Preoperatieve diagnostiek
Uitgangsvraag
Wat is de rol van cytologie en histologie bij de diagnostiek van afwijkingen in de borst?
De uitgangsvraag omvat de volgende deelvragen:
- Wat is de plaats van preoperatieve cytologie bij de diagnose van patiënten met een afwijking in de borst?
- Wat is de plaats van preoperatieve histologie bij de diagnose bij patiënten met een afwijking in de borst?
Aanbeveling
Aanbeveling 1 eindoordeel: Sterke aanbeveling voor
Cytologie kan gebruikt worden om maligniteit uit te sluiten bij een patiënt met een massa in de borst, bijvoorbeeld als eendagsservice op de mammapoli.
Aanbeveling 2 eindoordeel: Sterke aanbeveling voor
Gebruik histologie voor:
- diagnostiek van slecht afgrensbare solide laesies;
- beoordeling van architectuurverstoringen, radial scars en microcalcificaties;
- onderscheid tussen in-situ en invasieve maligniteit;
- bepaling van gradering of aanvullende bepalingen (zoals immuunhistochemie).
Bepaal bij maligniteiten altijd op het naaldbiopt (voorafgaand aan neoadjuvante therapie):
- histologisch type volgens WHO;
- gradering volgens gemodificeerde Bloom en Richardson;
- ER-, PR- en HER2-status;
- aan- of afwezigheid van angio-invasie;
Beschrijving van de aan- of afwezigheid van een in-situ component naast een invasieve component wordt aanbevolen.
Overwegingen
De aanbevelingen in deze module zijn gebaseerd op consensus binnen de multidisciplinaire werkgroep, aangevuld met beschikbare evidence uit de literatuur en internationale richtlijnen. De beschikbare literatuur over de diagnostische waarde van cytologie en histologie bij verdenking op borstkanker is beknopt samengevat in de literatuursamenvatting.
Balans tussen gewenste en ongewenste effecten
Doordat cytologie en histologie elkaar overlappen en deels aanvullen is hun rol in de huidige preoperatieve diagnostiek minder scherp gedefinieerd dan voorheen. Cytologie is een snelle, minder invasieve en kosteneffectieve methode om maligniteit uit te sluiten bij een patiënt met een massa in de borst, bijvoorbeeld binnen een eendagsservice op een mammapoli. Histologie biedt daarentegen meer gedetailleerde diagnostische informatie en is aangewezen voor slecht afgrensbare solide laesies, architectuurverstoringen, radial scars en microcalcificaties. Daarnaast is histologie noodzakelijk als onderscheid tussen in-situ en invasieve maligniteit vereist is, als de laesie gegradeerd moet worden, of als aanvullende bepalingen zoals immuunhistochemie nodig zijn.
Belangrijker dan de keuze tussen cytologie of histologie is het overleg tussen chirurg, radioloog en patholoog. Zij formuleren onafhankelijk een oordeel, waarbij verder beleid in consensus wordt vastgesteld in het preoperatief multidisciplinair overleg.
Kwaliteit van bewijs
Er heeft geen systematisch literatuuronderzoek plaatsgevonden om de samenvattingen van de literatuur inclusief GRADE beoordeling een update te geven.
Waarden en voorkeuren van patiënten (en eventueel hun naasten/verzorgers)
Er zijn geen specifieke waarden en voorkeuren van de patiënt, noch aanvullende gewenste of ongewenste effecten bij deze diagnostische modaliteiten.
Kostenaspecten
Dit is niet van toepassing en kostenaspecten worden in het algemeen niet meegenomen in de keuze tussen cytologisch en histologisch onderzoek. De keuze voor de techniek wordt gemaakt op de inhoud en is patiënt en situatie afhankelijk, waarbij cytologie en histologie niet altijd uitwisselbaar zijn en derhalve de keuze niet op basis van de kosten gemaakt kan worden.
Gelijkheid ((health) equity/equitable)
De diagnostiek leidt niet tot een toename of afname van gezondheidsgelijkheid aangezien deze diagnostische handelingen uniform worden toegepast ongeacht patiëntkenmerken zoals leeftijd, geslacht of sociaaleconomische status.
