Zelfmanagement bij eindstadium nierfalen

Laatst beoordeeld: 19-05-2020

Uitgangsvraag

Welke zelfmanagementopties zijn effectief voor patiënten met eindstadium nierfalen?

 

P: Patiënten met eindstadium nierfalen

I: Zelfmanagementprogramma’s/strategieën (medisch (zelf meten etc.), leefstijl, coping, communicatie met zorgverleners)

C: (Geen zelfmanagementstrategie)

O: Patiënttevredenheid, kwaliteit van leven, beloop nierfunctie, periode tot noodzaak nierfunctievervangende therapie

Aanbeveling

Het verdient aanbeveling om te onderzoeken welke mate van zelfmanagement bij de patiënt aanwezig is en welke wensen er bij de patiënt bestaan ten aanzien van het voeren en ontwikkelen van de eigen regie. Hierbij dienen mogelijkheden en onmogelijkheden benoemd te worden, moet er aandacht zijn voor het netwerk van de patiënt en is een positieve benadering van belang.

 

Er zijn geen bewezen effectieve hulpmiddelen voor ondersteuning bij zelfmanagement voor deze patiëntengroep beschikbaar.

Overwegingen

De evidence op het gebied van zelfmanagement bij patiënten met eindstadium nierfalen is zeer beperkt. Desalniettemin is het aannemelijk dat actieve betrokkenheid van de patiënt geassocieerd is met een betere therapietrouw en meer geïnformeerde besluitvorming. In de richtlijn chronische nierschade (2018) staan algemene aanbevelingen aangaande zelfmanagement, als ook vaardigheden die patiënten nodig hebben om te kunnen participeren in zelfmanagement en adviezen voor zorgverleners om zelfmanagement bij patiënten te ondersteunen.

Enkele belangrijke principes bij de ondersteuning van zelfmanagement zijn:

  1. Uitgangspunt is positiviteit: wat kan de patiënt wél, waar ligt zijnkracht?
  2. Geef de patiënt inzicht in zijn eigen drijfveren en situatie: op welke gebieden gaat het goed, op welke gebieden gaat het niet zo goed, wat wil hij nog of weer graag kunnen doen?
  3. Laat de zeggenschap over ondersteuning en hulp zoveel mogelijk bij de patiënt: wat wil hij met zijn leven, waar wil hij aan werken, welke hulp heeft hij daarbij nodig en hoe wil hij dat die hulp eruitziet?
  4. Zorg voor het versterken en inschakelen van informele en sociale netwerken. (Bron: Zorg voor beter)(2)

Allereerst is het belangrijk dat de zorgverlener vaststelt of er bij de patiënt capaciteiten tot het voeren van zelfmanagement aanwezig zijn. Vervolgens zijn er verschillende instrumenten beschikbaar, die zorgverleners en patiënten kunnen helpen bij het ontwikkelen en voeren van zelfmanagement. Te denken valt aan motiverende gespreksvoering, het formuleren van doelen en het maken van een keuze daarin, en het aanleren van vaardigheden zoals bloeddruk meten en subcutane injecties geven. De meeste interventies zijn niet gevalideerd bij patiënten met eindstadium nierfalen. Verder onderzoek hiernaar is gewenst om gerichtere aanbevelingen te kunnen geven bij specifieke patiënt categorieën (bijv. oudere versus jongere patiënten).

Inleiding

De Nederlandse overheid heeft als doel mensen zo lang mogelijk onafhankelijk en zelfstandig te laten zijn.(1) Om deze onafhankelijkheid en zelfstandigheid te kunnen realiseren is het belangrijk om de autonomie van kwetsbare mensen te versterken in een situatie van groeiende afhankelijkheid, en door hun sociale omgeving te vergroten. Dit wordt ook wel ‘empowerment’ genoemd.(2) Zelfmanagement voldoet aan het principe van empowerment. Middels zorg gericht op de kracht en mogelijkheden van het individu en actieve participatie wordt rekening gehouden met de kwetsbaarheden van het individu en gezocht naar mogelijkheden om de zelfstandigheid en onafhankelijkheid binnen de grenzen van de beperking(en) te vergroten. Het doel hiervan is dat kwetsbare mensen langer en beter in staat zijn om in het dagelijks leven zelfstandig te kunnen blijven functioneren.

