Definitie en diagnose MCI
Uitgangsvraag
Welke definitie van MCI moet worden gehanteerd in de praktijk en hoe stel je het vast?
Aanbeveling
Diagnostische criteria van MCI
Stel een syndromale diagnose Lichte Cognitieve Stoornissen (classificatieterm: Mild Cognitive Impairment, of MCI). Een diagnose MCI impliceert verder onderzoek naar de oorzaak ervan, mits patiënt en mantelzorger hier behoefte aan hebben en/of als er een verdenking op een behandelbare oorzaak is.
Identificeer mogelijke reversibele oorzaken en behandel deze adequaat.
Diagnostiek
Verricht cognitief onderzoek om klachten te objectiveren en onderzoek in ieder geval geheugen, aandacht, executief functioneren, visuospatiële vaardigheden en de taalfunctie.
Stel geen diagnose MCI op basis van een screeningstest (zoals de MoCA of de MMSE) alleen. Uitgebreider onderzoek van de cognitieve functies kan in de spreekkamer worden gedaan. Op indicatie zijn er uitgebreidere instrumenten beschikbaar, met name (onderdelen uit) diepgaand neuropsychologisch onderzoek (NPO) (zie verder). Ook kan gebruik worden gemaakt van het ‘groene boekje’ met cognitieve screeningstaken, uitgegeven door de werkgroep cognitieve neurologie van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie. Als voor gevalideerde testen uit het NPO wordt gekozen, interpreteer deze dan met normgegevens voor sexe/gender, leeftijd en opleiding om na te kunnen gaan of de score meer dan tweemaal standaard deviatie onder het gemiddelde zit (zie aanbevelingen/ definitie MCI module).
Interferentie
Beschouw de mate van interferentie in het dagelijks functioneren als een continuüm waarin MCI een positie inneemt tussen gezond en dementie. Een lichte verstoring in de uitvoer van hoog complexe instrumentele handelingen kan nog passen bij MCI.
Stel vast of er achteruitgang is ten opzichte van het vroegere activiteitenniveau die een gevolg is van cognitieve stoornissen, niet van lichamelijke problemen of gebrek aan initiatief.
Overweeg om naast de (hetero)anamnese bij twijfel ook gestandaardiseerde (informant)vragenlijsten en/of (ergotherapeutische) observaties te gebruiken voor het vaststellen van de mate van interferentie bij dagelijkse handelingen.
Onderbouwing
Achtergrond
Mild Cognitive Impairment (MCI) is een cognitieve stoornissyndroom, waarbij iemand objectieve problemen heeft met het geheugen of een andere cognitieve functie, zonder interferentie in het dagelijks leven. Mensen met MCI hebben een hogere kans op dementie in de jaren na het vaststellen van MCI, maar niet iedereen met MCI krijgt dementie.
MCI betreft een grote heterogene groep patiënten. De prevalentie en incidentie van MCI zijn onbekend want deze worden erg wisselend gerapporteerd in de literatuur, met name door het hanteren van diverse definities. De prevalentie in de algemene populatie ouder dan 70 jaar varieert in de literatuur tussen de 5 en 18%, terwijl de incidentie varieert tussen de 14 en 111 patiënten per 1000 persoonsjaren (Roberts en Knopman, 2013). Uit onderzoek blijkt dat mensen met MCI een hoger risico hebben om na enkele jaren dementie te ontwikkelen. Bij ongeveer 50% van de mensen worden de klachten ernstiger en kan binnen 3 jaar dementie worden vastgesteld. Er is echter ook een groep mensen bij wie de klachten stabiel blijven of verdwijnen. Voor de individuele patiënt kan het belangrijk zijn over het mogelijk beloop duidelijkheid te krijgen.
De mogelijke etiologie van MCI is heterogeen. Er zijn behandelbare oorzaken zoals een stemmings- of angststoornis, somatische comorbiditeit, bijwerkingen van (psycho)farmaca. Doorgaans leidt adequate behandeling in dergelijke gevallen tot verbetering van het cognitief functioneren, soms tot volledig herstel. Een andere mogelijkheid is dat de cognitieve stoornissen lang stabiel blijven, bijvoorbeeld indien deze een gevolg zijn van een herseninfarct. Ten slotte is er een categorie bij wie sprake is van een onderliggende neurodegeneratieve aandoening of recidiverende herseninfarcten die zal leiden tot verdergaande cognitieve achteruitgang en uitmondt in een dementiesyndroom. Bij ouderen is vaak sprake van een combinatie van verschillende oorzaken.
