Inleiding - Diagnostiek bij verdenking RA
Achtergrondinformatie
Reumatoïde artritis (RA) is een chronische auto-immuunziekte, waarbij het lichaam autoantistoffen aanmaakt waardoor gewrichtsontstekingen ontstaan, voornamelijk in de kleine gewrichten van de handen, polsen en voeten. Deze ontstekingen resulteren in klachten van pijn, stijfheid en vermoeidheid, en kunnen leiden tot schade aan het kraakbeen en onderliggende bot van de betreffende gewrichten. Deze gewrichtsschade is, eenmaal opgetreden, vrijwel altijd onomkeerbaar. De aandoening komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen (ratio 3:1), en kan grote impact hebben op functioneren, werk en kwaliteit van leven van patiënten met RA. In Nederland waren er in 2023 ongeveer 70.000 mensen met RA bij een reumatoloog onder controle (zie, opendisdata).
Het sneller kunnen stellen van de diagnose RA en aansluitend opstarten van medicamenteuze behandeling, heeft de afgelopen decennia geleid tot een veel beter perspectief voor patiënten met RA (Di Matteo, 2023). Gewrichtsontstekingen kunnen sneller en effectiever tot rust worden gebracht, waardoor klachten van pijn, stijfheid en vermoeidheid eerder verbeteren en remissie van de ziekteactiviteit een haalbaar behandeldoel is geworden. Bovendien zijn de lange termijn vooruitzichten gunstiger geworden doordat het ontstaan van gewrichtsschade vaak voorkomen kan worden. Hierdoor ervaren patiënten minder functionele beperkingen en kunnen ze vaker blijven deelnemen aan het arbeidsproces (Smolen, 2018).
Het is derhalve van groot belang dat de diagnostiek bij patiënten met RA snel en efficiënt verloopt. Hierbij wordt de diagnose RA gesteld op basis van een zorgvuldige anamnese en lichamelijk onderzoek, en waar nodig aanvullend onderzoek. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat het vroeg stellen van de diagnose RA en vervolgens direct starten met een behandeling prognostisch gunstig is voor de patiënt. Gezien de lage sensitiviteit en specificiteit is er geen indicatie voor het verrichten van reumaserologie of ander aanvullend onderzoek in de eerste lijn (zie ook NHG standaard Artritis). In de tweede lijn kan aanvullend laboratorium- en beeldvormend onderzoek in een geselecteerde populatie behulpzaam en van toegevoegde waarde zijn bij het stellen van de diagnose RA. Verdere details hieromtrent worden beschreven in de richtlijnmodules.
Patiënten
De patiëntencategorie waar deze richtlijnmodules zich op focust, betreft volwassen patiënten met klachten verdacht voor (zich ontwikkelende) RA. Het kan hierbij zowel gaan om patiënten die zich presenteren met artritis (gewrichtsontsteking vastgesteld door een reumatologisch expert bij lichamelijk onderzoek), als om patiënten die zich presenteren met artralgie met een klinische verdenking op RA. De laatste groep betreft patiënten zonder klinische artritis, maar met recent ontstane gewrichtsklachten waarbij de reumatologisch expert de klachten verdacht vindt voor een vroege fase van RA. Deze groep patiënten is door de EULAR gedefinieerd als “Clinically Suspect Arthralgia” (CSA) (van Steenbergen, 2017), wat in deze richtlijn is vertaald naar artralgie met verdenking op RA. Voor beide categorieën patiënten zullen in deze richtlijn aanbevelingen worden gegeven met betrekking tot de diagnostiek; niet alleen om juiste diagnosestelling in een vroege fase te faciliteren, maar ook om overdiagnostiek te voorkomen en kosten te besparen.
Patiënten met artritis waarbij een evidente andere diagnose of andere verklaring voor artritis vermoed wordt, zijn geen onderdeel van deze richtlijnmodules. Diagnostische methoden die primair als doel hebben de waarschijnlijkheid van andere artritiden te vergroten zijn buiten beschouwing gelaten. De NHG standaard Artritis doet hierover wel aanbevelingen bij patiënten die zich in de eerste lijn presenteren met artritis.
