Diabetes mellitus type 2 in de tweede lijn

Initiatief: Cluster Diabetes Mellitus Aantal modules: 13

Patiënteneducatie, zelfmanagement en leefstijl

Publicatiedatum: 02-05-2026
Beoordeeld op geldigheid: 02-05-2026

Uitgangsvraag

Wat is het optimale beleid voor patiënteneducatie- en ondersteuning ter bevordering van diabetes zelfmanagement en leefstijl bij patiënten met diabetes mellitus type 2 in de tweede lijn?

Aanbeveling

Geef bij voorkeur diabetes zelfmanagementeducatie en ondersteuning met behulp van een gestructureerd educatieprogramma, waarbij:

  • het curriculum een theoretisch kader heeft, evidence-based is, effectief gebruikmaakt van middelen, ondersteunend materiaal heeft, en schriftelijk is vastgelegd;
  • het programma duidelijke doelen en leerdoelen heeft ter ondersteuning van de patiënt en familieleden/mantelzorgers in het ontwikkelen van attitudes, overtuigingen, kennis en vaardigheden rondom diabetes;
  • er een systeem is om regelmatig de uitkomsten van het programma te evalueren en te verbeteren.
  • Overweeg de inzet van een (diabetes specifieke) gecombineerde leefstijl interventie (GLI) voor de behandeling van overgewicht
  • Overweeg de inzet van bloedglucosemeters en sensoren als tool voor
    patiënteneducatie- en ondersteuning ter bevordering van diabetes zelfmanagement en leefstijl bij patiënten met DM2
  • Wijs een patiënt met DM2 pro-actief op peer-support initiatieven.

Betrek alle leden van het diabetesteam bij zelfmanagementeducatie en ondersteuning, zorg voor een goede taakverdeling en afstemming binnen het diabetesteam.

 

Geef diabetes zelfmanagementeducatie en ondersteuning tenminste:

1.   bij diagnose;

2.   jaarlijks nadien ter evaluatie van opgedane kennis en voor re-educatie;

3.   bij nieuwe complicerende factoren die zelfmanagement beïnvloeden*;

4.   in geval van transitie van zorg.

 

*Factoren die zelfmanagement beïnvloeden en vragen om re- of aangepaste educatie zijn onder meer: veranderingen in medicatie (met name start insuline of GLP-1 receptor agonist), lichamelijke activiteit of voedingsinname, gewichtsproblematiek, slechte glucoseregulatie, ernstige hypo- of hyperglykemische ontregeling, zwangerschap of zwangerschapswens, nieuwe levensomstandigheden, lichamelijke beperkingen of achteruitgang in gezondheidstoestand (visusstoornissen, complicaties, kanker), psychologische problematiek, cognitieve stoornissen, financiële problematiek.

 

Geef bij de diagnose, zelfmanagementeducatie en ondersteuning met betrekking tot:

  • DM2;
  • gezond gewicht;
  • voeding;
  • roken’
  • beweging;
  • slaap;
  • stress;
  • medicatie;
  • insulinegebruik (indien van toepassing);
  • zelfcontrole bloedglucose;
  • acute en chronische complicaties;
  • cardiovasculair risico verlaging;
  • persoonlijke strategieën voor het omgaan met psychosociale problemen en zorgen;
  • persoonlijke strategieën ter bevordering van gezondheid en gezond gedrag.

Overwegingen

Zowel nationale als internationale richtlijnen zijn unaniem overtuigd van het nut van patiënteducatie als integraal onderdeel van goede diabeteszorg en essentieel middel om die zorg te verbeteren (NDF, 2015a; NHG, 2024; NICE, 2015; ADA/AADE 2025). Ook in de NDF Voedingsrichtlijn diabetes (NDF, 2020) en in de KNMP-richtlijn Diabetes Mellitus type 2 (KNMP, 2023) wordt het belang van educatie, in dit geval op het gebied van voeding en voedingsvoorlichting, onderstreept. Eén van de kernboodschappen is dat elke patiënt met DM2 regelmatig educatie en leefstijladviezen moet krijgen. Educatie bestaat uit het bijbrengen van kennis, inzichten en vaardigheden. In het geval van diabetes dient educatie de patiënt inzicht te geven in welke bijdrage hij zelf aan de behandeling kan leveren en hoeveel verantwoordelijkheid hij kan nemen, zodat hij in staat wordt gesteld zijn zelfmanagement te ontwikkelen en in te zetten. Elementen bij diabeteseducatie omvatten gezond eten, actief zijn, monitoring, het innemen van medicijnen, het oplossen van problemen, het verminderen van risico’s, en adequate coping (AADE, 2025). In de Nederlandse praktijk hebben zowel de diabetesverpleegkundige als de diëtist een rol bij educatie van patiënten met DM2 in de tweede lijn (NDF, 2020). De educatie vindt veelal individueel plaats en vaak in aanwezigheid van – of zelfs primair gericht op – partners of mantelzorgers, maar kan ook groepsgericht of in een combinatie van verschillende vormen aangeboden worden.

 

De diabeteseducatie moet aansluiten op de individuele behoeften, mogelijkheden en gewoonten van de patiënt. Door het zelf formuleren van heldere, haalbare doelen door de patiënt kan educatie meer effect opleveren (hoewel altijd in samenwerking met en onder begeleiding van een zorgverlener). In het bereiken van die doelen hebben de betrokken zorgverleners een ondersteunende rol; een goede taakverdeling en afstemming tussen betrokken zorgverleners draagt bij aan het voorkomen van tegenstrijdige adviezen.

 

Om optimale behandelingsuitkomsten te bereiken stelt de Engelse NICE-richtlijn (NICE, 2015) dat het belangrijk is dat de patiënt inzicht in zijn diabetes heeft, geïnformeerde keuzes kan maken over behandelingsmogelijkheden en vaardigheden beheerst die relevant zijn voor het succesvol toepassen van zelfmanagement. Volgens NICE is dit vooral haalbaar binnen gestructureerde educatieprogramma’s die ontwikkeld zijn om de kennis en inzicht van patiënten te vergroten maar ook om patiënten te stimuleren om zelf effectief hun diabetes te managen. De NICE-richtlijn adviseert gestructureerde educatie aan te bieden aan patiënten met DM2 en/of hun familie of mantelzorgers na het stellen van de diagnose. Het effect dient minstens jaarlijks te worden geëvalueerd, waarbij zo nodig de educatie herhaald moet worden. Er worden meerdere aanbevelingen gedaan over de gewenste opzet van gestructureerde educatieprogramma’s waarbij een voorkeur wordt uitgesproken voor groepsvoorlichting. Het belang van goed getrainde diabeteszorgverleners in het geven van educatie wordt ook onderstreept.