Aanvaardbaarheid
Ethische aanvaardbaarheid
De diagnostiek lijkt aanvaardbaar voor de betrokkenen. Er zijn geen ethische bezwaren.
Duurzaamheid
Duurzaamheidsaspecten spelen geen rol bij de keuze tussen cytologie en histologie.
Haalbaarheid
De diagnostiek lijkt haalbaar. De diagnostiek is over het algemeen al standaardzorg in de praktijk.
Rationale van de 1e aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Cytologisch onderzoek is een snelle, minimaal invasieve methode om maligniteit uit te sluiten (d.w.z. een benigne laesie aan te tonen) bij patiënten met een massa in de borst.
Rationale van de 2e aanbeveling: weging van argumenten voor en tegen de interventies
Histologisch onderzoek heeft de voorkeur bij verdenking maligniteit gezien de mogelijkheid tot het bepalen van biomarkers voorafgaande aan de behandeling en de consequenties voor de behandelkeuze.
Onderbouwing
Bij de diagnostiek van borstkanker spelen preoperatieve cytologie en histologie een cruciale rol in het stellen van een snelle en accurate diagnose. Cytologie biedt een minder invasieve en kosteneffectieve methode, maar heeft beperkingen bij complexe vraagstukken zoals tumortype en gradering. Histologie daarentegen biedt meer gedetailleerde informatie, maar is invasiever en duurder. De optimale balans tussen beide methoden is afhankelijk van de klinische situatie en beschikbare expertise.
Cytologische dunne naald diagnostiek
Cytologische dunne naald diagnostiek, uitgevoerd bij afwijkingen die zich bij beeldvorming presenteren als een massa, kent een hoge sensitiviteit en specificiteit. Deze is vergelijkbaar met die van het histologisch biopt, mits uitgevoerd door ervaren radiologen en cytopathologen. Dit maakt de methode zeer geschikt voor de triage van vrouwen met een massa in de borst, waarbij maligniteit moet worden uitgesloten. Omdat de meerderheid van de vrouwen zich presenteert met een benigne afwijking, kan door middel van cytologische sneldiagnostiek tegen zeer lage kosten daarover snel uitsluitsel gegeven worden. Meestal worden hierbij 1-2 puncties verricht, waarbij met een 18-23G naald meerdere passages door de laesie worden gemaakt. Na validatie kan ook de ER, PR en HER2 gevoeligheid op cytologisch materiaal worden bepaald. Een nadeel van cytologie in vergelijking met histologie is dat cytologie niet geschikt is om alle vraagstellingen (bijvoorbeeld tumorgradering, definitief onderscheid tussen in-situ en invasief carcinoom) te beantwoorden. Daarnaast is de vereiste expertise niet altijd aanwezig. Wanneer er sprake is van maligniteit, dan kan worden bepaald op basis van grootte, klierstatus en tumorkenmerken of de patiënt in aanmerking komt voor neoadjuvante behandeling, of dat een primaire resectie direct geïndiceerd is. In sommige gevallen zijn meerdere biopten nodig voor aanvullende moleculaire analyses, die in toenemende mate in de diagnostiek worden toegepast.
Voor diagnostiek van calcificaties en niet massa-vormende laesies wordt cytologie ongeschikt geacht. Toch worden er in verschillende studies forse variatie in sensitiviteit (65-98%) en specificiteit (34-100%) gerapporteerd (Willems, 2012). De resultaten van cytologische diagnostiek worden verder negatief beïnvloed als een vrouw jonger is dan 40 jaar, de tumor kleiner is dan 10 mm, als de procedure wordt uitgevoerd door een onervaren medewerker of als de beoordeling geschiedt door een onervaren patholoog (Boerner, 1999; Kerlikowske, 2003; Liao, 2004). De aanwezigheid van een cytopatholoog ten tijde van de procedure verhoogt de nauwkeurigheid (Helbich, 2004). Uit een studie van Ljung (2001) blijkt dat bij getrainde artsen het percentage inconclusieve puncties slechts 2,4% bedroeg, zonder fout negatieve uitslagen. Bij ongetrainde artsen liep het percentage inconclusieve puncties op tot 50,4% en het percentage fout negatieve uitslagen tot 8,3%. De resultaten hangen dus niet af van de discipline, maar van de expertise met procedure.
