Opvang en afvoer van urine en feces

Initiatief: SRI Aantal modules: 25

Opvang via incontinentiemateriaal

Publicatiedatum: 01-07-2025
Beoordeeld op geldigheid: 21-02-2024

Uitgangsvraag

Welke infectiepreventiemaatregelen moeten in acht worden genomen bij het opvangen van urine en feces met incontinentiemateriaal?

Aanbeveling

  • Zorg dat het incontinentiemateriaal goed is aangemeten, aansluit, over de juiste absorptiecapaciteit beschikt en past bij de mate van zelfstandigheid van de patiënt. 
  • Verwissel het incontinentiemateriaal regelmatig en tijdig. Laat de patiënt dit zelf verwisselen als dit mogelijk is. 
  • Zet alle benodigdheden die nodig zijn voor het verwijderen en/of aanbrengen van incontinentiemateriaal binnen handbereik klaar voordat gestart wordt. Dit betreft: 
    • Schoon incontinentiemateriaal;
    • Persoonlijke beschermingsmiddelen;
    • Een afvalbak met deksel en voetpedaal of, als er geen afvalbak dichtbij is, een plastic zak waarin het vuile materiaal verzameld kan worden; 
    • Handdesinfectiemiddel of een handenwasgelegenheid met stromend water, zeep en papieren handdoekjes voor het toepassen van handhygiëne.
  • Pas handhygiëne toe na het verwisselen van het incontinentiemateriaal en laat dit de patiënt zo mogelijk ook doen als deze geholpen heeft bij het verwisselen.
  • Was materiaal voor hergebruik ter fixatie van incontinentiemateriaal (bijvoorbeeld, elastiek, netbroekje) machinaal op minimaal 60 °C op een volledig wasprogramma. Als er gebruik gemaakt wordt van wasbaar incontinentiemateriaal: deponeer na verwijdering het wasbare incontinentiemateriaal in een speciaal daarvoor bestemde afgesloten bak/zak. 

Overwegingen

Voor- en nadelen van de interventie en kwaliteit van bewijs

Voor deze module is systematisch gezocht naar wetenschappelijke literatuur om antwoord te geven op de vraag welk effect de tijdsduur van het dragen van incontinentiemateriaal heeft op de overdracht van (pathogene) micro-organismen. Hierbij zijn geen vergelijkende studies gevonden die voldoen aan de PICO. Door het ontbreken van literatuur is geen richting te geven aan de besluitvorming op basis van wetenschappelijk bewijs. De aanbevelingen in deze module zijn gebaseerd op microbiologische principes en expert opinion van de werkgroep.

 

Infectiepreventiemaatregelen

Bij het helpen tijdens het verwisselen van het incontinentiemateriaal is contaminatie met urine en/of feces mogelijk. Bij kans op contact met deze lichaamsvloeistoffen worden handschoenen gedragen voor de veiligheid van de medewerker. Om transmissie te voorkomen tijdens de zorghandelingen met incontinentiemateriaal is goede persoonlijke hygiëne en handhygiëne na het uittrekken van handschoenen van belang.

 

Door op het moment van handelen alle materialen binnen handbereik te hebben, kan al het vuile materiaal direct op schone wijze afgevoerd worden. Hierdoor kan de medewerker na de handeling verder met schone handen. Hiermee voorkom je kans op verspreiding van het vuile incontinentiemateriaal naar omgeving en medewerker. De wenselijke werkwijze is als volgt:

  1. Pas handhygiëne toe voor aanvang handeling.
  2. Trek handschoenen aan voor het verwijderen van vuil incontinentiemateriaal.
  3. Gooi het vuile incontinentiemateriaal direct in de daarvoor bestemde afsluitbare prullenbak of plastic zak.
  4. Trek de vuile handschoenen uit na het weggooien van het vuile incontinentiemateriaal en gooi de vuile handschoenen direct in de prullenbak.
  5. Pas handhygiëne toe na het weggooien van de vuile handschoenen.
  6. Pas handhygiëne toe na het bieden van hulp bij het aandoen van het incontinentiemateriaal.

