Polyfarmacie bij ouderen

Initiatief: NHG / NVKG Aantal modules: 12

Effecten van minderen en stoppen van medicatie

Uitgangsvraag

Wat zijn de effecten van minderen en stoppen van medicatie in het kader van een gestructureerde beoordeling van het totale medicatiegebruik op patiëntniveau (klinisch, therapietrouw, tevredenheid) en op maatschappelijk niveau (kosten)?

Aanbeveling

Overwegingen

Onderzoeken naar de effecten van minderen en stoppen van medicatie worden gekenmerkt door grote heterogeniteit. Vaak is er sprake van kleine groepen en de methodologische kwaliteit is erg wisselend. Hierdoor is het voor de werkgroep niet mogelijk eenduidige conclusies te trekken over de effecten van minderen en stoppen van medicatie.

Wat een succesvolle uitkomst is, wordt mede bepaald door de doelstelling van minderen en stoppen van medicatie.

  • Als het doel is een verminderde kans op bijwerkingen, is de interventie gericht op preventief verminderen of stoppen van een of meer geneesmiddelen, vaak uit verschillende groepen, die mogelijk geassocieerd zijn met negatieve gezondheidsuitkomsten. Hieronder vallen interventies met expliciete screeningslijsten, zoals de STOP-criteria en de FORTA-lijst, waarbij niet primair wordt uitgegaan van bestaande klachten. Onderzoeken op dit domein zullen zelden een verbetering van functioneren of kwaliteit van leven kunnen aantonen, of een vermindering van bijwerkingen.
  • Als het doel is te minderen of te stoppen met een specifiek geneesmiddel omdat de indicatie vervallen is of de noodzaak tot stringente behandeling is afgenomen, zal de gewenste uitkomst veelal zijn het niet terugkeren van klachten passend bij de oorspronkelijke indicatie.

 

Als er geen concrete klachten zijn die aanleiding geven tot minderen en stoppen van medicatie, is het doel veelal het voorkomen van farmacotherapiegerelateerde problemen in de toekomst. In vrijwel geen van de gevonden onderzoeken is zichtbaar dat stoppen of minderen leidt tot toename van klachten

of problemen. Dit geldt voor de eerste maanden, over mogelijke problemen daarna kan niets worden gesteld omdat de meeste onderzoeken een maximale follow-up van enkele maanden hebben. Vooral bij preventieve medicatie (bijvoorbeeld bij cardiovasculair risico of osteoporose) waarbij de patiënt geen concrete klachten meldt, zal minderen of stoppen geen farmacotherapeutische problemen doen afnemen. Welke invloed minderen en stoppen van preventieve medicatie bij ouderen heeft op de incidentie van events op langere termijn (denk aan beroerte, myocardinfarct, fracturen) is niet bekend.

De effecten van een algehele evaluatie van het medicijngebruik van een patiënt, zoals bij een MBO gebeurt, kunnen niet enkel worden toegeschreven aan het minderen of stoppen van medicatie. Bij een MBO kan een breder palet van interventies worden ingezet om de medicatie te optimaliseren, denk aan het starten van nieuwe medicatie, dosisverhoging, gebruiksinstructies et cetera. Vrijwel alle onderzoeken met betrekking tot MBO laten wel zien dat minderen en stoppen van medicatie in het kader van een algehele evaluatie of MBO leidt tot vermindering van het aantal te gebruiken geneesmiddelen. Een deel van de effecten van een MBO is dus mogelijk toe te schrijven aan minderen of stoppen van medicatie.

 

Het primaire doel van minderen en stoppen van medicatie is het optimaliseren van de medicamenteuze behandeling en daarmee het verbeteren van de kwaliteit van leven van de patiënt. Vanuit maatschappelijk perspectief kan vermindering van de directe kosten van geneesmiddelen en van de indirecte kosten, denk aan geneesmiddelgerelateerde ziekenhuisopnames (zie Eindrapport Vervolgonderzoek medicatieveiligheid), ook een relevant doel zijn van minderen en stoppen van medicatie. Er zijn geen onderzoeken die de effecten van minderen en stoppen van medicatie vanuit een totaal maatschappelijk en economisch perspectief onderzoeken. Wel laten enkele onderzoeken zien dat minderen en stoppen van medicatie in het kader van een totale medicatiebeoordeling kan leiden tot gemiddeld lagere directe geneesmiddelenkosten.

 

Conclusies

  • Onderzoeken naar de effecten van minderen en stoppen van medicatie zijn zeer heterogeen. In de gevonden onderzoeken zijn de groepen vaak klein en is de methodologische kwaliteit erg wisselend. Hierdoor is het niet mogelijk om generieke conclusies te trekken.
  • De kans op positieve effecten van minderen en stoppen van medicatie lijkt gering wanneer dit gebeurt zonder dat concrete klachten de aanleiding zijn, of wanneer het gebeurt bij een klinisch probleem waarvoor medicatie slechts één van de vele mogelijke verklaringen is (met name bij de zogeheten geriatric giants).
  • Er zijn aanwijzingen dat minderen en stoppen van medicatie ongeacht de setting waarbinnen dit gebeurt, kan leiden tot minder farmacotherapeutische problemen.
  • Er zijn aanwijzingen dat minderen en stoppen van medicatie niet leidt tot een toename van gezondheidsproblemen in de eerste maanden erna.
  • De effecten op langere termijn (6 tot 12 maanden) van minderen en stoppen van medicatie op gezondheidsuitkomsten zijn onbekend.
  • Er zijn aanwijzingen dat minderen en stoppen van medicatie, ongeacht de setting waarin het gebeurt, kan leiden tot lagere directe geneesmiddelenkosten.

Onderbouwing

Minderen en stoppen van medicatie middels een gestructureerde beoordeling kan op verschillende niveaus gevolgen hebben. Hoe groot deze effecten precies zijn, is erg afhankelijk van de situatie waarnaar gekeken wordt.

Systematische reviews met meta-analyse

Er zijn enkele meta-analyses gepubliceerd waarin de focus lag op de effecten van minderen van medicatie, maar waarin zodanig veelsoortige interventies (zoals educatie, aanpassingen van zorgsysteem, medicatiebeoordeling door apothekers et cetera) en studiedesigns zijn geïncludeerd dat het niet mogelijk is daaruit specifieke effecten van specifieke interventies te destilleren.