 

Er zijn verschillende meta-analyses gedaan naar het effect van gestructureerde educatieprogramma’s, waaronder individuele educatie, groepseducatie of een combinatie van die twee. Deze analyses laten goede effectiviteit zien van deze programma’s voor verbetering van glucose zelfcontrole, dieetaanpassing en algehele kennis rondom diabetes (Norris, 2001; Heinrich, 2010). Een van de meta-analyses concludeert dat het voedingspatron met educatie gericht op zelfmanagement vrij eenvoudig is te veranderen, terwijl groepseducatie met name effectief is voor verbetering van glucoseregulatie (Heinrich, 2010). Over de invloed op lichamelijke inspanning en klinische parameters (zoals bloeddruk en lipiden) zijn de resultaten niet eenduidig, terwijl educatie geen effect lijkt te hebben op cardiovasculaire aandoeningen of mortaliteit (Norris, 2001). Meta-analyses laten verder zien dat de HbA1c significant daalt, voedingspatroon en gewicht verbeteren, kwaliteit van leven toeneemt, diabetes-gerelateerde stress en depressie afnemen, en het risico op complicaties en ziekenhuisopnames vermindert – vooral wanneer gecertificeerde diabetes-educators de programma’s uitvoeren (Norris 2001; Heinrich 2010; Powers 2020).
Deze voordelen blijken het sterkst te blijven wanneer educatie minstens jaarlijks wordt geëvalueerd en herhaald, met extra aandacht voor ouderen, mensen met multimorbiditeit of beperkte gezondheidsvaardigheden (NICE, 2015). Systematische reviews rapporteren geen directe schadelijke effecten; de belasting beperkt zich tot tijd- en reisinvestering (Norris, 2001).

 

Educatie vergt weliswaar een initiële investering in personeel, locatie en leermateriaal, maar DESMOND/PRISMA-data tonen al een gunstige kosteneffectiviteit (< £ 5 000 per QALY) en minder ziekenhuisopnames, waardoor de kosten zich binnen enkele jaren terugverdienen (Gillett, 2010; Powers, 2015). Om ongelijke toegang te voorkomen adviseren NICE en DSME/S flexibele, cultureel en taalkundig passende vormen, inclusief digitale of hybride sessies, en een patiëntgerichte toon zonder blame (NICE, 2015; Powers, 2015). Diezelfde hybride aanpak beperkt reisbewegingen en materiaalgebruik, terwijl effectieve zelfzorg op lange termijn zowel de zorgvraag als de milieubelasting verkleint (NICE, 2015; Powers, 2015).

 

Een onderzochte vorm van educatie, die veel overeenkomsten vertoont met de educatie die in de Nederlandse ziekenhuizen wordt aangeboden, is de gezamenlijk richtlijn over Diabetes Self-Management Education and Support (DSME/S), van de American Diabetes Association (ADA), Association of Diabetes Care & Education Specialists (ADCES; voorheen AADE) en Academy of Nutrition and Dietetics (AND) uit 2015 (Powers, 2020). DSME/S heeft als doel patiënten met DM2 te leren omgaan met het grote aantal dagelijks benodigde zelfzorgactiviteiten en besluiten rondom hun zelfmanagement te nemen. Volgens de Amerikaanse richtlijn dienen patiënten met DM2 in elk geval educatie te krijgen bij diagnose en jaarlijks nadien ter evaluatie van opgedane kennis, alsmede wanneer complicerende factoren zelfmanagement beïnvloeden of er transitie van diabeteszorg plaatsvindt. Kernwoord bij deze vorm van educatie is patiëntgerichtheid met betrokkenheid, kennisoverdracht, psychosociale en gedragsmatige ondersteuning, integratie met andere behandelingen en gecoördineerde zorg als kernbeginselen (Powers 2020). Indien gegeven door een gecertificeerde diabetes educator, verbeterde DSME/S de glucoseregulatie, kwaliteit van leven en aspecten van zelfmanagement en verminderde het de progressie van diabetescomplicaties en diabetes gerelateerde stress en depressie. Tot slot zou DSME/S kosteneffectief zijn door het verminderen van ziekenhuisopnames en door een lager risico op complicaties.

 

In Nederland zijn enkele gestructureerde educatieprogramma’s onderzocht, zoals PRISMA (Pro-actieve Interdisciplinaire Self-MAnagement) en DIEP (Diabetes Interactief Educatie Programma). PRISMA is een zelfmanagement educatieprogramma in groepsverband voor mensen met DM2, gericht op patient empowerment, met name op het gebied van leefstijl en omgang met ziekte. PRISMA is de vertaling van het Engelse DESMOND (van Vugt, 2016). Gerandomiseerde studies naar DESMOND bij recent gediagnostiseerde patiënten met DM2 (Davies, 2008; Khunti, 2012; Gillett, 2010) en een pilotonderzoek naar PRISMA bij patiënten met DM2 in de tweede lijn (Leibbrandt, 2010) laten vooral gunstige uitkomsten zien rondom dieetaanpassingen, gewichtsverlies, stoppen met roken en opvattingen over diabetes. De meeste effecten zijn 3 jaar na het eenmalig aanbieden van de educatie weer verdwenen (Khunti, 2012). DIEP is een online hulpmiddel bij zelfmanagement educatie voor mensen met DM2 en hun zorgverleners, dat het kennisniveau van de deelnemers verbetert, maar slechts door een minderheid van de patiënten wordt gebruikt (Heinrich, 2012). Daarnaast zijn in Nederland gecombineerde leefstijlinterventies (GLI’s) – zoals CooL, SLIMMER en BeweegKuur – breed beschikbaar en vergoed; voor complexere tweedelijnspatiënten is Keer Diabetes2 Om (KDO/KDO Plus) relevant, met specialistische begeleiding en beoogde medicatie‑afbouw.

