Scabiës

Initiatief: SRI Aantal modules: 8

Kennismodule

Publicatiedatum: 21-01-2026
Beoordeeld op geldigheid: 06-06-2025

Deze module heeft geen uitgangsvragen, maar geeft achtergrondinformatie over soorten scabiës, het ziektebeeld en de diagnostiek van scabiës.

 

Scabiës

Schurft (scabiës) is een huidziekte die wordt veroorzaakt door de scabiësmijt. Deze parasiet (Sarcoptes scabiei var.hominis) komt alleen voor bij mensen en kent twee varianten: een infectie met enkele mijten, de gewone scabiës. En een infectietype waarbij doorgaans veel mijten, papels en noduli in een sterk verdikte hoornlaag worden waargenomen. Dit is scabiës crustosa, voorheen Norvegica genoemd, en is veel besmettelijker dan gewone scabiës. Er gelden daarom striktere infectiepreventiemaatregelen voor scabiës crustosa dan voor gewone scabiës.

 

Scabiës crustosa veroorzaakt een heel ander klinisch beeld dan de gewone scabiës. De huidziekte wordt vaak pas na dagen tot weken als zodanig herkend. Scabiës crustosa komt vaak voor bij patiënten met afweerstoornissen, waardoor er geen allergische reactie optreedt. Of bij neurologische aandoeningen zoals parese of paralyse waarbij men geen of weinig jeuk ervaart. In deze gevallen wordt minder gekrabd, waardoor er minder sterfte onder de mijten is. Hierdoor komt scabiës crustosa relatief va(a)k(er) voor in zorginstellingen. Hoewel scabiës niet levensbedreigend is en zelfs niet gevaarlijk voor de patiënt, moet deze aandoening zeer serieus worden genomen omdat de klachten zowel lichamelijk als emotioneel belastend worden ervaren. 

 

In de LCI-richtlijn Scabiës staan de pathogenese, incubatieperiode en transmissieroute nader beschreven.

 

Diagnose stellen

De multidisciplinaire richtlijn Seksueel overdraagbare aandoeningen (SOA) van de NVDV en de NVMM  beschrijft dat het klinisch beeld van scabiës sterk kan wisselen. Vaak zijn meerdere diagnosen gesteld en vele therapieën geprobeerd voordat scabiës gediagnosticeerd wordt. Anamnese, klinisch beeld en jeuk bij mensen in de directe omgeving van de patiënt maken de diagnose waarschijnlijk, maar nog niet bewezen.

 

Het stellen van de diagnose bij scabiës is moeilijk en moet worden gedaan door een behandelaar met ervaring (bij voorkeur een dermatoloog). Dit kan op basis van een klinisch beeld in combinatie met aanvullend onderzoek met een dermatoscoop, een KOH-preparaat of een scabiës-PCR. De beoordeling van nieuwe klachten of plekjes en aanhoudende jeuk betreft maatwerk en er is daarom in de richtlijn geen specifieke termijn hiervoor genoemd. Op de Richtlijnendatabase staan onder de richtlijn SOA/Scabiës de diagnostiek en de behandeling van scabiës nader beschreven.

 

Symptomen bij patiënten en/of zorgmedewerkers

Het hebben van scabiës is belastend voor de patiënt, zowel lichamelijk als emotioneel, vanwege de vaak heftige jeuk en de angst om anderen met scabiës te besmetten. Bovendien kan schaamte een rol spelen. Er rust een onterecht stigma op scabiës door de associatie met de onhygiënische omstandigheden waardoor iemand scabiës oploopt. De behandeling is vaak lastig, maar altijd noodzakelijk.

 

Het kan voor patiënten belastend en ingrijpend zijn om afgezonderd in de eigen kamer te moeten verblijven. Anderzijds kunnen bijzondere omstandigheden zoals incontinentie, onbegrip en ‘problematisch’ gedrag het lastig maken om de voorschriften over smeren met permetrine als behandelmethode nauwkeurig uit te voeren. Bij verstandelijke beperking of dementie zal een deel van de patiënten de maatregelen niet begrijpen. Zij zullen niet kunnen participeren in het uitvoeren van de maatregelen.

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 21-01-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 06-06-2025

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg

Algemene gegevens

De richtlijn is gefinancierd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De financier heeft geen invloed gehad op de inhoud van de richtlijn. 

