NAH en arbeidsparticipatie

Initiatief: VRA Aantal modules: 12

Sociale zekerheid bij NAH

Uitgangsvraag

Welke inhoudelijke informatie over wet- en regelgeving aangaande werk, ziekteverzuim, re-integratie en arbeidsongeschiktheid dient met een persoon met NAH gedeeld te worden als voorbereiding op re-integratie en (financiële) gevolgen van arbeidsongeschiktheid? Specifiek ten aanzien van:

  1. De Wet verbetering Poortwachter.
  2. De (gevolgen van) de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) beoordeling.
  3. De Participatiewet.

Aanbeveling

Een werknemer met NAH dient op de hoogte te zijn van wet- en regelgeving omtrent verzuim en arbeidsongeschiktheid, met name dat:

  • Hij/zij samen met de werkgever verantwoordelijk is voor terugkeer naar betaald werk (bij de eigen of een andere werkgever).
  • Hij/zij daarbij bijgestaan kan worden door:
    • Bedrijfsarts;
    • Revalidatieteam;
    • Casemanager;
    • Re-integratiedeskundige (bijvoorbeeld arbeidsdeskundige of jobcoach).
  • Hij/zij een re-integratieverslag (RIV) moet maken samen met de werkgever en de casemanager.
  • De re-integratie inspanningen na twee jaar beoordeeld worden door UWV.
  • Hij/zij na twee jaar een uitkering moet aanvragen bij UWV.

 

Personen met NAH die een WIA beoordeling krijgen:

  • Raadplegen de UWV website (https://www.uwv.nl/particulieren).
  • Bereiden de beoordeling voor met degene die hen vergezelt naar de afspraak.
  • Bereiden de afspraak voor met een van de volgende professionals:
    • Bedrijfsarts.
    • Revalidatieteam.
    • Re-integratiedeskundige (bijvoorbeeld arbeidsdeskundige of jobcoach) met expertise op het gebied van NAH.
    • Casemanager.
    • Werkgever/HRM/leidinggevende.
  • Zetten klachten en ervaren belemmeringen zoveel mogelijk op een rij (wat lukt wel en wat lukt niet op een dag, welke consequenties hebben activiteiten en hoe verloopt een dag).
  • Zorgen voor medische gegevens en een actueel medicatie overzicht; in module 'Lange termijnfase' (aandachtspuntenlijst) werd reeds genoemd welke medische gegevens met name belangrijk zijn. Wanneer dit niet goed lukt en aanvullende informatie nodig is dient de verzekeringsarts deze informatie bij de huisarts of de medisch specialist(en) op te vragen.
  • Nemen iemand mee op het gesprek.

 

Professionals, die betrokken zijn bij behandeling en/of begeleiding van mensen met NAH dienen:

  • Zich te realiseren dat de (financiële) gevolgen van een WIA-beoordeling groot kunnen zijn voor een persoon met NAH. Zij dienen hier tijdens de behandeling actief aandacht aan te besteden.
  • Mensen met NAH tijdig te informeren over wet- en regelgeving alsmede over procedures rond sociale zekerheid.
  • De persoon met NAH, die onvoldoende op de hoogte is te adviseren contact op te nemen met de bedrijfsarts, het revalidatieteam, de re-integratiedeskundige (bijvoorbeeld de arbeidsdeskundige of de jobcoach) en te verwijzen naar de website van UWV.
  • De persoon met NAH te helpen met de voorbereiding van de WIA-beoordeling door de medische gegevens en een medicatie overzicht te maken in overleg met betrokkene. Mocht de verzekeringsarts aanvullende info nodig hebben, dan dient hij/zij deze gericht bij de huisarts of de medisch specialist(en) op te vragen, mits de persoon met NAH daarvoor toestemming heeft gegeven.

 

Mensen, die op jonge leeftijd NAH oplopen dienen te weten dat ze bij UWV een beoordeling van het arbeidsvermogen kunnen aanvragen en in aanmerking kunnen komen voor:

  • Een Wajong uitkering (als zij nooit meer kunnen werken).
  • Begeleiding naar werk via de gemeente (als zij arbeidsgehandicapt zijn).
  • Een werk (plek) voorziening om duurzaam te kunnen blijven participeren in al dan niet passende arbeid.

Overwegingen

Uitgangsvraag 1

Wat zijn de aandachtspunten met betrekking tot het informeren van de persoon met NAH over de “Wet verbetering Poortwachter”?

 

Het is van belang dat de persoon met NAH en zijn naasten voldoende op de hoogte zijn van wet- en regelgeving rondom verzuim en arbeidsongeschiktheid. Hen tijdig informeren kan onzekerheden wegnemen en duidelijkheid verschaffen over hetgeen er van de persoon met NAH wordt verwacht ten aanzien van re-integratie. Onderstaande informatie is van belang voor de persoon met NAH, zijn naasten en professionals die niet werkzaam zijn in het werkveld van de sociale zekerheid.

 

Loondoorbetaling bij ziekte

Werknemers die tijdens hun dienstverband ziek worden, hebben recht op doorbetaling van hun loon. De werkgever is verplicht om gedurende de eerste twee ziektejaren loon door te betalen. De werknemer ontvangt in deze twee jaren minimaal 70% van het laatstverdiende loon, waarbij in het eerste ziektejaar in elk geval het minimumloon ontvangen wordt. De werkgever mág meer betalen. In veel cao’s en arbeidsovereenkomsten is dit ook geregeld; vaak alleen voor het eerste jaar, soms ook daarna. Indien het contract tussentijds van rechtswege stopt (zoals bij een tijdelijk contract) komt de werknemer in de Ziektewet en neemt het UWV de rol van de werkgever over.

