Outbreakmanagement
Uitgangsvraag
Wat is het beleid voor onderzoek naar de verspreiding van scabiës (crustosa) naar andere patiënten en zorgmedewerkers en wat is het beleid bij uitbraken met scabiës (crustosa)?
Aanbeveling
Een uitbraakteam bestaat tenminste uit de volgende personen:
- Arts-microbioloog
- Deskundige infectiepreventie
- Behandelend arts
- Leidinggevende(n) van de betrokken afdeling(en)
- Medisch verantwoordelijke van de betrokken afdeling(en)
- Facilitaire dienst
- Afdeling communicatie.
Aanvullend kunnen de volgende personen optioneel aansluiten of geraadpleegd worden:
- Lid raad van bestuur (RvB)
- Bedrijfsarts
- GGD-afdeling infectieziektebestrijding
- Dermatoloog.
Waar een instelling een specifiek gevraagde discipline niet in huis heeft, is de aanbeveling van de werkgroep deze discipline extern in te huren.
De volgende taken worden uitgevoerd vanuit het OMT:
- In kaart brengen van de epidemiologie, brononderzoek.
- Toezien op uitvoering van aanvullende diagnostiek.
- De contacten in kaart brengen en indelen in behandelgroepen.
- Toezien op het beleid en uitvoering van de behandeling.
- Afspraken maken over isolatie, sluiten van (delen van) afdelingen.
- Beleid voor bezoekers.
- In- en externe communicatie.
- De raad van bestuur informeren over de uitbraak, de te nemen maatregelen en het einde van de uitbraak.
Voor het melden van een uitbraak geldt het volgende:
- Een zorginstelling is verplicht op basis van de Wpg artikel 26 om een geval van scabiës te melden bij de GGD. Daarnaast dient een uitbraak met scabiës met meer dan twee personen die op dezelfde afdeling liggen, hebben gelegen of werkzaam zijn, binnen zes weken van het begin van de uitbraak gemeld te worden bij de GGD.
- Meld een langdurige uitbraak of een uitbraak op meerdere locaties aan de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en het Signaleringsoverleg zorginstellingen en antimicrobiële resistentie (SO-ZI/AMR).
- De betrokken bedrijfsarts meldt de uitbraak bij het NCvB als de scabiës is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening.
Voor het contactonderzoek geldt het volgende:
Volg de maatregelen voor scabiës crustosa bij twijfel over de vorm van scabiës bij de index.
Scabiës (gewone vorm)
- Includeer contacten (patiënten, personeel, familieleden/ bezoekers) van de index. Dit zijn alle personen die langdurig (≥ 15 minuten) of frequent (cumulatief ≥ 15 minuten) huidcontact met een patiënt hebben gehad tot zes weken voor aanvang van klachten.
- Screen personeelsleden die in het contactonderzoek zijn opgenomen op huidklachten en laat hen tijdens de verzorging of behandeling van andere patiënten persoonlijke beschermingsmiddelen (disposable handschoenen en een disposable isolatieschort met lange mouwen) dragen. Deze restrictie geldt tot twaalf uur na de eerste van twee behandelingen van de patiënt en het personeelslid.
- Behandel alle contactpersonen met klachten en personen waarbij een scabiësinfectie onomstotelijk is aangetoond (met KOH-preparaat of dermatoscopisch) zo spoedig mogelijk.
- Het over- of verplaatsen van patiënten met (verdenking) scabiës gedurende het contactonderzoek of zijn/haar behandeling wordt alleen geadviseerd indien strikt noodzakelijk en onder vermelding van bijbehorende isolatie-indicatie.
Scabiës (crustosa)
- Maak een overzicht waar de patiënt op welk tijdstip is geweest en breng de contacten in kaart.
- Includeer personen in het contactonderzoek die zowel vluchtig als meer intensief contact met de indexpatiënt en/of zijn of haar omgeving (beddengoed/kleding/meubilair) hebben gehad.
- Stel een profylactische behandeling in voor alle contacten. Zie module 1.3.
- Laat personeel dat in het contactonderzoek is opgenomen persoonlijke beschermingsmiddelen (disposable handschoenen en een disposable isolatieschort met lange mouwen) bij de verzorging en behandeling van patiënten dragen. Deze restrictie geldt tot twaalf uur na de eerste van twee behandelingen van de patiënt en het personeelslid.