 

Er bestaat geen twijfel dat een optimale behandeling van DM2, vooral van de complexere patiënt, niet haalbaar is zonder een groot beroep te doen op het zelfmanagementvermogen van de patiënt. Goede diabeteseducatie speelt een belangrijke rol in de ontwikkeling en bevordering van het zelfmanagementvermogen van de patiënt en is mede daarom onlosmakelijk verbonden met goede diabeteszorg. De werkgroep baseert haar conclusie op verschillende meta-analyses, alsmede de NICE-richtlijn (NICE, 2015) en het gecombineerde standpunt van Amerikaanse beroepsverenigingen over diabetes zelfmanagementeducatie (Powers, 2020). Onderzoek uit Amerika heeft laten zien dat goed uitgevoerde educatie aan patiënten met DM2 effectief is op belangrijke patiëntspecifieke en klinische uitkomsten en tevens kostenbesparend werkt. Dergelijk onderzoek ontbreekt in Nederland, maar veel van de aspecten die in het Amerikaanse educatieprogramma worden genoemd, komen ook aan bod bij de educatie die in Nederland door diabetesverpleegkundigen en ziekenhuisdiëtisten wordt aangeboden aan personen DM2. Op basis hiervan adviseert de werkgroep gestructureerde educatie aan te bieden aan alle patiënten met DM2 bij het stellen van de diagnose, bij transitie van zorg (zoals verwijzing naar de tweede lijn) én wanneer factoren spelen die het zelfmanagement beïnvloeden en daarom vragen om (hernieuwde) of aangepaste educatie. Dit betreft onder meer veranderingen in medicatie – in het bijzonder de start van insuline of GLP-1-receptor-agonisten –, wijzigingen in lichamelijke activiteit of voedingsinname, gewichtsproblematiek, persisterend slechte glucoseregulatie of ernstige hypo-/hyperglykemieën, zwangerschap of zwangerschapswens, nieuwe levensomstandigheden, lichamelijke beperkingen of een verslechterende gezondheidstoestand (bijv. visusstoornissen, complicaties, kanker), psychologische problematiek, cognitieve stoornissen en financiële problemen (NICE, 2015; Powers, 2015). De educatie dient tenminste een maal per jaar te worden geëvalueerd en – waar nodig – opgefrist. De werkgroep zou van harte willen aanbevelen om het effect van gestructureerde educatieprogramma in Nederland wetenschappelijk te toetsen en zo nodig verder te ontwikkelen.

 

Voor het behandelen van overgewicht (BMI > 25) zijn er meerdere gecombineerde leefstijlinterventies (GLI’s) ontwikkeld, waaronder GLI’s die specifiek zijn toegespitst op mensen met DM2, zowel met als zonder bepaalde typen medicatie. Overweeg de inzet van een GLI bij patiënten met DM2 en zorg dat de educatie en ondersteuning binnen de GLI naadloos aansluit op – en wederzijds wordt versterkt door – de educatie en ondersteuning vanuit het behandelteam.

Patiëntenverenigingen (zoals Diabetesvereniging Nederland) en andere initiatieven (zoals de Bas van de Goor Foundation) brengen mensen met diabetes bijeen voor educatie en ondersteuning, ook wel peer-support genoemd. Dit kan een waardevolle aanvulling zijn op de kennis en expertise van de zorgverlener. Peer-support faciliteert het uitwisselen van praktische tips, het navigeren van het zorgsysteem en biedt emotionele ondersteuning door lotgenotencontact (Hendrieckx, 2022).

Zelfmonitoringhulpmiddelen zoals glucosemeters en continue of intermitterende glucosesensoren bieden directe feedback op glucoseschommelingen en kunnen zo de educatie en leefstijlbegeleiding ondersteunen. Hoewel deze hulpmiddelen (nog) niet altijd volledig worden vergoed, zijn zij breed beschikbaar. Overweeg de inzet van glucosemeters en sensoren bij patiënten met en zonder insulinetherapie, continu of periodiek – bijvoorbeeld bij start of aanpassing van medicatie of leefstijl – mits de verkregen gegevens systematisch worden besproken binnen het behandelteam (ADCES/ADA, 2020-2023).

Voor ondersteuning bij het verbeteren van de leefstijl kan verwezen worden naar leefstijlloketten in het ziekenhuis.

 

Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)

De waarden en voorkeuren van patiënten met DM2 variëren sterk en zijn afhankelijk van individuele omstandigheden, levensfase en persoonlijke doelen. Bij patiënteneducatie en zelfmanagementondersteuning is het essentieel om rekening te houden met deze diversiteit. Het zelf formuleren van heldere, haalbare doelen door de patiënt kan de effectiviteit van educatie vergroten. Veel patiënten geven de voorkeur aan praktische informatie die direct toepasbaar is in hun dagelijks leven, zoals het monitoren van glucose, het maken van goede voedingskeuzes, en het aanpassen van insuline op voeding, bloedglucose en activiteit. De betrokkenheid van partners en mantelzorgers wordt door veel patiënten als waardevol ervaren. Educatie vindt dan ook vaak plaats in aanwezigheid van - of is zelfs primair gericht op - partners of mantelzorgers. Sommige patiënten hebben een voorkeur voor individuele begeleiding, terwijl anderen juist baat hebben bij groepseducatie waarbij zij ervaringen kunnen uitwisselen met lotgenoten (peer-support). Voor patiënten met complexe insulineschema's of meerdere comorbiditeiten kan de balans tussen optimale glucoseregulatie en kwaliteit van leven een belangrijke afweging zijn. Sommigen prioriteren strikte glucosecontrole om complicaties te voorkomen, terwijl anderen meer waarde hechten aan flexibiliteit in hun dagelijks leven. Deze afweging is voor iedereen anders en moet in de spreekkamer worden besproken, waarbij gebruik wordt gemaakt van gedeelde besluitvorming om de behandeling af te stemmen op de individuele voorkeuren en levensstijl van de patiënt.

