fentanyl minder vaak aanleiding geeft tot obstipatie dan andere opioïden (Hadley, 2013; Koyyalagunta, 2012; Tassinari, 2008; Yang, 2010). Hadley (2013) laat zien dat bij de met transdermaal fentanyl behandelde patiënten de incidentie van obstipatie duidelijk minder was dan bij orale morfine (28% vs. 46%, odds ratio 0.61). In de systematische review van Tassinari (2008) wordt een odds ratio van 0.38 (p<0.001) genoemd, in de systematische review van Yang (2010) een odds ratio van 0,35. In de eerder genoemde studie van Pace (2007) werd minder vaak obstipatie gezien bij gebruik van transdermaal buprenorfine dan bij gebruik van morfine.
Alle systematische reviews geven aan dat er geen verschillen zijn in het optreden van andere bijwerkingen dan obstipatie tussen oraal toegediend morfine, oxycodon en hydromorfon en transdermaal toegediend fentanyl en buprenorfine (Caraceni, 2011; Deandrea, 2009; Good, 2014; Hadley, 2013; King, 2011; Koyyalagunta, 2012; Mesgarpour, 2014; Nicholson, 2007; Pigni, 2011; Tassinari, 2008; Tassinari, 2011; Wang,2012; Wiffen, 2013; Wiffen, 2014; Yang, 2010). De bewijskracht van de opgenomen studies is (zeer) laag. Vaak wordt niet aangegeven hoe bijwerkingen zijn gedefinieerd en hoe de data over bijwerkingen zijn verzameld (Wiffen, 2014). De enige uitzondering met betrekking tot het optreden van bijwerkingen is de meta-analyse van Wang (2012), die aangeeft dat oxycodon minder vaak aanleiding geeft tot obstipatie en misselijkheid (OR respectievelijk 0,52 en 0,55). Deze meta-analyse omvat zeven RCTs en 613 patiënten en is verricht bij uitsluitend Chinese patiënten (Wang, 2012). Alle studies zijn verricht bij Chinese patiënten en uitsluitend gepubliceerd in Chinese tijdschriften.
Tabel 3, overgenomen uit Wiffen (2014), geeft een overzicht van de incidentie van bijwerkingen bij gebruik van opioïden.
Tabel 3. Bijwerkingen van morfine, oxycodon, fentanyl of codeïne
|
Morfine – oraal |
Fentanyl – Transdermaal |
Oxycodon – oraal |
Codeïne – oraal |
Alle opioïden |
||||||
|
Bijwerking |
Events / totaal |
% |
Events / totaal |
% |
Events / totaal |
% |
Events / totaal |
% |
Events / totaal |
% |
|
Misselijkheid |
267 / 1205 |
22 |
93 / 664 |
14 |
201 / 885 |
23 |
61 / 171 |
36 |
622 / 2925 |
21 |
|
Overgeven |
115 / 869 |
13 |
43 / 587 |
7 |
119 / 866 |
14 |
40 / 171 |
23 |
317 / 2493 |
13 |
|
Obstipatie |
355 / 1189 |
30 |
105 / 632 |
17 |
196 / 885 |
22 |
52 / 171 |
30 |
708 / 2877 |
25 |
|
Diarree |
18 / 416 |
4 |
Geen data |
29 / 383 |
8 |
0 / 99 |
0 |
47 / 898 |
5 |
|
|
Dyspepsie |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
|||||
|
Verminderde eetlust / anorexie |
38 / 354 |
11 |
9 / 20 |
45 |
38 / 221 |
17 |
2 / 99 |
2 |
87 / 694 |
13 |
|
Droge mond |
104/222 |
47 |
3 / 117 |
3 |
37 / 469 |
8 |
18 / 134 |
13 |
162 / 942 |
17 |
|
Dysfagie |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
|||||
|
Dehydratie |
Geen data |
2 / 117 |
2 |
Geen data |
Geen data |
2 / 117 |
2 |
|||
|
Slaperigheid |
290 / 1205 |
24 |
26 / 204 |
13 |
172 / 715 |
24 |
29 / 134 |
22 |
517 / 2258 |
23 |
|
Delier |
1 / 54 |
2 |