Overwegingen
Taken van het outbreakmanagementteam
Vanuit de literatuur wordt geconcludeerd dat de aanpak van scabiës-outbreakmanagement in een instelling zeer complex is. Dit komt mede door de complexiteit en hoeveelheid te nemen maatregelen, het toezien op simultane behandeldagen en alle communicatie binnen een instelling rondom een uitbraak om deze succesvol aan te kunnen pakken. Er wordt geadviseerd om voor de bestrijding een outbreakmanagementteam (OMT) samen te stellen. Naast een goede samenwerking van de diverse specialisten binnen dit multidisciplinaire OMT, is het cruciaal dat het OMT voldoende leiderschap en besluitbevoegdheid heeft (Sunderkötter C, 2021 en Bouvresse S, 2010).
Na het vaststellen van scabiës crustosa bij een patiënt of medewerker van een zorginstelling of bij drie of meer gevallen van gewone scabiës met een epidemiologische link moet een OMT geformeerd worden. Bij een uitbraak (n ≥3) is het verstandig om ervan uit te gaan dat er sprake is van (nog niet ontdekte) scabiës crustosa bij een van de patiënten in de instelling, vanwege de verregaande implicaties en risico’s die dit met zich mee brengt. Het beleid moet hierop aangepast worden. Dat betekent dat, tot de twijfel kan worden weggenomen, bij de patiënt de infectiepreventiemaatregelen gelden voor scabiës crustosa voor isolatie en reiniging en desinfectie. Zie ook module Isolatiemaatregelen en module Reiniging en desinfectie.
De werkgroep is van mening dat er sprake is van een uitbraak als in een instelling drie of meer personen (gewone) scabiës hebben die op dezelfde afdeling liggen, hebben gelegen of werkzaam zijn binnen zes weken van het begin van de uitbraak. Bij twee personen zou de instelling mogelijk uit kunnen komen met beperkte acties, bij meer dan twee personen adviseert de werkgroep een OMT samen te stellen.
Bij het samenstellen van een OMT is het belangrijk dat de taken en verantwoordelijkheden van alle functionarissen en de instellingsbrede beleidsafspraken vooraf vastgelegd zijn in het infectiepreventiebeleid van de instelling om onduidelijkheden en discussies te voorkomen in een uitbraaksituatie.
Omdat bij een uitbraak soms verregaande maatregelen nodig zijn, zoals sluiting van (een) afdeling(en), is de betrokkenheid van de raad van bestuur van de zorginstelling van belang. De raad van bestuur is eindverantwoordelijk voor het scabiësbeleid, waarbij inzichtelijk moet worden gemaakt wie op welk vlak beslissingsbevoegd is.
De werkgroep is van mening dat in een uitbraaksituatie ten minste een behandelend arts (en/of dermatoloog), een arts-microbioloog, een deskundige infectiepreventie en een bedrijfsarts betrokken moeten zijn bij de invulling en de uitvoering van het beleid. Ook de direct betrokkenen van de organisatie, zoals leidinggevende(n) van de betreffende afdeling(en) en de facilitair verantwoordelijke.
In het infectiepreventiebeleid voor een scabiësuitbraak is tenminste opgenomen:
- Procedure voor het formeren van een OMT, waarbij gewerkt wordt met een mandaat om beslissingen te kunnen nemen.
- Lijst van verplichte en optionele disciplines/functionarissen die minimaal zitting hebben in een OMT.
- Overzicht van de taken van een OMT waaronder:
- Bron- en contactonderzoek, behandeling van patiënten en contacten;
- Instellen van aanvullende infectiepreventie maatregelen;
- Communicatie naar in- en externe personen en partijen zodat eenduidige en centrale communicatie geborgd is.
- Procedure voor het afsluiten van een uitbraak door een evaluatie.
Het RIVM heeft een folder voor zorginstellingen waarin de te nemen maatregelen nader uitgeschreven staan: Folder Scabiës in uw zorginstelling, zorg voor een juiste behandeling.
Hieronder staat een beslisboom en een schematische weergave van de te nemen stappen bij een uitbraak van scabiës in een zorginstelling.


Figuur 1. Beslisboom
Melden van scabiës
(Verdenking) scabiës binnen een zorginstelling moet aan de GGD worden gemeld.
