Organisatie van Zorg - Chronische urticaria
Uitgangsvraag
Hoe kan de zorg voor patiënten met chronische urticaria het beste worden georganiseerd?
Aanbeveling
- Wees bewust van de impact van langdurige CU klachten en monitor de kwaliteit van leven.
- Beoordeel of er een indicatie is voor doorverwijzing naar een tweedelijns of centrum met expertise en/of overleg bij twijfel met een centrum met expertise om vertraging te voorkomen.
- Overweeg, indien nodig en mogelijk, multidisciplinair overleg of verwijzing binnen het eigen centrum (bijvoorbeeld naar een internist-immunoloog, allergoloog, kinderarts of psycholoog).
- Overweeg bij goede ziektecontrole retour verwijzing naar de huisarts voor voortzetting van behandeling met antihistaminica in eerste lijn en zorg hierbij voor een duidelijke overdracht.
- Overweeg indien advanced systemische therapie nodig blijft, retour verwijzing naar een tweedelijns centrum en zorg hierbij voor een duidelijke overdracht.
- Overweeg bij goede ziektecontrole met advanced systemische therapie het uitvoeren van vervolgconsulten op afstand. Stem dit zorgvuldig af met de patiënt. Indien wordt gekozen voor zorg op afstand, plan dan minimaal één keer per jaar een fysiek consult in.
- Wees alert op psychische klachten bij CU en stem bij aanhoudende klachten af met de huisarts over een mogelijke doorverwijzing naar een psycholoog of psychiater.
Overwegingen
Kwaliteit van het bewijs
Er is niet naar literatuur gezocht en geen GRADE analyse gedaan.
Professioneel perspectief
Patiënten met chronisch urticaria zijn zeer divers wat betreft ernst en duur van de ziekte als ook respons op behandeling. Afhankelijk hiervan en van de aanwezigheid van andere begeleidende factoren (zoals co-morbiditeit, leeftijd, kinderwens etc.) kunnen patiënten in de eerste, tweede of derde lijn goed op hun plek zijn voor begeleiding en behandeling van chronische urticaria.
Het is belangrijk dat iedere zorgverlener zich ervan bewust is, dat de ziekteduur moeilijk te voorspellen is, maar potentieel lang is en dat de ernst van CU kan variëren bij dezelfde patiënt.
Uit de AWARE-studie (n=4838), die de behandelpatronen, ziektelast en kwaliteit van leven van patiënten met CU onderzocht, bleek dat veel patiënten onvoldoende of niet adequaat behandeld werden (Maurer, 2020). Bij de start van de studie kreeg 9,9% van de patiënten geen enkele behandeling, en slechts 20,4% ontving de aanbevolen eerstelijns H1-antihistaminica in standaarddosering. Daarnaast werd meer dan tweederde van de patiënten niet geëscaleerd naar derdelijnsbehandeling (zoals omalizumab), wanneer dit noodzakelijk was. Dit wijst op vertraagde herkenning van behandelingsnoodzaak, beperkte medicatietoegang en een gebrek aan therapietrouw of kennis bij zorgverleners. De studie suggereert dat vertraging in behandeling kan leiden tot langdurige onbeheersbare symptomen en een verminderde kwaliteit van leven.
Daarnaast onderzocht de ASSURE-CSU-studie (n=673) de impact van CSU op patiënten en de maatschappij (Maurer. 2017) Opmerkelijk was dat bijna één op de vijf patiënten (18,1%) bij aanvang van de studie geen enkele therapie ontving. Bovendien bleek dat de gemiddelde tijd vanaf het eerste optreden van symptomen tot de diagnose 24 maanden (2 jaar) bedroeg, met een mediaan van 4,7 maanden. De auteurs concluderen dat er een aanzienlijke vertraging is in zowel de diagnose als de doorverwijzing naar specialisten, wat mede wordt toegeschreven aan gebrekkige kennis over CSU binnen de eerstelijns- en tweedelijnszorg. De studie vermeldde dat er een aanzienlijke vertraging is in de diagnose en start van effectieve behandeling.
Het doel van de CU behandeling is zo snel mogelijk complete ziektecontrole te bereiken en behouden met de minst mogelijke interventie (effectief zorggebruik en zo min mogelijk bijwerkingen).