Hoewel het RIVM een onderdeel is van VWS, heeft de financier geen enkele invloed gehad op de inhoud van deze richtlijn. Het RIVM is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesorgaan en geeft advies aan de overheid, professionals en burgers.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2022 een multidisciplinaire werkgroep samengesteld bestaande uit deskundigen en vertegenwoordigers van specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten. De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

De volgende wetenschappelijke verenigingen en instanties participeren in de richtlijnwerkgroep waarbij de vertegenwoordiger van de NVAVG heeft afgestemd met Verenso om zo beide partijen te vertegenwoordigen:

  • André Meeske (voorzitter), adviseur infectieziektebestrijding, namens RIVM
  • Thecla Hekker, arts-microbioloog, namens NVMM
  • Vigfús Sigurdsson, dermatoloog, namens NVDV
  • Markus Starink, dermatoloog, namens NVDV
  • Diane Jonkman, deskundige infectiepreventie, namens VHIG
  • Diana Haverkate, deskundige infectiepreventie, namens VHIG
  • Anja Bakker, deskundige Infectiepreventie, namens VHIG
  • Willemijn Hensbroek, arts verstandelijk gehandicapten, namens NVAVG
  • Herbert de Jager, bedrijfsarts, namens NVAB
  • Astrid de Vries, verpleegkundige IZB, namens RIVM

Met ondersteuning van:

  • Cathalijne Dodemont-van Breen, senior-adviseur infectieziektebestrijding, RIVM
  • Klaartje Weijdema, senior-procesbegeleider richtlijnontwikkeling, RIVM
  • Ingeborg van Dusseldorp, informatiespecialist, Maatschap Van Dusseldorp, Delvaux & Ket
  • Nina Molenaar, arts-epidemioloog, Medical Research Consulting

De volgende personen waren onderdeel van de klankbordgroep en hebben input gegeven tijdens de ontwikkelfase vanuit hun specifieke expertise:

  • Rosa Joosten, arts infectieziektebestrijding, RIVM
  • Peter Molenaar, deskundige infectiepreventie, RIVM 
  • Rob van Kessel, arts infectieziektebestrijding, GGD Regio Utrecht 
  • Ewout Fanoy, arts infectieziektebestrijding/hoofd afdeling infectieziekten, GGD Amsterdam 

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase. 

 

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen via info@sri-richtlijnen.nl.

Werkgroeplid

Functie

Nevenfunctie(s)

Gemelde belangen

Onder­nomen actie

André Meeske 

Adviseur infectieziektebe-strijding (RIVM)

 

Geen

Geen actie vereist

Thecla Hekker

Arts-microbioloog (NVMM)

 

Geen

Geen actie vereist

Vigfús Sigurdsson

Dermatoloog (NVDV)

 

Geen

Geen actie vereist

Markus Starink

Dermatoloog (NVDV)

 

Geen

Geen actie vereist

Diane Jonkman

Deskundige infectiepreventie (VHIG)

 

Geen

Geen actie vereist

Diana Haverkate 

Deskundige infectiepreventie (VHIG)

 

Geen

Geen actie vereist

Anja Bakker

Deskundige infectiepreventie (VHIG)

 

Geen

Geen actie vereist

Willemijn Hensbroek

Arts verstandelijk gehandicapten (NVAVG)

 

Geen

Geen actie vereist

Herbert de Jager

Bedrijfsarts (NVAB)

 

Geen

Geen actie vereist

Astrid de Vries

Verpleegkundige IZB (RIVM)

 

Geen

Geen actie vereist

 

 

Inbreng patiëntenperspectief

De Patiëntenfederatie Nederland is betrokken geweest in de knelpuntenanalyse en heeft het raamwerk ontvangen voor commentaar in de voorfase. Zij hebben aangegeven geen zitting te willen nemen in de werkgroep of klankbordgroep. Tijdens de commentaarfase hebben zij meegelezen met de conceptteksten. 

 

Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst. 

 

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Module Organisatie van zorg

Geen financiële gevolgen

-

Module Isolatiemaatregelen

Geen financiële gevolgen

-

Module Reiniging en desinfectie

Geen financiële gevolgen

-

 

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen zoals vastgesteld in het document Procedure  richtlijnontwikkeling. Dit document beschrijft een stappenplan dat gebaseerd is op de kwaliteitscriteria uit de documenten: Richtlijn voor richtlijnen (2012), AQUA Leidraad voor Kwaliteitsstandaarden (2014), de HARING-tools (2013), AGREE-II (2010). Ook bevat het stappenplan verwijzingen voor methodieken van het rapport Medisch specialistische richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit en het stappenplan Ontwikkeling van medisch specialistische richtlijnen van het Kennisinstituut van medisch specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase hebben de voorzitter van de werkgroep, de werkgroepleden en de procesbegeleiding de knelpunten geïnventariseerd. Aanvullend is een expertmeeting georganiseerd voor werkgroepleden en andere inhoudsdeskundigen, beleidsmakers, toezichthouders en richtlijnontwikkelaars voor scabiës in de zorg. Hieruit zijn diverse knelpunten naar voren gekomen. Een verslag van deze bijeenkomst is terug te vinden in de bijlage Verslag expert conference en knelpunteninventarisatie.