Afwegingen in cytologie, histologie en biopsieprocedures
Over het algemeen zal een radioloog tijdens de beeldvorming besluiten welke techniek hij gaat gebruiken. Dit zal afhankelijk zijn van de aard en de morfologie van de afwijking. Als de resultaten van klinisch borstonderzoek, beeldvorming en cel- of weefselonderzoek met elkaar overeenkomen, is de accuratesse van de triple-diagnostiek groter dan 99%.
Het is daarbij minder belangrijk op welke wijze het pathologiemateriaal is verkregen en of de laesie palpabel is (Wallis, 2007). Het begrip ‘triple diagnostiek’, dat stond voor palpabele afwijking, beeldvorming en cytologie, is geleidelijk verbreed: chirurg, radioloog en patholoog formuleren op basis van hun bevindingen onafhankelijk een oordeel, waarbij verder beleid in consensus wordt vastgesteld.
Bij het nemen van stereotactische biopten kon bij 6 biopten in 95% van de gevallen een diagnose gesteld worden. Het nemen van 9 biopten lijkt optimaal te zijn om een definitieve bioptdiagnose te verkrijgen (in 100% van de gevallen). Het beëindigen van een stereotactische procedure zodra calcificaties aangetroffen worden kan leiden tot vals negatieve resultaten (den Dekker, 2019).
Bij het biopteren van calcificaties dient de procedure altijd te worden afgerond met specimenröntgenopnamen, ter beoordeling van de representativiteit. Bij grotere biopten moet rekening worden gehouden met meer complicaties, met name hematoomvorming bij het gebruik van antistolling.
Na biopteren van niet-palpabele kleine afwijkingen en calcificaties kan de afwijking verdwenen zijn op een mammogram. Daarom wordt het achterlaten van een marker voor latere lokalisatie aanbevolen (Fahrbach, 2006). Dit wordt ook aanbevolen bij de echogeleide naaldbiopsieën (Wallis, 2007). Bij MRI-geleide naaldbiopsieën moet altijd een marker worden achtergelaten (Schrading, 2010).
De angst voor entmetastasen door dikke naald biopsieën is gezien de studie van Diaz (1999) ongegrond: er werden wel verplaatste tumorcellen waargenomen, gemiddeld bij 32% van 352 biopsieën, maar de incidentie was omgekeerd evenredig met de tijd tussen de biopsie en de excisie. Hieruit kan worden opgemaakt dat de tumorcellen wel kunnen worden verplaatst, maar dat zij niet overleven.
Voor deze uitgangsvraag is geen systematische literatuuranalyse met GRADE uitgevoerd. De module is in 2025 geactualiseerd, omdat de eerdere versie niet meer aansloot bij de huidige dagelijkse praktijk en internationale richtlijnen. De aanbevelingen zijn opgesteld door de expertisegroep, op basis van consensus en praktijkervaring, aangevuld met relevante literatuur die door de clusterleden is ingebracht. Waar mogelijk wordt verwezen naar andere actuele richtlijnen, waarbij de literatuur uit die richtlijnen hier niet opnieuw systematisch is beoordeeld.
- 1 - Boerner S, Fornage BD, Singletary E, Sneige N. Ultrasound-guided fine-needle aspiration (FNA) of nonpalpable breast lesions: a review of 1885 FNA cases using the National Cancer Institute-supported recommendations on the uniform approach to breast FNA. Cancer. 1999 Feb 25;87(1):19-24. doi: 10.1002/(sici)1097-0142(19990225)87:1<19::aid-cncr4>3.0.co;2-k. PMID: 10096355.
- 2 - den Dekker BM, van Diest PJ, de Waard SN, Verkooijen HM, Pijnappel RM. Stereotactic 9-gauge vacuum-assisted breast biopsy, how many specimens are needed? Eur J Radiol. 2019 Nov;120:108665. doi: 10.1016/j.ejrad.2019.108665. Epub 2019 Sep 14. PMID: 31563108.
- 3 - Diaz LK, Wiley EL, Venta LA. Are malignant cells displaced by large-gauge needle core biopsy of the breast? AJR Am J Roentgenol. 1999 Nov;173(5):1303-13. doi: 10.2214/ajr.173.5.10541110. PMID: 10541110.
- 4 - Fahrbach K, Sledge I, Cella C, Linz H, Ross SD. A comparison of the accuracy of two minimally invasive breast biopsy methods: a systematic literature review and meta-analysis. Arch Gynecol Obstet. 2006 May;274(2):63-73. doi: 10.1007/s00404-005-0106-y. Epub 2006 Apr 6. PMID: 16598478.
- 5 - Helbich TH, Matzek W, Fuchsjäger MH. Stereotactic and ultrasound-guided breast biopsy. Eur Radiol. 2004 Mar;14(3):383-93. doi: 10.1007/s00330-003-2141-z. Epub 2003 Nov 13. PMID: 14615903.
- 6 - Jackman RJ, Marzoni FA Jr, Rosenberg J. False-negative diagnoses at stereotactic vacuum-assisted needle breast biopsy: long-term follow-up of 1,280 lesions and review of the literature. AJR Am J Roentgenol. 2009 Feb;192(2):341-51. doi: 10.2214/AJR.08.1127. PMID: 19155393.
- 7 - Kerlikowske K, Smith-Bindman R, Ljung BM, Grady D. Evaluation of abnormal mammography results and palpable breast abnormalities. Ann Intern Med. 2003 Aug 19;139(4):274-84. doi: 10.7326/0003-4819-139-4-200308190-00010. PMID: 12965983.
- 8 - Liao J, Davey DD, Warren G, Davis J, Moore AR, Samayoa LM. Ultrasound-guided fine-needle aspiration biopsy remains a valid approach in the evaluation of nonpalpable breast lesions. Diagn Cytopathol. 2004 May;30(5):325-31. doi: 10.1002/dc.20068. PMID: 15108230.
- 9 - Ljung BM, Drejet A, Chiampi N, Jeffrey J, Goodson WH 3rd, Chew K, Moore DH 2nd, Miller TR. Diagnostic accuracy of fine-needle aspiration biopsy is determined by physician training in sampling technique. Cancer. 2001 Aug 25;93(4):263-8. doi: 10.1002/cncr.9040. PMID: 11507700.
- 10 - Margolin FR, Kaufman L, Jacobs RP, Denny SR, Schrumpf JD. Stereotactic core breast biopsy of malignant calcifications: diagnostic yield of cores with and cores without calcifications on specimen radiographs. Radiology. 2004 Oct;233(1):251-4. doi: 10.1148/radiol.2331031680. Epub 2004 Aug 27. PMID: 15333764.
- 11 - Schrading S, Simon B, Braun M, Wardelmann E, Schild HH, Kuhl CK. MRI-guided breast biopsy: influence of choice of vacuum biopsy system on the mode of biopsy of MRI-only suspicious breast lesions. AJR Am J Roentgenol. 2010 Jun;194(6):1650-7. doi: 10.2214/AJR.09.2550. PMID: 20489109.
- 12 - Wallis M, Tardivon A, Helbich T, Schreer I; European Society of Breast Imaging. Guidelines from the European Society of Breast Imaging for diagnostic interventional breast procedures. Eur Radiol. 2007 Feb;17(2):581-8. doi: 10.1007/s00330-006-0408-x. Erratum in: Eur Radiol. 2007 Feb;17(2):589. Tarvidon, Anne [corrected to Tardivon, Anne]. PMID: 17013595.
- 13 - Willems SM, van Deurzen CH, van Diest PJ. Diagnosis of breast lesions: fine-needle aspiration cytology or core needle biopsy? A review. J Clin Pathol. 2012 Apr;65(4):287-92. doi: 10.1136/jclinpath-2011-200410. Epub 2011 Oct 29. PMID: 22039282.
Beoordelingsdatum en geldigheid
Publicatiedatum : 17-06-2026
Beoordeeld op geldigheid : 17-06-2026
Samenstelling werkgroep
Voor het ontwikkelen van de richtlijnmodule is een multidisciplinair cluster ingesteld. Het cluster Borstkanker bestaat uit meerdere richtlijnen (zie hier de actuele clusterindeling). De stuurgroep bewaakt het proces van modulair onderhoud binnen het cluster. De expertisegroepsleden brengen hun expertise in, indien nodig. De volgende personen uit het cluster zijn betrokken geweest bij de herziening van deze module:
Clusterstuurgroepledenhoofdstuk 4 Pathologie
- C.H. (Carolien) Smorenburg, Internist-Oncoloog, NIV (tot september 2025)
- B.E.P.J. (Birgit) Vriens, Internist-Oncoloog, NIV
- A.W.G. (Annette) van der Velden, Internist, NIV (vanaf juli 2025)
- H.J.G.D. (Desirée) van den Bongard, Radiotherapeut-Oncoloog, NABON/NVRO
- M.A.M. (Marc) Mureau, Plastisch chirurg, NVPC
- C. (Cristina) Guerreo Paez, Directeur, BVN
- C. (Christiaan) van Swol, Klinisch fysicus, NVKF
- F.H. (Frederieke) van Duijnhoven, Chirurg-Oncoloog, NVvH
- J.H. (José) Volders, Oncologisch chirurg, NVvH
Betrokken clusterexpertisegroepleden
- B. (Bert) van der Vegt, Patholoog, NVVP
- C.P.H. (Celien) Vreuls, Patholoog, NVVP
- C.H.M. (Carolien) van Deurzen, Patholoog, NVVP
- L.F.S. (Loes) Kooreman, Patholoog, NVVP
- F.H. (Frederiek) van Duijnhoven, Chirurg-Oncoloog, NVvH
- D.J.P. (Dominique) van Uden, Chirurg, NVvH
- C. (Carla) Meeuwis, Mammaradioloog, NVvR
- A.W.G. (Annette) van der Velden, Internist, NIV
- J.H. (John) Maduro, Radiotherapeut-Oncoloog, NVRO
- H. (Helma) Dollevoet, Patiëntvertegenwoordiger, BVN
Met ondersteuning van
- S.N. (Sarah) van Duijn, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2024)
- J. (Joppe) Tra, senior adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2023-2024)
- M.A. (Margreet) Pols, adjunct directeur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (2024-2025)
- L.C. (Lotte) Houtepen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (vanaf 2025)
- E. (Eline) de Heus, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
- M. (Michiel Oerbekke, adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
- J. (Joline) Rohof, junior adviseur, Kennisinstituut van Federatie van Medisch specialisten (vanaf 2025)
Belangenverklaringen
Een overzicht van de belangen van de clusterleden vindt u in onderstaande tabel. Alle clusterleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven. De belangenverklaring wordt opnieuw bevestigd tijdens de commentaarfase.
Belangrijk om te benoemen dat:
- Clusterleden werken niet als enige inhoudsdeskundige aan de module;
- Een clusterlid werkt tenminste samen met een ander clusterlid met een vergelijkbare expertise in alle fasen (zoeken, studieselectie, data-extractie, evidence synthese, Evidence-to-decision, aanbevelingen formuleren) van het ontwikkelproces. Indien nodig worden clusterleden toegevoegd aan het cluster;
- In alle fasen van het ontwikkelproces is een onafhankelijk methodoloog betrokken;
- Overwegingen en aanbevelingen worden besproken en vastgesteld tijdens een clustervergadering onder leiding van een onafhankelijk voorzitter.