 

Gewenste effecten

De gewenste effecten van gestructureerde patiënteneducatie en zelfmanagementondersteuning bij patiënten met DM2 zijn bekend en worden beoordeeld als matig tot groot. Uit meta-analyses blijkt dat gestructureerde educatieprogramma's leiden tot:

  • Verbeterde glucoseregulatie (HbA1c-verlaging);
  • Betere glucose zelfcontrole;
  • Verbeterd voedingspatroon en gewichtsverlies;
  • Toename van diabeteskennis en inzicht;
  • Verbeterde kwaliteit van leven;
  • Vermindering van diabetes-gerelateerde stress en depressie;
  • Lagere kans op diabetescomplicaties;
  • Vermindering van ziekenhuisopnames.

De effecten zijn het grootst wanneer educatie wordt gegeven door gecertificeerde diabetes educators en wanneer het programma patiëntgericht is met aandacht voor kennisoverdracht, psychosociale en gedragsmatige ondersteuning.

 

De meeste effecten zijn 3 jaar na eenmalige educatie weer verdwenen, wat het belang van herhaalde educatie onderstreept. Groepseducatie blijkt met name effectief voor glucoseregulatie, terwijl individuele educatie beter werkt voor specifieke gedragsverandering zoals dieetaanpassing.

 

Voor gedragsverandering is optimaal gebruik van gesprekvaardigheden in het individuele gesprek, zoals motivational gespreksvoering of cognitieve gedragstherapie, een belangrijke tool. Shared decision making en de aanwezigheid van beschikbare tools ondersteunt de gegeven educatie.

 

Ongewenste effecten

De ongewenste effecten van gestructureerde patiënteneducatie en zelfmanagementondersteuning bij personen DM2 zijn bekend en worden beoordeeld als niet aanwezig tot heel klein.

Er worden in de literatuur geen directe schadelijke effecten of bijwerkingen van educatieprogramma's gerapporteerd. Mogelijke indirecte ongewenste effecten kunnen zijn:

  • Tijdsinvestering die nodig is voor deelname aan educatieprogramma's;
  • Mogelijke confrontatie met de ernst van de aandoening, wat tot tijdelijke stress kan leiden;
  • Kosten voor vervoer naar groepsbijeenkomsten;
  • Bij online programma's zoals DIEP: lage gebruikspercentages (door slechts een minderheid gebruikt).

Specifieke doelgroepen:

  • Ouderen en mensen met kwetsbare gezondheid: Kunnen baat hebben bij aangepaste educatieprogramma’s met meer aandacht voor cognitieve beperkingen en polyfarmacie;
  • Werkenden: Kunnen praktische belemmeringen ervaren door educatie tijdens kantooruren;
  • Mensen met beperkte mobiliteit: Kunnen moeite hebben met het bereiken van educatielocaties;
  • Mensen met meerdere chronische aandoeningen: Hebben mogelijk complexere zelfmanagementtaken en kunnen meer ondersteuning nodig hebben;
  • Mensen met beperkte gezondheidsvaardigheden: Profiteren mogelijk minder van standaard educatieprogramma's (kunnen zich overweldigd voelen) en hebben aangepaste communicatie nodig;
  • Partners/mantelzorgers: Betrokkenheid van naasten verbetert vaak de effectiviteit, vooral bij kwetsbare patiënten.

Patiënten waarderen educatieprogramma's die aansluiten bij hun persoonlijke situatie en leerdoelen, waarbij de tijdsinvestering opweegt tegen de verwachte gezondheidswinst. De afwezigheid van significante ongewenste effecten maakt dat de meeste patiënten positief staan tegenover deelname aan educatieprogramma's, mits deze passen binnen hun mogelijkheden en dagelijks leven.

 

Kostenaspecten

De interventie (gestructureerde patiënteneducatie en zelfmanagementondersteuning) levert meer kosten ten opzichte van geen gestructureerde educatie. Dit weegt wel op tegen het verschil in effectiviteit.

 

Directe kosten van de interventie:

  1. Personele kosten voor o.a. diabetesverpleegkundigen en diëtisten
  2. Ontwikkeling en onderhoud van educatieprogramma's
  3. Materiaalkosten voor educatiemateriaal
  4. Facilitaire kosten voor groepsbijeenkomsten
  5. Bij digitale programma's: ontwikkel- en onderhoudskosten van platforms

Besparingen door de interventie: Volgens de Amerikaanse DSME/S-studies is gestructureerde diabeteseducatie kosteneffectief door:

  1. Vermindering van ziekenhuisopnames
  2. Lager risico op (dure) diabetescomplicaties
  3. Betere glucoseregulatie waardoor minder acute ontregelingen
  4. Mogelijk minder frequente controles nodig bij goed ingestelde patiënten

Kosten-effectiviteit:

De DESMOND-studie (Gillett, 2010) toonde kosteneffectiviteit aan van groepseducatie voor nieuw gediagnosticeerde patiënten met DM2. Hoewel specifiek Nederlands onderzoek naar kosteneffectiviteit ontbreekt, suggereert de werkgroep dat vergelijkbare effecten te verwachten zijn gezien de overeenkomsten tussen Nederlandse educatieprogramma's en internationale evidence-based programma's.

 

De initiële investering in educatie wordt ruimschoots terugverdiend door lagere zorgkosten op lange termijn, vooral door het voorkomen van kostbare complicaties en ziekenhuisopnames. Gezien de substantiële gezondheidswinst en de verwachte kostenbesparingen op termijn, rechtvaardigen de kosten van gestructureerde educatieprogramma's de implementatie ervan.

 

Gelijkheid ((health) equity/equitable)

De interventie leidt tot een mogelijke afname van gezondheidsgelijkheid want verschillende factoren kunnen de toegang tot en effectiviteit van educatieprogramma's beïnvloeden.