Gezondheidswinst (effectiviteit)

Goed aangemeten incontinentiemateriaal met indicator voor verzadiging verlaagt het risico op doorlekken en daarmee contaminatie van de omgeving aanzienlijk. Regelmatig verwisselen van het incontinentiemateriaal is belangrijk voor infectiepreventie, maar ook voor preventie van decubitus, het welbevinden van de cliënt en het voorkomen van ontwikkeling van nare geuren. Wissel niet op basis van het aantal (vergoede) incontinentiematerialen en wacht niet tot het incontinentiemateriaal (sterk) ruikt, niet fijn aanvoelt, erg nat is of doorlekt, maar verwissel tijdig. Bij adequaat gebruik van materiaal zal er minder vochtletsel/pijn/decubitus ontstaan.

 

Duurzaamheid

Patiënten die afhankelijk zijn van een zorgverlener en adequaat van geest zijn, vragen zelf om verschoning. Bij die doelgroep kunnen plasrondes worden afgeschaft; dit zal het gebruik van incontinentiemateriaal verminderen. Dit draagt ook bij aan het terugdringen van verspilling ('reduce', zie module Duurzaamheid).

 

In een review over hygiëneproducten, waaronder incontinentiematerialen voor volwassenen, werden vier studies beschreven over incontinentiemateriaal (Perez et al, 2021). De milieu-impact van incontinentiemateriaal is in de loop der tijd afgenomen. Dit komt door een vermindering van het gewicht van het materiaal. The life cycle analysis-studies beschrijven de milieueffecten van verschillende soorten incontinentiematerialen (productie en afvalverwerking). Milieu-impact is sterk afhankelijk van het betreffende product en de context in het betreffende land. Ook is het belangrijk te beseffen dat een reductie bij één milieuaspect vaak gepaard met een toename bij een ander aspect (zie module Duurzaamheid). Herbruikbare producten bijvoorbeeld leveren niet altijd duurzaamheidswinst op. Dit omdat het wassen en drogen van de producten bepalend zijn voor de milieu-impact van de herbruikbare producten. Om bovenstaande redenen is het niet mogelijk een voorkeur aan te geven voor bepaalde incontinentiematerialen of verwerkingsmethoden in Nederland.

 

Bij de keuze van het incontinentiemateriaal kan de keuze voor een product met een Ecolabel helpen bij het maken van een duurzame keuze (Perez, 2021). Dit zijn labels die op basis van bepaalde duurzame kenmerken worden toegekend aan specifieke producten door onafhankelijke bedrijven.

 

Aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie

De verwachting is dat de voorgestelde aanbevelingen geen belemmeringen vormen op het gebied van aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie.

Onderbouwing

Als een persoon niet in staat is om op een toilet/postoel te urineren of defeceren kan worden gekozen om incontinentiemateriaal te gebruiken. Incontinentiemateriaal is een bron van micro-organismen. Incontinentiemateriaal kan bij alle doelgroepen gebruikt worden, waaronder personen met een kwetsbare gezondheid. Door hygiënisch te werken met incontinentiemateriaal beperk je het risico op verspreiding van micro-organismen.

Om de uitgangsvraag van deze module te beantwoorden is een systematische analyse van de literatuur nodig. De onderzoeksvragen die hiervoor zijn onderzocht, zijn PICO-gestructureerd en luiden: 

1. Heeft het absorberend vermogen van het incontinentiemateriaal invloed op het oplopen van infecties bij patiënten?

P: Patiënten (langdurige en/of medische zorg) met incontinentiemateriaalbehoefte
I: Incontinentiemateriaal met absorberend vermogen
C: Incontinentiemateriaal zonder absorberend vermogen
O: Het risico op het oplopen van infecties (waaronder decubitus)

 

2. Welk effect heeft de (tijds)duur van het dragen van incontinentiemateriaal op het oplopen van een infectie?

P: Patiënten (langdurige en/of medische zorg) met incontinentiemateriaalbehoefte
I: Draagtijd korter dan 6 uur (maximumaantal uur dat het materiaal mag worden gedragen volgens de fabrikant)
C: Draagtijd langer dan 6 uur
O: Tijdsindicatie voor het dragen van incontinentiemateriaal in verband met het risico op infecties

 

Op 9 september 2022 is in de databases Medline, Embase en Cinahl gezocht naar literatuur. De overkoepelende zoekactie was gericht op vijf uitgangsvragen. De zoekactie leverde na ontdubbelen 172 resultaten op. De volledige zoekactie is beschreven in de bijlage Literatuuronderzoek Module Opvang via incontinentiemateriaal.