 

Wet Verbetering Poortwachter

Volgens deze wet zijn de werkgever en zieke werknemer de eerste 2 ziektejaren volledig verantwoordelijk voor het hele traject terug naar werk. Dit traject omvat de verzuimbegeleiding door de bedrijfsarts en het ondersteunen van de zieke werknemer bij de terugkeer naar betaald werk. Er dient door de werkgever een casemanager te worden aangewezen die het (Wet Verbetering Poortwachter) proces aanstuurt en bewaakt. Dit kan bijvoorbeeld een leidinggevende zijn of iemand van buiten het bedrijf. Wanneer de werknemer door medische beperkingen niet terug kan in zijn eigen functie, dient er te worden onderzocht of de werknemer in aangepast of ander werk bij de eigen werkgever aan de slag kan. Dit wordt spoor 1 re-integratie genoemd. Wanneer onduidelijk of onzeker is of iemand volledig kan terugkeren in het eigen werk dient er uiterlijk in de 52e week van het verzuim onderzocht te worden wat de resterende arbeidsmogelijkheden zijn. Op basis van de door de bedrijfsarts opgestelde belastbaarheid (bijvoorbeeld door middel van een inzetbaarheidsprofiel (IZP)) wordt een arbeidsdeskundig onderzoek uitgevoerd en advies uitgebracht. Kan de werknemer niet binnen het bedrijf geplaatst worden (ander werk spoor 1 re-integratie ), dan is de werkgever verplicht een passende werkplek elders op de arbeidsmarkt te zoeken (spoor 2 re-integratie). Hiervoor wordt vaak een re-integratiebedrijf ingeschakeld. De werknemer is verplicht actief mee te werken aan het re-integratie proces. Als werknemer en werkgever een verschil van mening hebben ten aanzien van de re-integratie (doel, inspanningen) kan bij het UWV een Deskundigen Oordeel worden aangevraagd. Dit staat nader uitgewerkt in de Werkwijzer Poortwachter (Werkwijzer Poortwachter UWV, 1 mei 2020).

 

Rol van de bedrijfsarts

Elke werkgever is verplicht om samen te werken met een bedrijfsarts bij de begeleiding van zieke werknemers. Sommige taken mogen door de bedrijfsarts gedelegeerd worden naar artsen of andere professionals. De manier waarop een werkgever dat regelt kan variëren. De bedrijfsarts moet zich houden aan wettelijke privacyregels en mag geen medische informatie of privézaken van de werknemer met de werkgever bespreken.

 

Wanneer iemand met NAH uitvalt voor zijn werk, wordt hij, zolang hij dit eigen werk niet volledig heeft hervat, door de bedrijfsarts begeleid, maximaal voor een periode van twee jaar. De bedrijfsarts inventariseert binnen zes weken na ziekmelding wat de beperkingen zijn voor het eigen werk, wat de functie precies inhoudt (arbeidsanamnese) en overige relevante factoren (medicatie, voorgeschiedenis, sociale anamnese). Vervolgens wordt vastgesteld welke daarvan worden veroorzaakt door het medisch beeld en of mogelijk persoonlijke, sociale of werk-gerelateerde aspecten een rol spelen.

 

De bedrijfsarts adviseert de werknemer en werkgever over te ondernemen acties en eventuele behandelingen voor optimale verbetering van de belastbaarheid, waardoor ook de re-integratiemogelijkheden kunnen toenemen. De bedrijfsarts brengt vervolgens advies uit over de re-integratie, maar deelt geen medische informatie met de werkgever. Voor de begeleiding gedurende de re-integratie wordt meestal een professional (arbeidsdeskundige of re-integratiedeskundige) van een re-integratiebedrijf ingeschakeld. Het is van belang dat deze professional voldoende kennis heeft over de gevolgen van NAH en ruime ervaring heeft met de begeleiding van deze doelgroep naar werk. Er is vaak aanvullend onderzoek nodig om de arbeidsmogelijkheden goed in kaart te brengen.

 

Vervroegde WIA aanvraag

Wanneer er sprake is van dusdanige beperkingen dat terugkeer naar werk, in welke vorm dan ook, niet haalbaar zal zijn, dan kan vervroegd een WIA uitkering worden aangevraagd. Het moet dan duidelijk zijn dat de persoon met NAH nu en in de toekomst nooit meer kan werken. Dit heet 'aanvragen met verkorte wachttijd'. Men mag de uitkering na minimaal 3 weken ziekte aanvragen en uiterlijk tot 68 weken na de eerste verzuimdag. Deze vervroegde beoordeling kan slechts 1 keer worden aangevraagd bij het UWV door de persoon met NAH en moet ondersteund en gemotiveerd worden door de bedrijfsarts.

 

Re-integratieverslag

Gedurende de gehele verzuimperiode worden het beloop van de re-integratie en de bijbehorende afspraken vastgelegd in een dossier: het re-integratieverslag (RIV). Daarvoor kunnen standaardformulieren worden gebruikt, die het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) beschikbaar stelt. De casemanager bewaakt dit.

 

Deze formulieren zijn in onderstaande tabel opgenomen: (Referenties: Routing bedrijfsarts en Website UWV).

 

Formulieren werkgever en werknemer

Formulieren bedrijfsarts

 

Probleemanalyse opgesteld door bedrijfsarts (uiterlijk week 6)

Plan van aanpak opgesteld door werkgever en werknemer (uiterlijk week 8)

 

 

Bijstelling probleemanalyse (bij een gewijzigde medische situatie of een verloop van medisch herstel dat niet meer past bij het eerder gestelde re-integratie doel)

Eerstejaarsevaluatie (evaluatie en eventueel wijziging plan van aanpak)

 

 

Actueel oordeel (voorafgaand aan eindevaluatie, opgesteld door de bedrijfsarts)

Eindevaluatie + oordeel werknemer

 

 

Medische informatie, incl. informatie behandelaar(s) (aangeleverd door de bedrijfsarts, valt onder beroepsgeheim)

 

Wanneer de werknemer met NAH na twee jaar het eigen werk niet volledig heeft hervat, kan hij eventueel in aanmerking komen voor een Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) uitkering. De werknemer vraagt deze uitkering tijdig aan, uiterlijk in de 93e verzuimweek. De casemanager ziet hier ook op toe. De werknemer en de werkgever leveren het RIV in bij het UWV.