Wellicht ten overvloede willen wij erop wijzen dat medisch specialistische richtlijnen niet worden vastgesteld door de betreffende richtlijnwerkgroep maar door de besturen/ledenvergadering van de betrokken verenigingen.
De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten via secretariaat@kennisinstituut.nl.
Clusterstuurgroepleden
|
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
|
|
Birgit Vriens |
Internist-oncoloog Catherinaziekenhuis Eindhoven |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Afgelopen jaren (2021-2022-2023) een sprekersvergoeding van Novartis ontvangen. |
|
Annette van der Velden
|
Internist-oncoloog |
Kaderarts palliatieve zorg |
nvt |
nvt |
nee |
nee |
nee |
|
Desiree van den Bongard |
Radiotherapeut-oncoloog, Amsterdam UMC |
Lid NABON bestuur (onbetaald) |
Geen |
Geen |
KWF/ Pink Ribbon - Eenmalige hoge dosis radiotherapie mammacarcinooom (ABLATIVE project, 2013 en 2020) - Projectleider; VARIAN grant voor Adaptive Radiotherapy in Breast Cancer patiënts (BREAST-ART, 2020) - Projectleider. |
Geen |
Lid landelijke werkgroep hypofractionering mammacarcinoom |
|
Marc Mureau |
Plastisch chirurg, Erasmus MC, Universitair Medisch Centrum Rotterdam |
Maatschapslid AZR>SFG, werkzaamheden als plastisch chirurg (betaald) |
Geen |
Geen |
Polytech Health & Asethetics GmbH - Long-term results of breast reconstruction with polyurethane covered implants: a multicenter randomized controlled trial - Projectleider (Afgerond) |
Geen |
Geen |
|
Cristina Guerreo Paez |
Directeur Borstkanker Vereniging Nederland |
Lid Raad van Toezicht SPL te Leiden (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Als patiëntenorganisatie leveren wij vanuit partïëntenperspectief advies aan. Persoonlijk ben ik alleen betrokken bij het Covid consorium waar we onderzoek doen naar Covid en Borstkanker. Trekker is IKNL (geen rol als projectleider). |
Boegbeeldfuncties patiëntenorganisatie |
Wij ontvangen van de farmacie gelden voor specifieke projecten op het gebied van informatievoorziening en/of lotgenotencontact. Deze zijn multisponsored en worden altijd opgenomen in het transparantieregister. |
|
Christiaan van Swol |
* Klinisch Fysicus, St. Antonius Ziekenhuis (0,9 fte) |
Voorzitter Bestuur Stichting Opleiding Klinische Fysica - onbetaald. Zie www.stichtingokf.nl |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Frederieke van Duijnhoven |
Chirurg-oncoloog, Nederlands Kanker Instituut / Antoni van Leeuwenhoek Ziekenhuis |
* European Organization for Research and Treatment of Cancer, secretary of the Breast Cancer Group |
Geen |
Geen |
* Innovatiefonds Zorgverzekeraars - Towards omitting breast surgery in patiënts with a complete response to neoadjuvant chemotherapy - biopten past NAC ter evaluatie respons onderzoek inmiddels afgerond- Geen projectleider, co-PI |
In antwoord op deze vraag moet ik vermelden dat ik als arts ook betrokken ben bij de patiëntenvereniging voor Phyllodes tumoren van de borst, wat 1 van de geformuleerde knelpunten vanuit onze beroepsvereniging is. Medisch-inhoudelijk voel ik daarbij absoluut geen persoonlijk intellectueel belang |
Geen |
|
Carolien Smorenburg |
* Internist-oncoloog Antoni van Leeuwenhoek (0,9 fte - betaald) |
Lid Bestuur gasthuis Antoni van Leeuwenhoek (onbetaald) |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
In 2018 een vergoeding van €1307,00 ontvangen van Pfizer ivm congres. |
|
José Volder s |
Oncologische chirurg |
* Bestuurslid werkgroep Mammachirurgie NVCO - onbetaald |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Betrokken clusterexpertisegroepleden