Naast het opsporen van behandelbare oorzaken kan een patiënt de wens hebben het risico op progressie naar dementie te weten. Uit onderzoek is gebleken dat geobjectiveerde geheugenstoornissen, zonder duidelijke afwijkingen in andere cognitieve domeinen, het meest voorspellend zijn voor het ontwikkelen van de ziekte van Alzheimer. Over de progressie van MCI naar andere vormen van dementie, zoals een frontotemporale dementie (FTD) of dementie met Lewy lichaampjes (DLB) is vooralsnog weinig bekend.
De werkgroep acht het relevant voor deze richtlijn om binnen MCI een subtypering aan te brengen voor patiënten die een verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van Alzheimer dementie, de zogeheten amnestische variant.
Enkele studies hebben daarnaast aangetoond dat een diagnose MCI die is gebaseerd op stoornissen in meerdere cognitieve domeinen een hogere kans geeft op het ontwikkelen van dementie dan wanneer de diagnose MCI zich beperkt tot één cognitief domein. De werkgroep is echter van mening dat een subtypering van MCI in termen van aantal aangedane cognitieve domeinen (zoals single-domain en multiple-domain) minder relevant is voor de klinische praktijk omdat het geen informatie verschaft over de onderliggende etiologie. Wel kan het nuttig zijn om de stoornissen in verschillende cognitieve domeinen uit te leggen aan patient en omgeving.
Samenvatting literatuur
Diagnostische criteria van MCI
Er worden veel verschillende definities gebruikt voor MCI, zoals Amnestic Mild Cognitive Impairment (Petersen, 1997; Petersen, 2004), Mild Cognitive disorder van de ICD- 10 (WHO 2010), Mild Cognitive Impairment volgens Albert en collega’s (Albert, 2011) en Minor neurocognitive disorder (beperkte neurocognitieve stoornis) van de DSM-5 (APA 2013). Voor deze klinische richtlijn gebruiken we een brede definitie van MCI die aansluit bij wat internationaal gangbaar en klinisch goed toepasbaar is.
Als definitie van MCI wordt voorgesteld:
- Cognitieve klachten door patiënt of informant.
- Stoornis in één of meer cognitieve domeinen, geobjectiveerd met cognitief onderzoek (meer dan alleen MoCA of MMSE) in de spreekkamer of NPO, welke een achteruitgang is ten opzichte van het vroegere niveau van functioneren.
- Geen significante interferentie met complexe dagelijkse levensverrichtingen.
- Voldoet niet aan de criteria van een dementiesyndroom.
MCI wordt net als dementie gezien als een syndroomdiagnose dat als uitgangspunt kan dienen voor onderzoek naar de onderliggende etiologie, als hier een wens of noodzaak toe is.
Diagnostiek
Voor het vaststellen van de diagnose MCI moeten in ieder geval de volgende cognitieve domeinen worden onderzocht:
- Geheugen
- Aandacht
- Executief functioneren
- Visuospatiële functies
- Taal
Op indicatie kunnen de te onderzoeken cognitieve domeinen worden uitgebreid.
Patiënten met MCI vertonen meer cognitieve achteruitgang dan verklaard kan worden door de leeftijd. Op testonderzoek zal een cognitieve prestatie dus significant lager liggen dan die van een controlegroep met vergelijkbare leeftijd. Binnen de neuropsychologie ontbreken vuistregels voor wanneer een cognitieve testprestatie afwijkend is. Naast leeftijd hangt dit af van andere variabelen, zoals het premorbide intelligentieniveau, geslacht, psychometrische kwaliteiten van een test (zoals de sensitiviteit) en kenmerken van de normgroep (mate waarin deze representatief is voor een specifieke patiënt). Om de kans op foutpositieve diagnoses van MCI te minimaliseren heeft de werkgroep ervoor gekozen om een testprestatie afwijkend te noemen indien deze 2 standaarddeviaties of meer onder het gemiddelde van de norm ligt. Een clinicus kan hier bij uitzondering beargumenteerd van afwijken.
Over de rol van gedrag en sociale cognitie [1] bij MCI en de relatie met andere cognitieve functies is vooralsnog onvoldoende bekend om dit als apart domein op te nemen. Wel is van belang om stoornissen in de sociale cognitie te herkennen en te onderzoeken als mogelijk probleem bij MCI met voornamelijk frontale kenmerken.