 

UWV beoordeelt vervolgens de re-integratie-inspanningen van werknemer en werkgever. Er wordt door de arbeidsdeskundige gekeken of alle stappen doorlopen zijn én of tijdig de juiste acties zijn ingezet. De arbeidsdeskundige houdt altijd de vaste toetsingsvolgorde aan:

  1. Is er sprake van een bevredigend re-integratieresultaat?
  2. Zo nee, zijn de re-integratie-inspanningen voldoende?
  3. Zo nee, is daar een deugdelijke grond voor?
  4. Zo nee, is het mogelijk om de tekortkomingen te herstellen?

Is het resultaat onvoldoende dan krijgt de werkgever een sanctie opgelegd: een verlengde loondoorbetalingsverplichting van maximaal 52 weken. De werkgever wordt geacht gedurende deze periode tekortkomingen ten aanzien van de re-integratie te herstellen.

 

Wanneer er onduidelijkheden zijn op medisch vlak, wordt de verzekeringsarts van UWV daarbij ingeschakeld (Referenties: Website UWV en Werkwijzer Poortwachter UWV, 1 mei 2020).

 

De verzekeringsarts beoordeelt de sociaal medische begeleiding door de bedrijfsarts aan de hand van een aandachtspuntenlijst conform de verzekeringsgeneeskundige protocollen.

 

1. Aard en ernst van de klachten en symptomen

  • Hoe waren de klachten aan het begin van het verzuim en wat was het verloop?
  • Waren er klachten of tekenen van disfunctioneren voorafgaand aan het verzuim?

2. Diagnostiek

  • Zijn diagnose(n) gesteld, geëvalueerd en zo nodig herzien?
  • Is er co morbiditeit?
  • Is er overleg geweest tussen bedrijfsarts en huisarts/behandelaar? Wanneer, met welk resultaat?

3. Behandeling

  • Is werknemer verwezen? Wanneer en naar welke vorm van behandeling?
  • Zijn er adviezen gegeven inzake het medisch herstel en de re-integratie?

4. Herstelgedrag/probleemoplossend gedrag van werknemer

  • Is werknemer daadwerkelijk onder behandeling gesteld bij verwijzing? Heeft werknemer de behandeladviezen opgevolgd?
  • Heeft werknemer andere activiteiten ontplooid ten aanzien van herstel en re-integratie?
  • Heeft werknemer ziekte-inzicht?
  • Zijn er concrete aanwijzingen dat werknemer zijn herstel belemmerd heeft?

5. Belemmeringen van herstel en werkhervatting bij werknemer en in het werk

  • Zijn er factoren die bijdragen aan het ontstaan of voortbestaan van de stoornis?
  • Zo ja, wat is gedaan om deze weg te nemen?
  • Heeft de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden beoordeeld in de loop van de tijd?
  • Is er verschil van mening tussen bedrijfsarts/werkgever en werknemer over de belastbaarheid?
  • Hebben werknemer en werkgever acties ondernomen ten behoeve van werkhervatting?
  • Is er gereageerd op stagnatie van de re-integratie? Is het Plan van aanpak bijgesteld?

6. Werkhervatting

  • Heeft de bedrijfsarts de functionele mogelijkheden beoordeeld in de loop van de tijd?
  • Is er verschil van mening tussen bedrijfsarts/werkgever en werknemer over de belastbaarheid?
  • Hebben werknemer en werkgever acties ondernomen ten behoeve van werkhervatting?
  • Is er gereageerd op stagnatie van de re-integratie? Is het Plan van aanpak bijgesteld?

(Referentie: Werkwijzer Poortwachter UWV, 1 mei 2020).

Wanneer het RIV voldoende is, kan de werknemer voor een WIA-beoordeling worden uitgenodigd.

 

Geen werkgever

Wanneer betrokkene met NAH geen werkgever (meer) heeft, dan neemt de verzekeringsarts van UWV in plaats van de bedrijfsarts de begeleiding voor zijn rekening.

 

Wanneer betrokkene met NAH geen werkgever heeft, maar ZZP’er is, dan voert de verzekeringsarts van de particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering deze taken uit, mits de persoon verzekerd is. Meer hierover is terug te vinden in de module 'Geen werkgever'.

 

Uitgangsvraag 2

Wat zijn de aandachtspunten met betrekking tot het informeren van de persoon met NAH over de WIA-beoordeling en welke gevolgen heeft de WIA-beoordeling voor diens werksituatie en financiële situatie?

 

Wanneer een werknemer met NAH in aanmerking komt voor een beoordeling in het kader van de WIA, wordt hij beoordeeld door een verzekeringsarts en eventueel een arbeidsdeskundige.

De beoordelingen door de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige hebben veel consequenties voor mensen met NAH. Zij kunnen enerzijds door deze beoordeling aangezet worden te werken, anderzijds kan de uitkomst zijn dat werken geen optie meer is. Na twee jaar mag de werkgever zijn werknemer ontslaan als het niet lukt om binnen de eigen organisatie aan het werk te gaan/blijven.

 

Het is daarom cruciaal dat:

  • De persoon met NAH (en zijn/haar naaste) van tevoren goed voorgelicht wordt over de verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige beoordeling en de bijbehorende wet- en regelgeving. Dit kan op elk moment van het verzuimproces, en specifiek bijvoorbeeld bij de 1e jaarsevaluatie, of als er een ander re-integratiedoel is dan volledige hervatting in het eigen werk, of na een arbeidsdeskundig onderzoek via de werkgever. Voorlichting kan gegeven worden door een deskundige op het gebied van NAH, samen met de casemanager en/of door de bedrijfsarts of de jobcoach. Verder is de meest belangrijke informatie te vinden op de website van UWV (Link naar Website UWV https://www.uwv.nl/particulieren).
  • Professionals weten dat ze personen met NAH, die vragen hebben over de sociale zekerheid, kunnen verwijzen naar de website van UWV (https://www.uwv.nl/particulieren) of hen kunnen adviseren deze vragen aan de bedrijfsarts, de Arbo verpleegkundige, de re-integratiedeskundige, de arbeidsdeskundige of de jobcoach voor te leggen.
  • De verzekeringsarts beschikt over gegevens van het hele verzuimtraject, inclusief alle relevante medische gegevens van de afgelopen twee jaar. In module 'Lange termijnfase' (aandachtspuntenlijst) werd reeds genoemd welke medische gegevens met name belangrijk zijn.
  • Een persoon met NAH de tijd krijgt om tijdens het spreekuur zijn belemmeringen te bespreken, en daarbij zo nodig kan worden bijgestaan door een naaste, die een goed beeld heeft van het functioneren van betrokkene in het dagelijkse leven. Het is betrokkene aan te raden het gesprek voor te bereiden en vooraf alvast wat zaken te noteren als geheugensteun (bijvoorbeeld klachten, ervaren belemmeringen, een dagboekje waaruit blijkt hoeveel men op een dag kan doen en wat de consequenties zijn van die activiteiten). In module 'Lange termijnfase' (aandachtspuntenlijst) is aanvullende informatie beschikbaar.

 

Beoordeling door de verzekeringsarts

De verzekeringsarts bestudeert het medische dossier en het re-integratieverslag. De verzekeringsarts kan, indien nodig een gesprek voeren met betrokkene waarbij hij zich een beeld vormt van de klachten en de belemmeringen die betrokkene ervaart in het dagelijkse leven en bij de uitvoer van het werk. Aanvullend doet de verzekeringsarts indien nodig een lichamelijk en/of psychologisch onderzoek en als het nodig is, vraagt de verzekeringsarts aanvullende informatie op bij de huisarts of de medisch specialist.

 

De verzekeringsarts beoordeelt vier aspecten:

  • De sociaal medische voorgeschiedenis.
  • De functionele mogelijkheden.
  • Te verwachten beloop.
  • Behandeling en begeleiding.

(Referenties:

Standaard Onderzoeksmethoden. Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).

Verzekeringsgeneeskundige protocollen - verzekeringsgeneeskundig protocol Beroerte).

 

De verzekeringsarts legt zijn bevindingen vast in een rapportage. Op grond van deze bevindingen kan de verzekeringsarts tot de conclusie komen dat werken niet mogelijk is. Dat kan bijvoorbeeld zijn omdat betrokkene opgenomen is of volledig ADL afhankelijk. Dan is de beoordeling afgerond. Anderzijds kan de verzekeringsarts vaststellen dat betrokkene mogelijkheden heeft om te werken. De verzekeringsarts stelt dan een functionele mogelijkhedenlijst (FML) op.

 

Beoordeling door de arbeidsdeskundige

Wanneer de verzekeringsarts de functionele mogelijkheden heeft vastgesteld, draagt hij het dossier over aan de arbeidsdeskundige. De arbeidsdeskundige beoordeelt wat de betrokkene nog kan verdienen in loonvormende arbeid. Dat doet de arbeidsdeskundige op basis van de door de verzekeringsarts vastgestelde FML en verder betrekt hij daar diens opleidingsniveau en werkervaring ook bij. Op basis hiervan wordt duidelijk welke functies nog geschikt zijn voor betrokkene en ook wat hij daarmee zou kunnen verdienen, dat noemt men de resterende verdiencapaciteit. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vervolgens bepaald, dit is het verschil tussen het loon dat betrokkene voorheen verdiende en de resterende verdiencapaciteit. Hieruit wordt het arbeidsongeschiktheidspercentage berekend.

 

Uitkering

Het arbeidsongeschiktheidspercentage bepaalt of en zo ja, welke soort uitkering iemand met NAH krijgt, dit zijn:

  • < 35% arbeidsongeschikt: geen uitkering, dan eventueel WW/bijstandsuitkering aanvragen.
  • 35 tot 80% arbeidsongeschikt: Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) uitkering.
  • 80 tot 100% arbeidsongeschikt:
    • tijdelijk: WGA;
    • blijvend: Inkomensvoorziening Volledig duurzaam Arbeidsongeschikten (IVA).

 

Bij een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering is het van belang om te blijven werken binnen de mogelijkheden die iemand heeft. Indien men niet werkt naast een gedeeltelijke uitkering heeft dat na verloop van tijd mogelijk grote financiële consequenties. Heeft men een gedeeltelijke uitkering en geen werkgever meer, dan zal de ex werkgever (als hij eigen risicodrager is) de persoon proberen te begeleiden naar passend werk , al dan niet met een door de werkgever ingehuurde partij. Wanneer de werkgever publiek verzekerd is, dan zal het UWV vanuit het WERK bedrijf proberen de persoon met NAH te begeleiden naar passend werk. De divisie WERKbedrijf van het UWV houdt zich bezig met arbeidsbemiddeling en re-integratie en richt zich primair op werkzoekenden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt en op werkgevers die deze werkzoekenden willen aannemen.

 

Zie de UWV-site voor informatie over de financiële consequenties van een WIA-uitkering. Hier is ook een rekentool te vinden. https://www.uwv.nl/particulieren/ziek/ziek-wia-uitkering/tijdens-wia-uitkering/detail/hoe-hoog-is-mijn-wga-uitkering/hoe-hoog-is-de-loongerelateerde-uitkering-lgu.

 

Uitgangsvraag 3

Wat zijn de aandachtspunten met betrekking tot het informeren van de persoon met NAH over de Participatiewet?

 

De Participatiewet

Indien er geen werkgever, uitkering of verzekering is waar de persoon met NAH op terug kan vallen, dan kan men mogelijk een beroep doen op de gemeente. Gemeenten zijn vanuit de Participatiewet verantwoordelijk voor de re-integratie van mensen die nog kunnen werken, maar daarbij wel ondersteuning nodig hebben.