Potentiële barrières voor gelijke toegang:

  • Taalbarrières: Educatiemateriaal en programma's zijn mogelijk niet in alle talen beschikbaar
  • Digitale kloof: Online programma's zoals DIEP vereisen digitale vaardigheden en internettoegang
  • Reisafstand: Groepseducatie in ziekenhuizen kan voor mensen uit dunbevolkte gebieden moeilijk bereikbaar zijn
  • Culturele aspecten: Voedingsadviezen en leefstijlinterventies sluiten mogelijk niet aan bij alle culturele achtergronden

Maatregelen om gelijkheid te bevorderen:

  • Aanbieden van educatie in verschillende vormen (individueel, groep, online, hybride)
  • Educatiemateriaal in meerdere talen ontwikkelen
  • Rekening houden met verschillende culturele achtergronden in voedingsadviezen
  • Flexibele tijden voor educatiesessies, inclusief avonden en weekenden
  • Betrekken van tolken waar nodig
  • Overwegen van educatie op locatie (wijkcentra, huisartsenpraktijken) voor betere bereikbaarheid

Deze mogelijke afname van gezondheidsgelijkheid is niet acceptabel. De werkgroep benadrukt daarom het belang van het actief wegnemen van barrières en het waarborgen dat educatieprogramma's toegankelijk zijn voor alle patiënten met DM2, ongeacht hun achtergrond, vaardigheden of sociaal-economische status.

Zorgverleners dienen alert te zijn op deze potentiële ongelijkheden en actief te werken aan oplossingen die passen bij de individuele patiënt.

 

Aanvaardbaarheid:

De interventie lijkt aanvaardbaar voor de betrokkenen. Er zijn geen ethische bezwaren: gestructureerde patiënteneducatie en zelfmanagementondersteuning respecteert de autonomie van patiënten door hen kennis en vaardigheden te bieden om geïnformeerde keuzes te maken over hun diabetesbehandeling. De interventie bevordert het welzijn van patiënten zonder schade toe te brengen (non-maleficence) en draagt bij aan rechtvaardigheid door alle patiënten toegang te bieden tot essentiële kennis voor zelfmanagement.

 

Enkele aandachtspunten vanuit ethisch perspectief:

  • Respect voor autonomie: Educatie moet vrijwillig zijn en patiënten moeten de vrijheid hebben om zelf te bepalen in hoeverre zij de aangeboden kennis toepassen
  • Culturele sensitiviteit: Educatieprogramma's moeten rekening houden met diverse culturele en religieuze achtergronden, vooral bij voedings- en leefstijladviezen
  • Vermijden van victim blaming: Zorgverleners moeten voorkomen dat patiënten zich schuldig voelen wanneer zelfmanagement niet tot gewenste resultaten leidt
  • Privacy: Bij groepseducatie moet de privacy van deelnemers worden gewaarborgd en moet deelname aan groepssessies optioneel zijn

Het cluster benadrukt dat educatie altijd moet worden aangeboden vanuit een ondersteunende, niet-veroordelende houding, waarbij de individuele context en mogelijkheden van de patiënt centraal staan. Het recht van patiënten om educatie te weigeren moet worden gerespecteerd, hoewel het belang ervan duidelijk moet worden gecommuniceerd.

 

Duurzaamheid

Bij de interventie (gestructureerde patiënteneducatie) spelen de volgende duurzaamheidsaspecten een rol:

Potentiële milieubelasting:

  • Reisbewegingen: Groepseducatie in ziekenhuizen genereert extra reisbewegingen van patiënten en hun naasten
  • Papiergebruik: Educatiemateriaal, folders en hand-outs leiden tot papierverbruik
  • Energieverbruik: Gebruik van ruimtes voor groepsbijeenkomsten (verwarming, verlichting)

Duurzaamheidsmaatregelen volgens de R-ladder:

  • Reduce: Digitale alternatieven zoals online educatieprogramma's (DIEP) verminderen reisbewegingen
  • Replace: Digitaal educatiemateriaal in plaats van papieren versies
  • Rethink: Hybride vormen waarbij theorie online en praktijk fysiek wordt aangeboden
  • Reuse: Herbruikbaar demonstratiemateriaal voor glucosemeting en insuline-instructie

Bij de controle (geen gestructureerde educatie) spelen de volgende duurzaamheidsaspecten een rol:

  • Mogelijk meer individuele consulten nodig door gebrek aan efficiënte groepseducatie
  • Potentieel meer ziekenhuisopnames en spoedconsulten door slechter zelfmanagement
  • Vaker herhaling van dezelfde informatie door verschillende zorgverleners

Hoewel educatieprogramma's initieel een grotere milieu-impact kunnen hebben door groepsbijeenkomsten, wegen de lange termijn voordelen hier tegenop. Betere zelfmanagement leidt tot minder acute zorgcontacten en ziekenhuisopnames. De werkgroep adviseert waar mogelijk gebruik te maken van digitale en hybride educatievormen om de milieu-impact te minimaliseren zonder afbreuk te doen aan de effectiviteit van de educatie.

 

Haalbaarheid

De interventie lijkt haalbaar. De interventie is over het algemeen al standaardzorg in de praktijk. Diabeteseducatie door diabetesverpleegkundigen en diëtisten is al jaren een integraal onderdeel van de diabeteszorg in Nederlandse ziekenhuizen. De meeste ziekenhuizen hebben al diabetesteams met de benodigde expertise en ervaring.

De werkgroep voorziet wel enkele belemmeringen rondom organisatorische en financiële aspecten:

  • Personele capaciteit: Toenemende zorgvraag versus beperkte capaciteit van diabetesteams
  • Financiering: Onduidelijkheid over vergoeding van groepseducatie en digitale educatieprogramma's
  • Organisatorisch: Afstemming tussen verschillende zorgverleners binnen het diabetesteam vereist goede coördinatie
  • Transitie eerste-tweede lijn: Bij verwijzing naar tweede lijn moet educatie worden afgestemd op wat al in eerste lijn is aangeboden

De haalbaarheid van de beschreven interventie hangt af van:

  • Voldoende financiering voor diabetesteams om structurele educatieprogramma's aan te bieden
  • Beschikbaarheid van opgeleide diabetesverpleegkundigen en diëtisten
  • Ruimtes voor groepseducatie in ziekenhuizen
  • Goede samenwerking en taakverdeling binnen het diabetesteam
  • Duidelijke afspraken over educatie bij transitiemomenten in de zorg

De interventie vereist geen fundamenteel nieuwe manier van zorgverlening; wel vraagt het om verdere professionalisering en standaardisering van bestaande educatiepraktijken. Investering in training van zorgverleners volgens evidence-based methoden en ontwikkeling van gestructureerde educatieprogramma's zoals PRISMA of DIEP kan de kwaliteit en effectiviteit verder verbeteren.