Geen data |
6 / 172 |
3 |
Geen data |
7 / 226 |
3 |
||
|
Duizeligheid |
89 / 592 |
15 |
4 / 117 |
3 |
61 / 488 |
13 |
21 / 134 |
16 |
175 / 1331 |
13 |
|
Insomnia |
1/20 |
5 |
5 / 137 |
4 |
21 / 435 |
5 |
0 / 99 |
0 |
27 / 691 |
4 |
|
Asthenie |
Geen data |
2 / 117 |
2 |
14 / 208 |
7 |
5 / 94 |
5 |
21 / 419 |
5 |
|
|
Hallucinaties |
6 / 305 |
2 |
2 / 117 |
2 |
0 / 60 |
0 |
4 / 59 |
7 |
12 / 541 |
2 |
|
Stemmings- wisselingen |
20 / 451 |
4 |
Geen data |
Geen data |
Geen data |
20 / 451 |
4 |
|||
Met betrekking tot methadon geven de systematische reviews van Nicholson (2007) en Good (2014) aan dat er geen verschillen waren in bijwerkingen tussen methadon en morfine. In een van de RCTs werd methadon vaker gestaakt dan morfine vanwege bijwerkingen, samenhangend met het risico op accumulatie.
Wat betreft tapentadol, geven de RCTs (Imanaka, 2014; Imanaka, 2013; Kress, 2014) aan dat er minder gastro-intestinale bijwerkingen gerapporteerd worden bij gebruik van tapentadol dan bij gebruik van morfine of oxycodon. In de studie van Kress (2014) trad misselijkheid op bij 12% van de patiënten die behandeld werd met tapentadol en bij 24% van de patiënten die behandeld werd met morfine; voor braken waren de percentages respectievelijk 5% en 16% en voor obstipatie respectievelijk 14% en 17%. In de studie van Imanaka (2014) trad braken op bij 6% van de patiënten die behandeld werd met tapentadol en bij 26% van de patiënten die behandeld werd met morfine; voor obstipatie waren de percentages respectievelijk 12% en 20%. In de studie van Imanaka (2013) werden gastro-intestinale bijwerkingen gezien bij 55% van de patiënten die tapentadol gebruikten en bij 67% van de patiënten die morfine gebruikten.
In het artikel van McWilliams (2014) werd bij drie van de vier opgenomen studies een verband gevonden tussen gebruik van opioïden en symptomatisch hypogonadisme.
Bewijskracht van de literatuur
Wat betreft fentanyl is de bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen met twee niveaus verlaagd, wegens beperkingen in studieopzet (geen duidelijke rapportage over hoe bijwerkingen werden gedefinieerd en bijgehouden) en heterogeniteit van de geïncludeerde studies.
Wat betreft de sterke opioïden is de bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen met twee niveaus verlaagd, wegens beperkingen in studieopzet (deze varieerde per studie, maar belangrijkste waren onduidelijkheid over randomisatie, geen adequate vergelijking met controlegroep, geen duidelijke rapportage van hoe bijwerkingen werden gedefinieerd en bijgehouden) en heterogeniteit van de studies (verschil in duur follow-up en dosering opioïd).
Wat betreft de tapentadol is de bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen met 1 niveau verlaagd wegens beperkingen in studieopzet (geen adequate blindering).
Wat betreft methadon is de bewijskracht voor de uitkomstmaat bijwerkingen met 3 niveaus verlaagd wegens beperkingen in studieopzet (onduidelijkheid over randomisatieprocedure en blindering), imprecisie (inadequaat gepowerde studies) en heterogeniteit van de geïncludeerde studies.