 

De doelstelling van de Participatiewet is om iedereen met arbeidsvermogen naar werk toe te leiden, bij voorkeur naar regulier werk. De doelgroep van de wet bestaat uit mensen met arbeidsvermogen die zijn aangewezen op, al dan niet tijdelijke, ondersteuning om in hun bestaan te voorzien en/of op ondersteuning om aan het werk te komen. Voor iedereen uit deze doelgroep gelden dezelfde rechten en plichten. Jongeren met een arbeidsbeperking maar met arbeidsvermogen, komen niet langer in de Wajong terecht, maar horen tot de doelgroep van de Participatiewet. De Invoeringswet Participatiewet is ingegaan op 1 januari 2015 en voegt de Wet werk en bijstand (Wwb) en de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) samen tot één regeling. De Wsw is afgesloten voor nieuwe werknemers.

 

Indien de persoon met NAH tot de doelgroep behoort, kan in een aantal situaties een Aanvraag Beoordeling Arbeidsvermogen worden aangevraagd bij het UWV. Het UWV beoordeelt dan of de persoon met NAH in aanmerking komt voor ondersteuning.

 

Er zijn 3 situaties waarin een Aanvraag Beoordeling Arbeidsvermogen aangevraagd kan worden:

  • Men heeft op jonge leeftijd een ziekte of handicap gekregen, en kan daardoor nu en in de toekomst niet meer werken (Wajong).
  • Men kan door ziekte of handicap niet meer het minimumloon verdienen. (Participatiewet: Loonkostensubsidie en Indicatie Banenafspraak).
  • Men kan alleen met begeleiding en aanpassingen op de werkplek werken en een gewone werkgever kan dit niet bieden. (Participatiewet: Beschut Werk).

 

Bij een Indicatie banenafspraak wordt men opgenomen in het doelgroepregister. Men heeft dan meer kans op werk want het is voor werkgevers financieel aantrekkelijk om iemand uit het doelgroepregister in dienst te nemen of te houden. (Referentie: https://www.uwv.nl/particulieren)

 

Beoordeling door de verzekeringsarts

Bij de Aanvraag Beoordeling Arbeidsvermogen inventariseert de verzekeringsarts de samenhang tussen de medische problematiek, persoonlijke en/of externe factoren en de belemmeringen voor participatie.

 

Hij/zij voert net als bij de WIA een spreekuur uit met betrokkene en vraagt zo nodig aanvullende informatie op bij de behandelende sector. Verder raadpleegt de verzekeringsarts standaarden, richtlijnen en protocollen.

 

De verzekeringsarts stelt op basis van al deze informatie vast en beargumenteert dat een persoon met NAH benutbare mogelijkheden heeft. Betrokkene moet dan voldoen aan vier criteria, hij moet:

  • Een taak kunnen uitvoeren in een arbeidsorganisatie.
  • Over basale werknemersvaardigheden beschikken.
  • Minstens één uur aaneengesloten kunnen werken.
  • Tenminste vier uur per dag belastbaar zijn.

 

Als dat niet het geval is, heeft betrokkene “geen benutbare mogelijkheden”. Dan moet de verzekeringsarts beoordelen of er sprake is van een duurzame situatie. In dat geval heeft betrokkene duurzaam geen mogelijkheden om te kunnen participeren in werk en komt betrokkene (als hij/zij nooit eerder gewerkt heeft) in aanmerking voor een Wajong uitkering.

 

Als er wel benutbare mogelijkheden zijn, dan beoordeelt de verzekeringsarts het arbeidsvermogen, waarbij hij vaststelt wat de invloed is van externe- en persoonlijke factoren op de gezondheidstoestand en wat de consequenties zijn voor het functioneren. Verder beoordeelt de verzekeringsarts of er ontwikkelmogelijkheden zijn en of daar al op ingegrepen wordt. Deze beoordelingen worden overigens niet standaard door de verzekeringsarts gedaan; als uit het teamoverleg blijkt dat klant arbeidsvermogen heeft, dan verricht de arbeidsdeskundige het onderzoek en kan eventueel een gerichte vraag aan de verzekeringsarts gesteld worden.

 

De verzekeringsarts legt zijn bevindingen vast in een rapportage, en de arbeidsdeskundige verricht een analyse van het arbeidsvermogen (of betrokkene arbeidsvermogen heeft en of hij het verder kan ontwikkelen). De arbeidsdeskundige beoordeelt de voorwaarden in werk, de voorwaarden in de werkomgeving en verder welke taken betrokkene zou kunnen uitvoeren. Aanvullend kan de arbeidsdeskundige een participatie advies afgeven als de gemeente daarom verzoekt. De arbeidsdeskundige kan de persoon met NAH en diens werkgever wijzen op de mogelijkheid om een werk (plek) voorziening aan te vragen om duurzaam te kunnen blijven participeren in al dan niet passende arbeid.

 

Bovenstaande is een weergave van de actuele situatie van de wet- en regelgeving en daaruit voortvloeiende procedures waar een persoon met NAH mee te maken krijgt.

 

Wetgeving wordt regelmatig gewijzigd. Drastische wijzigingen maken actualisatie van deze richtlijnmodule noodzakelijk.

Onderbouwing

Personen met NAH lukt het niet altijd om (volledig) terug te keren naar het arbeidsproces (van Velzen, 2009); er kan sprake zijn van langdurig ziekteverzuim. Een persoon met NAH wordt tijdens het ziekteverzuim met veel regels geconfronteerd, die soms lastig te begrijpen zijn (Donker-Cools, 2018). Daardoor kan betrokkene geconfronteerd worden met onvoorziene financiële problematiek. Er is behoefte aan een overzicht van wet- en regelgeving zodat zorgverleners en personen met NAH hiervan tijdig op de hoogte zijn en er (eventueel) naar kunnen handelen. Daarbij wordt in deze richtlijn onderscheid gemaakt tussen personen met en personen zonder werkgever. Voor de laatstgenoemde groep is een aparte module ‘Geen Werkgever’ ontwikkeld.

 

Personen met een werkgever krijgen gedurende de eerste twee jaar van het ziekteverzuim via hun werkgever te maken met een bedrijfsarts en eventueel een arbeidsdeskundige of een re-integratiedeskundige. Na twee jaar krijgt betrokkene te maken met een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

Aangezien in deze module specifiek wordt ingegaan op de in Nederland geldende wet- en regelgeving, is besloten voor deze module geen systematische literatuurzoekactie uit te voeren. In de richtlijntekst zijn referenties opgenomen naar de desbetreffende wet- en regelgeving. Achtergrond op de aanbevelingen kunt u lezen onder het tabblad ‘Overwegingen’.

  1. Donker-Cools, B.H.P.M., Schouten M.J.E., Wind H., & Frings-Dresen M.H.W. (2018). Return to work following acquired brain injury: the views of patients and employers. Disability and Rehabilitation, 40,185-191.
  2. Gezondheidsraad. Verzekeringsgeneeskundige protocollen: Angststoornissen, Beroerte, Borstkanker. Den Haag: Gezondheidsraad 2007; publicatienr. 2007/05.
  3. Standaard Onderzoeksmethoden. Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv), oktober 2000.
  4. Rekentool WIA-uitkering: https://www.uwv.nl/particulieren/ziek/ziek-wia-uitkering/tijdens-wia-uitkering/detail/hoe-hoog-is-mijn-wga-uitkering/hoe-hoog-is-de-loongerelateerde-uitkering-lgu.
  5. Routing Bedrijfsarts: https://www.youngstroketoolbox.nl/getmedia/d60ca105-a590-43e8-9bcc-4edf98d0ec6c/Routing-bedrijfsarts.aspx?ext=.pdf.
  6. Van Velzen, J.M., Van Bennekom, C.A.M., Edelaar, M.J.A., Sluiter,J.K., & Frings-Dresen, M.H.W. (2009). How many people return to work after acquired brain injury?: a systematic review. Brain Injury, 23(6),473-488.
  7. Werkwijzer Poortwachter UWV, 1 mei 2020: https://www.uwv.nl/werkgevers/brochures/werkwijzer-poortwachter.aspx.
  8. Website UWV: https://www.uwv.nl/particulieren.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 31-03-2021

Laatst geautoriseerd  : 31-03-2021

Geplande herbeoordeling  : 01-01-2027

De richtlijn aangepast aan de eisen conform het adviesrapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de Federatie Medisch Specialisten en modulair opgebouwd. De structuur van de richtlijn is aangepast, waarbij de verschillende fasen waarin een persoon met NAH kan verkeren de basis vormen voor de opbouw van de richtlijn. Er is informatie toegevoegd over personen met NAH zonder werkgever. Tevens is duidelijker verwoord welke professional verantwoordelijk is voor bepaalde acties per fase.

 

Module

Regiehouder(s)

Jaar van autorisatie

Eerstvolgende beoordeling actualiteit richtlijn

Frequentie van beoordeling op actualiteit

Wie houdt er toezicht op actualiteit

Relevante factoren voor wijzigingen in aanbeveling

Sociale zekerheid

VRA

2021

2026

Eens per 5 jaar

VRA

Veranderingen in wet- en regelgeving

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
Geautoriseerd door:
  • Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland

Algemene gegevens

Bestuurlijke goedkeuring:

  • Hersenletsel.nl
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Verzekeringsgeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging van Arbeidsdeskundigen
  • Noloc
  • Ergotherapie Nederland
  • Patiëntenfederatie
  • Geneeskundig Adviseurs Verzekeringszaken

De ontwikkeling/herziening van deze richtlijn werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten en werd gefinancierd uit de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De financier heeft geen enkele invloed gehad op de inhoud van de richtlijn.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in december 2018 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de arbeidsparticipatie van personen met niet-aangeboren hersenletsel.

 

Werkgroep

  • Prof. dr. C. (Coen) van Bennekom, revalidatiearts, VRA (voorzitter)
  • Drs. W. (Wip) Bakx, revalidatiearts, VRA
  • M.C. (Marloes) Barendrecht, arbeidsdeskundige, NVvA
  • Dr. B. (Birgit) Donker-Cools, adviseur verzekeringsarts, NVVG
  • Dr. G.J. (Gert) Geurtsen, klinisch neuropsycholoog, NIP
  • K. (Karin) Kanselaar, verpleegkundig specialist, V&VN
  • Drs. J. (Jan) Konijnenburg, bedrijfsarts, NVAB
  • Drs. J.B.W. (Han) Schnitzler, gepensioneerd GZ-Psycholoog, bestuurslid Hersenletsel.nl
  • Dr. A.M. (Anil) Tuladhar, neuroloog, NVN
  • K. (Karin) van Hulst, ergotherapeut, Ergotherapie Nederland
  • (Anjo) van Rietbergen, jobcoach, Noloc
  • Dr. J.M. (Judith) van Velzen, senior onderzoeker
  • Dr. G. (George) Beusmans, huisarts niet praktiserend, NHG - In memoriam

 

Klankbordgroep

  • J. (Jeanette) van Zee, senior adviseur Patiëntbelang, Patiëntenfederatie Nederland

 

Met ondersteuning van

  • Dr. J. (Josefien) Buddeke, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • Dr. V.C.M. (Vincent) Cox, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroep

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Bakx

Revalidatiearts, Adelante Zorggroep, afdeling niet-aangeboren hersenletsel

Voorzitter stichting "Mens achter de Patiënt", onbetaald

Geen

Geen

Barendrecht

Arbeidsadviseur (tevens geregistreerd en gecertificeerd arbeidsdeskundige). Klimmendaal Revalidatiespecialisten

Geen

Geen

Geen

Beusmans

Huisarts niet praktiserend en UHD huisartsgeneeskunde

Voorzitter bestuur Kennisnetwerk CVA NL, onbetaald

Geen

Geen

Donker-Cools

Adviseur verzekeringsarts.

0,4 FTE UWV Sociaal Medische Zaken - locatie UWV Utrecht.