In de richtlijn chronische nierschade (2018) is het begrip zelfmanagement uitgewerkt: ‘Mensen met chronische ziekten hebben zelf een belangrijke rol in het dagelijks omgaan met hun ziekte(n), bijvoorbeeld door medicijnen te gebruiken, zelf hun bloedwaarden en bloeddruk te controleren en gezond te leven. Maar ook door samen met hun zorgverleners te bepalen welke behandeling het beste bij hen past of hoe ze de benodigde ondersteuning kunnen organiseren. Vaak zullen zij ook moeten leren omgaan met de onzekerheid die het leven met een chronische ziekte met zich meebrengt en de gevolgen ervan voor hun sociaal en maatschappelijk leven. Dit alles bij elkaar wordt zelfmanagement, of ook wel eigen regie, genoemd [NIVEL, 2015].’

Zorgverleners hebben de taak patiënten te ondersteunen in het verkrijgen dan wel behouden van de eigen regie. Voorbeelden van domeinen waarin patiënten ondersteund kunnen worden met betrekking tot zelfmanagement zijn:

  • Krijgen van inzicht in de aandoening;
  • Leren bijstellen van de levensdoelen;
  • Leren omgaan met de beperkingen;
  • Ontwikkelen van oplossingsgerichte vaardigheden;
  • Vergaren van middelen en sociale contacten met als doel met de (chronische) ziekte om te kunnen gaan;
  • Leren hulp te vragen en grenzen te stellen.

De werkgroep realiseert zich dat er een grote variatie bestaat tussen patiënten in de mate waarin van zelfmanagement sprake is of kan zijn.

Conclusies

ZEER LAAG

Er is niet aangetoond dat interventies om zelfmanagement te bevorderen effectief zijn voor het beloop van de nierfunctie bij mensen met eindstadium nierfalen, maar dit resultaat is zeer onzeker.

 

ZEER LAAG

Er is niet aangetoond dat interventies om zelfmanagement te bevorderen effectief zijn voor de kwaliteit van leven bij mensen met eindstadium nierfalen, maar dit resultaat is zeer onzeker.

 

 

Het is niet bekend of er een verband is tussen interventies om zelfmanagement te bevorderen en patiënttevredenheid en periode tot noodzaak nierfunctievervangende therapie.

 

Algehele kwaliteit van bewijs: zeer laag

Samenvatting literatuur

Beschrijving studies

In totaal werd één systematische review geïncludeerd in deze literatuuranalyse.(3) Een tabel met studiekarakteristieken is opgenomen in de evidence-tabellen. In de review van Lee werden in totaal 3 studies geïncludeerd van patiënten met chronische nierschade in verschillende stadia (waaronder stadium 4 en 5) met in totaal 162 patiënten. In dezelfde review waren ook nog studies opgenomen van patiënten met hemodialyse, maar die zijn in deze evidence review niet meegenomen. De interventies in de 3 studies varieerden, maar bestonden in alle gevallen uit enige vorm van ondersteuning bij zelfmanagement. Ook de follow-up varieerde.

 

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van bewijs was zeer laag. Dat komt door beperkingen in de opzet van zowel de systematische review (in bijvoorbeeld transparantie van de analyse, het ontbreken van beschrijving en individuele resultaten van de geïncludeerde studies) als in de geïncludeerde studies zelf (één studie was niet gerandomiseerd, forse uitval, korte follow-up). Een gedetailleerde uitwerking hiervan is opgenomen in de evidence-tabellen.

 

Effectiviteit

Geen van de geïncludeerde studies beschreef als uitkomstmaat de periode tot noodzaak van nierfunctievervangende therapie en patiënttevredenheid.

Voor wat betreft het beloop van de eGFR waren drie studies geïncludeerd in de meta-analyse. Het gemiddelde verschil van interventies om zelfmanagement te bevorderen versus controle was 0,06 ml/min/1,73 m2 (95%BI: -0,69 tot 0,81).

Voor de uitkomstmaat kwaliteit van leven is gekeken naar de resultaten op de SF-36 die in één studie gerapporteerd werden. Op zowel de schaal voor fysieke kwaliteit van leven als die voor psychische kwaliteit van leven werd geen statistisch significant verschil gerapporteerd.