 

Uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. In de richtlijn zijn de volgende uitgangsvragen opgenomen:

Module 1.1  OutbreakmanagementWat is het beleid voor onderzoek naar de verspreiding van scabiës (crustosa) naar andere patiënten en zorgmedewerkers en wat is het beleid bij uitbraken met scabiës (crustosa)?
Module 1.2  De rol van diagnostiekHoe kunnen diagnostische methoden bijdragen aan een scabiës (crustosa)- contactonderzoek binnen een instelling?
Module 1.3 Behandelvoorkeur bij bestrijdingWat is de behandelingsvoorkeur in een zorginstelling waar een scabiësuitbraak is vastgesteld?
Module 2 IsolatiemaatregelenWelke isolatiezorgmaatregelen zijn noodzakelijk bij een uitbraak met scabiës (crustosa)? 
Module 3  Reiniging en desinfectieWelke methode(n) van omgevingsdesinfectie bij een patiënt met scabiës (crustosa) dragen bij aan het verkleinen van de kans op het ontstaan van nosocomiale infecties bij zorgmedewerkers en/of patiënten in vergelijking met standaard (meest gangbare) reinigingsmethode?

 

Vervolgens heeft de werkgroep per uitgangsvraag de methode van onderzoek bepaald. Bij de uitgangsvragen waarbij literatuuronderzoek is uitgevoerd, is een onderzoeksvraag opgesteld. En geïnventariseerd welke uitkomstmaten relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. 

 

Methode literatuur(samenvatting)

Voor de diverse modules en uitgangsvragen is een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder Zoeken en selecteren onder de paragraaf Onderbouwing in de module. 

 

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk-of-bias-tabellen (zie bijlagen).

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn weergegeven in de Evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur (zie bijlagen).

 

De kwaliteit van bewijs (quality of evidence) werd beoordeeld met behulp van Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluations (GRADE). GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie, of voor een risico- of prognostische factor, een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte.

Indeling van de kwaliteit van bewijs volgens GRADE
Hoog Er is veel vertrouwen dat het werkelijke effect dicht in de buurt ligt van het geschatte effect.
Matig Er is matig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijk effect ligt waarschijnlijk dicht bij het geschatte effect, maar er is een mogelijkheid dat het hiervan substantieel afwijkt.
Laag Er is beperkt vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect kan substantieel verschillen van het geschatte effect.
Zeer laag Er is weinig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect wijkt waarschijnlijk substantieel af van het geschatte effect.

 

Methode overige informatiebronnen 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Voor het formuleren van een aanbeveling zijn naast de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs over de gewenste en ongewenste effecten van een interventie of over de effectgrootte van een risico- of prognostische factor vaak ook nog andere factoren van belang (2).

 

Genoemd kunnen worden: 

  • Kosten en middelen;
  • Aanbevelingen in (inter)nationale richtlijnen; 
  • Waarden, voorkeuren en ervaringen van patiënten en zorgmedewerkers met betrekking tot interventies en uitkomsten van zorg;
  • Balans van gewenste en ongewenste effecten van interventies ten opzichte van geen of andere interventies;
  • Aanvaardbaarheid van interventies;
  • Haalbaarheid van een aanbeveling.

Deze aspecten worden per module besproken onder het kopje Overwegingen.

 

Formuleren van de aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvragen en volgen ten dele (in)direct uit Europese en/of nationale wetgeving. Aanvullend konden de uitgangsvragen beantwoord worden op basis van consensus based vanuit expertise binnen de werkgroep en klankbordgroep, aangevuld met best practices uit sleutelartikelen aangedragen door werkgroepleden. Aanbeveling die direct in de wet belegd zijn, zijn apart weergegeven in de aanbeveling als wettelijke verplichting. Dit betreft verplichtingen voor werkgevers. 

  Sterke aanbeveling Zwakke (conditionele) aanbeveling
Voor patiënten De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet. Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet. 
Voor zorgmedewerkers De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.  Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren. 
Voor beleidsmakers De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid. Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen. 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers.

 

Randvoorwaarden (organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.

 

Formuleren van kennislacunes

Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader onderzoek staat in het hoofdstuk Kennislacunes.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en andere relevante partijen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

 

Literatuur

  1. Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.
  2. Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.
  3. Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.
  4. Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.
  5. GRADE. http://www.gradeworkinggroup.org/.
  6. Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.
  7. Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.
  8. Schünemann H, Brożek J, Guyatt G et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. https://gdt.gradepro.org/app/handbook/handbook.html.
Volgende:
Organisatie van zorg