Tabel 1 Gemelde (neven)functies en belangen expertisegroep
|
Naam |
Hoofdfunctie |
Nevenwerkzaamheden |
Persoonlijke financiële belangen |
Persoonlijke relaties |
Extern gefinancierd onderzoek |
Intellectuele belangen en reputatie |
Overige belangen |
|
Bert van der Vegt |
Patholoog, Universitair Medisch Centrum Groningen |
* Patholoog, Academisch Borstcentrum Groningen, Martini Ziekenhuis Groningen (detachering) |
DEKRA, extern adviseur |
Nee |
* GE Healthcare - Digital spatial profiling of metastatic breast cancer - Projectleider |
Nee |
Nee |
|
Celien Vreuls |
patholoog, UMC Utrecht |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Dominique van Uden |
chirurg-oncoloog CWZ te Nijmegen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
Geen |
|
Carla Meeuwis |
Mammaradioloog Ziekenhuis Rijnstate
|
NABON werkgroep standaardisatie verslaglegging (onbetaald) |
Geen |
Geen |
1. SENO medical - Echografie gecombineerd met laeserlicht voor de diagnostiek bij verdachte massa's in de borst (Projectleider) |
Geen |
Geen |
|
John Maduro |
Radiotherapeut oncoloog, Universitaire Medisch Centrum Groningen en Prinses Maxima Centrum voor kinderoncologie |
Bestuur BOOG, onbetaald. |
Geen |
Geen |
1. EU - HARMONIC, gevolgen straling bij kinderen (Geen projectleider) |
Geen |
Geen |
|
Helma Dollevoet |
Belangenbehartiger Borstkankervereniging Nederland. Tijdelijke waarneming voor een openstaande FTE. Waarschijnlijk tot oktober 2025. |
Eigenaar van creatief bureau paars. Momenteel ook projectmanager voor herziening website Zeldzame bloedziekten patiëntenorganisatie. Zie evt.: https://creatiefbureaupaars.nl/ |
geen |
Nee |
Neem momenteel niet deel aan extern gefinancierd onderzoek |
Belangenbehartiging voor een specifieke doelgroep: Nederlandse patiënten met borstkanker en hun naasten. |
Zover ik weet niet. |
|
Loes Kooreman |
Maastricht Universitair Medisch Centrum, patholoog, afdelingshoofd a.i. |
Het ziekenhuis ontvangt een vergoeding voor gynaecologisch onderwijs, welke ik geef. |
geen |
geen |
geen |
Ik doe onderzoek naar borstkanker en lymfklieren. Op dit moment heb ik geen artikelen waar ik naar kan verwijzen, wel ben ik een artikel aan het afronden naar het verschil tussen cytologie en histologie van de lymfklier met landelijke PALGA data. Mocht dit wel eerder gepubliceerd zijn, dan kunnen we opnieuw in overleg. |
geen |
|
Calorien van Deurzen |
Patholoog Erasmus MC |
geen |
geen |
geen |
*Astrazeneca: HER2-low,projectleider. |
geen |
geen |
Inbreng patiëntenperspectief
Er werd aandacht besteed aan het patiënten perspectief door deelname van Borstkankervereniging Nederland.
Kwalitatieve raming van mogelijke financiële gevolgen in het kader van de Wkkgz
Bij de richtlijnmodule voerden de clusterleden conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uit om te beoordelen of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen. Bij het uitvoeren van deze beoordeling is de richtlijnmodule op verschillende domeinen getoetst (zie het stroomschema bij Werkwijze).
|
Module |
Uitkomst raming |
Toelichting |
|
Module Preoperatieve diagnostiek |
Geen financiële gevolgen |
Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (5.000-40.000 patiënten), volgt ook uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet of het geen nieuwe manier van zorgverlening of andere organisatie van zorgverlening betreft. Er worden daarom geen financiële gevolgen verwacht. |
Werkwijze
Voor meer details over de gebruikte richtlijnmethodologie verwijzen wij u naar de Werkwijze. Relevante informatie voor de ontwikkeling/herziening van deze richtlijnmodule is hieronder weergegeven.