Wat betreft de bijwerking hypogonadisme bij opioïden, is de bewijskracht met 3 niveaus verlaagd, wegens beperkingen in studieopzet (inadequate blindering), imprecisie (inadequaat gepowerde studies) en heterogeniteit van de geïncludeerde studies.
Subvraag 3: Wat is de effectiviteit van opioïden bij neuropatische pijn?
De systematische review van Jongen, 2013 beschrijft dat de gemiddelde Absolute Risk Benefit voor opioïden (geschat op basis van één van de vier studies) 0,95 was (95% BI: 0,93 tot 0,96). Dit betreft een niet-gerandomiseerde studie (Mishra, 2009), waarbij patiënten behandeld werden volgens de WHO-ladder. Als opioïden werden codeïne, tramadol en morfine toegepast. Daarnaast werden gabapentine (bij 30%), amitriptyline (30%), dexamethason met of zonder gabapentine (40%) toegepast.
Slechts één van de andere drie studies had betrekking op het effect van een sterkwerkend opioïd (oxycodon) op neuropatische pijn. De patiënten in deze studie werden naast de oxycodon echter ook behandeld met anti-epileptica.
Op basis van deze vier studies kan derhalve geen uitspraak worden gedaan over de effectiviteit van opioïden bij (zuiver) neuropatische pijn bij patiënten met kanker.
Zoeken en selecteren
A systematic review of the literature was performed to answer the following question:
What is the effect of strong-acting opioids when treating pain in patients with cancer?
This was divided into three sub-questions:
- Is there a difference in effectiveness between strong-acting opioids?
- Is there a difference in side effects between strong-acting opioids?
- What is the effectiveness of strong-acting opioids in neuropathic pain?
Table 1. PICO
| Patients |
ad 1 and 2: patients with cancer and chronic pain ad 3: patients with cancer and neuropathic pain |
| Intervention | ad 1-3: strong opioids (morphine, fentanyl, buprenorphine, oxycodone, hydromorphone, methadone or tapentadol); (ad 3 also tramadol) |
| Control | ad 1-3: other opioids or placebo |
| Outcomes |
ad 1 and 3: pain intensity; ad 2: incidence of side effects |
Relevant outcome measures
The guideline panel considered pain intensity as a critical outcome measure for decision making; and incidence of side effects as an important outcome measure for decision making.
A priori, the guideline panel did not define the outcome measures listed above but used the definitions used in the studies.
Search and select (Methods)
A systematic literature search was performed by a medical information specialist using the following bibliographic databases: Embase.com, Cochrane and Ovid/Medline. The databases were searched for systematic reviews, RCTs and observational studies. Systematic searches were completed using a combination of controlled vocabulary/subject headings (e.g., Emtree-terms, MeSH) wherever they were available and natural language keywords. The overall search strategy was derived from relevant search concepts. Duplicates were removed using EndNote software. After deduplication a total of 1460 records were imported for title/abstract screening. Initially, 36 studies were selected based on title and abstract screening. After reading the full text, 21 studies were excluded (see the exclusion table under the tab ‘Evidence tabellen’), and 17 studies were included (Caraceni, 2011; Deandrea, 2009; Good, 2014; Hadley, 2013; Jongen, 2013; King, 2011; Koyyalagunta, 2012; McWilliams, 2014; Mesgarpour, 2014; Nicholson, 2007; Pigni, 2011; Tassinari, 2008; Tassinari, 2011; Wang, 2012; Wiffen, 2013; Wiffen, 2014; Yang, 2010). One of these reviews (King, 2011) included another review (Reid, 2006).