 

Bijwerkingen

Hiernaar is geen systematisch literatuuronderzoek gedaan.

Zoeken en selecteren

Voor een antwoord op deze vraag is op 22 augustus 2018 gezocht naar evidence (zie de zoekverantwoording). Hierbij werden 125 potentieel geschikte artikelen gevonden. De literatuur is vervolgens geselecteerd op basis van onderwerp (sluit het artikel aan bij de uitgangsvraag?) en studiekenmerken (ten minste systematisch opgezet onderzoek). De literatuurselectie is weergegeven in de zoekverantwoording. De eerste ronde literatuurselectie gebeurde op basis van abstracts, waarna 4 artikelen fulltekst werden bestudeerd. Daarbij bleken er opnieuw drie artikelen niet aan de selectiecriteria te voldoen.

Referenties

  1. 1 - VROM/VWS. Wonen en zorg op maat. Den Haag; 2001.
  2. 2 - Van Regenmortel T. Empowerment als uitdagend kader voor sociale inclusie en moderne zorg. Journal of Social Intervention: Theory and Practice. 2009;18(4):22-42.
  3. 3 - Lee MC, Wu SV, Hsieh NC, Tsai JM. Self-Management Programs on eGFR, Depression, and Quality of Life among Patients with Chronic Kidney Disease: A Meta-Analysis. Asian nurs. 2016;10(4):255-62.

Evidence tabellen

1e Auteur

Jaartal

Setting

Design

Doel

Follow-up

Patiënten

Interventie

Controle

Uitkomsten

Resultaten

Conclusie auteurs

Risk of bias

Opmerkingen

Lee

2016

-

Systematische review van RCT’s en onderzoek met ‘quasi-experimentele opzet’

Onderzoeken effectiviteit zelfmanagementprogramma op het verbeteren van de nierfunctie, depressie en kwaliteit van leven

4 weken tot 12 maanden

Voor deze review alleen gekeken naar patiënten zonder hemodialyse: 3 studies met in totaal 162 patiënten met chronische nierschade (verschillende stadia (waaronder 4 en 5), gemiddelde eGFR niet vermeld), gemiddelde leeftijd 64,1 jaar

Verschillende interventies in de drie voor deze vraag geïncludeerde studies:

  • Zelfmanagement ondersteuning: voorlichting, motivatie versterken, zelfzorg stimuleren (maandelijks), telefoon follow-up (wekelijks), ondersteuningsgroep (2x/maand)
  • Zelfmanagement voorlichting programma: voorlichting in relatie tot nierfunctie en zelfzorg (8x20 minuten in 4 weken in kleine groepen)
  • Individueel voedingsconsult: elke 2 weken, telefonisch advies, zelfmanagement uitleg, duur: 1 maand

Niet vermeld

eGFR

SF-36 PCS (fysieke component) en MCS (mentale component)

eGFR: SD: 0,06; 95%BI: -0,69 tot 0,81

SF-36 PCS en MCS: resultaten van 1 studie over voedingsadvies (n=47): PCS: gemiddelde score 35,90 (sd 10,20) vs 29,90 (7,90); p=0,107. MCS: 47,70 (11,70) vs 10,00 (12,60); p=0,069

Geen effect van zelfmanagementprogramma’s op nierfunctie en fysieke kwaliteit van leven. De auteurs concluderen wél een effect op de psychische kwaliteit van leven (maar dit is gebaseerd op de hemodialysestudies)

Zeer groot: tekortkomingen in de opzet van review, bijv. in zoek- en selectiestrategie en ook in analyse. Daarnaast beperkingen in geïncludeerde studies: weinig patiënten, relatief korte follow-up en forse lost-to-follow-up

 

 

GRADE Evidence Profile

Zelfmanagement compared to geen zelfmanagement in patiënten met eindstadium nierfalen

Literatuur: Lee, 2016

Certainty assessment

Samenvatting resultaten

Aantal deelnemers
(studies)
Follow-up

Risk of bias

Inconsistentie

Indirect bewijs

Onnauwkeurigheid

Publicatie bias

Overall certainty of evidence

Aantal events (%)

Relatief effect
(95% CI)

Absolute effecten

With geen zelfmanagement

With zelfmanagement

Risico met geen zelfmanagement

Risico verschil met zelfmanagement

eGFR (follow up: range 4 weken tot 12 maanden)

162
(3 RCTs)

zeer ernstig a

ernstig b

niet ernstig

niet ernstig

niet gevonden

⨁◯◯◯
ZEER LAAG

81

81

-

The mean eGFR was 0

0
(0 tot 0 )

Kwaliteit van leven (follow up: gemiddeld 12 weken; vastgesteld met: SF-36)

47
(1 RCT)

zeer ernstig a

niet ernstig

ernstig c

niet ernstig

niet gevonden

⨁◯◯◯
ZEER LAAG

24

23

-

   

Periode tot noodzaak nierfunctievervangende therapie - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Patiënttevredenheid - niet gerapporteerd

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

CI: Confidence interval

Explanations

a. Risk of bias in opzet systematische review, beperkt transparant qua search en selectie e.d. Ook beperkingen in opzet geïncludeerde studies: 1 v.d. studies is niet gerandomiseerd, relatief korte follow-up met forse uitval, weinig data over geïncludeerde studies

b. Grote verschillen in resultaten individuele studies, forse heterogeniteit

c. Beperkte interventie qua inhoud en duur, alleen voedingsadvies, totale duur interventie 1 maand, korte follow-up

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 19-05-2020

Laatst geautoriseerd : 19-05-2020

De Nederlandse Federatie voor Nefrologie beziet jaarlijks of herziening van (delen van) deze richtlijn noodzakelijk is. Indien dat het geval is, dan spant de Nederlandse Federatie voor Nefrologie zich ervoor in om de voorwaarden hiervoor te realiseren.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Federatie voor Nefrologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nierpatiënten Vereniging Nederland
  • Nederlandse Federatie voor Nefrologie
  • Landelijk Overleg Nier Transplantatie
  • Diëtisten Nierziekten Nederland
  • Vereniging Maatschappelijk Werk Nefrologie

Algemene gegevens

Deze richtlijn is ontwikkeld met ondersteuning van PROVA.

Samenstelling werkgroep

Voor de ontwikkeling van deze richtlijn is een werkgroep geformeerd onder voorzitterschap van mw. dr. Neelke van der Weerd, internist-nefroloog. In de werkgroep hadden gemandateerde vertegenwoordigers van de belangrijkste beroepsverenigingen die te maken hebben met de zorg rondom patiënten met (eindstadium) nierfalen. Om het patiëntenperspectief te waarborgen, hadden een ervaringsdeskundige en een medewerker van de Nierpatiënten Vereniging Nederland zitting in de werkgroep. De werkgroep is procedureel en methodologisch ondersteund door PROVA en logistiek door het bureau van de Nederlandse Internisten Vereniging. De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd vanuit een projectbudget door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten.

  • Mw. dr. Neelke van der Weerd, internist-nefroloog, Amsterdam UMC, Amsterdam, namens NIV/NfN, voorzitter
  • Mw. drs. Mariska Tuut, epidemioloog/richtlijnmethodoloog, PROVA, Varsseveld, secretaris
  • Dhr. dr. Harmen Krepel, internist-nefroloog, Bravis Ziekenhuis, Bergen op Zoom/Roosendaal, namens NIV/NfN
  • Mw. Inez Jans, diëtist nierziekten, Ziekenhuis Gelderse Vallei, Ede, namens DNN
  • Mw. Geertje Pronk, maatschappelijk werker, Alrijne Ziekenhuis, Leiderdorp, namens VMWN
  • Dhr. dr. Maarten Snoeijs, vaatchirurg, MUMC+, Maastricht, namens NVVH
  • Mw. Judith Wierdsma M.Sc., verpleegkundig specialist nierfalen, UMCU, Utrecht, namens V&VN
  • Mw. drs. Adry Diepenbroek, verpleegkundig specialist nierfalen, UMCG, Groningen, namens V&VN
  • Mw. Elisabeth van Schaik, ervaringsdeskundige, namens NVN
  • Mw. drs. Karen Prantl, beleidsmedewerker, NVN
  • Mw. dr. Marije Baas, internist-nefroloog, RadboudUMC, Nijmegen, namens LONT

 

Met medewerking van dhr. dr. Azam Nurmohamed, internist-nefroloog, Amsterdam UMC, namens LONT

Belangenverklaringen

Alle leden van de werkgroep hebben een belangenverklaring ingevuld. Hieruit bleken geen beperkingen voor deelname aan de werkgroep.