Hierbij geldt de procedure uit artikel 26 van de Wet publieke gezondheid (Wpg). Er gelden verschillende meldingscriteria per type zorginstelling. Zie hiervoor Artikel 26-meldingen Wpg-instellingen bij LCI-richtlijnen.
Bij een langdurige uitbraak, uitbraak op meerdere locaties of organisaties dient de instelling de uitbraak te melden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en aan het Signaleringsoverleg Zorginstellingen. Meldingen kunnen ook worden ingebracht via het Meldpunt voor Uitbraken Infectieziekten & BRMO (MUIZ).
Als de infectie (waarschijnlijk) is opgelopen tijdens de beroepsuitoefening moet dit door de bedrijfsarts van betrokkene worden gemeld bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB).
Communicatie
Het OMT adviseert over de in- en externe communicatie over de uitbraak. Voor een succesvolle bestrijding is het van essentieel belang dat alle betrokkenen dezelfde, eenduidige informatie over (preventieve) behandeling ontvangen. Verder verzorgt het OMT adequate verslaglegging van het verloop van de uitbraak en de genomen maatregelen. Verslaglegging van de OMT-bijeenkomsten is noodzakelijk om de maatregelen te evalueren en eventueel bij te sturen. Het OMT rapporteert aan de raad van bestuur van de instelling.
Een uitbraak heeft vaak grote consequenties. Er dient rekening gehouden te worden met extra kosten (aan onder andere personeel, materiaal, sluiting van een (deel van een) afdeling, diagnostiek), onrust en zelfs reputatieschade. Hierbij is een goede communicatie en betrokkenheid van het bestuur van de organisatie noodzakelijk.
Voor de haalbaarheid is goede voorlichting en uitleg over de maatregelen en behandelingen van groot belang, zeker in situaties waarbij personen betrokken zijn die geen klachten hebben, anderen dan de persoon zelf het gezag hebben, er zeer jonge kinderen betrokken zijn of de financiële situatie van personen/gezinnen de behandeling kan frustreren.
Het RIVM heeft divers voorlichtingsmateriaal beschikbaar in de LCI-richtlijn Scabiës, zoals een stappenplan zorg voor instellingen en patiëntinformatie over behandeling met pillen of crème.
De werkgroep acht het van belang dat het OMT alle betrokkenen goed meeneemt in de beleidsafspraken, om de juiste uitvoering te bevorderen. De kans op herintroductie door een contact die niet in beeld is gekomen of een ping-pong-effect wordt hiermee verlaagd.
Nadat de diagnose scabiës (crustosa) is bevestigd en een OMT geformeerd is, is het van belang om afdelingen in de instelling mee te nemen in het gekozen beleid en een stappenplan te maken, zodat voor iedereen duidelijk is wanneer welke stappen worden genomen en waarom. Wijs een contactpersoon aan voor vragen van zorgmedewerkers en/of patiënten.
Contactonderzoek
Bij twijfel over de vorm van scabiës, in een instelling (bij n ≥ 3 gevallen) is het verstandig om van een scabiës crustosa uitbraak uit te gaan. Dat betekent dat, tot de twijfel kan worden weggenomen, maatregelen voor isolatie volgens module 2 en de reiniging en desinfectie volgens module 3 worden geadviseerd. Het contactonderzoek moet uitgevoerd worden zoals beschreven voor scabiës crustosa. Verder is het van belang dat het OMT zorgvuldig de behandelgroep inventariseert, zodat de kans van slagen met één behandelronde toeneemt.
Voor een schematisch overzicht van de indeling van contacten/behandelgroepen die risico hebben gelopen. Zie de paragrafen Maatregelen en Contactonderzoek van de LCI-richtlijn Scabiës.
Scabiës (gewone vorm)
Includeer alle contacten van de index tot zes weken voor aanvang van klachten. Contacten zijn personen die langdurig (15 minuten of langer) of frequent huidcontact (cumulatief ≥ 15 minuten) met een patiënt/cliënt hebben gehad. Het gedurende dagen delen van een kamer of bij elkaar wonen in een huishouding, levert ook een aanzienlijke kans op overdracht op.
Denk hierbij aan:
- Medepatiënten op de kamer of zaal die langdurig of frequent (huid)contact hebben gehad.