Het is belangrijk, dat zorgverleners zich bewust zijn van het risico op vertraging en toetsen of hun patiënt in de juiste lijn behandeld wordt of doorverwijzing nodig is maar ook of terugverwijzen zinvol is.
Eerste lijn behandeling
Patiënten met een goede/complete ziektecontrole middels behandeling met antihistaminica tot en met viermaal daags gedoseerd, kunnen goed bij de huisarts behandeld worden. Huisartsen werken met een NHG-Behandelrichtlijn voor urticaria (acuut en chronisch) waarin onder ander aanvullende diagnostiek, behandeling en indicatie voor verwijzing opgenomen zijn (Urticaria en angio-oedeem | NHG-Richtlijnen; update juni 2024). De huidige NHG-richtlijn adviseert behandeling met niet sederende antihistaminica tot tweemaal daags en verwijzing naar een tweedelijns centrum bij onvoldoende respons. Patiënten met goede respons op antihistaminica viermaal daags kunnen wel terugverwezen worden mits voorzien van adequate informatie betreffende de duur van de behandeling, afbouwen van dosis, indicatie voor terug verwijzing, etc. Goede communicatie en adequate uitwisseling van informatie met de huisarts zal eraan bijdragen dat de betreffende huisarts bevestigd of gestimuleerd wordt in goede CU zorg.
Tweedelijn centra
Chronische Urticaria is een veel voorkomende dermatologische diagnose en patiënten zullen veelal hier behandeld worden. Bij patiënten met onvoldoende ziektecontrole of twijfel aan de diagnose kan multidisciplinair overleg binnen het eigen centrum (bijvoorbeeld met een internist-immunoloog, allergoloog, kinderarts of psycholoog), overwogen worden voordat doorverwijzing naar een derde lijn centrum aangewezen is. Hierover kan ook eerst overleg met een derde lijn centrum zijn en is doorverwijzing wellicht niet (meer) nodig.
Derdelijn centra
Dit zijn centra met specifieke expertise in de behandeling van patiënten met CU; in het bijzonder in geval van therapieresistente casus. Er is bovendien vaak een multidisciplinair team aanwezig bestaande uit (kinder)dermatologen, (kinder)allergologen, immunologen, pathologen, psychologen en kinderartsen met aandachtsgebied chronische urticaria. Dit team is beschikbaar voor overleg en afweging van zeldzamere differentiaal diagnostische overwegingen. In deze derde lijn centra worden regelmatig klinische studies uitgevoerd, welke mogelijk interessant en/of zinvol zijn voor patiënten met onvoldoende respons op standaardbehandeling.
Indicatie voor verwijzing naar tweede of derde lijn
De werkgroep adviseert in geval van patiënt met CU en onvoldoende respons op behandeling; laagdrempelig te overleggen of te verwijzen naar een ter zake kundig specialist in een tweedelijns centrum of centrum met expertise.
Wisselen van zorgverlener leidt vaak tot herhaling van of aanvullende diagnostiek en kan door patiënten als bezwarend en/ of als een vertragende factor ervaren worden. De werkgroep adviseert om zich hiervan bewust te zijn en de motivatie van diagnostiek goed te bespreken met de patiënt.
Indicatie voor terugverwijzing naar de tweede lijn
De werkgroep adviseert om patiënten met een goede en stabiele (bijvoorbeeld 3 maanden) ziektecontrole vanuit een tertiair centrum terug te verwijzen naar een behandelcentrum in de tweede lijn, indien behandeling in een tertiair centrum geen meerwaarde heeft boven behandeling in een tweedelijns centrum.
Afhankelijk van de behandelintensiteit kan het zinvol zijn om vooraf te overleggen met het betreffende centrum. Het centrum met expertise zorgt in geval van terugverwijzing voor een duidelijke overdracht betreffende het behandelplan.
Indicatie voor terugverwijzing naar eerste lijn
De werkgroep adviseert om patiënten met een goede en stabiele (bijvoorbeeld 3 maanden) ziektecontrole, terug te verwijzen naar de huisarts indien behandeling in tweede- of derde lijn geen meerwaarde heeft boven behandeling in de eerste lijn zoals bij behandeling met enkel antihistaminica. De retour verwijzer draagt zorg voor een adequate overdracht aan de huisarts.
Informatievoorziening bij terugverwijzing
Indien patiënten met CU worden terugverwezen naar huisarts of tweedelijns behandelcentra dient de volgende informatie te worden verstrekt aan arts en patiënt.
- Advies t.a.v. therapie: welk middel, frequentie van gebruik, welke controles geïndiceerd en na welke termijn middel staken.
- Informatie aan patiënt omtrent voorgestelde handelwijze en contact bij exacerbatie
- Eventueel stappenplan voor afbouwen van medicatie en beleid bij exacerbatie.
Eventueel beleid bij exacerbatie en begeleiding in de 1e lijn / 2e lijn - Indicatie voor herverwijzing/herbeoordeling in 2e/ 3e lijn
Zorg op afstand
Bij patiënten met chronische urticaria, bij wie de klachten met specifieke onderhoudsbehandeling goed onder controle zijn, kan in overleg met de patiënt “zorg op afstand” overwogen worden, waarbij vervolgconsulten niet live, maar op alternatieve manieren (bijvoorbeeld telefonische consulten of videoconsulten) plaatsvinden of in frequentie worden verminderd.
Omalizumab kan veilig door patiënten zelf geïnjecteerd worden als deze de eerste injecties goed hebben verdragen, goed getraind zijn in het injecteren en zich hierin comfortabel voelen. Contoleer bij fysieke controle afspraken wel of de injectietechniek nog steeds goed is. Het is raadzaam om vooraf duidelijk met de patiënt te bespreken wat er nodig is om zorg op afstand goed te laten verlopen, zoals het invullen van de scorelijsten voor meten van ziekteactiviteit en wanneer het noodzakelijk is dat de arts de ziekteactiviteit in een fysiek consult beoordeelt. Wanneer gekozen wordt voor zorg op afstand, wordt aanbevolen om minimaal één fysiek consult per 12 maanden in te plannen.
Verwijzing voor psychosociale problematiek
Uit onderzoek blijkt dat CU leidt tot secundaire gevolgen van slaapgebrek, chronische vermoeidheid en afname van werk en school productiviteit, wat wederom geassocieerd is met toename van angst en depressiviteit (Prakriti, 2023; Sánchez-Díaz, 2022; Sánchez-Díaz, 2023). De behandelaar dient zich er altijd van bewust te zijn dat CU een aanzienlijke impact kan hebben op het psychosociaal welzijn van patiënten. CU kan psychologische klachten uitlokken of ondersteunen. Het is belangrijk om hier alert op te zijn en dit structureel na te vragen en daar ondersteuning of hulpverlening bij te (laten) bieden.
De werkgroep adviseert bij aanhoudende psychische klachten in overleg met de patiënt met de huisarts te overleggen en verwijzing naar een (medisch) psycholoog of psychiater te overwegen.
Waarden en voorkeuren van patiënten
Voor patiënten met CU is het belangrijk dat dit tijdig herkend en gediagnosticeerd wordt.
Goede samenwerking en afstemming tussen eerste lijn en tweede lijn rondom expertisedeling, consultatie en doorverwijzing dragen bij aan het voorkomen van onnodige vertraging en verlies van kwaliteit van leven van patiënten.
De zorg voor urticaria patiënten bevat meerdere aspecten zoals: leven met urticaria, psychosociale aspecten, invloed van medicamenteuze behandeling op maatschappelijk en sociaal functioneren (zoals school, werk, relaties etc.). Het is belangrijk hier in alle lijnen aandacht voor te hebben, samen te werken met andere disciplines en bij behandelbeslissingen rekening mee te houden.
Een goede communicatie met de patiënt (eventueel ook met naasten) is van belang waarin de zorgprofessional samen met de patiënt (‘shared-decision’) bespreekt welke behandeling of zorg het beste bij de patiënt past. Hierbij worden opties, voor- en nadelen, voorkeuren en omstandigheden van de patiënt meegenomen.
Het adequaat monitoren van klachten, met behulp van het benutten van gevalideerde zelfscorelijsten/apps, eigen beeldmateriaal van de patiënt en de resultaten van (eerdere) diagnostiek (bloedonderzoek) kunnen bijdragen aan het verkorten van de diagnose tijd en onnodige belasting van de patiënt voorkomen.
Onderbouwing
Achtergrond
Het is belangrijk dat alle patiënten met chronische urticaria (CU) dezelfde evidence-based kwaliteit van zorg krijgen. Derhalve zijn er duidelijke afspraken nodig zijn tussen de eerste en tweede/derde lijn. Daarnaast bestaan er ook expertisecentra voor chronische urticaria.
Conclusies / Summary of Findings
Niet van toepassing.
Samenvatting literatuur
Niet van toepassing.
Zoeken en selecteren
Voor deze vraag is geen systematische literatuuranalyse verricht. Overwegingen en aanbevelingen zijn gebaseerd op basis van expert opinion.
Referenties
- Maurer, M., Abuzakouk, M., Bérard, F., Canonica, W., Oude Elberink, H., Giménez-Arnau, A., Grattan, C., Hollis, K., Knulst, A., Lacour, J. P., Lynde, C., Marsland, A., McBride, D., Nakonechna, A., Ortiz de Frutos, J., Proctor, C., Sussman, G., Sweeney, C., Tian, H., Weller, K., … Balp, M. M. (2017). The burden of chronic spontaneous urticaria is substantial: Real-world evidence from ASSURE-CSU. Allergy, 72(12), 2005–2016. https://doi.org/10.1111/all.13209.
- Maurer, M., Giménez-Arnau, A., Ensina, L. F., Chu, C. Y., Jaumont, X., & Tassinari, P. (2020). Chronic urticaria treatment patterns and changes in quality of life: AWARE study 2-year results. The World Allergy Organization journal, 13(9), 100460. https://doi.org/10.1016/j.waojou.2020.100460.
- NHG-standaard Urticaria en angio-oedeem 2019 via: https://richtlijnen.nhg.org/behandelrichtlijnen/urticaria-en-angio-oedeem#volledige-tekst.
- Richtlijn Informatie-uitwisseling tussen huisarts en medisch specialist (Richtlijn HASP) via: https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/informatie-uitwisseling_tussen_huisarts_en_specialist_hasp/richtlijn_informatieuitwisseling_tussen_huisarts_en_specialist.html.
- Sánchez-Díaz, M., Rodríguez-Pozo, J. Á., Latorre-Fuentes, J. M., Salazar-Nievas, M. C., Alejandro, M. L., & Arias-Santiago, S. (2023). Sleep Quality as a Predictor of Quality-of-Life and Emotional Status Impairment in Patients with Chronic Spontaneous Urticaria: A Cross-Sectional Study. International journal of environmental research and public health, 20(4), 3508. https://doi.org/10.3390/ijerph20043508.
- Sánchez-Díaz, M., Salazar-Nievas, M. C., Molina-Leyva, A., & Arias-Santiago, S. (2022). The Burden on Cohabitants of Patients with Chronic Spontaneous Urticaria: A Cross-Sectional Study. Journal of clinical medicine, 11(11), 3228. https://doi.org/10.3390/jcm11113228.
- Shukla, P., Verma, P., Tripathi, S., Dwivedi, A. K., Shukla, M., & Suvirya, S. (2023). Association of pruritus with sleep in patients with psoriasis and chronic spontaneous urticaria: A cross-sectional study. Journal of family medicine and primary care, 12(9), 1908–1916. https://doi.org/10.4103/jfmpc.jfmpc_2425_22.
Verantwoording
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 28-01-2026
Beoordeeld op geldigheid : 28-01-2026
Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep grotendeels in stand gehouden. Op modulair niveau is een onderhoudsplan beschreven. Bij het opstellen van de richtlijn heeft de werkgroep per module een inschatting gemaakt over de maximale termijn waarop herbeoordeling moet plaatsvinden en eventuele aandachtspunten geformuleerd die van belang zijn bij een toekomstige herziening (update).
De Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie (NVDV) is regiehouder van deze richtlijn Chronische Urticaria (CU) en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.
Algemene gegevens
Aanleiding en afbakening onderwerp
Op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie is de richtlijn chronische urticaria in 2023-2024 modulair herzien. De herziening betreft overwegend de toevoeging van nieuwe modules met klinische relevante onderwerpen welke ontbraken of toe waren aan herziening: classificatie, monitoring van ziekteactiviteit, ziektecontrole en ziektelast, behandeling van CSU en CIndU bij volwassenen, behandeling bij kinderen, behandeling tijdens zwangerschap, borstvoeding en kinderwens, organisatie van zorg en gepersonaliseerd behandelplan.
Financiering
De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). De SKMS ondersteunt medisch-specialistische beroepsverenigingen bij het bevorderen van de kwaliteit van zorg. De financiering heeft geen invloed gehad op de inhoudelijke totstandkoming van de richtlijn. De werkgroep heeft onafhankelijk gewerkt conform de geldende methodologische standaarden.
Doel en doelgroep
Doel
Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De richtlijn berust op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming gericht op het vaststellen van goed medisch handelen. De richtlijn geeft aanbevelingen over begeleiding en behandeling van patiënten met chronische urticaria.
Doelgroep
De richtlijn is bestemd voor leden van de medische en paramedische beroepsgroep. Daartoe behoren onder andere: Dermatologen, verpleegkundig specialisten, physician assistants, Secundair kan de richtlijn nuttig zijn voor internisten, allergologen, kinderartsen, huisartsen en apothekers. Voor patiënten werd informatie op thuisarts.nl en een patiënten folder ontwikkeld.
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd een multidisciplinaire werkgroep ingesteld. Bij het samenstellen van de werkgroep werd rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en met een evenredige vertegenwoordiging van academische en niet-academische achtergrond. De werkgroepleden hebben onafhankelijk gehandeld en geen enkel lid ontving gunsten met het doel de richtlijnen te beïnvloeden. Naast de afgevaardigden van de verschillende beroepsgroepen is er ook een patiëntvertegenwoordiger betrokken geweest bij de ontwikkeling van de richtlijn.
|
Werkgroepleden |
Vereniging |
|
Dr. H. Röckman, dermatoloog (voorzitter) |
NVDV |
|
Dr. M.B.A. van Doorn, dermatoloog |
NVDV |
|
Drs. B. Peters, dermatoloog |
NVDV |
|
Drs. M. Stadermann, kinderarts-allergoloog |
NVK |
|
Dr. J.N.G. Oude Elberink, internist-allergoloog |
NVvAKI |
|
P.A. Kentie, verpleegkundig specialist |
V&VN |
|
Prof. Dr. E.P. van Puijenbroek, arts, klinisch farmacoloog |
Lareb |
|
P. van den Broek, patiëntvertegenwoordiger |
HN |
|
C. Berkhof, patiëntvertegenwoordiger |
PU |
|
Ondersteuning werkgroep |
Vereniging |
|
Drs. T. M. Nlgisang, arts-onderzoeker (vanaf juni 2023) |
NVDV |
|
Drs. L.J. van den Oord, arts-onderzoeker (vanaf april 2024) |
NVDV |
|
Dr. W.A. van Enst, klinisch epidemioloog & directeur NVDV |
NVDV |
|
Drs. M.R. Masselink, arts-onderzoeker (vanaf april 2025) |
NVDV |
|
Drs. T. A. Teunissen, arts-onderzoeker (vanaf april 2025) |
NVDV |
Belangenverklaringen
De KNMG-Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciëring) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatie management, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van de Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie.
|
Werkgroeplid |
Hoofdfunctie(s) |
Nevenfunctie(s) |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
Getekend op |
Acties (voorstel) |
|
Mw. Dr. H. Röckman, (voorzitter) |
Dermatoloog (UMC Utrecht) |
Geen |
(nationale) global adviesraad Novartis Sanofi
Research Roundup ThirdHarmonic
Spreker vergoeding Novartis |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-4-2023 |
Geen |
|
Dhr. Dr. M.B.A. van Doorn |
Dermatoloog-klinisch farmacoloog (Erasmus MC) 0,8 fte
Dermatoloog-klinisch farmacoloog (Centre for Human Drug Research) 0,2 fte |
Spreker, deelname aan adviesraden en organisatie van nascholingen i.s.m. de farmaceutische industrie waarvoor financiële vergoeding (Novartis, AbbVie, Pfizer, LEO pharma, Sanofi, Lilly, Janssen, UCB, BMS, Celgene, Third Harmonic) |
Adviseur voor Novartis (deelname adviesraden) |
Geen |
Uitvoering/deelname aan verschillende extern gefinancierde clinical trials op gebied van chronische urticaria (Novartis, Sanofi, ThirdHarmonic) |
Geen |
Geen |
25-09-2023 |
Geen |
|
Dhr. Drs. B. Peters |
Dermatoloog (Rijnstate) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Mw. Drs. M. Stademann |
Kinderarts-allergoloog (UMC Utrecht en Diakonessenhuis Utrecht)
Adviseur Allergie team (Kinderkliniek Almere) |
Bestuursectie KinderAllergologie (NVK)
Organisator basiscurcus kinderallergologie |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
16-11-2023 |
Geen |
|
Mw. Dr. J.N.G. Oude Elberink |
Internist-allergoloog (UMCG) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Mw. P.A. Kentie |
Verpleegkundig specialist allergologie (UMC Utrecht) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
23-09-2023 |
Geen |
|
Dhr. Prof. Dr. E.P. van Puijenbroek |
Senior adviseur Bijwerkingen centrum Lareb |
Verbonden aan Rijksuniversiteit Groningen waarvan tot 1 maart 2024 als bijzonder hoogleraar |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
29-72024 |
Geen |
|
Dhr. P. van den Broek |
Eigenaar Van den Broek Advies & Interim
Adviseur/projectleider voor Huid Nederland
Een deel van die activiteiten wordt mede mogelijk gemaakt door externe financiëring van Novartis (publicatie naar patiënten in kader van Wereldnetelroosdag, informatie over urticaria op de websittes Patiëntenplatform Urticaria en Huid Nederland). Die activiteiten staan los van de inzet in het kader van de richtlijnen
|
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
22-09-2023 |
Geen |
|
Dhr. C. Berkhof |
Patiëntenvertegenwoordiger
Key Accountmanager Benelux Sunrise Medical BV |
Beheerder van de Facebook Pagina Urticaria NL/BE; met 800+ leden.
Eigenaar van de website www.urticaria.nl
Alle werkzaamheden zijn onbetaald vanuit een derde partij; dit wordt betaald uit eigen (privé) middelen.
EMA; soms meedenken of deelname over het uitvoeren van nieuwe studies |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
22-09-2023 |
Geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Er is aandacht besteed aan het patiënten perspectief in alle modules van de herziende richtlijn Chronische Urticaria door de zitting neming van afgevaardigden van Huid Nederland (HN) en Patiëntenplatform Urticariapatiënt (PU) in de werkgroep en de opname van een module over patiëntenvoorlichting. conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan HN en PU.
Wkkgz & Kwalitatieve raming van mogelijke substantiële financiële gevolgen
Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling zijn richtlijnmodules op verschillende domeinen getoetst (gebaseerd op het stroomschema ontwikkeld door FMS).
Uit de kwalitatieve raming blijkt dat er waarschijnlijk geen substantiële financiële gevolgen zijn, zie onderstaande tabel.
|
Module |
Uitkomst Raming |
Toelichting |
|
Organisatie van zorg |
Geen substantiële financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbevelingen breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft, het geen toename in het aantal in te zetten voltijdsequivalenten aan zorgverleners betreft en het geen wijziging in het opleidingsniveau van zorgpersoneel betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Implementatie
In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De richtlijn wordt via het internet verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen en er zal in verschillende specifieke vaktijdschriften aandacht worden besteed aan de richtlijn. Tevens zal een samenvatting worden gemaakt. De voorlichtingsfolder van de NVDV zal worden afgestemd op de richtlijn. Het volledige implementatieplan is opgenomen in het bijlagedocument.
Werkwijze
AGREE
Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Onderstaand is de methode stapsgewijs beschreven.