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 12-03-2026
Beoordeeld op geldigheid : 12-03-2026
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2022 een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster pijnmanagement bestaat uit meerdere richtlijnen, zie hier voor de actuele clusterindeling. De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroep
- Dr. J.W. (Jan Willem) Kallewaard, anesthesioloog-pijnspecialist, NVA (voorzitter)
- Drs. M.O. (Maarten) Mensink, kinderanesthesioloog en pijnarts, NVA
- Drs. E.M. (Esther) Boot, neuroloog, NVN
- Dr. K.B. (Kim) Gombert-Handoko, ziekenhuisapotheker, NVZA
- Dr. J.L. (Loes) Swaan, revalidatiearts, VRA
- Drs. S.J. (Stijn) Westerbos, kinderorthopeed, NOV
- Drs. P.J.W.J. (Hans) van Dongen, patiëntvertegenwoordiger, Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem
Clusterexpertisegroep
- Prof. dr. M.A.H. (Monique) Steegers, anesthesioloog-pijnspecialist, NVA
- Dr. K.T.E. (Kim) Olde Dubbelink, anesthesioloog-pijnspecialist, NVA
- E.J.H. (Elle) van Dijk – van Oort MSc, physician assistant, NAPA
- Drs. I.L. (Ilona) Thomassen-Hilgersom, patiëntvertegenwoordiger, Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem
- Drs. T.G. (Thomas) Knuijver, verslavingsarts, VVGN
- Prof. dr. F.G.A. (Frank) Jansman, ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, NVZA
- M. (Manon) Immerzeel, verpleegkundig specialist AGZ, V&VN
- Dr. E.J.M. (Evelien) Kuip, internist-oncoloog, NIV
Met ondersteuning van
- Dr. F. Willeboordse, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Drs. I. van Dijk, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Restrictie |
|
Jan Willem Kallewaard |
Anesthesioloog-pijnspecialist Rijnstate en AMC |
Beroepsbelangencie NVA sectie pijn nva anesthesioloog in rijnstate en aumc |
Geen |
Geen |
Onderzoek gesponsord door industrie neuromodulatie: boston scientific 50.000 euro; onderzoek naar de effecten van neuromodulatie op pijn bij endometriose 2022-2023. Dhr. Kallewaard is hierbij PI. Neuromodulatie is een klein onderdeel van dit cluster, bij enkele modules is dit of kan dit in de toekomst één van de last-resort behandelopties zijn.Geen |
Geen |
Geen |
Besluit: Wanneer onderwerpen rondom neuromodulatie binnen het cluster worden ontwikkeld (of wanneer er discussie plaats vindt over de prioritering) zal Dhr. Kallewaard niet deelnemen aan de vergadering en zal een vice-voorzitter (Dhr. Mensink) waarnemen als voorzitter. |
|
Maarten Onno Mensink |
kinderanesthesioloog - pijnspecialist bij Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie |
Beroepsbelangencie NVA sectie pijn nva anesthesioloog in rijnstate en aumc |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Stijn Westerbos |
Fellow (oncologische) kinder orthopedie Prinses Maxima centrum Utrecht Cello Kinder orthopedie Wilhelmina kinder ziekenhuis Utrecht |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Esther Boot |
Neuroloog, Rijnstate |
Lid van werkgroep pijn NVN |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Kim Gombert-Handoko |
Lid werkgroep |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Loes Swaan |
Revalidatiearts in dienst van Rijndam Revalidatie te Rotterdam. |
- Lid van de Werkgroep Pijnrevalidatie Nederland van de VRA Onbetaald. - Lid van de Commissie Onderzoek en Onderwijs van het Netwerk Pijnrevalidatie Nederland (onbetaald) - Gastdocent Hogeschool Rotterdam (incidenteel, betaald). - Lid redactie nieuw uit te geven boek over pijnrevalidatie bij Bohn Stafleu van Loghum (onbetaald). |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Hans van Dongen |
- gepensioneerd -Vereniging samenwerkingsverband pijnpatiënten naar één stem - penningmeester, vrijwillige functie,
|
- adviserend lid Projectgroep van het project spiegelprogramma voor het reduceren voorschrijven sterkwerkende opioïden door huisartsen, project van het Academisch Huisartsennetwerk van U MC Amsterdam, vrijwillige functie - adviserend lid bij de subsidieaanvraag van het project "Esketamine-infusies voor refractaire chronische pijn bij patiënten met depressieve en niet-depressieve symptomen, met vacatiegeld (is afgerond); - Stichting Pijn-Hoop, interim-voorzitter en penningmeester, vrijwillige functie, algemene patiëntenorganisatie gericht op chronische pijn; - voorzitter Adviesraad Sociaal Domein Noordwijk, met vacatiegeld; - Stichting Sociale Projekten, voorzitter, vrijwillig |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Restrictie |
|
Monique Steegers |
Anesthesioloog-pijnspecialist Amsterdam UMC |
Geen |
Geen |
Geen |
PI bij: 1) OMAMA (ZonMw) - onderwerp: effectiviteit laxeermiddelen bij patiënten met ver gevorderde kanker en obstipatie en 2) duloxetine versus qutenza (Grunenthal) - onderwerp: effectiviteit van de 2 geneesmiddelen bij pijnlijke chemotherapie geïnduceerde perifere neuropathie Beiden zijn lopende studies |
Geen |
Geen |
Monique Steegers |
|
Kim Olde Dubbelink |
Anesthesioloog-pijnspecialist Radboudumc |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
|
E. Dijk-Van van Oort |
MSc Physician Assistant Anesthesie - Pijngeneeskunde |
Geen |
Geen |
Geen |
Ja |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Ilona Thomassen-Hilgersom |
voorzitter Samenwerkingsverband Pijnpatiënten naar één stem |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Thomas Knuijver |
Verslavingsarts en klinisch farmacoloog bij IrisZorg. Tevens docent en plaatsvervangend hoofdopleider bij NOVA, ELG, RadboudUMC. |
-Onderzoeker (8uur) betaald, onderzoek binnen de verslavingszorg, naar veiligheid en toepasbaarheid van ibogaïne, GHB en patiënt karakteristieken bij opiaatafhankelijkheid. -Docent (4uur) Onderwijs over verslavingsgeneeskunde en pharmacotoxicologie aan zorgprofeesional, oa over opioïden, de werking, bijwerking en intrapersoonlijke interacties tussen patiënt en arts. (standaard vergoeding of vrijwillig) |
Geen |
Geen |
Geen |
Deelname aan de werkgroep vergroot mijn kennis en netwerk, waardoor ik in een meer prominente positie kom en mogelijk meer onderwijs kan geven.
|
Geen |
Geen restrictie |
|
Frank Jansman |
Ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog Deventer Teaching Hospital |
Hoogleraar Klinische farmacie, in het bijzonder in de oncologie, Rijksuniversiteit Groningen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Manon Immerzeel |
Verpleegkundig specialist. AGZ. aandachtsgebied pijn. Reinier de Graaf. |
Voorzitter bestuur Afdeling pijnverpleegkundigen,V&VN (vrijwilligersvergoeding) |
Geen |
Geen |
Amsterdam UMC/ LUMC leiden Comparison between Qutenza and duloxetine for the treatment of painful chemotherapy-induced peripheral neuropathy. Coördinerend onderzoeker locatie delft.Subsidieverstekker: Grünenthal. The study is investigator initiated and no data will be shared with the subsidising party |
Voorzitter in het bestuur van V&VN pijnverpleegkundigen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Kuip |
Internist -oncoloog, arts palliatief team, Radboud UMC Nijmegen |
palliatief consulent IKNL (vanuit Radboud UMC) |
geen |
nee |
nee |
Het zou kunnen opleveren dat we gevraagd worden voor volgende (aanverwante) richtlijnen en/of het geven van praatjes. |
Geen |
Geen restrictie |
Inbreng patiëntenperspectief
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Sterkwerkende opioïden bij pijn bij patiënten met kanker |
geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet OF het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betref]. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.