[1] Sociale cognitie is het vermogen om in sociale situaties relevante informatie correct waar te nemen en te interpreteren, het gedrag van anderen af te lezen en te begrijpen en op grond daarvan het eigen gedrag op de sociale situatie af te stemmen.
De richtlijn beoogt geen complete opsomming te geven van bruikbare instrumenten voor de vaststelling van cognitieve stoornissen. Er wordt een overzicht gegeven van het soort testen en cognitieve maten die in ieder geval overwogen moeten worden als onderdeel van de diagnostiek naar MCI.
Voor het vaststellen van een geheugenstoornis zijn vooral testen naar het episodisch geheugen bruikbaar. Deze bestaan vaak uit een onmiddellijke en uitgestelde reproductie. Met name de uitgestelde reproductie geeft inzicht in de mate waarin informatie beklijft over de tijd, wat prognostische waarde heeft voor het beloop van MCI. Vragen naar oriëntatie in tijd en plaats kunnen eveneens onder het geheugendomein geschaard worden. Omdat bij MCI ook andere cognitieve domeinen gestoord kunnen zijn, is het van belang ook deze domeinen te onderzoeken. Dit betreft de aandacht en het executief functioneren, zoals werkgeheugen, responsinhibitie, mentale flexibiliteit, plannen en organiseren, probleemoplossend vermogen; visuospatiële functies, bijvoorbeeld visuoconstructieve vaardigheden, ruimtelijk inzicht; en taal (benoemen, woordgeneratie, taalbegrip). Bij specifieke klachten kan overwogen worden de visuoperceptie te onderzoeken. Voor een onderzoek van de afzonderlijke cognitieve domeinen is een neuropsychologisch onderzoek aangewezen. Voor beschrijving en beoordeling van bruikbare neuropsychologische testen wordt verwezen naar het Handboek neuropsychologische diagnostiek (Bouma, 2012), Neuropsychologische Diagnostiek (Hendrikse, 2014) en naar de Commissie Testaangelegenheden Nederland (COTAN).
Bepaalde diagnostische criteria operationaliseren het aantal cognitieve testen of mate waarop een afwijkende prestatie moet zijn behaald om van een stoornis in dat domein te kunnen spreken. Een dergelijke uitwerking vindt de werkgroep niet werkbaar. Het onderscheid in cognitieve domeinen is kunstmatig en sommige testen doen een beroep op meerdere cognitieve domeinen tegelijkertijd. De werkgroep is van mening dat een afwijkende testprestatie bij voorkeur wel dient te zijn bevestigd op minimaal één andere vergelijkbare cognitieve test of maat (Loewenstein, 2009), bijvoorbeeld een afwijkende prestatie op zowel de uitgestelde reproductie van een woordenlijst als een krantenbericht. Met de Advanced Neuropsychological Diagnostics Infrastructure (ANDI) is een database met referentiewaarden en een bijbehorende multivariate toetsingsprocedure online beschikbaar gekomen om testscores ook in onderlinge samenhang met elkaar te kunnen beoordelen. De werkgroep adviseert verder om naast testprestaties ook andere gegevens te betrekken om vast te stellen of sprake is van een stoornis in een cognitief domein, zoals anamnese, heteroanamnese en klinisch onderzoek.
Gevalideerde cognitieve instrumenten met duidelijke normwaarden verdienen de voorkeur voor het vaststellen van lichte cognitieve stoornissen, ook al gezien het criterium van beoordeling op grond van de normaalverdeling van de uitslag met correctie voor andere bekende factoren. Deze testen leveren zo een duidelijke bijdrage aan de diagnose MCI (Jansen, 2017). Daarnaast kan worden gekozen voor een compleet NPO omdat dit aanknopingspunten biedt voor behandeling vanwege het zicht op sterke en zwakke kanten van het cognitief functioneren en op bijkomende problematiek zoals stemmingsklachten, verandering in gedrag of persoonlijkheid en de emotionele belasting van de mantelzorger. Indien een NPO niet direct uitvoerbaar is, kan getrapte diagnostiek overwogen worden met eerst een screening naar het cognitief functioneren en op indicatie NPO. Argumenten voor nader NPO kunnen zijn: aanhoudende twijfel over de aanwezigheid van cognitieve stoornissen of onduidelijkheid over de aard en het aantal cognitieve domeinen dat is aangedaan indien reeds interferentie in het dagelijks functioneren is vastgesteld (voor onderscheid MCI en dementie). De Mini Mental State Examination (MMSE), Seven Minute Screen en de Montreal Cognitive Assessment- Dutch (MoCA-D) zijn veelgebruikte screeningsinstrumenten in Nederland. De meeste van deze instrumenten zijn ontwikkeld voor het opsporen van dementie en zijn onvoldoende sensitief in het vaststellen van een meer subtiele cognitieve achteruitgang, zoals bij MCI. Ook bij screeningsinstrumenten die specifiek zijn ontwikkeld voor detectie van MCI laten de sensitiviteit en specificiteit te wensen over (Thissen, 2010). Daarnaast is het geheugendomein vaak oververtegenwoordigd in screeningsinstrumenten en worden andere cognitieve domeinen minder uitgebreid of zelfs helemaal niet onderzocht, waardoor stoornissen gemist kunnen worden. De werkgroep is van mening dat een screeningstest zoals boven genoemd als afzonderlijk instrument ongeschikt is om cognitieve stoornissen uit te sluiten dan wel aan te tonen in het kader van de diagnose MCI.