 

De literatuur is systematisch geselecteerd op basis van vooraf gestelde criteria. Deze criteria luiden als volgt:

  • Het gaat om vergelijkend onderzoek zoals een (gerandomiseerd) gecontroleerd onderzoek of observationele studie
  • De onderzoeksgroep bestaat uit patiënten met incontinentiemateriaalbehoefte
  • De interventie bestaat uit incontinentiemateriaal met absorberend vermogen en/of een korte draagtijd
  • De controle bestaat uit incontinentiemateriaal zonder absorberend vermogen en/of een lange draagtijd
  • De uitkomstmaten zijn gerapporteerd

Literatuur werd uitgesloten als er geen vergelijkende analyses aanwezig waren.

De selectiecriteria zijn toegepast op de referenties verkregen uit de zoekactie. In eerste instantie zijn de titel en abstract van de referenties beoordeeld. Hiervan werd één referentie geïncludeerd voor deze specifieke uitgangsvraag voor de beoordeling op basis van het volledige artikel. Na de beoordeling van de volledige tekst zijn geen studies definitief geïncludeerd voor de literatuuranalyse. In de exclusietabel in bijlage Literatuuronderzoek Module 1.7 Opvang via incontinentiemateriaal is de reden voor uitsluiting van één referentie toegelicht. 

 

Resultaten

Er zijn geen studies gevonden die van toepassing waren op de uitgangsvraag. 

  1. Perez MV et al. 2021, Waste management and environmental impact of absorbent hygiene products: a review, waste management & research, 39 (6): 767-783.

Exclusie-tabel

Studie

Reden van exclusie

Koudounas S, Mugita Y, Minematsu T, Nakagami G, Weller C, Sanada H. Does the presence of bacterial urinary infection contribute to the development of incontinence-associated dermatitis? A scoping review. J Tissue Viability. 2021 May;30(2):256-261. doi: 10.1016/j.jtv.2021.01.008. Epub 2021 Jan 26. PMID: 33579585.

 

Kijkt niet naar de benodigde interventies

 

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 01-07-2025

Beoordeeld op geldigheid  : 21-02-2024

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Samenwerkingsverband Richtlijnen Infectiepreventie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Vereniging voor Hygiëne en Infectiepreventie in de Gezondheidszorg
  • Nederlandse Associatie Physician Assistants

Algemene gegevens

Er is een verklaring van geen bezwaar aangeleverd door:

  • Patiëntenfederatie Nederland (PFNL)

De richtlijn is gefinancierd door het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS). De financier heeft geen invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2022 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit deskundige en vertegenwoordigers van specialismen die betrokken zijn in de zorg. De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

De werkgroep bestaat uit de volgende leden:

  • Dr. I. J.B. (Ingrid) Spijkerman, voorzitter en arts-microbioloog, Federatie Medisch Specialisten (FMS)
  • A.B. (Gonny) Moen, deskundige infectiepreventie, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)
  • R. (Renske) Tjeerdsma, deskundige infectiepreventie, Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg (VHIG)
  • M.B.J.J. (Marty) Jacobs, deskundige infectiepreventie, Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)
  • I. (Ingrid) Verzijl- Kok, verpleegkundig specialist AGZ (Algemene Gezondheidszorg), Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)
  • T. (Tanja) Bruins, kwaliteitsverpleegkundige, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN) (deelname tot december 2022)
  • C. P. (Coriena) van Bruchem, UCS (urologie, continentie- en stomazorg)-verpleegkundige, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)
  • Dr. L. (Lara) Gerbrandy-Schreuders, uroloog, Federatie Medisch Specialisten (FMS)