 

Rationale van de aanbeveling:

Gestructureerde diabeteseducatie wordt sterk aanbevolen omdat de aantoonbare gezondheidswinst (verbeterde glucoseregulatie, kwaliteit van leven, minder complicaties) en kosteneffectiviteit ruimschoots opwegen tegen de minimale nadelen, wat een onmiddellijke implementatie rechtvaardigt met oog voor gelijke toegang en culturele sensitiviteit.

 

Eindoordeel:

Sterke aanbeveling voor (Doen)

Onderbouwing

Introduction

Optimal treatment of type 2 diabetes mellitus (T2DM) places high demands on the patient’s self-management capacity. This applies especially to patients who are receiving or will receive intensive insulin treatment under the guidance of the diabetes team in secondary care. This includes monitoring glucose, making good nutritional choices, adjusting insulin based on food intake, blood glucose and activity, foot care, sleep, smoking cessation, achieving/maintaining a healthy weight, incorporating physical activity and exercise, etc. Patient education plays an important role in the development and promotion of self-management. Traditionally, diabetes nurses, dietitians, and specialized medical psychologists are involved in providing education to people with diabetes. To ensure that people with T2DM benefit optimally, there needs to be clarity about the most effective way to apply education.

Voor deze uitgangsvragen is geen systematische literatuuranalyse uitgevoerd. De werkgroep heeft zich gebaseerd op (inter-)nationale richtlijnen: NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (NHG, 2024), NDF Zorgstandaard Diabetes (NDF, 2015a; zie voor implementatie van zelfmanagement(-ondersteuning) NDF, 2017), NDF Voedingsrichtlijn Diabetes (2020), NICE richtlijn DM2 bij volwassenen (NICE, 2015), en de ADA/AADE (American Diabetes Association/ American Association of Diabetes Educators) richtlijn voor Diabetes zelfmanagement educatie en ondersteuning (2025). Daarnaast heeft de werkgroep zich gebaseerd op een positie statement (Powers, 2015) van ADA, AADE en AND (Academy of Nutrition and Dietetics), NDF Competentieprofiel Zelfmanagementeducatie bij diabetes (NDF, 2014a), en NDF Competentiescan Zelfmanagement-educatie bij diabetes (NDF, 2014b).

Voor deze uitgangsvraag is geen systematische literatuuranalyse uitgevoerd omdat er recente valide richtlijnen beschikbaar zijn.

  1. American Diabetes Association Professional Practice Committee. 5. Facilitating Positive Health Behaviors and Well-being to Improve Health Outcomes: Standards of Care in Diabetes-2025. Diabetes Care. 2025 Jan 1;48(Supplement_1):S86-S127. doi: 10.2337/dc25-S005. Erratum in: Diabetes Care. 2025 Apr 1;48(4):665. doi: 10.2337/dc25-er04a. PMID: 39651983; PMCID: PMC11635047.
  2. Davies MJ, Heller S, Skinner TC, et al. Effectiveness of the diabetes education and self management for ongoing and newly diagnosed (DESMOND) programme for people with newly diagnosed type 2 diabetes: cluster randomised controlled trial. BMJ. 2008;336(7642):491-5. doi: 10.1136/bmj.39474.922025.BE. Erratum in: BMJ. 2008 Apr 19;336(7649):doi:10.1136/bmj.39553.528299.AD. PubMed PMID: 18276664.
  3. Gillett M, Dallosso HM, Dixon S, et al. Delivering the diabetes education and self management for ongoing and newly diagnosed (DESMOND) programme for people with newly diagnosed type 2 diabetes: cost effectiveness analysis. BMJ. 2010;341:c4093. doi: 10.1136/bmj.c4093. PubMed PMID: 20729270.
  4. Heinrich E, de Nooijer J, Schaper NC, et al. Evaluation of the web-based Diabetes Interactive Education Programme (DIEP) for patients with type 2 diabetes. Patient Educ Couns. 2012;86(2):172-8. doi: 10.1016/j.pec.2011.04.032. PubMed PMID: 21616626.
  5. Heinrich E, Schaper NC, De Vries NK. Self-management interventions for type 2 diabetes: a systematic review. Eur Diabetes Nurs. 2010;7:71-76.
  6. Hendrieckx C, Halliday JA, Beeney LJ, Speight J. Diabetes and emotional health: a practical guide for health professionals supporting adults with type 1 or type 2 diabetes. Arlington, VA: American Diabetes Association, 2021, 3rd edition (U.S.).
  7. Khunti K, Gray LJ, Skinner T, et al. Effectiveness of a diabetes education and self management programme (DESMOND) for people with newly diagnosed type 2 diabetes mellitus: three year follow-up of a cluster randomised controlled trial in primary care. BMJ. 2012;344:e2333. doi: 10.1136/bmj.e2333. PubMed PMID: 22539172.
  8. KNMP. Diabetes Mellitus type 2. Link: https://www.knmp.nl/sites/default/files/2024-02/KNMP- richtlijn_Diabetes_oktober_2023.pdf. [Geraadpleegd op 16 mei 2025].
  9. Leibbrandt AJ, Kiefte-de Jong JC, Hogenelst MH, et al. Effects of the PRo-active Interdisciplinary Self- MAnagement (PRISMA, Dutch DESMOND) program on dietary intake in type 2 diabetes outpatients: a pilot study. Clin Nutr. 2010;29(2):199-205. doi: 10.1016/j.clnu.2009.08.009. PubMed PMID: 19729232.
  10. NDF. Competentieprofiel Zelfmanagementeducatie bij diabetes. 2014a. Link: http://www.zorgstandaarddiabetes.nl/wp-content/uploads/2014/08/2014-08-04-NDF-Competentieprofiel-Zelfmanagement-educatie-DEFINITIEF.pdf [geraadpleegd op 20 januari 2017].
  11. NDF. Competentiescan Zelfmanagement-educatie bij diabetes. 2014b. Link: http://scanzelfmanagementeducatie.zorgstandaarddiabetes.nl/ [geraadpleegd op 20 januari 2017].
  12. NDF. Voedingsrichtlijn Diabetes. 2020. Link: https://diabetesfederatie.nl/veelgestelde-vragen-over- de-voedingsrichtlijn-diabetes [geraadpleegd op 7 april 2025].
  13. NDF. Zelfmanagement en Zelfmanagementondersteuning als integraal onderdeel van de diabeteszorg. 2017. Link: http://www.zorgstandaarddiabetes.nl/wp-content/uploads/2017/01/zm-versie-30-januari-2017-definitief.pdf [geraadpleegd op 21 februari 2017].
  14. NDF. Zorgstandaard Diabetes. 2015a. Link: http://www.zorgstandaarddiabetes.nl/ [geraadpleegd op 20 januari 2017].
  15. NICE. Type 2 diabetes in adults: management. NICE guideline NG28. 2015. Link: https://www.nice.org.uk/guidance/ng28 [geraadpleegd op 20 januari 2017].
  16. Norris SL, Engelgau MM, Narayan KM. Effectiveness of self-management training in type 2 diabetes: a systematic review of randomized controlled trials. Diabetes Care. 2001;24(3):561-87. Review. PubMed PMID: 11289485.
  17. Powers MA, Bardsley JK, Cypress M, Funnell MM, Harms D, Hess-Fischl A, Hooks B, Isaacs D, Mandel ED, Maryniuk MD, Norton A, Rinker J, Siminerio LM, Uelmen S. Diabetes Self-management Education and Support in Adults With Type 2 Diabetes: A Consensus Report of the American Diabetes Association, the Association of Diabetes Care & Education Specialists, the Academy of Nutrition and Dietetics, the American Academy of Family Physicians, the American Academy of PAs, the American Association of Nurse Practitioners, and the American Pharmacists Association. Diabetes Care. 2020 Jul;43(7):1636-1649. doi: 10.2337/dci20-0023. Epub 2020 Jun 8. PMID: 32513817.
  18. Rutten GEHM, De Grauw WJC, Nijpels G, et al. NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (derde herziening). Huisarts Wet. 2013;56(10):512-525. Link: https://www.nhg.org/standaarden/volledig/nhg-standaard-diabetes-mellitus-type-2 [geraadpleegd 30 juni 2016] [in herziening 2017].
  19. Van Vugt M, de Wit M, Bader S, et al. Does low well-being modify the effects of PRISMA (Dutch DESMOND), a structured self-management-education program for people with type 2 diabetes? Prim Care Diabetes. 2016;10(2):103-10. doi: 10.1016/j.pcd.2015.06.008. PubMed PMID: 26186886

