Contrastbelasting bij chronische nierschade

Laatst beoordeeld: 18-01-2018

Uitgangsvraag

Op welke manier kan bij patiënten met chronische nierschade additionele nierschade door contrastbelasting voorkomen worden?

Aanbeveling

De werkgroep verwijst naar de richtlijn ‘Veiligheidsmaatregelen bij gebruik van contrastmiddelen’.

Zoeken en selecteren

De werkgroep heeft besloten na autorisatie een link naar de multidisciplinaire richtlijn ‘Veiligheidsmaatregelen bij gebruik van contrastmiddelen’ toe te voegen. 

Gadolinium: Contrastonderzoek met gadolinium bij dialysepatiënten, maar ook bij patiënten met chronische nierschade en eGFR<15 ml/min/1,73m2, is geassocieerd met een verhoogd risico op het ontwikkelen van een sclerodermie-achtig beeld, met een hoog overlijdensrisico [Swaminathan, 2008; Broome, 2008]. Dit ziektebeeld wordt nefrogene systemische fibrose genoemd en wordt vooral waargenomen bij de ‘lineaire’ gadoliniumchelaten. Vooral patiënten met een eGFR<15 ml/min/ 1,73m2 en dialysepatiënten zijn ‘at risk’, maar het komt ook voor bij patiënten met een eGFR 15-30 ml/min/1,73m2 [Saab, 2007]. Doordat er momenteel in Nederland geen ‘lineaire’ maar macrocyclische chelaatpreparaten worden gebruikt is het risico van complicaties voor nierpatiënten zeer klein en in geval van een eGFR >15 ml/min/1,73 m2 mogelijk zelfs afwezig. Het advies van de KDIGO richtlijn is dan ook dat bij een eGFR >15 ml/min/1,73 m2 deze middelen zonder problemen gebruikt kunnen worden. Bij een eGFR <15 ml/min/1,73 m2 moet het belang van het onderzoek worden afgewogen tegen vóór- en nadelen van een eventueel alternatief. Preventief dialyseren van mensen die gadolineum hebben gekregen en een eGFR <15 ml/min/1,73 m2 hebben (maar nog niet in nierfunctie vervangende behandeling zijn) wordt in sommige buitenlandse richtlijnen geadviseerd. Dit zal echter zeker gepaard gaan met morbiditeit (complicaties gerelateerd aan inbrengen van catheters, infecties etc). Bij dialyse is de totale lichaamsklaring van gadolineum maar matig [Silberzweig, 2009]. Er is bovendien geen bewijs dat preventieve dialyse kort na contrasttoediening helpt ter preventie van het sclerodermie-achtig beeld.

Gezien de bovenvermelde overwegingen is de werkgroep van mening dat er terughoudend gebruik gemaakt moet worden van contrast MRI onderzoek bij patiënten met een eGFR<15 ml/min/1,73 m2 of in dialyse.

Indien contrast gebruikt wordt, dan wordt dringend geadviseerd circulair gadolineum te gebruiken. Als dergelijk contrastmiddel gebruikt is, dan is er geen reden preventieve dialyse te starten na toediening.

N.B. een module over gadolineum contrast bij MRI is ontwikkeling.

Referenties

  1. Broome DR. Nephrogenic systemic fibrosis associated with gadolinium based contrast agents: A summary of the medical literature reporting. Eur J Radiol 2008; 66:230-4.
  2. Nederlandse Vereniging voor Radiologie. Richtlijn Voorzorgsmaatregelen bij jodiumhoudende contrastmiddelen. 2007 https://richtlijnendatabase.nl/richtlijn/voorzorg_bij_jodiumhoudende_contrastmiddelen/voorzorg_bij_contrastmiddelen_-_korte_beschrijving.html.
  3. Saab G, Cheng S. Nephrogenic systemic fibrosis: a nephrologist's perspective. Hemodial Int 2007;11 Suppl 3:S2-6.
  4. Silberzweig JI, Chung M. Removal of gadolinium by dialysis: review of different strategies and techniques. J Magn Reson Imaging 2009; 30: 1347-9.
  5. Swaminathan S, High WA, Ranville J et al. Cardiac and vascular metal deposition with high mortality in nephrogenic systemic fibrosis. Kidney Int 2008; 73:1413-8.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 18-01-2018

Laatst geautoriseerd : 18-01-2018

De Nederlandse Federatie voor Nefrologie monitort de geldigheid van de aanbevelingen in deze modules. Indien nieuwe knelpunten of nieuwe evidence aanleiding zijn tot herziening van (delen van) deze modules, dan zal de NFN in overleg met de NIV hiertoe het initiatief nemen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Internisten Vereniging

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging

Algemene gegevens

De NIV-Modules zijn aanvullend op de multidisciplinaire richtlijn Chronische Nierschade. Voor verdere afbakening en verantwoording van de gevolgde procedures wordt verwezen naar de multidisciplinaire richtlijn Chronische Nierschade.