De volgende personen waren onderdeel van de klankbordgroep en hebben input gegeven tijdens de ontwikkelfase vanuit hun specifieke expertise:

  • Dr. P. (Paul) van Houten, specialist oudergeneeskunde, Vereniging van specialisten ouderengeneeskunde (Verenso)
  • J. A. (Jochem) van Westerop, senior-adviseur Afvalwater, afdeling Leefomgeving, Regelgeving en Duurzaamheid, Rijkswaterstaat

Met ondersteuning van:

  • F.E.M. (Femke) Aanhane, senior-procesbegeleider richtlijnontwikkeling, SKILZ
  • I. (Ingeborg) van Dusseldorp, informatiespecialist, Maatschap Van Dusseldorp, Delvaux & Ket
  • Dr. N. (Nina) Molenaar, arts-epidemioloog, Medical Research Consulting
  • Dr. J. (Joan) Vlayen, arts-onderzoeker, Medical Evaluation & Technology Assessment (ME-TA), België

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroep- en klankbordgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring is opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

 

Een overzicht van de belangen van werkgroep- en klankbordgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in de onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen via het bureau van SKILZ bureau@skilz.nu.

Werkgroeplid 

Functie(s) 

Nevenfunctie(s) 

Gemelde belangen 

Ondernomen actie

Dr. I.J.B. Spijkerman

Arts-microbioloog

Geen

Geen

Geen actie vereist

M.J.J.B. Jacobs

Deskundige infectiepreventie

Geen

Geen

Geen actie vereist

I. Verzijl

Verpleegkundig specialist

Geen

Geen

Geen actie vereist

C.P. van Bruchem

UCS (urologie, continentie- en stomazorg)-verpleegkundige

Geen

Geen

Geen actie vereist

A.B. Moen

Deskundige infectiepreventie

Geen

Geen

Geen actie vereist

R. Tjeerdsma

Deskundige infectiepreventie

Geen

Geen

Geen actie vereist

T. Bruins

Kwaliteitsverpleegkundige

Geen

Geen

Geen actie vereist

Dr. L.C. Gerbrandy

Uroloog

Raad van Toezicht, Stichting Tweega Medica (onbetaald)

Geen

Geen actie vereist

F.E.M. Aanhane

Senior-procesbegeleider

Geen

Geen

Geen actie vereist

Dr. P. van Houten

Specialist oudergeneeskunde

Voorzitter projectgroep Handreiking Uitbraakmanagement

Lid Commissie Goed Gebruik Hulpmiddelen (ZonMW)

Freelance docent Amstelacademie en InHolland

Geen 

Geen actie vereist

J. A. van Westerop

Senior-adviseur Afvalwater

Geen

Geen 

Geen actie vereist

 

Inbreng patiëntenperspectief

Er is aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van de Patiëntenfederatie Nederland bij het ophalen van de knelpunten die leven bij dit thema. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. Tijdens de commentaarfase hebben zij meegelezen met de conceptteksten.

 

Wkkgz & kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen

Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema op de Richtlijnendatabase).

Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel:

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Module Opvang van urine en feces

Geen substantiële financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het geen nieuwe manier of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er wordt geen toename in voltijdsequivalenten dan wel opleidingsniveau verwacht. Er worden daarom geen substantiële financiële gevolgen verwacht.