Knelpuntenanalyse
In de voorbereidingsfase heeft een bijeenkomst plaatsgevonden waarvoor alle belanghebbenden zijn uitgenodigd. In deze bijeenkomst zijn knelpunten aangedragen door de werkgroepleden en gemandateerde van verschillende (wetenschappelijke) verenigingen en stakeholders.
Uitgangsvragen en uitkomstmaten
Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse heeft de werkgroep uitgangsvragen opgesteld. Daarbij inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep tenminste voor de cruciale uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt) relevant vonden.
Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur
Voor de afzonderlijke uitgangsvragen werd aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen en consultatie van experts. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. Literatuur is geselecteerd op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden bij de Zoekverantwoording.
Kwaliteitsbeoordeling individuele studies
Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR - voor systematische reviews; Cochrane - voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; Newcastle-Ottowa - voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.
Samenvatten van de literatuur
De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen zijn overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij een voldoende aantal studies en overeenkomstigheid (homogeniteit) tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.
Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs (2021)
A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/). GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).
|
GRADE |
Definitie |
|
Hoog
|
|
|
Redelijk
|
|
|
Laag
|
|
|
Zeer laag
|
|
B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose
De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008) en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).
C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)
Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk. (naar keuze: optie-1 ‘Bij ontbreken van een gouden standaard, werd een beoordeling van de bewijskracht van literatuurconclusies achterwege gelaten.’ Of optie-2 ‘De kracht van het wetenschappelijk bewijs werd bepaald met de generieke GRADE-methode’).
Formuleren van de conclusies
Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in één of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overkoepelende bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de cruciale uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overkoepelende conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje 'Overwegingen'.
Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)
Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk. Door gebruik te maken van de Guideline Development Tool werd het Evidence to decision framework conform GRADE methodiek toegepast. Alle werkgroepleden hebben systematisch antwoord gegeven op vragen over de grootte van het effect en grootte van negatieve consequenties, waarden en voorkeuren van de patiënt, kosten en kosteneffectiviteit, beschikbaarheid van voorzieningen, aanvaardbaarheid, en overwegingen voor subgroepen in de patiëntenpopulatie. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje ‘Overwegingen’.
Formuleren van aanbevelingen
De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.
Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)
In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.
Indicatorontwikkeling
Er werden geen indicatoren ontwikkeld voor deze richtlijn.
Kennislacunes
Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk van belang wordt geacht, is als aanbeveling beschreven (zie bijlagen bij de modules).
Juridische betekenis van richtlijnen
Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften maar wetenschappelijk onderbouwde en breed gedragen inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners zouden moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien richtlijnen uitgaan van ‘gemiddelde patiënten’, kunnen zorgverleners in individuele gevallen zo nodig afwijken van de aanbevelingen in de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, soms zelfs noodzakelijk. Een richtlijn beschrijft wat goede zorg is, ongeacht de financieringsbron Zorgverzekeringswet (Zvw), Wet langdurige zorg (Wlz), Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), aanvullende verzekering of eigen betaling door de cliënt/patiënt. Opname van een richtlijn in een register betekent dus niet noodzakelijkerwijs dat de in de richtlijn beschreven zorg verzekerde zorg is. Informatie over kosten zoals beschreven in de richtlijn is gebaseerd op beschikbare gegevens ten tijde van schrijven.
Commentaar- en autorisatiefase
De conceptrichtlijn is aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen, (patiënt) organisaties en stakeholders voorgelegd ter commentaar (zie ook tabel 1). De commentaren zijn verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren is de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn is aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter autorisatie.
Literatuur
Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.
Higgins JPT, Green S (editors). Cochrane Handbook for Systematic Reviews of Interventions Version 5.1.0 [updated March 2011]. The Cochrane Collaboration, 2011. Available from www.handbook.cochrane.org.
Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 (2012). Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwalitieit.. Online beschikbaar op http://richtlijnendatabase.nl/ Laatst geraadpleegd op [DATUM geraadpleegd voor concepttekst].
Van Everdingen JJE, Burgers JS, Assendelft WJJ, et al. Evidence-based richtlijnontwikkeling. Bohn Stafleu Van Loghum 2004.
Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.