 

Deze richtlijn is ontwikkeld in samenwerking met:

  • Nederlandse Federatie voor Nefrologie (NfN)
  • PROVA

 

De ontwikkeling van deze richtlijn is gefinancierd vanuit een projectbudget door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten.

Doel en doelgroep

De doelgroep van deze NIV-Modules zijn internisten-(nefrologen) en internisten in opleiding.

Samenstelling werkgroep

Aanvullend op de MDR Chronische Nierschade zijn 2e lijns knelpunten uitgewerkt door de drie internist-nefrologen uit de MDR werkgroep, te weten:

  • Dhr. dr. Marc Hemmelder, internist-nefroloog, Nefrovisie, Utrecht, namens de Nederlandse Internisten Vereniging en de Nederlandse Federatie voor Nefrologie – voorzitter
  • Dhr. prof. dr. Ron Gansevoort, internist-nefroloog, UMC Groningen, namens de Nederlandse Internisten Vereniging en de Nederlandse Federatie voor Nefrologie
  • Mw. dr. Neelke van der Weerd, internist-nefroloog, AMC, Amsterdam, namens de Nederlandse Internisten Vereniging en de Nederlandse Federatie voor Nefrologie

Zij zijn daarbij ondersteund door. Mw. drs. Mariska Tuut, epidemioloog, PROVA, Varsseveld, in  de rol van secretaris en methodoloog. Deze uitwerking heeft geresulteerd in 10 extra modules.

 

Bij het uitwerken van deze 2e lijns knelpunten is gebruik gemaakt van richtlijncommissie van de Nederlandse Federatie voor Nefrologie (NfN) en van de voorbereidende werkzaamheden van een reeds bestaande NfN werkgroep Chronische Nierschade, te weten prof.dr P.M. ter Wee (voorzitter), internist-nefroloog, VUmc, Amsterdam; prof.dr R.T. Gansevoort (secretaris), internist-nefroloog, UMC Groningen; dr E.C. Hagen, internist-nefroloog, Meander MC, Amersfoort; prof dr H.A.H. Kaasjager, internist-nefroloog, vasculair-geneeskundige, UMC Utrecht; dr C.J.A.M. Konings, internist-nefroloog, Catharina ziekenhuis, Eindhoven. (lid kwaliteitscommissie NfN); dr M.B. Rookmaaker, internist-nefroloog, UMC, Utrecht. (lid kwaliteitscommissie NfN); dr P.L. Rensma, internist-nefroloog, St Elisabeth ziekenhuis, Tilburg; dr N.C. van de Weerd, internist-nefroloog, AMC, Amsterdam; prof.dr J.F.M. Wetzels internist-nefroloog, Radboudumc, Nijmegen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Gedurende het hele proces van richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met implementatie van de richtlijn in de praktijk, bijvoorbeeld bij de samenstelling van de werkgroep, de brede knelpunteninventarisatie en de uitgebreide commentaarronde. De werkgroep heeft adviezen voor implementatie (implementatieplan) en indicatoren geformuleerd. Deze zijn opgenomen onder de aanverwante producten.

 

Na autorisatie van de richtlijn wordt deze ten minste op de website van de Nederlandse Internisten Vereniging en het Nederlands Huisartsen Genootschap gepubliceerd. Ook andere deelnemende partijen zijn vrij de richtlijn op hun website te publiceren. De richtlijn wordt ter publicatie aangeboden aan www.richtlijnendatabase.nl. Daarnaast wordt getracht samenvattingen van de richtlijn in Nederlandse tijdschriften te publiceren, aandacht aan de richtlijn te besteden op congressen, en nascholingsmateriaal en voorlichtingsmateriaal te ontwikkelen, om zo de implementatie van de richtlijn te bevorderen.

 

Een voor patiënten begrijpelijke samenvatting van de aanbevelingen uit deze richtlijn komt beschikbaar via www.thuisarts.nl. Een verdieping daarvan komt beschikbaar via de website van de Nierstichting/Nederlandse Vereniging van Nierpatiënten.