Werkwijze

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen zoals vastgesteld in het SRI-document ‘Procedure SRI- richtlijnontwikkeling’. Dit document beschrijft een stappenplan dat gebaseerd is op de kwaliteitscriteria uit de documenten: Richtlijn voor richtlijnen (2012), AQUA Leidraad voor Kwaliteitsstandaarden (2014), de HARING-tools (2013), AGREE-II (2010). Ook bevat het stappenplan verwijzingen voor methodieken van het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 3.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit en het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten’.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase hebben de voorzitter van de werkgroep, de werkgroepleden en de procesbegeleider de knelpunten geïnventariseerd. Er is een vragenlijst uitgestuurd naar alle relevante beroeps-, brancheverenigingen en partijen. Deze vragenlijst was gebaseerd op de WIP-richtlijnen over 'Pospoelers en vermaalsystemen' en over 'Urinelozing en stoelgang'. Een verslag over de knelpunten op het gebied van pospoelers en vermaalsystemen is terug te vinden in de bijlage Rapportage knelpunteninventarisatie pospoelers en vermaalsystemen. Het verslag van de resultaten van de knelpunteninventarisatie op het gebied van urinelozing en stoelgang is in de bijlage Rapportage knelpunteninventarisatie (urinelozing en stoelgang) te lezen.

 

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep uitgangsvragen opgesteld.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Per uitgangsvraag is de methode van onderzoek bepaald. Bij de uitgangsvragen waarbij literatuuronderzoek is uitgevoerd, is een onderzoeksvraag opgesteld. Vervolgens heeft de werkgroep per onderzoeksvraag geïnventariseerd welke uitkomstmaten relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder de paragraaf 'Onderbouwing' in iedere module. Indien mogelijk werd de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects-model. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de risk-of-bias-tabellen (zie bijlagen).

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur (zie bijlagen).

 

De kwaliteit van bewijs (‘quality of evidence’) werd beoordeeld met behulp van GRADE. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’. GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie, of voor een risico- of prognostische factor, een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte.

Indeling van de kwaliteit van bewijs volgens GRADE

Hoog

  • ­Er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt; 
  • Het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • ­Er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • ­Het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • ­Er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • Er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • ­Er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • De literatuurconclusie is zeer onzeker.

Formuleren van de overwegingen

Voor het formuleren van een aanbeveling zijn naast de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs over de gewenste en ongewenste effecten van een interventie of over de effectgrootte van een risico- of prognostische factor vaak ook nog andere factoren van belang (Alonso-Coello et al., 2016b).

 

Genoemd kunnen worden:

  • Kosten;
  • Waarden, voorkeuren en ervaringen van patiënten en zorgmedewerkers;
  • Balans van gewenste en ongewenste effecten van interventies ten opzichte van geen of andere interventies;
  • Duurzaamheid;
  • Aanvaardbaarheid van interventies;
  • Haalbaarheid van een aanbeveling.

Deze aspecten worden per module besproken onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van de aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvragen en zijn gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet uit. Bij een hoge bewijskracht zijn ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas et al., 2017; Neumann et al., 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, zorgmedewerkers en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

 

Randvoorwaarden (organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). In deze module is extra aandacht besteed aan 'wat te doen bij een uitbraak van een infectieziekte(n)'. Ook het aspect duurzaamheid en de relatie tot organisatie van zorg is uitgelicht. 

 

Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag.

 

Formuleren van kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader onderzoek staat in de bijlage Kennislacunes.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en andere relevante partijen voorgelegd voor commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie.

 

De volgende partijen hebben commentaar geleverd op de richtlijn SRI Opvang en afvoer van urine en feces:

Partijen

FMS - Federatie Medisch Specialisten

RIN VERBAND MET - Publiek domein

V&VN - Vereniging voor Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland

NAPA - Nederlandse Associatie Physician Assistants

Patiëntenfederatie NL

Verenso - Vereniging van specialisten ouderengeneeskunde

NVZ - Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen

NVAVG - Nederlandse Vereniging voor Artsen Verstandelijk Gehandicapten

VHIG - Vereniging voor Hygiëne & Infectiepreventie in de Gezondheidszorg

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

 

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ 2016a;353:i2089. 

 

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016b. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

 

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ 2010;182:E839-42. 

 

Guyatt GH, Oxman AD, Vist GE, Kunz R, Falck-Ytter Y, Alonso-Coello P, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE: an emerging consensus on rating quality of evidence and strength of recommendations. BMJ 2008;336: 924-6.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit

 

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609. 

 

Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van Federatie Medisch Specialisten.

Volgende:
Vervoer van opvangmaterialen met urine en feces