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 02-05-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 02-05-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Cluster Diabetes Mellitus
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Diabetesvereniging Nederland

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2023 een multidisciplinaire cluster ingesteld. Het cluster Diabetes Mellitus bestaat uit meerdere richtlijnen, zie hier voor de actuele clusterindeling. De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden geven hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:

 

Clusterstuurgroep

  • Dr. E.H. (Erik) Serné, internist in het AUMC te Amsterdam, NIV, voorzitter cluster
  • Dr. L.P.F. (Luc) Janssens, kinderarts in het Isala te Zwolle, NVK
  • Dr. W.J. (Wouter) de Waal, kinderarts in het Sint Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein, NVK
  • Dr. R.C. (Rebecca) Painter, gyneaocoloog in het AUMC te Amsterdam, NVOG
  • Dr. B.E. (Bastiaan) de Galan, internist in het MUMC te Maastricht, NIV
  • T.M. (Ties) Obers, patiëntvertegenwoordiger, Diabetesvereniging Nederland

 Betrokken clusterexpertisegroepleden

  • T.M. (Ties) Obers, patiëntvertegenwoordiger, Diabetesvereniging Nederland
  • Dr. K. (Koen) Verdonk, vasculair internist en obstetrisch internist in het Erasmus MC te Rotterdam, NIV

Met ondersteuning van

  • Dr. A.N. (Anh Nhi) Nguyen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
  • Dr. L. (Leanne) Küpers, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
  • Drs. J.M.H. (Harm-Jan) van der Hart, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.
  • Drs. F.A. (Fieke) Pepping, junior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

Belangenverklaringen

Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.

 

Clusterstuurgroepleden

Tabel 11 Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroep

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke financiële belangen

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Restrictie

Dr. E.H. (Erik) Serné

Internist-Vasculaire Geneeskunde binnen Amsterdam UMC, locatie VUmc

Clustervertegenwoordiger (NIV, NVK, NHG) binnen bestuur Nederlandse Diabetes Federatie (betaald)

Lid van Rondetafel Diabeteszorg (onbetaald)

Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Diabetologie (betaald)

Redactielid platform Diabetesgeneeskunde.nl (betaald)

Medisch directeur van Diabeter Centrum Amsterdam, een joint venture tussen Amsterdam UMC en Diabeter; aangesteld via een detacheringscontract vanuit Amsterdam UMC (betaald). Medtronic is deels eigenaar van Diabeter.

Geen

Doelmatigheidsproject ZonMw betreffende behandeling patiënten met 'hypoglycemia unawareness' met 'stepped care' bestaande uit cursus HypoBewust en vervolgens evetueel continueglucose monitoring (CGM) versus directe start CGM

 

Veelbelovende zorg ZonMw-project betreffende Bi-hormonale kunstalvleesklier bij volwassen patiënten met diabetes type 1 die hun behandeldoelen niet halen; Automated blood glucose control in type 1 diabetes: effectiveness of the artificial pancreas (DARE-study)

 

Doelmatigheidsproject ZonMw betreffende LOFIT: Lifestyle front Office For Integrating lifestyle medicine in the Treatment of patients: a novel care-model towards community-based options for lifestyle change

Advisering binnen Ronde Tafel Diabeteszorg betreffende doelmatige inzet nieuwe

behandelingen toont belangrijke parallellen met richtlijnvorming. Beide maken

gebruik van 'evidence-based medicine' en GRADE om de beschikbare data te

duiden. Hierbij is dus geen sprake van belangenverstrengeling, maar van synergie.