- Personeelsleden die direct betrokken zijn bij verzorging of behandeling van de patiënt en minimaal vijftien minuten aaneensluitend onbeschermd huidcontact hebben gehad.
- De directe familieleden, van de patiënt en familieleden van personeelsleden, mantelzorgers, vrijwilligers die besmet kunnen zijn geraakt.
Belangrijk om tevens aan te denken:
- Overgeplaatste patiënten, ontslagen patiënten en personeelsleden die langdurig direct lichamelijk contact hebben gehad met de indexpatiënt en een risico hebben gelopen op besmetting dienen opgespoord en preventief behandeld te worden.
- Patiënten mogen tijdens de behandeling alleen worden overgeplaatst nadat er melding is gemaakt van mogelijke scabiës. Als men door een patiënt met scabiës crustosa besmet is, lijdt men aan gewone scabiës. De mijten zijn niet méér virulent. Het is een kwestie van verschil in het aantallen parasieten, met als gevolg een grotere besmettelijkheid voor anderen bij scabiës crustosa.
Scabiës crustosa
Bij scabiës crustosa zal een inventarisatie van klachten bij álle contacten van de index moeten plaatsvinden. Daarnaast is profylactische behandeling van iedereen in de vastgestelde behandelgroep noodzakelijk, ongeacht klachten. Dit betreft dus niet alleen nauwe contacten zoals verzorgenden en partners (thuis of elders), maar óók alle mensen die vluchtig lichamelijk contact met de patiënt hebben gehad en zelfs mensen die geen lichamelijk contact hebben gehad, maar wel contact hebben gehad met kleding of beddengoed of stoel of bank van de patiënt en via deze weg met diens huidschilfers. Dit betreft iedereen die in de kamer van de patiënt is geweest of een kamer met de patiënt heeft gedeeld. Omdat patiënten weinig of geen symptomen (kunnen) hebben, met name tijdens de eerste maand van de infectie, terwijl ze wel besmettelijk zijn, is alleen screening op huidklachten/scabiës niet zinvol. De behandelgroep wordt bepaald vanuit het BCO, dit is maatwerk.
Bij een uitbraak is profylactische behandeling noodzakelijk (zie ook module Behandelvoorkeur ten behoeve van bestrijding). De behandelaar schrijft het middel voor, waar mogelijk in overleg met de patiënt of instelling. Voor contacten in een zorginstelling is de bedrijfsarts (medewerkers) of behandelaar (patiënten) de arts die de medicatie voorschrijft. Voor contacten die geen ivermectine mogen ontvangen of bij schaarste van het middel zal de behandelaar een alternatieve behandeling voorschrijven. Contacten die familie zijn (en dus niet onder de zorg van een bedrijfsarts of instellingsarts vallen) worden verwezen naar hun eigen huisarts voor een behandeling. Het is aan te raden om bij een grote behandelgroep nauw contact te onderhouden met de betrokken apotheek gezien de (mogelijke) schaarste van diverse middelen.
Maak een overzicht van waar de patiënt op welk tijdstip is geweest en wie daar mogelijk besmet is geraakt. Meestal zal dit resulteren in behandeling van een hele afdeling, of soms een hele instelling. Soms zijn er uitbraken in meerdere instellingen tegelijkertijd, bijvoorbeeld bij een patiënt met scabiës crustosa die woont in een verpleeg- of verzorgingshuis en later is opgenomen in een ziekenhuis.
Personeelsleden die een reëel risico hebben gelopen op besmetting dienen tijdens de verzorging of behandeling van andere patiënten persoonlijke beschermingsmiddelen (disposable handschoenen en een disposable isolatieschort met lange mouwen) te dragen. Situaties waarin geadviseerd wordt PBM te dragen door zorgmedewerkers tijdens de patiëntenzorg:
- Indien het om een persoon gaat met scabiës crustosa: PBM-gebruik door zorgmedewerkers tot het moment dat door de dermatoloog (of hoofdbehandelaar) is vastgesteld dat er geen sprake meer is van scabiës crustosa (soms zijn daar meerdere behandelingen voor nodig).
- Indien de zorgmedewerker zelf scabiës heeft en werkt met kwetsbare patiënten (zie verhoogde kans op ernstig beloop): PBM-gebruik tot twaalf uur na de tweede behandeling van personen met scabiës en hun contacten.