In een systematische review en meta-analyse van 132 onderzoeken zijn de effecten geanalyseerd van minderen en stoppen van medicatie bij oudere patiënten, ongeacht setting, op mortaliteit en gezondheidsuitkomsten [Page 2016]. Het betrof onderzoeken gericht op aanpassing van een specifiek geneesmiddel en onderzoeken gericht op aanpassing van polyfarmacie. Zowel gerandomiseerde als niet-gerandomiseerde onderzoeken werden meegenomen. In niet-gerandomiseerde onderzoeken nam de mortaliteit significant af in de interventiegroep (OR 0,32; 95%-BI: 0,17 tot 0,60), in gerandomiseerde onderzoeken werd deze afname niet gevonden (OR 0,82; 95%-BI 0,61 tot 1,11). Subgroepanalyses lieten geen effect zien van educatiegerichte interventies, maar wel van patiëntgerichte interventies. In de onderzoeken gericht op reductie van polyfarmacie werd geen verschil gezien tussen groepen voor incidentie van onttrekkingsverschijnselen, incidentie van bijwerkingen, cognitief functioneren, het aantal vallen of de kwaliteit van leven.

In een systematische review en meta-analyse zijn de resultaten beschreven van 41 gerandomiseerde onderzoeken naar de gezondheidsuitkomsten van minderen en stoppen van medicatie in nursing homes [Kua 2019]. De onderzochte uitkomsten waren mortaliteit, vallen en ziekenhuisopname. Een breed spectrum van interventies werd onderzocht, zowel gericht op polyfarmacie als op individuele geneesmiddelen.

Over het geheel genomen werden geen effecten gevonden op de genoemde uitkomstmaten. Alleen in subgroepanalyses werd een positief effect gevonden van medicatiebeoordeling bij polyfarmacie op mortaliteit (OR 0,74; 95%-BI 0,65 tot 0,84) en vallen (OR 0,76; 95%-BI 0,62 tot 0,93).

 

Systematische reviews zonder meta-analyse

Er zijn enkele systematische reviews zonder meta-analyse gepubliceerd van onderzoeken naar medicatie in de eerste lijn [Thio 2018, Dills 2019, Ulley 2019], in de tweede lijn [Thillainadesan 2018] en binnen diverse sectoren [Iyer 2008]. De geïncludeerde eerstelijnsstudies betreffen vrijwel allemaal minderen en stoppen van een specifiek geneesmiddel of geneesmiddelengroep en zijn sterk heterogeen. De reviews geven aan dat minderen en stoppen van medicatie van met name specifieke medicatie een grote kans van slagen heeft (dat wil zeggen: geen herstart van de medicatie binnen de onderzoekstermijn), waarbij er tussen geneesmiddelengroepen wel verschillen lijken te bestaan. Zo geeft Dills (2019) aan dat met name cardiovasculaire medicatie het vaakst met succes kan worden verminderd of gestopt, terwijl dit voor psychofarmaca en protonpompremmers moeilijker lijkt te zijn. De tweedelijnsstudies zijn gering in aantal, maar suggereren dat minderen en stoppen van medicatie ook in de tweede lijn verantwoord kan gebeuren.

Een van de systematische reviews analyseerde 22 deprescribing-onderzoeken (waarvan 12 RCT’s) met als uitkomstmaat therapietrouw in de eerste lijn [Ulley 2019]. In 13 onderzoeken (waarvan 5 RCT’s) werd verbetering van de therapietrouw geconstateerd na minderen en stoppen van medicatie. De auteurs concluderen echter dat er, gezien de sterk wisselende uitkomsten, onvoldoende bewijs is dat deprescribing-interventies leiden tot een betere therapietrouw. Van de 22 onderzoeken beschreven er 5 ook zelfgerapporteerde kwaliteit van leven, maar deze uitkomst verbeterde in slechts 1 onderzoek. In de geïncludeerde onderzoeken werd geen effect gevonden op mortaliteit, aantal bezoeken aan de SEH of aantal huisartscontacten.

 

Afzonderlijke onderzoeken Verpleeghuizen en nursing homes

In 59 afdelingen van Nederlandse verpleeghuizen is een gecontroleerd clustergerandomiseerd onder-

zoek uitgevoerd naar de effecten van minderen en stoppen van medicatie [Wouters 2017]. In totaal waren daarbij 426 patiënten en 35 specialisten ouderengeneeskunde betrokken. De interventie bestond uit een eenmalig uitgevoerde multidisciplinary multistep medication review, uitgevoerd door de eigen, getrainde, specialist ouderengeneeskunde in samenwerking met de eigen apotheker. De controlegroep ontving standaardzorg. De gemiddelde follow-upperiode was 144 dagen. In de interventiegroep lukte het 39,1% van de patiënten om blijvend ≥ 1 geneesmiddel te stoppen versus 29,5% in de controlegroep. In de perprotocolanalyse waren deze cijfers 44 versus 34,6%. Op secundaire uitkomstmaten (dosisaanpassingen, omzettingen naar een veiliger alternatief, vallen, polikliniekbezoeken, consultatie door specialist ouderengeneeskunde of andere zorgverleners, cognitie, neuropsychiatrische symptomen en kwaliteit van leven) werden geen significante verschillen gevonden.

 

Eerste lijn

Bij 95 patiënten met een gemiddelde leeftijd van 84 jaar is het effect onderzocht van een interventie waarbij 2 onderzoekers (een huisarts en een geriater-klinisch farmacoloog) voor iedere patiënt in de interventiegroep (n = 47) een stopplan opstelden en dat aan de huisarts van de deelnemer voorlegden [Potter 2016]. Deelnemers in de interventiegroep stopten gemiddeld met 1,9 (SD 4,1) geneesmiddelen versus 0,1 (SD 3,5) in de controlegroep, maar dit leidde niet tot verschillen op de secundaire eindpunten: overleving na 12 maanden, vallen of niet-vertebrale fracturen, ongepland ziekenhuisbezoek, cognitief functioneren, functioneren, buikklachten, kwaliteit van leven en slaapkwaliteit.

In een open-label, multicentrische klinische trial met parallelle armen en 1 jaar follow-up is bij 503 patiënten van ≥ 70 jaar die ≥ 8 geneesmiddelen gebruikten het effect onderzocht van een medicatiebeoordeling door apothekers [Campins 2017]. De apothekers gaven de huisartsen van de interventiegroep een gericht advies voor medicatieaanpassing op basis van de beslisregel Good Palliative-Geriatric Practice en de STOP-START-NL-criteria. De controlegroep kreeg standaardzorg. Op alle meetmomenten (3, 6 en 12 maanden) minderden en stopten deelnemers in de interventiegroep significant vaker met medicatie, al nam dit verschil wel af aan het einde van de follow-upperiode. Overigens hervatten deelnemers in de interventiegroep hun medicatie wel iets vaker dan in de controlegroep. Er werd geen verschil gezien in gebruik van gezondheidszorgvoorzieningen, kwaliteit van leven of sterfte tussen beide groepen. De therapietrouw bleek, bij gelijke uitgangswaarde, in de interventiegroep na 6 maanden significant beter dan in de controlegroep (76,4 versus 64,1%; p = 0,005). De kostenconsequenties van

dit onderzoek zijn beschreven in een aparte publicatie [Campins 2019]. De jaarlijkse medicatiekosten daalden in de interventiegroep met 233,75 euro per patiënt (95%-BI 169,83 tot 297,67) versus 169,40 euro in de controlegroep (95%-BI 103,37 tot 235,43). De geschatte opbrengst per euro geïnvesteerd in het programma was 2,38 euro per patiënt per jaar.