Senior onderzoeker 0,6 FTE Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde, Amsterdam UMC, Universiteit van Amsterdam, Afdeling Public and Occupational Health, Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, Amsterdam Public Health research institute,

Geen

Geen

Geen

Geurtsen

Klinisch neuropsycholoog en hoofd sectie neuropsychologie bij de afdeling medische psychologie van het AMC

Geen

Geen

Geen

Kanselaar

Verpleegkundig specialist neuro vasculaire aandoeningen Radboudumc

Bestuurslid V&VN VS netwerk verpleegkundig specialisten vasculaire neurologie (onbetaald).

Lid werkgroep CVA V&VN afdeling neuro en revalidatie (onbetaald).

Gastdocent vervolgopleiding Neurologie en neurochirurgie (betaald).

Praktijkbegeleider Masterthesis Neurorevalidatie HAN (betaald).

Projectgroeplid project Psychosociale gevolgen ZIN binnen Radboudumc (einddatum 31-12-2019 betaald).

Geen

Geen

Konijnenburg

Bedrijfsarts, De bedrijfspoli

Geen

Geen

Geen

Schnitzler

Gepensioneerd GZ-Psycholoog.

Senior Adviseur bij Han Schnitzler Advies en Coaching.

Dit is een eigen bedrijf, ZZP, en geeft organisatieadvies met name in de sector Onderwijs

1. Bestuurslid Hersenletsel.nl portefeuille Zorg.

Onbetaald. Door deze patiëntenvereniging gemandateerd als lid van deze werkgroep

2. Lid van de Adviesraad Samenleving Olst-Wijhe.

Onbetaald.

Geen

Geen

Tuladhar

Neuroloog en arts/onderzoeker. Afdeling Neurologie, Radboud Universiteit Medisch centrum

Geen

Geen

Geen

van Bennekom

Heliomare:

Revalidatiearts,

Medisch manager Hersenletsel,

RvE manager R&D,

Opleider,

Bijzonder hoogleraar Revalidatie en Arbeid Amsterdam UMC, Universiteit van Amsterdam, Afdeling Public and Occupational Health, Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, Amsterdam Public Health research institute

Lid werkgroep meten en vergelijken van de landelijke databank uitkomsten revalidatie.

Lid namens Vereniging voor Revalidatieartsen (VRA).

Voorzitter prestatie-indictorencommissie Revalidatie Nederland/VRA namens de VRA.

Voorzitter van de werkgroep implementatie meetinstrumenten Revalidatie Nederland.

Lid redactie Wetenschapscommissie VRA.

Lid VRA werkgroep traumatisch hersenletsel VRA.

Voorzitter consulententeam NAH. coördinatiepunt NAH Noord-Holland Noord.

Alle functies zijn onbetaald.

Geen

Geen

Van Hulst

Ergotherapeut / Trajectbegeleider bij Rivierduinen.

Werkzaam op opdrachtbasis (ZZP) bij Weustink&Partners BV.

Twee keer per jaar geven van gastlessen op de Hogeschool van Amsterdam.

Incidenteel begeleiden/coachen van individuele loopbaanvragen.

Geen

Geen

van Rietbergen

Register Jobcoach bij Heliomare Arbeid

Geeft regelmatig scholing met betrekking tot arbeid en hersenletsel aan instellingen.

Geen

Geen

Van Velzen

Senior onderzoek Heliomare Research & Development, beleidsmedewerker Heliomare Academie.

Senior (gast) onderzoeker Amsterdam UMC, Universiteit van Amsterdam, Afdeling Public and Occupational Health, Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, Amsterdam Public Health research institute

Geen

Geen

Geen

Buddeke

Adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Geen

Geen

Geen

Cox

Adviseur Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Promotieonderzoek, getiteld: “Partners of patients with acquired brain injury – impact dyadic relationships and support”

 

Gefinancierd door ZonMW, projectnummer #630000002

CARE4BRAIN: personalized CAREgiver and patient support in rehabilitation FOR patients with acquired BRAIN Deficits

Geen

Geen

 

Klankbordgroep

Klankbordgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Van Zee

Senior Adviseur Patiëntbelang Patiëntenfederatie Nederland.

Eigenaar De Informatiekamer adviseur innovatie, gedrag en gezondheid.

Geen

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door het uitnodigen van patiëntenvereniging Hersenletsel.nl en Patiëntenfederatie Nederland voor de invitational conference, een afgevaardigde van patiëntenvereniging Hersenletsel.nl in de werkgroep en een afgevaardigde van Patiëntenfederatie Nederland in de klankbordgroep. Het verslag van de invitational conference is besproken in de werkgroep. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan patiëntenvereniging Hersenletsel.nl en Patiëntenfederatie Nederland en de eventueel aangeleverde commentaren zijn bekeken en verwerkt.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010).


Knelpuntenanalyse en uitgangsvragen

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten bij de arbeidsparticipatie van personen met niet-aangeboren hersenletsel. De werkgroep beoordeelde de aanbeveling(en) uit de eerdere richtlijn (Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen, 2012) op noodzaak tot revisie. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ), Zorginstituut Nederland (ZiNL), Nederlandse Associatie Physician Assistants (NAPA), Nederlandse Vereniging van Arbeidsdeskundigen (NVvA), Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB), Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN) en het Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG) tijdens een Invitational conference.

 

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de werkgroep concept-uitgangsvragen opgesteld en definitief vastgesteld.

 

Uitkomstmaten

Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.

 

Methode literatuursamenvatting

Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur en de beoordeling van de risk-of-bias van de individuele studies is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing. De beoordeling van de kracht van het wetenschappelijke bewijs wordt hieronder toegelicht.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). De basisprincipes van de GRADE-methodiek zijn: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van de bewijskracht per uitkomstmaat op basis van de acht GRADE-domeinen (domeinen voor downgraden: risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias; domeinen voor upgraden: dosis-effect relatie, groot effect, en residuele plausibele confounding).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie, in het bijzonder de mate van zekerheid dat de literatuurconclusie de aanbeveling adequaat ondersteunt (Schünemann, 2013; Hultcrantz,

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • het is mogelijk dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • er is een reële kans dat de conclusie klinisch relevant verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dicht bij het geschatte effect van behandeling ligt;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol (Hultcrantz, 2017). Dit zijn de grenzen die bij overschrijding aanleiding zouden geven tot een aanpassing van de aanbeveling. Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Met name in situaties waarin een interventie geen belangrijke nadelen heeft en de kosten relatief laag zijn, kan de grens voor klinische besluitvorming met betrekking tot de effectiviteit van de interventie bij een lagere waarde (dichter bij het nuleffect) liggen dan de MCID (Hultcrantz, 2017).

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie. Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group (Alonso-Coello, 2016a; Alonso-Coello, 2016b). Dit evidence-to-decision framework is een integraal onderdeel van de GRADE-methodiek.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk (Agoritsas, 2017; Neumann, 2016). De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. De werkgroep heeft bij elke aanbeveling opgenomen hoe zij tot de richting en sterkte van de aanbeveling zijn gekomen.

 

In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen. De sterkte van een aanbeveling verwijst naar de mate van zekerheid dat de voordelen van de interventie opwegen tegen de nadelen (of vice versa), gezien over het hele spectrum van patiënten waarvoor de aanbeveling is bedoeld. De sterkte van een aanbeveling heeft duidelijke implicaties voor patiënten, behandelaars en beleidsmakers (zie onderstaande tabel). Een aanbeveling is geen dictaat, zelfs een sterke aanbeveling gebaseerd op bewijs van hoge kwaliteit (GRADE gradering HOOG) zal niet altijd van toepassing zijn, onder alle mogelijke omstandigheden en voor elke individuele patiënt.

 

Implicaties van sterke en zwakke aanbevelingen voor verschillende richtlijngebruikers

 

Sterke aanbeveling

Zwakke (conditionele) aanbeveling

Voor patiënten

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen en slechts een klein aantal niet.

Een aanzienlijk deel van de patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak kiezen, maar veel patiënten ook niet.

Voor behandelaars

De meeste patiënten zouden de aanbevolen interventie of aanpak moeten ontvangen.

Er zijn meerdere geschikte interventies of aanpakken. De patiënt moet worden ondersteund bij de keuze voor de interventie of aanpak die het beste aansluit bij zijn of haar waarden en voorkeuren.

Voor beleidsmakers

De aanbevolen interventie of aanpak kan worden gezien als standaardbeleid.

Beleidsbepaling vereist uitvoerige discussie met betrokkenheid van veel stakeholders. Er is een grotere kans op lokale beleidsverschillen.

 

Organisatie van zorg

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet aandacht geweest voor de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, mankracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van deze specifieke uitgangsvraag zijn genoemd bij de overwegingen.

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijnaangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Agoritsas T, Merglen A, Heen AF, Kristiansen A, Neumann I, Brito JP, Brignardello-Petersen R, Alexander PE, Rind DM, Vandvik PO, Guyatt GH. UpToDate adherence to GRADE criteria for strong recommendations: an analytical survey. BMJ Open. 2017 Nov 16;7(11):e018593. doi: 10.1136/bmjopen-2017-018593. PubMed PMID: 29150475; PubMed Central PMCID: PMC5701989.

Alonso-Coello P, Schünemann HJ, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Rada G, Rosenbaum S, Morelli A, Guyatt GH, Oxman AD; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 1: Introduction. BMJ. 2016 Jun 28;353:i2016. doi: 10.1136/bmj.i2016. PubMed PMID: 27353417.

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089. doi: 10.1136/bmj.i2089. PubMed PMID: 27365494.

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, Burgers JS, Cluzeau F, Feder G, Fervers B, Graham ID, Grimshaw J, Hanna SE, Littlejohns P, Makarski J, Zitzelsberger L; AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010 Dec 14;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348; PubMed Central PMCID: PMC3001530.

Hultcrantz M, Rind D, Akl EA, Treweek S, Mustafa RA, Iorio A, Alper BS, Meerpohl JJ, Murad MH, Ansari MT, Katikireddi SV, Östlund P, Tranæus S, Christensen R, Gartlehner G, Brozek J, Izcovich A, Schünemann H, Guyatt G. The GRADE Working Group clarifies the construct of certainty of evidence. J Clin Epidemiol. 2017 Jul;87:4-13. doi: 10.1016/j.jclinepi.2017.05.006. Epub 2017 May 18. PubMed PMID: 28529184; PubMed Central PMCID: PMC6542664.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html.

Neumann I, Santesso N, Akl EA, Rind DM, Vandvik PO, Alonso-Coello P, Agoritsas T, Mustafa RA, Alexander PE, Schünemann H, Guyatt GH. A guide for health professionals to interpret and use recommendations in guidelines developed with the GRADE approach. J Clin Epidemiol. 2016 Apr;72:45-55. doi: 10.1016/j.jclinepi.2015.11.017. Epub 2016 Jan 6. Review. PubMed PMID: 26772609.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Schünemann HJ, Oxman AD, Brozek J, Glasziou P, Jaeschke R, Vist GE, Williams JW Jr, Kunz R, Craig J, Montori VM, Bossuyt P, Guyatt GH; GRADE Working Group. Grading quality of evidence and strength of recommendations for diagnostic tests and strategies. BMJ. 2008 May 17;336(7653):1106-10. doi: 10.1136/bmj.39500.677199.AE. Erratum in: BMJ. 2008 May 24;336(7654). doi: 10.1136/bmj.a139.

Schünemann, A Holger J [corrected to Schünemann, Holger J]. PubMed PMID: 18483053; PubMed Central PMCID: PMC2386626.

Wessels M, Hielkema L, van der Weijden T. How to identify existing literature on patients' knowledge, views, and values: the development of a validated search filter. J Med Libr Assoc. 2016 Oct;104(4):320-324. PubMed PMID: 27822157; PubMed Central PMCID: PMC5079497.

Volgende:
Geen werkgever