 

Naam

Hoofdfunctie(s)

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Neelke van der Weerd (voorzitter)

Internist-nefroloog AMC Amsterdam

Lid richtlijncommissie NfN

 

Geen

Geen

Geen

Geen

N.v.t.

Mariska Tuut (secretaris)

Eigenaar PROVA (adviesbureau evidence-based richtlijnontwikkeling, richtlijnmethodoloog)

PhD-candidate CAPRHI Research School, Maastricht University

-

-

-

-

-

Marije Baas

Internist-nefroloog, Radboudumc, Nijmegen

 

Geen belangen

nee

geen

geen

nee

Adry Diepenbroek

Verpleegkundig specialist nefrologie UMC Groningen

Geen

N.v.t.

Nee

Deelname aan het ‘Polder’ initiatief (Pathway for OLDer patients reaching End stage Renal disease). Dit initiatief ontvangt subsidie van de Nierstichting.

n.v.t.

nee

Inez Jans

Diëtist, Ziekenhuis Gelderse Vallei Ede

Vanuit functie betrokken bij de Alliantie Voeding in de Zorg

Fulltime dienstverband

Belangrijkste aandachtsgebieden: nierziekten, voedingsteam

DNN – voorzitter werkgroep kwaliteit – onbetaald

DNN – lid werkgroep richtlijnen – onbetaald

Lid adviesgroep Zorgstandaard AL-amyloïdose )vanuit VSOP) – onbetaald

Referent teksten over voeding voor www.mijnnieren.nl – onbetaald

Tot voor kort: lid werkgroep chronische nierschade; werkgroep is opgeheven, maar nog wel betrokken bij implementatie – was vacatiegeld

n.v.t.

nee

n.v.t.

n.v.t.

n.v.t.

Harmen Krepel

Internist-nefroloog Bravis ziekenhuis Roosendaal / Bergen op Zoom

- Lid richtlijnencommissie Nederlandse Federatie voor Nefrologie

- Lid Taskforce Thuisdialyse

Geen

Geen

Geen

N.v.t.

Geen

Karen Prantl

Beleidsmedewerker Kwaliteit & Onderzoek bij Nierpatiënten Vereniging Nederland (NVN)

Geen

Geen

Geen. NVN zet zich in voor algemene belangenbehartiging van nierpatiënten, hun naasten en donoren.

Geen

Geen

Neen

Geertje Pronk

Maatschappelijk werk dialyseafdeling, Alrijne ziekenhuis

Geen

n.v.t.

nee

n.v.t.

geen

nee

Elisabeth van Schaik

Vrijwilliger richtlijnontwikkeling vanuit Nierpatiëntenvereniging Nederland

n.v.t.

Geen persoonlijke financiële belangen

Nier patiënten uit mijn naaste omgeving kunnen wel baat hebben bij het advies. Uiteraard wordt hier vanuit de NVN gekeken naar een algemeen belang voor nierpatiënten voor wie de richtlijn uiteindelijk ook bedoeld zal zijn.

n.v.t.

n.v.t.

Niet dat ik weet

Maarten Snoeijs

Vaatchirurg MUMC+

Werkgroep zorgevaluatie NVVH

Nee

Nee

Nee

Mijn aandachtsgebied binnen de vaatchirurgie is de vaattoegangschirurgie en MUMC+ is een expertisecentrum/verwijscentrum voor complexe shuntchirurgie

Nee

Judith Wierdsma

Verpleegkundig specialist UMC Utrecht: nefrologie (80%) vasculaire geneeskunde (20%)

- Polikliniek chronische nierschade (alle stadia van nierfalen + getransplanteerde patiënt)

- Polikliniek gecompliceerde hypertensie (samenwerking nefrologie en vasculaire geneeskunde)

- Lid kernteam zorgpad(ontwikkeling) nierfalen binnen afdeling nefrologie UMC Utrecht

Nee

Nee

Nee

Nee

Nee

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Gedurende het hele proces van richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met implementatie van de richtlijn in de praktijk, bijvoorbeeld bij de samenstelling van de werkgroep, de brede knelpunteninventarisatie, het formuleren van implementeerbare aanbevelingen en de uitgebreide commentaarronde. Daarnaast wordt getracht samenvattingen van de richtlijn in Nederlandse tijdschriften te publiceren en aandacht aan de richtlijn te besteden op congressen. Informatie voor patiënten is beschikbaar via www.nieren.nl en www.thuisarts.nl waar nodig wordt deze informatie op basis van deze richtlijn bijgesteld.

Bij deze richtlijn hoort een implementatieplan (zie aanverwante producten).

Werkwijze

Knelpunteninventarisatie

In een invitational conference, gehouden op 15 mei 2018 zijn knelpunten in de zorg voor patiënten met (eindstadium) nierfalen geïnventariseerd. Voor deze invitational conference waren de volgende partijen uitgenodigd:

  • Werkgroepleden + achterban
  • Nederlandse Internisten Vereniging
    • Ouderengeneeskunde
    • Nefrologie
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nierstichting
  • Zorgverzekeraars Nederland
  • Zorginstituut Nederland
  • Inspectie voor de Gezondheidszorg
  • Vereniging Innovatieve Geneesmiddelen
  • Nederlandse Vereniging van Universitair Medische Centra
  • Stichting Topklinische Ziekenhuizen
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen
  • Nederlandse Zorgautoriteit
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Verenso
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter Bevordering der Pharmacie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • College van Medisch Immunologen

De richtlijnwerkgroep heeft in de eerste werkgroepvergadering eveneens knelpunten geïdentificeerd. Deze zijn in de invitational conference ter commentaar voorgelegd aan de deelnemers.

In de tweede vergadering van de richtlijnwerkgroep zijn de in de richtlijn te behandelen knelpunten en uitgangsvragen vastgesteld.

 

Uitwerking knelpunten en uitgangsvragen in conceptrichtlijn

Per uitgangsvraag is tevoren door de werkgroep vastgesteld op welke wijze deze werd uitgewerkt. Dit is in de inhoudelijke modules van de richtlijn vermeld.

Bij de uitgangsvragen die met behulp van systematisch literatuuronderzoek zijn beantwoord, is gebruik gemaakt van de GRADE-methodiek. Voor achtergrondinformatie hierover wordt verwezen naar de Nederlandse handleiding voor het gebruik van GRADE.(2) De evidence is samengevat door de epidemioloog in de werkgroep, met inhoudelijke input en feedback van de inhoudelijk experts in de werkgroep. Per uitgangsvraag was hiervoor een aantal ‘ambassadeurs’ aangewezen. De praktische overwegingen en conceptaanbevelingen zijn voorbereid door deze ‘ambassadeurs’ per uitgangsvraag.

De aanbevelingen, en de gehele conceptrichtlijn, zijn plenair door de werkgroep vastgesteld.

Uit het systematische literatuuronderzoek kwam naar voren dat op een aantal vragen met behulp van evidence nog geen antwoord gegeven kan worden. Een overzicht van deze kennislacunes is opgenomen in de aanverwante producten. Deze kennislacunes kunnen dienen als input voor nieuwe wetenschappelijk onderzoek.

 

Procedure voor commentaar en autorisatie

Na vaststelling van de teksten van de modules door de werkgroep, zijn deze ter commentaar aangeboden aan alle partijen die bij de knelpunteninventarisatie om input gevraagd zijn, aangevuld met de Nederlandse Vereniging voor Cardiologie, de onderzoekers van het DOMESTICO-project, de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie en de Taskforce Thuisdialyse (opgericht door NfN, NVN en Nierstichting). Het binnengekomen commentaar is door de werkgroep beoordeeld en verwerkt in de richtlijn. Daarbij is beargumenteerd welke commentaren wel en welke niet zijn overgenomen.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence' gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Na autorisatie van de richtlijn door een beroepsvereniging, wordt de richtlijn gezien als deel van de ‘professionele standaard'. Aangezien de aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt', kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie waar nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.