 

Ziekenhuizen

Het effect van een medicatiebeoordeling door apothekers in het ziekenhuis is onderzocht in een prospectief, niet-gerandomiseerd onderzoek met 172 patiënten opgenomen op de afdeling Geriatrie [Van der Linden 2017]. De apothekers gebruikten een variatie op de STOPP-criteria: Rationalization of HomeMedication by an Adjusted STOPP in Older Patiënts (RASP). De adviezen werden dagelijks doorgegeven aan de behandelend artsen. In de interventiegroep werden significant meer geneesmiddelen gestopt of verminderd dan in de controlegroep: mediaan 5 geneesmiddelen (IQR 3 tot 7) versus 3 (IQR 2 tot 5). Ook werd in de interventiegroep significant meer potentieel inadequate medicatie (PIM) gediscontinueerd: mediaan 2 geneesmiddelen (IQR 1 tot 3) versus 0,5 (IQR 0 tot 1) in de controlegroep. Bij follow-up 1 en 3 maanden na ontslag werd geen verschil gevonden in frequentie van mortaliteit, heropnames, SEH-bezoek en vallen. Met linear mixed modeling vonden de onderzoekers wel een verbeterde kwaliteit van leven in de interventiegroep (verschil > 0,064 punten op de EQ-5D-3L; p = 0,008).

Bij 409 patiënten die werden opgenomen op een afdeling Geriatrie zijn in een RCT de effecten onderzocht van de screeningslijst Fit for the Aged (FORTA) ter detectie van ongewenste medicatie bij ouderen [Wehling 2016]. Patiënten werden gevolgd gedurende de hele opnameduur (gemiddeld 17,4 dagen,

SD 10,3, mediaan 16, uitersten 5 tot 76). In de interventiegroep nam het aantal ongewenste geneesmiddelen (primaire uitkomstmaat) significant af en trad significante verbetering op in de secundaire uitkomstmaten nierfalen en barthelindex. Geen verbetering werd gevonden voor vallen, verwardheid, misselijkheid, duizeligheid, obstipatie, diarree, dyspneu, hartfalen en angina pectoris.

Om de uitgangsvraag te beantwoorden is in 2019 een literatuursearch gedaan in PubMed met de termen (“deprescriptions”[MeSH Terms] OR “deprescriptions”[All Fields] OR “deprescribing”[All Fields] (totaal aantal hits 605)). Daarnaast is gezocht op (discontinuation[All Fields] AND (“pharmaceutical preparations”[MeSH Terms] OR (“pharmaceutical”[All Fields] AND “preparations”[All Fields]) OR “pharmaceutical preparations”[All Fields] OR “medication”[All Fields])) AND (Clinical Trial[ptyp] AND “aged”[MeSH Terms].) Het totaal aantal hits was 856. Van alle referenties zijn titel en abstract doorgenomen, waarna de relevante onderzoeken zijn geselecteerd. In de referentielijsten van de relevante artikelen is gezocht naar onderzoeken die gemist waren in de search.

Het selecteren van onderzoeken naar effecten van minderen en stoppen is lastig omdat er geen sprake is van een eenduidige interventie. Minderen en stoppen van medicatie kan worden uitgevoerd in de context van een gestructureerde beoordeling van het totale medicatiegebruik, waarbij vaak meerdere geneesmiddelen worden afgebouwd, maar het kan ook gaan om het afbouwen van een enkel medicament naar aanleiding van bijvoorbeeld veronderstelde bijwerkingen.

Voor deze module is gezocht naar:

  • prospectieve onderzoeken met minderen en stoppen van medicatie als primair onderzoeksdoel;
  • interventies gericht op het verbeteren van het totale medicatiegebruik, dus niet specifiek op het afbouwen van een specifieke geneesmiddelengroep;
  • onderzoeken met een interventieen een controlearm;
  • onderzoeken met patiëntgebonden en/of economische uitkomstmaten.

 

Gezien de verschillen tussen de verschillende settings is hierbij waar mogelijk specifiek gekeken naar onderzoeken in de eerste-lijn, in verpleeghuizen of nursing homes en in ziekenhuizen.

Hoewel meta-analyses en systematische reviews die als thema ‘deprescribing’ hebben vaak ook effecten meenemen die het gevolg zijn van andere aanpassingen in de medicatie en dus strikt gesproken buiten de zoekvraag vallen, meent de werkgroep dat het inzichtelijk kan zijn deze onderzoeken toch te presenteren.

 

Voor specifieke onderzoeken naar de effecten van medicatiebeoordeling wordt verwezen naar de module Medicatiebeoordeling (2019) bij de MDR Polyfarmacie bij ouderen.

Onderzoeken die de effecten nagaan van het minderen of stoppen van een specifiek geneesmiddel of groep geneesmiddelen (bijvoorbeeld protonpompremmers, statines of antihypertensiva) vallen

buiten de zoekstrategie. Voor informatie over de effecten van minderen en stoppen van deze specifieke geneesmiddelengroepen wordt verwezen naar de afzonderlijke kennisdocumenten bij deze module (voor meer informatie zie het onderdeel ‘Medicatiegroepen’). Ook is niet gezocht naar de effecten van minderen of stoppen van medicatie met als doel de kans op een specifiek geriatrisch probleem (de zogeheten geriatric giants zoals vallen, verwardheid en achteruitgang van de mobiliteit) te verkleinen of de intensiteit hiervan te beïnvloeden. Kenmerk van deze problemen is hun multifactoriële ontstaan, waarbij medicatie op groepsniveau in onderzoeken veelal een zeer beperkte rol speelt.