Met betrekking tot de patiëntengroep ‘artralgie met verdenking op RA’ dient benadrukt te worden dat er voor deze patiënten momenteel geen goede behandeling is. In deze richtlijn worden geen uitspraken gedaan over monitoring of behandeling van patiënten met artralgie. Er wordt momenteel onderzoek gedaan naar risicostratificatie bij deze groep patiënten.
Aanvullende diagnostiek
In de praktijk wordt regelmatig gehandeld met de gedachte dat diagnostiek eventueel zou kunnen bijdragen aan ziekte-inzicht of coping met de ziekte en zodoende een vorm van geruststelling zou kunnen zijn. Twee systematische reviews hebben echter laten zien dat er weinig tot geen ‘geruststellende waarde’ van verschillende diagnostische tests is bij patiënten (van Ravesteijn, 2012; Rolfe, 2013). Fout positieve bevindingen of nevenbevindingen daarentegen kunnen wel onrust veroorzaken. Geruststelling van patienten is dus geen valide doel van het doen van diagnostiek.
In deze richtlijnmodules belichten we de diagnostische waarde van de verschillende beschikbare testen voor de diagnose RA in de tweede lijn. Naast items uit anamnese en lichamelijk onderzoek betreft dit voornamelijk aanvullend laboratoriumonderzoek en aanvullend beeldvormend onderzoek. Hierbij worden naast traditionele testen zoals röntgenfoto’s van handen en voeten, ook nieuwere beeldvormende technieken besproken. Hierbij zal rekening gehouden worden met doelmatigheid, kosteneffectiviteit, haalbaarheid, en belasting voor de patiënt. Uiteindelijk zal dit leiden tot evidence based aanbevelingen voor aanvullende diagnostiek.
Synoviumbiopsie
Deze richtlijnmodules bevatten geen aanbevelingen ten aanzien van het verrichten van synoviumbiopsie. De werkgroep heeft na overleg besloten dat het verrichten van synoviumbiopsie niet zal worden behandeld, aangezien het geen onderdeel is (en naar verwachting ook niet zal worden) van de klinische praktijkvoering, maar slechts incidenteel in studieverband wordt verricht.
Classificatiecriteria
In 2010 zijn er herziene classificatiecriteria voor RA opgesteld en gepubliceerd (Aletaha, 2010). Deze criteria zijn vooral van belang voor het includeren van vergelijkbare patiëntgroepen in studies. Benadrukt moet worden dat deze criteria niet bedoeld zijn als diagnostische criteria en derhalve geen hoofdrol spelen in het stellen van de diagnose RA, aangezien de sensitiviteit en specificiteit hiervoor te laag is (Aletaha, 2010). Het stellen van de diagnose RA in de klinische praktijk is gebaseerd op de deskundigheid en de expertise van de reumatologisch expert, waarbij de resultaten van de diagnostische testen worden meegewogen. Desondanks worden in (sommige) wetenschappelijke studies de classificatiecriteria nog altijd gebruikt als diagnostische criteria. Hier dient bij de interpretatie van de studies en de genoemde resultaten hiervan dan ook rekening mee te worden gehouden.
Bestaande richtlijnen/kwaliteitsdocumenten
De inhoud van deze richtlijnmodules is afgestemd op, en sluit aan bij:
- De NHG-standaard Artritis.
- De overige modules in de richtlijn Reumatoïde Artritis (RA).
Opzet
De richtlijnmodules behandelen de belangrijkste stappen in het diagnostisch proces bij patiënten met verdenking op RA. Er is informatie ten behoeve van Thuisarts.nl opgesteld.
De richtlijnmodules zijn ingedeeld in de volgende onderdelen:
- Anamnese en lichamelijk onderzoek
- Laboratoriumonderzoek
- Beeldvormend onderzoek
- Organisatie van zorg rondom de diagnostiek
Hiërarchie van diagnostiek
Belangrijk om te benoemen is, dat alle patiënten waarbij de diagnose RA vermoed wordt, verschillende stappen doorlopen in het diagnostisch traject. Zo zal altijd eerst een grondige anamnese en volledig gewrichtsonderzoek plaatsvinden, voordat over wordt gegaan naar aanvullend laboratoriumonderzoek en vervolgens eventueel beeldvormend onderzoek. De aanbevelingen ten aanzien van laboratoriumonderzoek en beeldvorming gelden dus altijd in die specifieke populatie, waarbij al een anamnese en lichamelijk onderzoek zijn verricht.
Hieruit vloeit voort, dat de diagnostiek van patiënten met een mogelijke RA begint bij een klacht of een hulpvraag. Het louter, soms bij toeval, vinden van een afwijkend testresultaat zoals bijvoorbeeld afwijkende reumaserologie of suggestieve afwijkingen op beeldvorming, is bij het ontbreken van een bijpassende anamnese en lichamelijk onderzoek, onvoldoende voor het stellen van de diagnose RA en/of het starten van een behandeling voor RA.
De richtlijnmodules focussen zich op de diagnostische waardes van verschillende testen. Om deze reden is er met name gekeken naar diagnostische studies in de samenvattingen van de literatuur.
Onderbouwing
Referenties
- Aletaha D, Neogi T, Silman AJ, Funovits J, Felson DT, Bingham CO 3rd, Birnbaum NS, Burmester GR, Bykerk VP, Cohen MD, Combe B, Costenbader KH, Dougados M, Emery P, Ferraccioli G, Hazes JM, Hobbs K, Huizinga TW, Kavanaugh A, Kay J, Kvien TK, Laing T, Mease P, Ménard HA, Moreland LW, Naden RL, Pincus T, Smolen JS, Stanislawska-Biernat E, Symmons D, Tak PP, Upchurch KS, Vencovský J, Wolfe F, Hawker G. 2010 Rheumatoid arthritis classification criteria: an American College of Rheumatology/European League Against Rheumatism collaborative initiative. Arthritis Rheum. 2010 Sep;62(9):2569-81. doi: 10.1002/art.27584. PMID: 20872595.
- Di Matteo A, Bathon JM, Emery P. Rheumatoid arthritis. Lancet. 2023 Nov 25;402(10416):2019-2033. doi: 10.1016/S0140-6736(23)01525-8. Epub 2023 Oct 27. PMID: 38240831.
- Sizova L. Imaging Methods of Joint Damage in Early Rheumatoid Arthritis. Curr Rheumatol Rev. 2015;11(1):64-67. doi: 10.2174/1573397111666150522094405. PMID: 26002456.
- Smolen JS, Aletaha D, Barton A, Burmester GR, Emery P, Firestein GS, Kavanaugh A, McInnes IB, Solomon DH, Strand V, Yamamoto K. Rheumatoid arthritis. Nat Rev Dis Primers. 2018 Feb 8;4:18001. doi: 10.1038/nrdp.2018.1. PMID: 29417936.
- van Steenbergen HW, Aletaha D, Beaart-van de Voorde LJ, Brouwer E, Codreanu C, Combe B, Fonseca JE, Hetland ML, Humby F, Kvien TK, Niedermann K, Nuño L, Oliver S, Rantapää-Dahlqvist S, Raza K, van Schaardenburg D, Schett G, De Smet L, Szücs G, Vencovský J, Wiland P, de Wit M, Landewé RL, van der Helm-van Mil AH. EULAR definition of arthralgia suspicious for progression to rheumatoid arthritis. Ann Rheum Dis. 2017 Mar;76(3):491-496. doi: 10.1136/annrheumdis-2016-209846. Epub 2016 Oct 6. PMID: 27991858.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 13-04-2026
Beoordeeld op geldigheid : 13-04-2026
Algemene gegevens
De ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (www.demedischspecialist.nl/kennisinstituut) en werd gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Patiëntenparticipatie bij deze richtlijn werd medegefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Patiënten Consumenten (SKPC) binnen het programma Kwaliteit, Inzicht en Doelmatigheid in de medisch specialistische Zorg (KIDZ). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijnmodule.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2023 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen (zie hiervoor de Samenstelling van de werkgroep) die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met een inflammatoire (reumatische) aandoening.
Werkgroep
- Dr. S.M. van der Kooij (voorzitter), reumatoloog, werkzaam in HagaZiekenhuis, NVR.
- Dr. A.A. den Broeder, reumatoloog en klinisch epidemioloog, werkzaam in Sint Maartensklinkiek en Radboud Universitair Medische Centrum, NVR.
- Prof. Dr. D. van der Woude, reumatoloog, werkzaam in Leids Universitair Medisch Centrum, NVR.
- Drs. T. de Mooij, AIOS reumatologie, werkzaam in Erasmus Medisch Centrum, NVR.
- Drs. Z. Kerami, reumatoloog, werkzaam in Dijklander Ziekenhuis, NVR (tot december 2024, vanaf mei 2025 werkzaam als reumatoloog bij NHS Lothian).
- Dr. M.A. Korteweg, radioloog, Reade, NVvR.
- Dr. W. van der Bruggen, nucleair geneeskundige, werkzaam in Slingeland Ziekenhuis en Streekziekenhuis Koningin Beatrix, NVNG.
- Dr. M.C.F.J. de Rotte, klinisch chemicus, werkzaam in Amsterdam Universitair Medisch Centrum, NVKC.
- MSc. J. Postma, verpleegkundig specialist reumatologie, werkzaam in Martini Ziekenhuis, V&VN.
- Drs. H. Koning, patiëntvertegenwoordiger, Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland.
Klankbordgroep
- P. Borsje, ervaringsdeskundige en beleidsmedewerker Patiëntenparticipatie en Communicatie, Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland, Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland.
Met ondersteuning van
- Dr. L. Küpers , adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
- Dr. M.M.A. Verhoeven, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten tot april 2025.
- Drs. J.M.H. van der Hart MSc, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten vanaf april 2025.
- Drs. F.A. Pepping MSc, junior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Tabel Gemelde (neven)functies en belangen werkgroep
|
Werkgroeplid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Dr S.M. van der Klooij (voorzitter), NVR |
Reumatoloog |
- |
- |
Geen
|
|
Dr. A.A. den Broeder, NVR |
Reumatoloog en epidemioloog |
- Expert advisering ZIN - Associate editor Rheumatology |
Extern gefinancierd onderzoek door o.a. ZonMw, Abbvie, Galapagos en Novartis. Geen raakvlakken met richtlijnmodules. |
Geen |
|
Prof. Dr. D. van der Woude, NVR |
Reumatoloog |
- Docent Antonius Academy Nieuwegein - Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Reumatologie - Advisory board Galapagos (gebruik van JAK-remmers, 2019 en 2020) |
Onderzoek gefinancierd door ZonMw, NWO en FOREUM. Geen raakvlakken met richtlijnmodules. |
Geen |
|
Drs. T. de Mooij, NVR |
AIOS reumatologie |
- |
- |
Geen |
|
Drs. Z. Kerami, NVR |
Reumatoloog |
- |
- |
Geen |
|
Dr. M.A. Korteweg, NVvR |
Radioloog |
- Radioloog waarnemer Bovenij ziekenhuis, Acibadem,in Kralendijk Bonaire -PI ESSR uniform grading CT scans of SIjoints -reviewer ECR |
- |
Geen |
|
Dr. W. van der Bruggen, NVNG |
Nucleair geneeskundige |
- |
- |
Geen |
|
Dr. M.C.F.J. de Rotte, NVKC |
Klinisch chemicus |
Vakspecialist-auditor Raad voor accredatie |
Meerdere onderzoeksproejcten in personalized medicine of methotrexaat bij RA (niet extern gefinancierd, geen raakvlakken met richtlijn). |
Geen |
|
MSc. J. Postma, V&VN |
Verpleegkundig specialist reumatologie |
Deelname ontwikkeling ‘ziektekaarten in beeld’ ReumaZorg Nederland |
Online sessie ‘patient journey’ reumapatienten Pfizer (eenmalig, geen raakvlakken met richtlijn) |
Geen |
|
Drs. H. Koning, ReumaZorg Nederland |
Patiëntvertegenwoordiger |
- Referent Patientenfederatie Nederland |
- |
Geen |
Inbreng patiëntenperspectief
De werkgroep besteedde aandacht aan het patiëntenperspectief door een afgevaardigde van de patiëntenvereniging Nationale Vereniging ReumaZorg Nederland. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan deze patiëntenvereniging en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerde de werkgroep conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.