Zie voor meer informatie (ook over een tussenvorm van scabiës) de LCI-richtlijn Scabiës.
Waarden en voorkeuren van patiënten en/of zorgmedewerkers
Patiënten en medewerkers zijn gebaat bij een adequate aanpak van individuele infecties en bij uitbraken. In het laatste geval is een goede inventarisatie van de behandelgroep de meest belangrijke factor voor het welslagen van de bestrijding.
De aanvullende maatregelen moeten worden afgestemd op de specifieke situatie en rekening houden met o.a. de aanwezigheid en deskundigheid van de zorgmedewerkers en specifiek gedrag van de patiënten (bijvoorbeeld psychogeriatrie of verstandelijke en lichamelijke beperkingen).
Kosten en middelen
Een uitbraak kan gepaard gaan met hoge kosten, omdat infectiepreventiemaatregelen moeten worden geïntensiveerd, wat extra kosten (behandeling, gebruik PBM, reinigings- en desinfectiemiddelen, inzet personeel en middelen) met zich meebrengt en mogelijk impact heeft op de zorgcontinuïteit. Daarnaast kost het veel tijd, voor de deelnemers van het OMT, maar ook voor de medewerkers die betrokken zijn bij de uitvoering van de behandeling van patiënten. Regelmatig zijn meerdere behandelingen nodig, omdat bij de eerste inventarisatie van de behandelgroep toch mensen buiten beeld zijn gebleven.
Ook kan er sprake zijn van maatschappelijke onrust wat negatieve publiciteit voor de betreffende instelling kan geven. Daarom moet bij het ontdekken van scabiës in een zorginstelling alles worden gedaan om verspreiding te voorkomen en/of de uitbraak met scabiës zo snel mogelijk te bestrijden.
Bij medewerkers kan er sprake zijn van extra kosten door de eigen bijdrage van de zorgverzekering voor de medicatie die nodig is voor de behandeling. De werkgroep is van mening dat het een instelling zou sieren om in dergelijke situaties de kosten voor de behandeling voor medewerkers te vergoeden.
Onderbouwing
Zoeken en selecteren
Voor deze module is niet-systematisch gezocht naar wetenschappelijke literatuur om antwoord te geven op de uitgangsvraag. De werkgroep heeft gekozen om gebruik te maken van de WIP-richtlijn Scabiës en de LCI-richtlijn Scabiës. Aanvullend heeft de werkgroep besloten om inventariserend te zoeken naar literatuur, documentatie over standpunten/opinies, uitspraken, onderzoeken en jurisprudentie naar outbreakmanagement bij scabiës in zorginstellingen en deze te beoordelen op effectiviteit van het gevolgde outbreakmanagement.
Referenties
- Sunderkötter C, Wohlrab J, Hamm H. Scabies: Epidemiology, Diagnosis, and Treatment. Dtsch Arztebl Int. 2021 Oct 15;118(41):695-704. doi: 10.3238/arztebl.m2021.0296. PMID: 34615594; PMCID: PMC8743988.
- Bouvresse S, Chosidow O. Scabies in healthcare settings. Curr Opin Infect Dis. 2010 Apr;23(2):111-8. doi: 10.1097/QCO.0b013e328336821b. PMID: 20075729
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 21-01-2026
Beoordeeld op geldigheid : 06-06-2025
Algemene gegevens
De richtlijn is gefinancierd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De financier heeft geen invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.
Hoewel het RIVM een onderdeel is van VWS, heeft de financier geen enkele invloed gehad op de inhoud van deze richtlijn. Het RIVM is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesorgaan en geeft advies aan de overheid, professionals en burgers.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2022 een multidisciplinaire werkgroep samengesteld bestaande uit deskundigen en vertegenwoordigers van specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten. De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.