Interferentie
De impact van cognitieve stoornissen op het dagelijks functioneren heeft in de definitie van MCI een belangrijke positie. Interferentie met complexe dagelijkse handelingen blijkt bij MCI een voorspeller voor de progressie naar dementie (Peres, 2006; Triebel, 2009). Het vaststellen van interferentie kan echter leiden tot discussie. In de definitie zoals hierboven wordt gesproken is er geen significante interferentie met complexe dagelijkse levensverrichtingen. Dit impliceert dat bij MCI sprake kan zijn van een minimale verstoring in de uitvoer van complexe of niet dagelijkse handelingen zonder dat dit nader wordt gespecificeerd (Petersen, 2004). Ook zijn er verschillende meetmethodes om de beperkingen in dagelijks functioneren vast te stellen, zoals een gesprek, zelfbeoordelingslijsten, informantlijsten en observaties van alledaagse handelingen (thuis of in een testomgeving), waarbij zelfrapportage of beoordeling door mantelzorgers kan leiden tot een over- of onderrapportage van beperkingen.
De mate van interferentie in dagelijks functioneren wordt opgevat als een continuüm van gezond naar dement met MCI als tussenstadium (Gold, 2012). Vrijwel alle studies naar MCI tonen aan dat tekorten bestaan in de uitvoer van hoog complexe instrumentele handelingen, zoals financiën, boodschappen, autorijden en het regelen van afspraken (Jekel, 2015). Patiënten met MCI doen vaak langer over dagelijkse handelingen en zijn minder nauwkeurig. Met name bij MCI met stoornissen in meerdere cognitieve domeinen zijn er lichte beperkingen in het functioneren. Hoewel het optreden van interferentie mede afhankelijk is van de gehanteerde diagnostische criteria van MCI en de operationalisatie daarvan, is de werkgroep van mening dat er voldoende argumenten zijn om in de richtlijn op te nemen dat bij MCI een lichte verstoring in de uitvoer van hoog complexe instrumentele handelingen is toegestaan.
De interferentie dient een achteruitgang te zijn ten opzichte van het vroegere activiteitenniveau. Daarnaast moet deze een gevolg zijn van stoornissen in het cognitief functioneren, niet van lichamelijke achteruitgang, gebrek aan motivatie of initiatiefname. Het is bij de inventarisatie van mogelijke interferentie belangrijk om aan te sluiten bij het premorbide niveau en rekening te houden met een andere culturele achtergrond (zie module “Screening cognitieve stoornissen - Mensen met een migratieachtergrond”). Hiervoor kan door een ergotherapeut gewerkt worden met cultuurspecifieke vragen of opdrachten, zoals theezetten op Turkse wijze (Berendsen, 2009).
Er kunnen schalen gebruikt worden als hulpmiddel om het (I)ADL-functioneren gestructureerd te inventariseren, hoewel de meeste hiervan verouderd zijn en gericht zijn op dementie. Voorbeelden zijn de Katz, de Lawton Instrumental Activities of Daily Living Scale en de Inventory of Deterioration in Daily Activities in Dementia (IDDD). De Amsterdam Instrumental Activity of Daily Living Questionnaire (A-IADL-Q) is aangetoond beter dan genoemde schalen, maar wordt in de kliniek nog niet op grote schaal gebruikt (Sikkes, 2012). Het instrument heeft een hoge diagnostische waarde voor het vaststellen van problemen in cognitieve dagelijkse vaardigheden, houdt rekening met het premorbide functioneren, is sensitief voor verandering over de tijd en biedt de mogelijkheid van adaptief testen. De A-IADL-Q is te verkrijgen via de website: http://www.alzheimercentrum.nl/professionals/amsterdam-iadl/. Ook kan overwogen worden een ergotherapeutische observatie te laten verrichten. Een beperking in het dagelijks functioneren kan ook blijken uit werk- of relatieproblemen of het niet langer bezoeken van sociale gelegenheden.
Referenties
- Albert MS, DeKosky ST, Dickson D, et al. The diagnosis of mild cognitive impairment due to Alzheimer's disease: recommendations from the National Institute on Aging-Alzheimer's Association workgroups on diagnostic guidelines for Alzheimer's disease. Alzheimer's & dementia: the journal of the Alzheimer's Association. 2011;7(3):270-9.APA. Diagnostic and statistical manual of mental disorders (5th ed.). Arlington, VA: American Psychiatric Publishing; 2013.
- Berendsen B, Geus E, Jonker S, et al. Ouder worden ver van thuis. Ergotherapie. 2009;2:30-2.
- Bouma AJM, Lindeboom J, Schmand B. Handboek neuropsychologische diagnostiek. Amsterdam: Pearson Benelux B.V.; 2012. Gold DA. An examination of instrumental activities of daily living assessment in older adults and mild cognitive impairment. Journal of clinical and experimental neuropsychology. 2012;34(1):11-34.
- Graham JE, Rockwood K, Beattie BL, et al. Prevalence and severity of cognitive impairment with and without dementia in an elderly population. Lancet (London, England). 1997;349(9068):1793-6.
- Grober E, Buschke H, Crystal H, et al. Screening for dementia by memory testing. Neurology. 1988;38(6):900-3.
- Hendriks M, Kessels RPC, Gorissen M et al. (2014). Neuropsychologische diagnostiek: De klinische praktijk. Boom Uitgevers.
- Jansen WJ, Handels RL, Visser PJ, et al. The Diagnostic and Prognostic Value of Neuropsychological Assessment in Memory Clinic Patients. Journal of Alzheimer's disease: JAD. 2017;55(2):679-89.
- Jekel K, Damian M, Wattmo C, et al. Mild cognitive impairment and deficits in instrumental activities of daily living: a systematic review. Alzheimer's research & therapy. 2015;7(1):17.
- Loewenstein DA, Acevedo A, Potter E, et al. Severity of medial temporal atrophy and amnestic mild cognitive impairment: selecting type and number of memory tests. The American journal of geriatric psychiatry: official journal of the American Association for Geriatric Psychiatry. 2009;17(12):1050-8.
- Peres K, Chrysostome V, Fabrigoule C, et al. Restriction in complex activities of daily living in MCI: impact on outcome. Neurology. 2006;67(3):461-6.
- Petersen RC. Mild cognitive impairment as a diagnostic entity. Journal of internal medicine. 2004;256(3):183-94.
- Petersen RC, Smith GE, Waring SC, et al. Aging, memory, and mild cognitive impairment. International psychogeriatrics. 1997;9 Suppl 1:65-9.
- Roberts R, Knopman DS. Classification and epidemiology of MCI. Clinics in geriatric medicine. 2013;29(4):753-72.
- Sikkes SA, de Lange-de Klerk ES, Pijnenburg YA, et al. A new informant-based questionnaire for instrumental activities of daily living in dementia. Alzheimer's & dementia : the journal of the Alzheimer's Association. 2012;8(6):536-43.
- Thissen AJ, van Bergen F, de Jonghe JF, et al. (Applicability and validity of the Dutch version of the Montreal Cognitive Assessment (moCA-d) in diagnosing MCI). Tijdschrift voor gerontologie en geriatrie. 2010;41(6):231-40.
- Triebel KL, Martin R, Griffith HR, et al. Declining financial capacity in mild cognitive impairment: A 1-year longitudinal study. Neurology. 2009;73(12):928-34.
- WHO. International Classification of Diseases and related Health Problems (10th edition). 2010.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 03-11-2025
Beoordeeld op geldigheid : 23-10-2025
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is in 2021 een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Cognitieve stoornissen en dementie bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroepleden
- Dhr. prof. dr. M.G.M. (Marcel) Olde Rikkert (voorzitter), klinisch geriater; NVKG
- Dhr. prof. dr. A.R. (Tony) Absalom, anesthesioloog; NVA
- Dhr. dr. J.H.J.M. (Jeroen) de Bresser, radioloog; NVvR
- Mevr. dr. I.K. (Indrag) Lampe, psychiater; NVvP
- Mevr. R. (Renske) Leistra, patiëntvertegenwoordiger; Alzheimer Nederland
- Mevr. prof. dr. B.C. (Barbara) van Munster, internist; NIV
- Dhr. prof. dr. E. (Edo) Richard, neuroloog; NVN
- Mevr. prof. dr. Ir. C. (Charlotte) Teunissen, klinisch chemicus; NVKC
- Dhr. dr. R.A.W. (Ronald) Verhagen, orthopedisch chirurg; NOV
Betrokken clusterexpertisegroepleden
- Dhr. dr. A.P.A. (Auke) Appelman, radioloog; NVvR
- Mevr. dr. R.L. (Rozemarijn) van Bruchem-van Visser, internist ouderengeneeskunde; NIV
- Dhr. drs. B.P.H. (Bas) ter Brugge, specialist ouderengeneeskunde; Verenso
- Dhr. dr. J.A.H.R. (Jurgen) Claassen, klinisch geriater; NVKG
- Dhr. dr. P.L.J. (Paul) Dautzenberg, klinisch geriater; NVKG
- Mevr. dr. M.E.A. (Marlise) van Eersel, internist; NIV
- Mevr. drs. C.M. (Christa) de Geus, neurogeneticus; NVKG
- Mevr. dr. E.M. (Elsmarieke van de Giessen), radioloog; NVNG
- Mevr. drs. M. (Marjolein) Groeneveld, verpleegkundig Consulent Geriatrie, klinisch epidemioloog; V&VN
- Mevr. drs. H. (Hiltsje) Heemskerk, klinisch geriater; NVKG
- Dhr. dr. R.B. (Rients) Huitema, klinisch neuropsycholoog; NIP
- Dhr. drs. A. (Ali) Lahdidioui, internist; NIV
- Dhr. dr. J. (Jules) Lavalaye, nucleair geneeskundige; NVNG
- Mevr. drs. L. (Lieke) Mitrov, ziekenhuisapotheker; NVZA
- Mevr. dr. M. (Marieke) Perry, huisarts/onderzoeker; NHG
- Dhr. dr. G. (Gerwin) Roks, neuroloog; NVN
- Mevr. dr. T.R. (Rikje) Ruiter, internist; NIV
- Mevr. A.J.B.P. (Astrid) Schoonbrood, ergotherapeut; EN
- Mevr. dr. N. (Niki) Schoonenboom, neuroloog; NVN
- Dhr. dr. H. (Harro) Seelaar, neuroloog; NVN
- Dhr. dr. K.S. (Koen) Simons, intensivist-internist; NVIC
- Mevr. drs. M.M.E. (Marlies) Sleegers-Kerkenaar, klinisch geriater; NVKG
- Mevr. drs. VCJ (Vera) van Stek-Smits, neuropsycholoog-gezondheidszorgpsycholoog; NIP
- Mevr. dr. E.M. (Eveline) Veltman, psychiater; NVvP
- Dhr. drs. D. (Dave) Verkaik, AIOS geriatrie; NVKG
- Mevr. prof. dr. M. (Meike) Vernooij, radioloog; NVvR
- Dhr. dr. E.G.B. (Jort) Vijverberg, neuroloog; NVN
- Mevr. dr. M.A. (Marjolein) Wijngaarden, internist; NIV
Met ondersteuning van
- Mevr. dr. C.T.J. (Charlotte) Michels, senior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Mevr. dr. L.C. (Lotte) Houtepen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
- Mevr. drs. L.C. (Laura) van Wijngaarden, junior adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Clusterstuurgroepleden
Tabel 1 Gemelde (neven)functies en belangen stuurgroep
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Olde Rikkert* |
Hoogleraar Geriatrie, Radboudumc, Nijmegen |
Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde |
Geen; uitsluitend ZonMw gefinancierd onderzoek dat overheidsbelang centraal stelt. Sinds 2017 geen farma-onderzoek meer. |
Geen restrictie |
|
Absalom |
Hoogleraar Anesthesiologie, UMCG, Groningen |
Consultancy werkzaamheden (betaald, alle betalingen aan UMCG) 6. Consultancy werk voor Becton Dickinson (Eysins, Switzerland) en Terumo (Tokyo, Japan) – technische advies over spuitpompen. Niet gerelateerd aan dementie/ MCI/ delier. |
Extern gefinancierd onderzoeken, maar financier heeft geen belangen bij de richtlijn. * Rigel Pharmaceuticals (San Francisco, USA) (PAST) * The Medicines Company (Parsippany, NJ, USA)(PAST) |
Geen restricties, omdat adviseurswerk niet gerelateerd is aan de afbakening van het cluster |
|
De Bresser |
- Neuroradioloog 1.0fte, LUMC, Leiden |
Geen |
Mijn onderzoek wordt mede gesponsord door Alzheimer Nederland. Deze financier heeft geen belang bij bepaalde uitkomsten van de richtlijn. |
Geen restrictie |
|
Lampe |
Psychiater, OLVG Ziekenhuis, Amsterdam |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Leistra |
Belangenbehartiger, Alzheimer Nederland |
Casemanager Dementie bij de King Arthur Groep |
Geen |
Geen restrictie |
|
Richard |
Hoogleraar neurologie: * afdeling neurologie Radboudumc (0.8fte) * afdeling Public and Occupational Health Amsterdam UMC (0.2 fte) |
- Neuroloog-onderzoeker AmsterdamUMC, locatie AMC, gastvrijheidsaanstelling. - Hoofdredacteur Leerboek Neurologie (Bohn Staffleu van Loghem) |
Geen, uitsluitend onderzoek financiering van non-profit instellingen (e.g. ZonMw, Europese Commissie). |
Geen restrictie |
|
Teunissen |
Hoofd Neurochemisch laboratorium, Afdeling Klinische Chemie, AmsterdamUMC, lokatie VUmc, Amsterdam |
*Adviseur voor educatief blad: Mednet Neurologie (betaald). * Alle betalingen zijn aan het AmsterdamUMC. |
*Wetenschappelijke samenwerking met ADxNeurosciences, Olink, Quanterix, Roche in kader van o.a. Marie Curie subsidie. Het doel van het Marie Curie project is om een nieuwe generatie van onderzoekers in het biomarker veld op te leiden, tot experts in alle aspecten van biomarker onderzoek. Aan het einde van de ontwikkeling van biomarkers zullen deze via bedrijven op de markt moeten komen, en omdat niet alle wetenschappers uiteindelijk in de academische wereld blijven, is het belangrijk dat jonge onderzoekers ervaring opdoen met de manier van onderzoek doen in het bedrijfsleven. In marie curie projecten gebeurt dat door een deel van het onderzoek bij een bedrijf uit te voeren. *Het Neurochemisch laboratorium doet contractresearch voor Acumen, ADx Neurosciences, AC-Immune, Alamar, Aribio, Axon Neurosciences, Beckman-Coulter, BioConnect, Bioorchestra, Brainstorm Therapeutics, Celgene, Cognition Therapeutics, EIP Pharma, Eisai, Eli Lilly, Fujirebio, Instant Nano Biosensors, Novo Nordisk, Olink, PeopleBio, Quanterix, Roche, Toyama, Vivoryon. Dit zijn meestal biomarker-analyses voor hun trials, bij inclusies en als uitkomstmaten. *Grants: Research of CET is supported by the European Commission (Marie Curie International Training Network, grant agreement No 860197 (MIRIADE) and TAME, Innovative Medicines Initiatives 3TR (Horizon 2020, grant no 831434) EPND ( IMI 2 Joint Undertaking (JU), grant No. 101034344) and JPND (bPRIDE, CCAD), European Partnership on Metrology, co-financed from the European Union’s Horizon Europe Research and Innovation Programme and by the Participating States ((22HLT07 NEuroBioStand), CANTATE project funded by the Alzheimer Drug Discovery Foundation, Alzheimer Association, Michael J Fox Foundation, Health Holland, the Dutch Research Council (ZonMW), Alzheimer Drug Discovery Foundation, The Selfridges Group Foundation, Alzheimer Netherlands. CT is recipient of ABOARD, which is a public-private partnership receiving funding from ZonMW (#73305095007) and Health~Holland, Topsector Life Sciences & Health (PPP-allowance; #LSHM20106). CT is recipient of TAP-dementia, a ZonMw funded project (#10510032120003) in the context of the Dutch National Dementia Strategy. |
Geen restrictie |
|
Van Munster |
* Hoogleraar Interne Geneeskunde, Ouderengeneeskunde/Geriatrie, UMCG, Groningen. *Plaatsvervangend opleider Geriatrie, UMCG, Groningen. |
- 2020 – heden Voorzitter Alzheimer Centrum Groningen (alle functies zijn onbetaald) |
*2022 ZONMw: Young Onset Dementia- INCLUDED: Advance care planning. 2022 ZEGG/ZONMw: "The impact of a comprehensive geriatric assessment including advance care planning in acutely hospitalized frail patients with cognitive disorders: the GOAL study" |
Geen restrictie |
|
Verhagen |
Orthopedisch chirurg/opleider in Tergooi MC |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
Clusterexpertisegroep: Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
Algemene herziening: Nieuwe concept indeling (richtlijn Dementie en richtlijn MCI)
|
Clusterlid |
Functie |
Nevenfuncties |
Gemelde belangen |
Ondernomen actie |
|
Lampe |
Psychiater, OLVG ziekenhuis |
Geen |
Geen |
Geen restrictie |
|
Olde Rikkert* |
Hoogleraar Geriatrie, Radboudumc, Nijmegen |
Hoofdredacteur Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde |
Geen; uitsluitend ZonMw gefinancierd onderzoek dat overheidsbelang centraal stelt. Sinds 2017 geen farma-onderzoek meer. |
Geen restrictie |
|
Perry |
* Huisarts, Huisartsenpraktijk Velp, 0.5 fte * Senior-onderzoeker afdelingen eerstelijnsgeneeskunde en Geriatrie van het Radboudumc en bij het Radboud Alzheimer Centrum, 0.5 fte |
Auteur hoofdstuk Vergeetachtigheid in Álledaagse klachten 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep multidisciplinaire richtlijn Dementie 2018 - 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep heziening NHG standaard Dementie 2017 - 2020 (onkostenvergoeding) Commissielid werkgroep Addendum MCI bij multidisciplinaire richtlijn Dementie 20 1 6-20 1 B (onkostenvergoeding) Auteur online nascholing dementie Accredidact huisartsen 2016 en doktersassistenten 2017 (betaald) Auteur twee boekhoofdstukken dementie (palliatieve zorg en diagnostische verrichtingen) 2017 en 2018 in opdracht van het NHG (onkostenvergoeding) Auteur hoofdtsuk Vergeetachtigheid (Alledaagse klachten in de huisartsgeneeskunde) 2020 Onkostenvergoeding Expert bij www.dementie.nl tot heden (vrijwillig) Columnist Alz (donateursblaadje Alzheimer Nederland) tot 2016 (vrijwillig) |
Projectleider DementieNet (financiering door Giekes-Strijbis fonds, Alzheimer Nederland en ZonMw) Andere ZonMw/Memorabel projecten: - Decidem (anticiperende besluitvorming met mensen met dementie door huisartsen), medeprojectleider - Crisisreductie in de dementiezorg, medeaanvrager - SHiMMy en SHARED (relatie sociale gezondheid en ontstaan en progressie van dementie), medeaanvrager - S-Decided (gezamelijke besluitvorming bij diagnostiek bij geheugenklachten), medeaanvrager
Diverse projecten omtrent transmurale/interprofessionele aanpak van advance care planning van Zorginstituut Nederland, Stoffels-Hornstra fonds, ZonMw EPOS: Extramurale praktijkontwikkeling specialist ouderengeneeskunde UNICITY: dementie op jonge leeftijd, oa signalering door huisartsen en onderscheid met depressie, burn-out
*DementieNet aanpak, generieke benadering voor lokale eerstelijns netwerkzorg *Expert bij www.dementie.nl, website van Alzheimer Nederland (vrijwillig) *Columnist Alz (donateursblaadje Alzheimer Nederland) tot 2016 (vrijwillig) *Diverse malen gastspreker bij verschillende Alzheimer Cafés (vrijwillig) |
Geen restrictie |
|
Richard |
Hoogleraar neurologie: * afdeling neurologie Radboudumc (0.8fte) * afdeling Public and Occupational Health Amsterdam UMC (0.2 fte) |
- Neuroloog-onderzoeker AmsterdamUMC, locatie AMC, gastvrijheidsaanstelling. - Hoofdredacteur Leerboek Neurologie (Bohn Staffleu van Loghem) |
Geen, uitsluitend onderzoek financiering van non-profit instellingen (e.g. ZonMw, Europese Commissie). |
Geen restrictie |
Inbreng patiëntenperspectief
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn.
Methode ontwikkeling
Evidence based
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.