  1. Abou J, et al. Barriers and enablers of health care professionals to deprescribing cardiometabolic medication in older patients: a qualitative focus group study. 2021;
  2. Ailabouni NJ, Nishtala PS, Mangin D, Tordoff JM. Challenges and enablers of deprescribing: a general practitioner perspective. PLoS One. 2016;11:e0151066.
  3. Ailabouni NJ, Nishtala PS, Mangin D, Tordoff JM. General practitioners’ insight into deprescribing for the multimorbid older individual: a qualitative study. Int J Clin Pract. 2016;70:261-76.
  4. AlRasheed MM, Alhawassi TM, Alanazi A, Aloudah N, Khurshid F, Alsultan M. Knowledge and willingness of physicians about deprescribing among older patients: a qualitative study. Clin Interv Aging. 2018;13:1401-8.
  5. Anderson K, Foster M, Freeman C, Luetsch K, Scott I. Negotiating ‘unmeasurable harm and benefit’: perspectives of general practitioners and consultant pharmacists on deprescribing in the primary care setting. Qual Health Res. 2017;27:1936-47.
  6. Anderson K, Stowasser D, Freeman C, Scott I. Prescriber barriers and enablers to minimising potentially inappropriate medications in adults: a systematic review and thematic synthesis. BMJ Open. 2014;4:e006544.
  7. Barnett N, Kelly O. Deprescribing: is the law on your side? Eur J Hosp Pharm. 2017;24:21-25.
  8. Barnett N, Kelly O. Legal implications of deprescribing: a case scenario. Prescriber. 2017;28(3);49-52.
  9. Bolmsjö BB, Palagyi A, Keay L, Potter J, Lindley RI. Factors influencing deprescribing for residents in advanced care facilities: insights from general practitioners in Australia and Sweden. BMC Fam Pract. 2016;17:152.
  10. Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, et al.; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182:e839-42.
  11. Campins L, Serra-Prat M, Gózalo I, López D, Palomera E, Agustí C, Cabré M; REMEI Group. Randomized controlled trial of an intervention to improve drug appropriateness in community-dwelling polymedicated elderly people. Fam Pract. 2017;34:36-42.
  12. Campins L, Serra-Prat M, Palomera E, Bolibar I, Martínez MÀ, Gallo P. Reduction of pharmaceutical expenditure by a drug appropriateness intervention in polymedicated elderly subjects in Catalonia (Spain). Gac Sanit. 2019;33:106-11.
  13. Cane J, Richardson M, Johnston M, Ladha R, Michie S. From lists of behaviour change techniques (BCTs) to structured hierarchies: comparison of two methods of developing a hierarchy of BCTs. Br J Health Psychol. 2015;20:130-50.
  14. Crutzen S, et al. Older people’s attitudes towards deprescribing cardiometabolic medication. 2021;
  15. Crutzen S, Baas G, Abou J, Van den Born-Bondt T, Hugtenburg JG, Bouvy ML, et al. Barriers and enablers of older patients to deprescribing of cardiometabolic medication: a focus group study. Front Pharmacol. 2020;11: 1268.
  16. De Vries TP, Henning RH, Hogerzeil HV, Fresle DA. Guide to good prescribing: a practical manual. Geneva: World Health Organization Action Programme on Essential Drugs. 1994;
  17. Dills H, Shah K, Messinger-Rapport B, Bradford K, Syed Q. Deprescribing medications for chronic diseases management in primary care settings: a systematic review of randomized controlled trials. J Am Med Dir Assoc. 2018;19:923-35.e2.
  18. Djatche L, Lee S, Singer D, Hegarty SE, Lombardi M, Maio V. How confident are physicians in deprescribing for the elderly and what barriers prevent deprescribing? J Clin Pharm Ther. 2018;43:550-55.
  19. Fried TR, Tinetti M, Agostini J, Iannone L, Towle V. Health outcome prioritization to elicit preferences of older persons with multiple health conditions. Patient Educ Couns. 2011;83:278-82.
  20. Galazzi A, Lusignani M, Chiarelli MT, Mannucci PM, Franchi C, Tettamanti M, Reeve E, Nobili A. Attitudes towards polypharmacy and medication withdrawal among older inpatients in Italy. Int J Clin Pharm. 2016;38:454-61.
  21. Geijteman EC, Huisman BA, Dees MK, Perez RS, Van der Rijt CC, Van Zuylen L, et al. Medication discontinuation at the end of life: a questionnaire study on physicians’ experiences and opinions. J Palliat Med. 2018;21:1166-70.
  22. George J, Phun YT, Bailey MJ, Kong DC, Stewart K. Development and validation of the medication regimen complexity index. Ann Pharmacother. 2004;38:1369-76.
  23. Gillespie RJ, Harrison L, Mullan J. Deprescribing medications for older adults in the primary care context: A mixed studies review. Health Sci Rep. 2018;1:e45.
  24. Holmes HM, Todd A. The role of patient preferences in deprescribing. Clin Geriatr Med. 2017;33:165-75.
  25. Iyer S, Naganathan V, McLachlan AJ, Le Couteur DG. Medication withdrawal trials in people aged 65 years and older: a systematic review. Drugs Aging. 2008;25:1021-31.
  26. Kalogianis MJ, Wimmer BC, Turner JP, Tan EC, Emery T, Robson L, et al. Are residents of aged care facilities willing to have their medications deprescribed? Res Social Adm Pharm. 2016;12:784-8.
  27. Kalogianis MJ, Wimmer BC, Turner JP, Tan EC, Emery T, Robson L, Reeve E, Hilmer SN, Bell JS. Are residents of aged care facilities willing to have their medications deprescribed? Res Social Adm Pharm. 2016;12:784-8.
  28. Keijsers, CP. Education in appropriate pharmacotherapy in older patients (thesis). Utrecht: Utrecht University. 2015;
  29. Kennisinstituut van Medisch Specialisten (KiMS), Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0. 2012;
  30. Kennisinstituut van Medisch Specialisten (KiMS), Leidraad opstellen richtlijnen. 2011;
  31. KNM, V&VN, KNOV, KNGF, KNMP, NIP, NVZ, NFU, GGZ Nederland, NPCF. Handreiking Verantwoor- delijkheidsverdeling bij samenwerking in de zorg. 2010;
  32. Knol W, Verduijn MM, Lelie-van der Zande AC, Van Marum RJ, Brouwers JR, Van der Cammen TJ, et al. Onjuist geneesmiddelengebruik bij ouderen opsporen: De herziene STOPP/START criteria. Ned Tijdschr Geneeskd. 2015;159:A8904.
  33. Kua CH, Mak VSL, Huey Lee SW. Health outcomes of deprescribing interventions among older residents in nursing homes: a systematic review and meta-analysis. J Am Med Dir Assoc. 2019;20:362-72.e11.
  34. Lavan AH, Gallagher P, Parsons C, O’Mahony D. STOPPFrail (Screening Tool of Older Persons Prescriptions in Frail adults with limited life expectancy): consensus validation. Age Ageing. 2017;46:600-7.
  35. Le Bosquet K, Barnett N, Minshull J. Deprescribing: practical ways to support person-centred, evidence-based deprescribing. Pharmacy (Basel). 2019;7:129.
  36. Luymes CH, Van der Kleij RM, Poortvliet RK, De Ruijter W, Reis R, Numans ME. Deprescribing potentially inappropriate preventive cardiovascular medication: barriers and enablers for patients and general practitioners. Ann Pharmacother. 2016;50:446-54.
  37. Lyu H, Xu T, Brotman D, Mayer-Blackwell B, Cooper M, Daniel M, et al. Overtreatment in the United States. PLoS One. 2017;12:e0181970.
  38. Mantelli S, Jungo KT, Rozsnyai Z, Reeve E, Luymes CH, Poortvliet RKE, et al. How general practitioners would deprescribe in frail oldest-old with polypharmacy the LESS study. BMC Fam Pract. 2018;19:169.
  39. Meulendijk MC, Spruit MR, Drenth-van Maanen AC, Numans ME, Brinkkemper S, Jansen PA, et al. Computerized decision support improves medication review effectiveness: an experiment evaluating the STRIP assistant’s usability. Drugs Aging. 2015;32:495-503.
  40. Michie S, Johnston M, Abraham C, Lawton R, Parker D, Walker A; ‘Psychological Theory’ Group. Making psychological theory useful for implementing evidence basedpractice: a consensus approach. Qual Saf Health Care. 2005;14:26-33.
  41. Monteiro L, Maricoto T, Solha I, Ribeiro-Vaz I, Martins C, Monteiro-Soares M. Reducing potentially inappropriate prescriptions for older patients using computerized decision support tools: systematic review. J Med Internet Res. 2019;21:e15385.
  42. NHG, NIV, NVVC. Multidisciplinaire richtlijn Cardiovasculair Risicomanagement. 2019;
  43. NHG, NVKG. Multidisciplinaire richtlijn Polyfarmacie bij ouderen. 2019;
  44. NHG, Ephor, KNMP. STOP-START-NL. 0000;
  45. NHG, V&VN, KNMP. LESA Organisatie van zorg bij chronische medicatie. 2020;
  46. NHG, Module Medicatiebeoordeling. 2019;
  47. Nixon MS, Vendelø MT. General practitioners’ decisions about discontinuation of medication: an explorative study. J Health Organ Manag. 2016;30:565-80.
  48. NVKG, Addendum Polyfarmacie bij ouderen 2e lijn. 2018;
  49. Page AT, Clifford RM, Potter K, Schwartz D, Etherton-Beer CD. The feasibility and effect of deprescribing in older adults on mortality and health: a systematic review and meta-analysis. Br J Clin Pharmacol. 2016;82:583-623.
  50. Palagyi A, Keay L, Harper J, Potter J, Lindley RI. Barricades and brickwalls--a qualitative study exploring perceptions of medication use and deprescribing in long-term care. BMC Geriatr. 2016;16:15.
  51. Parekh N, Schenker Y, Good CB, Neilson L, Shrank WH. Deprescribing in advanced illness: aligning patient, clinician, and health plan goals. J Gen Intern Med. 2019;34:631-3.
  52. Potter K, Flicker L, Page A, Etherton-Beer C. Deprescribing in frail older people: a randomised controlled trial. PLoS One. 2016;11:e0149984.
  53. Reeve E, Bell JS, Hilmer SN. Barriers to optimising prescribing and deprescribing in older adults with dementia: a narrative review. Curr Clin Pharmacol. 2015;10:168-77.
  54. Reeve E, Denig P, Hilmer SN, Ter Meulen R. The ethics of deprescribing in older adults. J Bioeth Inq. 2016;13:581-90.
  55. Reeve E, Low LF, Hilmer SN. Beliefs and attitudes of older adults and carers about deprescribing of medications: a qualitative focus group study. Br J Gen Pract. 2016;66:e552-60.
  56. Reeve E, To J, Hendrix I, Shakib S, Roberts MS, Wiese MD. Patient barriers to and enablers of deprescribing: a systematic review. Drugs Aging. 2013;30:793-807.
  57. Reeve E, Wolff JL, Skehan M, Bayliss EA, Hilmer SN, Boyd CM. Assessment of attitudes toward deprescribing in older medicare beneficiaries in the United States. JAMA Intern Med. 2018;178:1673-80.
  58. Rieckert A, Reeves D, Altiner A, Drewelow E, Esmail A, Flamm M, et al. Use of an electronic decision support tool to reduce polypharmacy in elderly people with chronic diseases: cluster randomised controlled trial. BMJ. 2020;369:m1822.
  59. Rodríguez-Pérez A, Alfaro-Lara ER, Albiñana-Perez S, Nieto-Martín MD, Díez-Manglano J, PérezGuerrero C, et al. Novel tool for deprescribing in chronic patients with multimorbidity: List of EvidenceBased Deprescribing for Chronic Patients criteria. Geriatr Gerontol Int. 2017;17:2200-7.
  60. Schiøtz ML, Frølich A, Jensen AK, Reuther L, Perrild H, Petersen TS, et al. Polypharmacy and medication deprescribing: A survey among multimorbid older adults in Denmark. Pharmacol Res Perspect. 2018;6:e00431.
  61. Schuling J, Gebben H, Veehof LJ, Haaijer-Ruskamp FM. Deprescribing medication in very elderly patients with multimorbidity, the view of Dutch GPs: A qualitative study. BMC Fam Pract. 2012;13:56.
  62. Schuling J, Sytema R, Berendsen AJ. Aanpassen medicatie: voorkeur oudere patiënt telt mee. Ned Tijdschr Geneeskd. 2013;157:A6491.
  63. Scott IA, Anderson K, Freeman CR, Stowasser DA. First do no harm: a real need to deprescribe in older patients. Med J Aust. 2014;201:390-2.
  64. Scott IA, Hilmer SN, Reeve E, Potter K, Le Couteur D, Rigby D, et al. Reducing inappropriatepolypharmacy: the process of deprescribing. JAMA Intern Med. 2015;175:827-34.
  65. Sirois C, Ouellet N, Reeve E. Community-dwelling older people’s attitudes towards deprescribing in Canada. Res Social Adm Pharm. 2017;13:864-70.
  66. Stegmann ME, Festen S, Brandenbarg D, Schuling J, Van Leeuwen B, De Graeff P, et al. Using the Outcome Prioritization Tool (OPT) to assess the preferences of older patients in clinical decision-making: A review. Maturitas. 2019;128:49-52.
  67. Thillainadesan J, Gnjidic D, Green S, Hilmer SN. Impact of deprescribing interventions in older hospitalised patients on prescribing and clinical outcomes: a systematic review of randomised trials. Drugs Aging. 2018;35:303-19.
  68. Thio SL, Nam J, Van Driel ML, Dirven T, Blom JW. Effects of discontinuation of chronic medication in primary care: a systematic review of deprescribing trials. Br J Gen Pract. 2018;68:e663-72.
  69. Thompson W, Farrell B, Welch V, Tugwell P, Way C, Richardson L, et al. Continuation or deprescribing of proton pump inhibitors: A consult patient decision aid. Can Pharm J (Ott). 2018;152:18-22.
  70. Thompson W, Lundby C, Graabaek T, Nielsen DS, Ryg J, Søndergaard J, et al. Tools for deprescribing in frail older persons and those with limited life expectancy: a systematic review. J Am Geriatr Soc. 2019;67:172-80.
  71. Tjia J, Givens J. Ethical framework for medication discontinuation in nursing home residents with limited life expectancy. Clin Geriatr Med. 2012;28:255-72.
  72. Turner JP, Edwards S, Stanners M, Shakib S, Bell JS. What factors are important for deprescribing in Australian long-term care facilities? Perspectives of residents and health professionals. BMJ Open. 2016;6:e009781.
  73. Ulley J, Harrop D, Ali A, Alton S, Fowler Davis S. Deprescribing interventions and their impact on medication adherence in community-dwelling older adults with polypharmacy: a systematic review. BMC Geriatr. 2019;19:15.
  74. Van der Linden L, Decoutere L, Walgraeve K, Milisen K, Flamaing J, Spriet I, et al. Combined use of the Rationalization of home medication by an Adjusted STOPP in older Patients (RASP) list and a pharmacist-led medication review in very old inpatients: impact on quality of prescribing and clinical outcome. Drugs Aging. 2017;34:123-33.
  75. Van Middelaar T, Ivens SD, Van Peet PG, Poortvliet RK, Richard E, Pols AJ, et al. Prescribing and deprescribing antihypertensive medication in older people by Dutch general practitioners: a qualitative study. BMJ Open. 2018;8:e020871.
  76. Van Summeren JJ, Haaijer-Ruskamp FM, Schuling J. Eliciting preferences of multimorbid elderly adults in family practice using an outcome prioritization tool. J Am Geriatr Soc. 2016;64:e143-8.
  77. Van Summeren JJ, Schuling J, Haaijer-Ruskamp FM, Denig P. Outcome prioritisation tool for medication review in older patients with multimorbidity: a pilot study in general practice. Br J Gen Pract. 2017;67:e501-6.
  78. Verdoorn S, Blom J, Vogelzang T, Kwint HF, Gussekloo J, Bouvy ML. The use of goal attainment scaling during clinical medication review in older persons with polypharmacy. Res Social Adm Pharm. 2019;15:1259-65.
  79. Verdoorn S, Kwint HF, Blom J, Gussekloo J, Bouvy ML. DREAMeR: Drug use Reconsidered in the Elderly using goal Attainment scales during Medication Review; study protocol of a randomised controlled trial. BMC Geriatr. 2018;18:190.
  80. Wallis KA, Andrews A, Henderson M. Swimming against the tide: primary care physicians’ views on deprescribing in everyday practice. Ann Fam Med. 2017;15:341-6.
  81. Wehling M, Burkhardt H, Kuhn-Thiel A, Pazan F, Throm C, Weiss C, et al. VALFORTA: a randomised trial to validate the FORTA (Fit fOR The Aged) classification. Age Ageing. 2016;45:262-7.
  82. Weir K, Nickel B, Naganathan V, Bonner C, McCaffery K, Carter SM, et al. Decision-making preferences and deprescribing: perspectives of older adults and companions about their medicines. J Gerontol B Psychol Sci Soc Sci. 2018;73:e98-107.
  83. Wimmer BC, Cross AJ, Jokanovic N, Wiese MD, George J, Johnell K, et al. Clinical outcomes associated with medication regimen complexity in older people: a systematic review. J Am Geriatr Soc. 2017;65:747-53.
  84. Wouters H, Scheper J, Koning H, Brouwer C, Twisk JW, Van der Meer H, et al. Discontinuing inappropriate medication use in nursing home residents: a cluster randomized controlled trial. Ann Intern Med. 2017;167:609-17.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 03-12-2020

Laatst geautoriseerd  : 01-12-2020

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijnmodule is de werkgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2025 bepalen het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) en de Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG) of de module nog actueel is. Er is een onderhoudsplan beschreven waarin de werkgroep een inschatting heeft gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening of update. De geldigheid van de module komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De NVKG en het NHG zijn regiehouder en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling. De andere aan deze module deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijnmodule delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

 

Module1

Regiehouder(s)2

Jaar van autorisatie

Eerstvolgende beoordeling actualiteit richtlijn3

Frequentie van beoordeling op actualiteit4

Wie houdt er toezicht op actualiteit5

Relevante factoren voor wijzigingen in aanbeveling6

Module Minderen en stoppen medicatie

NHG&NVKG

2020

2025

5 jaar

NHG&NVKG

Niet van toepassing

  1. Naam van de module.
  2. Regiehouder van de module (deze kan verschillen per module en er kunnen meerdere regiehouders zijn).
  3. Na maximaal 5 jaar.
  4. Eens per 6 maanden, eens per jaar, eens per 2 jaar of eens per 5 jaar.
  5. Regievoerende vereniging(en) of (multidisciplinaire) werkgroep die in stand blijft.
  6. Lopend onderzoek, wijzigingen in vergoeding of organisatie, beschikbaarheid van nieuwe middelen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie
  • Patiëntenfederatie Nederland

Algemene gegevens

De richtlijn is ontwikkeld in samenwerking met:

  • Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KMNP)
  • Nederlandse Internisten Vereniging (NIV)
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC)
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers (NVZA)
  • Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde (Verenso).
  • Patiëntenfederatie Nederland (PFNL)

 

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (KiMS) en gefinancierd uit een subsidie van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, een bijdrage van het NHG en een subsidie van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten.

Doel en doelgroep

Doel

Het primaire doel van minderen en stoppen van medicatie is het optimaliseren van de medicamenteuze behandeling en daarmee het verbeteren van de kwaliteit van leven, gezondheid en welzijn van de patiënt. Deze module biedt handvatten aan voorschrijvers, apothekers en patiënten om het minderen en stoppen van geneesmiddelen in de dagelijkse praktijk vorm te geven.

 

Doelgroep

Deze module richt zich primair op de brede populatie van ouderen met polyfarmacie, ongeacht de situatie waarin zij verblijven. De MDR Polyfarmacie bij ouderen hanteert sinds 2019 een leeftijdsgrens van 70 jaar om ‘de oudere patiënt’ te definiëren. Deze leeftijdsgrens is niet absoluut, maar is met name gebruikt om richting te geven aan ondersteunend literatuuronderzoek en inbreng vanuit focusgroepen. Dit laat onverlet dat de principes zoals besproken in deze module ook toepasbaar kunnen zijn bij andere doelgroepen dan ouderen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodules is in 2018 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten waarvoor minderen en stoppen van medicatie relevant is.

De werkgroepsleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijnmodule.

 

Werkgroep

  • dhr. prof. dr. R.J. van Marum, klinisch geriater en klinisch farmacoloog, & bijzonder hoogleraar farmacotherapie bij ouderen, werkzaam in het Jeroen Bosch Ziekenhuis, ‘s-Hertogenbosch en werkzaam
  • in het Amsterdam UMC, locatie VUms, Amsterdam. Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (voorzitter).
  • dhr. prof. dr. M.A. van Agtmael, internist-infectioloog en klinisch farmacoloog, & hoogleraar farmacotherapieonderwijs, werkzaam in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam. Namens Nederlandse Internisten Vereniging (NIV).
  • dhr. J. Benedictus, patiëntvertegenwoordiger, werkzaam bij Patiëntenfederatie Nederland, Utrecht. Namens Patiëntenfederatie Nederland (PFNL).
  • mw. dr. F. Boersma, specialist ouderengeneeskunde & senior onderzoeker, werkzaam in het UMCG, Groningen. Namens Vereniging van Specialisten Ouderengeneeskunde (Verenso).
  • dhr. drs. Th.L.A. Burm, ouderenpsychiater, werkzaam bij GGNet locatie RGC Apeldoorn. Namens Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP).
  • mw. prof. dr. P. Denig, hoogleraar kwaliteit van geneesmiddelgebruik, werkzaam in het UMCG, Groningen.
  • dhr. prof. dr. A.C.G. Egberts, ziekenhuisapotheker & hoogleraar klinische farmacie, werkzaam in het UMCU, Utrecht. Namens Nederlandse Vereniging van Ziekenhuis Apothekers (NVZA).
  • mw. dr. P.J.M. Elders, huisarts & hoofdonderzoeker afdeling Huisartsgeneeskunde en Ouderengeneeskunde, werkzaam in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG).
  • dhr. dr. E.C.T. Geijteman, aios interne geneeskunde en klinisch farmacoloog, werkzaam in het Erasmus MC, Rotterdam. Namens Nederlandse Internisten Vereniging (NIV).
  • dhr. dr. H.F. Kwint, openbaar apotheker, werkzaam bij Apotheek Stevenshof, Leiden, & onderzoeker SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy, Leiden. Namens Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP).
  • mw. prof. dr. M. Muller, internist ouderengeneeskunde & hoogleraar cardiovasculaire veroudering, werkzaam in het Amsterdam UMC, locatie VUmc, Amsterdam. Namens Nederlandse Internisten Vereniging (NIV).
  • mw. drs. S.E. van Putten-de Wit, huisarts & wetenschappelijk medewerker, werkzaam bij het NHG, Utrecht. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (tot april 2019).
  • mw. dr. M.A. Verdoorn MSc., openbaar apotheker, werkzaam bij Apotheek Hoogland, Sliedrecht, & onderzoeker SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy, Leiden. Namens Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP).
  • dhr. drs. R.W. Vingerhoets, klinisch geriater, werkzaam in het Elisabeth-TweeSteden Ziekenhuis, Tilburg. Namens Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie (NVKG).
  • mw. drs. C.J.H. de Vries, huisarts & wetenschappelijk medewerker, werkzaam bij het NHG, Utrecht. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (vanaf april 2019 tot februari 2020).
  • mw. A.S.G. van Walraven MSc., openbaar apotheker & wetenschappelijk medewerker, werkzaam bij het NHG, Utrecht. Namens Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) (vanaf februari 2020).
  • dhr. dr. J. van Wijngaarden, cardioloog, werkzaam in het Deventer Ziekenhuis, Deventer, Namens Nederlandse Vereniging voor Cardiologie (NVVC).

 

Met ondersteuning van

  • dhr. ir. T.A. van Barneveld, directeur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten, Utrecht.
  • A.A. Lamberts MSc., senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten, Utrecht.
  • mw. L.H.M. Niesink-Boerboom MSc., literatuurspecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
  • mw. drs. M.M. Verduijn, apotheker & senior wetenschappelijk medewerker, Nederlands Huisartsen Genootschap.

Belangenverklaringen

De ‘KNAW-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling‘ (2017) is gevolgd. Alle werkgroepsleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste 3 jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Actie

Benedictus

Programmamanager Patiëntenfederatie Nederland (1,0 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

1-9-2018

Geen actie

Boersma

Specialist ouderengeneeskunde, senior onderzoeker UMC Groningen (0,30 fte)

Lentis/Team 290: (0,64 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

1-10-2018

Geen actie

Burm

Ouderenpsychiater bij GGnet, Polikliniek Ouderenpsychiatrie, RGC, locatie Apeldoorn (1,0 fte)

Bestuurslid Afdeling Ouderenpsychiatrie NVvP (onbetaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

4-7-2018

Geen actie

De Vries

Huisarts n.p., wetenschappelijk medewerker, Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

20-8-2019

Geen actie

Denig

Hoogleraar kwaliteit van geneesmiddelgebruik, Afdeling Klinische Farmacie en Farmacologie, Universitair Medisch Centrum Groningen (0,8 fte)

Geen

Geen

Geen

Ik neem deel aan onderzoek dat gefinancierd wordt door ZonMW, KNMP en EU fondsen. De KNMP is als partij ook betrokken bij de ontwikkeling van de module Deprescribing. (Projecten: DISCARDt; financiering via KNMP)

Als persoon heb ik geen baat bij bepaalde uitkomsten van het advies. Ik voer onderzoek uit naar mogelijkheden voor, ervaringen met en hulpmiddelen bij Deprescribing, van waaruit ik als extern expert mijn input zal geven.

Geen

22-5-2018

Geen actie

Egberts

Ziekenhuisapotheker, UMC Utrecht (0,9 fte)

Hoogleraar klinische farmacie, bètafaculteit Universiteit Utrecht (0,1 fte)

Lid internationale wetenschappelijke adviesraad Zentrum fur psychische Gesundheit, Universität Wurzburg (onbetaald) Bestuurslid SIR Institute for Pharmacy Practice & Policy (onbetaald)

Lid kernteam Expertisecentrum Pharmacotherapie bij Ouderen (EPHOR) (onbetaald).

Voorzitter stichting KNMP-fondsen (onbetaald). Lid Editorial Board Drug Safety (onbetaald)

Plv lid CCMO (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

23-8-2018

Geen actie

Elders

Universitair hoofddocent onderzoekslijn Diabetes, overgewicht, leefstijl en osteoporose, Afdeling Huisartsgeneeskunde en Ouderenzorg, UMC Amsterdam, locatie VUmc (0,64 fte) Waarnemend huisarts (0,25 fte)

Lid vaste commissie bevolkingsonderzoek van de Gezondheid (betaald) Cursussen osteoporose of diabetes voor verschillende organisaties (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

30-8-2018

Geen actie

Geijteman

Aios interne geneeskunde, Reinier de Graaf gasthuis, Delft tot 1-7-2018

Aios interne geneeskunde, Erasmus MC, Rotterdam vanaf

1-7-2018 (1,0 fte)

Arts onderzoeker Erasmus MC afdelingen maatschappelijke gezondheidszorg en klinische farmacologie en apotheek interne oncologie

Geen

Geen

ZonMW Medicatiemanagement in de laatste levensfase periode 2013-2016

Geen

Geen

14-6-2018

Geen actie

Kwint

Directeur/openbaar apotheker, Apotheek Stevenshof, Leiden (0,8 fte)

Senior-onderzoeker, SIR Institute for Pharmacy Practice and

Policy (0,2 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

13-7-2018

Geen actie

Lamberts

Senior adviseur, Kennisinstituut FMS (0,8 fte) Beleidsmedewerker Kwaliteit, NVKG (0,2 fte)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

2018

Geen actie

Muller

Hoofd Sectie Interne Ouderengeneeskunde, Afdeling Interne Geneeskunde, Hoofd Onderzoeksgroep Cardiovascular Aging, Amsterdam UMC, locatie VUmc (1,0 fte)

Visiting professor National lnstitute on Aging

Lid richtlijncommissie CVRM addendum kwetsbare ouderen (betaald) Presentaties voor NWC over relatie hart-brein, CVRM ouderen (betaald) Werkgroep Diabetes and costs Merck (betaald) Presentatie over diabetes en ouderen, Landelijk Diabetescongres (betaald) Presentatie NVIVG CVRM bij ouderen (bvetaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

29-6-2018

Geen actie

 

Werkgroeplid

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Overige belangen

Getekend op

Actie

Van Agtmael

Internist-klinisch farmacoloog (0,7 fte), hoogleraar farmacotherapie (0,3 fte), Amsterdam UMC, locatie VUmc

Voorzitter EACPT education working group

Voorzitter Stichting Informatiemanagement infectieziekten Bestuurder Stichting Pscribe)

Bestuurder NVKF&B, commissie onderwijszaken (onbetaald)

co-opted member EACPT executive committee) Alle functies zijn onbetaald en hebben geen

relatie met de farmaceuti-

sche industrie

Geen

Geen

Geen

De uitwerking van het concept deprescribing door deze commissie maakt het uitrollen van deze methode in het VUmc mogelijk makkelijker

Geen

4-6-2018

Geen actie

Van Marum*

Klinisch geriater, klinisch farmacoloog, Afdeling Geriatrie, Jeroen Bosch Ziekenhuis,

Den Bosch (0,7fte), bijzonder hoogleraar farmacotherapie bij ouderen, Afdeling Huisartsgeneeskunde en Ouderengeneeskunde, Amsterdam UMC,

locatie VUmc

Lid College ter beoordeling Geneesmiddelen (betaald, 0, 16 fte)

Lid wetenschappelijke adviesraad BENU Apotheken (vacatie)

Lid raad van toezicht zorginstelling Careyn

(betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-7-2018

Geen actie

Van Putten

Wetenschappelijk medewerker, Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG (0,4 fte)

Huisarts (0,2 fte)

Medisch inhoudelijke nascholing aan verpleegkundig specialisten van een woonzorginstelling voor verstandelijk beperkte mensen (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

16-6-2018

Geen actie

Van Walraven

Apotheker, Wetenschappelijk medewerker Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

9-3-20

Geen actie

Van Wijngaarden

Cardioloog, Deventer ziekenhuis, Deventer (1,0 fte)

Opleider cardiologie, Werkgroep Opleidingszaken (onbetaald) Concilium Ccardiologicum (onbetaald) Lid/ambassadeur projectgroep medisch specialist 2025 FMS (onbetaald)

Lid kamer medisch specialisten capiciteitsorgaan

KNMG (onbetaald)

Geen

Geen

Geen

Ambassadeur Medisch Specialist 2025

Geen

25-7-2018

Geen actie

Verdoorn

Openbaar apotheker, Thorbecke apotheek Sliedrecht (0,4 fte) Onderzoeker/promovendus, SIR Institute for Pharmacy Practice and Policy, Leiden (0,6 fte)

Geen

Geen

Geen

Mijn werkgever SIR heeft een subsidie ontvangen voor mijn promotieonderzoek over het onderwerp medicatiebeoordelingen van de KNMP en Service Apotheek in de vorm van een unconditional grant. De richtlijn deprescribing heeft qua onderwerp

wel te maken met mijn promotieonderzoek. De financierders hebben geen direct belang bij de uitkomsten van de richtlijn. Zij vinden het alleen belangrijk dat deze richtlijn er komt om de apothekers te ondersteunen bij dit onderwerp

Geen

Geen

27-6-2018

Geen actie

Verduijn

Apotheker, senior wetenschappelijk medewerker Afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, NHG

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

9-3-20

Geen actie

Vingerhoets

Klinisch geriater, klinisch farmacoloog en medisch manager, Zorgeenheid Geriatrie, Elisabeth-TweeSteden ziekenhuis, Tilburg (1,0 fte)

Jaarlijks onderwijs voor psychologen in opleiding, Universiteit Tilburg, en voor Nurse practitioners in opleiding, Fontys Hogeschool Tilburg (betaald)

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

8-6-2018

Geen actie

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door een afgevaardigde van de Patiëntenfederatie Nederland zitting te laten nemen in de werkgroep. Ook is er een focusgroep met patiënten gehouden. De resultaten van deze focusgroep zijn beschreven in de submodule ‘Belemmerende en bevorderende factoren’. De Patiëntenfederatie Nederland en de seniorenorganisatie KBO-PCOB zijn uitgenodigd voor deelname aan de invitational conference die is georganiseerd in het kader van de knelpunteninventarisatie. Een verslag van deze bijeenkomst is besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijnmodules. Een verslag van deze bijeenkomst is opgenomen in bijlage 2. De conceptrichtlijnmodules zijn tevens voor commentaar voorgelegd aan KBO-PCOB en de Patiëntenfederatie Nederland.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijnmodules en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijnmodules in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is te vinden in de bijlagen.

Werkwijze

AGREE

De richtlijnmodules zijn opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport ‘Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0‘ van de Orde van Medisch Specialisten (2012). Dit rapport is gebaseerd op het internationaal breed geaccepteerde instrument Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II (AGREE II) [Brouwers 2010]. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidencebased richtlijn tot stand komt, wordt verwezen naar genoemd rapport.

 

Knelpunteninventarisatie

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. Een verslag hiervan is opgenomen in de aanverwante producten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur conceptuitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling worden naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere belangrijke aspecten meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepsleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs, de belangrijkste overwegingen en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. Het wetenschappelijke bewijs en het gewicht dat de werkgroep toekent aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijnmodules is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg, zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur. Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste submodule.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De richtlijnmodules werden in concept ter commentaar voorgelegd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënten)organisaties. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werden de richtlijnmodules aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijnmodules zijn aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënten)organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.