De volgende wetenschappelijke verenigingen en instanties participeren in de richtlijnwerkgroep waarbij de vertegenwoordiger van de NVAVG heeft afgestemd met Verenso om zo beide partijen te vertegenwoordigen:
- André Meeske (voorzitter), adviseur infectieziektebestrijding, namens RIVM
- Thecla Hekker, arts-microbioloog, namens NVMM
- Vigfús Sigurdsson, dermatoloog, namens NVDV
- Markus Starink, dermatoloog, namens NVDV
- Diane Jonkman, deskundige infectiepreventie, namens VHIG
- Diana Haverkate, deskundige infectiepreventie, namens VHIG
- Anja Bakker, deskundige Infectiepreventie, namens VHIG
- Willemijn Hensbroek, arts verstandelijk gehandicapten, namens NVAVG
- Herbert de Jager, bedrijfsarts, namens NVAB
- Astrid de Vries, verpleegkundige IZB, namens RIVM
Met ondersteuning van:
- Cathalijne Dodemont-van Breen, senior-adviseur infectieziektebestrijding, RIVM
- Klaartje Weijdema, senior-procesbegeleider richtlijnontwikkeling, RIVM
- Ingeborg van Dusseldorp, informatiespecialist, Maatschap Van Dusseldorp, Delvaux & Ket
- Nina Molenaar, arts-epidemioloog, Medical Research Consulting
De volgende personen waren onderdeel van de klankbordgroep en hebben input gegeven tijdens de ontwikkelfase vanuit hun specifieke expertise:
- Rosa Joosten, arts infectieziektebestrijding, RIVM
- Peter Molenaar, deskundige infectiepreventie, RIVM
- Rob van Kessel, arts infectieziektebestrijding, GGD Regio Utrecht
- Ewout Fanoy, arts infectieziektebestrijding/hoofd afdeling infectieziekten, GGD Amsterdam
Belangenverklaringen
De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen via info@sri-richtlijnen.nl.
|
Werkgroeplid |
Functie |
Nevenfunctie(s) |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
André Meeske |
Adviseur infectieziektebe-strijding (RIVM) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Thecla Hekker |
Arts-microbioloog (NVMM) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Vigfús Sigurdsson |
Dermatoloog (NVDV) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Markus Starink |
Dermatoloog (NVDV) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Diane Jonkman |
Deskundige infectiepreventie (VHIG) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Diana Haverkate |
Deskundige infectiepreventie (VHIG) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Anja Bakker |
Deskundige infectiepreventie (VHIG) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Willemijn Hensbroek |
Arts verstandelijk gehandicapten (NVAVG) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Herbert de Jager |
Bedrijfsarts (NVAB) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
|
Astrid de Vries |
Verpleegkundige IZB (RIVM) |
|
Geen |
Geen actie vereist |
Inbreng patiëntenperspectief
De Patiëntenfederatie Nederland is betrokken geweest in de knelpuntenanalyse en heeft het raamwerk ontvangen voor commentaar in de voorfase. Zij hebben aangegeven geen zitting te willen nemen in de werkgroep of klankbordgroep. Tijdens de commentaarfase hebben zij meegelezen met de conceptteksten.
Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst.
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Module Reiniging en desinfectie |
Geen financiële gevolgen |
- |
Werkwijze
AGREE
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen zoals vastgesteld in het document Procedure richtlijnontwikkeling. Dit document beschrijft een stappenplan dat gebaseerd is op de kwaliteitscriteria uit de documenten: Richtlijn voor richtlijnen (2012), AQUA Leidraad voor Kwaliteitsstandaarden (2014), de HARING-tools (2013), AGREE-II (2010). Ook bevat het stappenplan verwijzingen voor methodieken van het rapport Medisch specialistische richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit en het stappenplan Ontwikkeling van medisch specialistische richtlijnen van het Kennisinstituut van medisch specialisten.
Knelpuntenanalyse
Tijdens de voorbereidende fase hebben de voorzitter van de werkgroep, de werkgroepleden en de procesbegeleiding de knelpunten geïnventariseerd. Aanvullend is een expertmeeting georganiseerd voor werkgroepleden en andere inhoudsdeskundigen, beleidsmakers, toezichthouders en richtlijnontwikkelaars voor scabiës in de zorg. Hieruit zijn diverse knelpunten naar voren gekomen. Een verslag van deze bijeenkomst is terug te vinden in de bijlage Verslag expert conference en knelpunteninventarisatie.
Uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. In de richtlijn zijn de volgende uitgangsvragen opgenomen:
| Module 1.1 | OutbreakmanagementWat is het beleid voor onderzoek naar de verspreiding van scabiës (crustosa) naar andere patiënten en zorgmedewerkers en wat is het beleid bij uitbraken met scabiës (crustosa)? |
| Module 1.2 | De rol van diagnostiekHoe kunnen diagnostische methoden bijdragen aan een scabiës (crustosa)- contactonderzoek binnen een instelling? |
| Module 1.3 | Behandelvoorkeur bij bestrijdingWat is de behandelingsvoorkeur in een zorginstelling waar een scabiësuitbraak is vastgesteld? |
| Module 2 | IsolatiemaatregelenWelke isolatiezorgmaatregelen zijn noodzakelijk bij een uitbraak met scabiës (crustosa)? |
| Module 3 | Reiniging en desinfectieWelke methode(n) van omgevingsdesinfectie bij een patiënt met scabiës (crustosa) dragen bij aan het verkleinen van de kans op het ontstaan van nosocomiale infecties bij zorgmedewerkers en/of patiënten in vergelijking met standaard (meest gangbare) reinigingsmethode? |
Vervolgens heeft de werkgroep per uitgangsvraag de methode van onderzoek bepaald. Bij de uitgangsvragen waarbij literatuuronderzoek is uitgevoerd, is een onderzoeksvraag opgesteld. En geïnventariseerd welke uitkomstmaten relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.
Methode literatuur(samenvatting)
Voor de diverse modules en uitgangsvragen is een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder Zoeken en selecteren onder de paragraaf Onderbouwing in de module.
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk-of-bias-tabellen (zie bijlagen).
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn weergegeven in de Evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur (zie bijlagen).
De kwaliteit van bewijs (quality of evidence) werd beoordeeld met behulp van Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluations (GRADE). GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie, of voor een risico- of prognostische factor, een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte.
| Indeling van de kwaliteit van bewijs volgens GRADE | |
| Hoog | Er is veel vertrouwen dat het werkelijke effect dicht in de buurt ligt van het geschatte effect. |
| Matig | Er is matig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijk effect ligt waarschijnlijk dicht bij het geschatte effect, maar er is een mogelijkheid dat het hiervan substantieel afwijkt. |
| Laag | Er is beperkt vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect kan substantieel verschillen van het geschatte effect. |
| Zeer laag | Er is weinig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect wijkt waarschijnlijk substantieel af van het geschatte effect. |
Methode overige informatiebronnen
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Voor het formuleren van een aanbeveling zijn naast de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs over de gewenste en ongewenste effecten van een interventie of over de effectgrootte van een risico- of prognostische factor vaak ook nog andere factoren van belang (2).
Genoemd kunnen worden:
- Kosten en middelen;
- Aanbevelingen in (inter)nationale richtlijnen;
- Waarden, voorkeuren en ervaringen van patiënten en zorgmedewerkers met betrekking tot interventies en uitkomsten van zorg;
- Balans van gewenste en ongewenste effecten van interventies ten opzichte van geen of andere interventies;
- Aanvaardbaarheid van interventies;
- Haalbaarheid van een aanbeveling.
Deze aspecten worden per module besproken onder het kopje Overwegingen.
Formuleren van de aanbevelingen
De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvragen en volgen ten dele (in)direct uit Europese en/of nationale wetgeving. Aanvullend konden de uitgangsvragen beantwoord worden op basis van consensus based vanuit expertise binnen de werkgroep en klankbordgroep, aangevuld met best practices uit sleutelartikelen aangedragen door werkgroepleden. Aanbeveling die direct in de wet belegd zijn, zijn apart weergegeven in de aanbeveling als wettelijke verplichting. Dit betreft verplichtingen voor werkgevers.
| Sterke aanbeveling | Zwakke (conditionele) aanbeveling | |
| Voor patiënten | De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet. | Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. |
| Voor zorgmedewerkers | De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen. | Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren. |
| Voor beleidsmakers | De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid. | Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. |
Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers.
Randvoorwaarden (organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.
Formuleren van kennislacunes
Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader onderzoek staat in het hoofdstuk Kennislacunes.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en andere relevante partijen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.
Literatuur
- Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.
- Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.
- Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.
- Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.
- GRADE. http://www.gradeworkinggroup.org/.
- Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J,
Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664. - Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.
- Schünemann H, Brożek J, Guyatt G et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. https://gdt.gradepro.org/app/handbook/handbook.html.