Restrictie t.a.v. besluitvorming bij modules HCl bij zwangerschap met DM1 en Preventie hypoglykemie met sensor bij diabetes mellitus type 2

Dr. L.P.F. (Luc) Janssens

Kinderarts Isala

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Dr. W.J. (Wouter) de Waal

Kinderarts Diakonessenhuis Utrecht

Kinderarts Diabetes Centraal

Geen

Geen

Geen

Geen

Dr. R.C. (Rebecca) Painter

Gynaecoloog-perinatoloog Amsterdam UMC, hoogleraar verloskunde Vrije Universiteit

Per 1 sept: Gynaecoloog-perinatoloog Erasmus MC, Hoogleraar Erasmus Universiteit

Wetenschappelijk Adviseur Stichting ZEHG (onbetaald)

Voorzitter werkgroep NVOG Richtlijn "schildklier en zwangerschap" (vacatiegelden)

Lid werkgroep NVOG Richtlijn "Hyperemesis gravidarum" (vacatiegelden)

Lid Koepel Wetenschap NVOG, namense Pijler FMG (onbetaald)

Vice voorzitter NVOG Pijler FMG Wetenschapscommissie (onbetaald)

Voorzitter NVOG SIG Diabetes en Zwangerschap (onbetaald)

Lid Stadscoaltie Amsterdam Kansrijke Start (onbetaald)

Projectleider en lid kernteam Netwerk Geboortezorg Noordwest Nederland (onbetaald)

Bestuurslid NRCG, Nederlandse Regionale Consortia Geboortezorg (onbetaald)

Lid Bestuurd Verloskundig Samenwerkingsverband Amsterdam UMC (onbetaald)

Projectleider en hoofdonderzoeker SugarDip, TANGO-DM, PI NL RCTs  (onbetaald)

Geen

ZonMW:

SugarDip, projectleider

PI NL, projectleider

Netwerk Geboortezorg Noordwest Nederland, projectleider

VSV stimulering implementatie basiskader, projectleider

Minder dieren, meer kennis: Metformine in diermodellen systematic review, project leider

NRCG, nationale regionale geboorteconsortia, geen projectleider

 

Diabetes Fonds:

Register Diabetes en Zwangerschap, geen projectleider

 

Leading the Change:

Tango DM, projectleider

 

Toegevoegd tijdens vergadering: CRISTAL studie (HCL bij zwangeren met DM1). Deze studie is niet gefinancierd door een farmaceut maar Medtronic heeft wel middelen geleverd.  

Projectleider TANGO DM, onderzoekt de afkapwaarden die gebruikt worden voor de diagnose diabetes gravidarum.

 

Medeprojectleider van SugarDip, over de medicamenteuze behandeling van diabetes gravidarum (insuline vs orale therapie).

Geen

Dr. B.E. (Bastiaan) de Galan

Internist, MUMC+, Maastricht (0,6 fte)

Hoogleraar interne geneeskunde/diabetologie, UM, Maastricht (0,2 fte)

Internist, Radboudumc, Nijmegen (0,2 fte)

Docent/cursusleider DESG cursus voor aios interne geneeskunde en kindergeneeskunde (betaald; naar MUMC+)

Associate editor Diabetologia (betaald; naar MUMC)

Bestuurslid Nederlandse Vereniging voor Endocrinologie (NVE; onbetaald)

Voozitter accreditatiecommissie NIV (vacatiegelden)

Voorzitter Commissie van Uitvoering voor het Accreditatieoverleg (onbetaald)

Organisatie nascholingsreeks Diabetes Overleg (betaald, naar MUMC)

Organisatie nascholingsreeks Dutch Diabetes Academy (betaald, naar MUMC)

Secretaris International Hypoglycaemia Study Group (onbetaald)

Geen

Horizon Europe Framework Programme:

Hypo-RESOLVE (Hypoglycaemia - redefining solutions for better lives) 2018-2023 (afgerond). Novo Nordisk, Lilly, Medtronic en Abbott betrokken als research partners, projectleider: ja

 

MELISSA (mobile artificial intelligence solution for diabetes adaptive care) 2022-2026. Novo Nordisk levert insuline, projectleider: ja

 

REDDIE (Real-world evidence for decisions in diabetes) 2023-2027. Novo Nordisk betrokken als research partner, projectleider: nee

 

Novo Nordisk:

ADREM study (investigator initiated trial naar aanpassing van degludec bij sport bij mensen met type 1 diabetes, unrestricted grant) 2021-2022 (afgerond).

Geen

Geen

T.M. (Ties) Obers

Beleidsadviseur Belangenbehartiging (0,6 FTE)

Diabetesvereniging Nederland

 

Directeur (0,2 FTE)

Stichting Knowledge for Children Nederland

 

Freelance Adviseur Non-Profit (0,2 FTE)

Groei voor Goed

Geen

Geen

Geen

Bescherming van de reputatie/positie van Diabetesvereniging Nederland. Boegbeeldfunctie bij patiëntenorganisatie Diabetesvereniging Nederland.

Geen

 

Betrokken clusterexpertisegroepleden

Tabel 12 Gemelde (neven)functies en belangen betrokken clusterexpertisegroepleden

Naam

Hoofdfunctie

Nevenwerkzaamheden

Persoonlijke en financiële belangen

Extern gefinancierd onderzoek

Intellectuele belangen en reputatie

Restrictie

T.M. (Ties) Obers

Zie tabel 1

Dr. K. (Koen) Verdonk

Vasculair internist, obstetrisch internist, Erasmus MC

Geen

Geen

Geen

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

De richtlijn is opgesteld door de internisten, in samenwerking met huisartsen, diëtisten, diabetesverpleegkundigen, ziekenhuisapothekers, en de patiëntenvereniging Diabetesvereniging Nederland.

 

Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz

Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).

Module

Uitkomst raming

Toelichting

Patiënteneducatie, zelfmanagement en leefstijl

Geen financiële gevolgen

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht.

Werkwijze

Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze.