Bipolaire stoornissen

Initiatief: NVvP psychiatrie Aantal modules: 58

Neuromodulatie

Publicatiedatum: 24-03-2026
Beoordeeld op geldigheid: 24-03-2026

Uitgangsvraag

Wat is de effectiviteit en wat zijn de bijwerkingen van elektroconvulsieve therapie (ECT) bij volwassenen met een (al dan niet medicatie-resistente) bipolaire stoornis?

 

Wat is de effectiviteit en wat zijn de bijwerkingen van rTMS bij volwassenen met een bipolaire stoornis?

Aanbeveling

  • ECT wordt aanbevolen bij een patiënt met een manische, depressieve of gemengde episode, waarbij farmacotherapie onvoldoende (snel) effectief of (relatief) gecontra-indiceerd is, of bij patiënten bij wie ECT eerder effectief was.
  • rTMS kan vanwege onvoldoende afgeronde studies voor deze indicaties (nog) niet worden aanbevolen.
  • ECT wordt aanbevolen als snelle symptoomreductie bereikt moet worden, zoals bij ernstige suïcidaliteit, of bij voedsel- en vochtweigering.
  • Het wordt aanbevolen om ECT eerder dan nu gebruikelijk te overwegen in het behandeltraject, zeker bij een bipolaire depressie waarbij er twee medicatie strategieën geen respons hebben gegeven.
  • Het wordt aanbevolen om de beschikbaarheid van ECT te vergroten, opdat het overal onderdeel kan zijn van het behandelaanbod.
  • Overweeg een onderhoudsbehandeling met ECT bij patiënten met een bipolaire stoornis, na een effectieve ECT -behandeling voor een depressie, een manie of een gemengde episode en vooral bij patiënten die eerder frequent zijn teruggevallen onder farmacotherapie; bespreek vooraf de voor- en nadelen van onderhouds-ECT.

Overwegingen

Kwaliteit van het bewijs

ECT

Het bewijs voor ECT is van zeer lage kwaliteit, omdat het gebaseerd is op oude (veel risico op bias) en kleine studies. Nieuwe placebogecontroleerde RCT’s kunnen niet ondernomen worden omdat het onethisch zou zijn om een placeboconditie (‘sham ECT’) aan een ernstig zieke patiënt te geven.

 

rTMS

Het bewijs voor niet-convulsieve hersenstimulatie (zoals rTMS) bij patiënten met een bipolaire depressie is vooralsnog van lage tot zeer lage kwaliteit. Dit komt door risico op vertekening door beperkingen in de onderzoeksdesign en heterogeniteit in de data. Maar ook door te globale effect schatting en dat studies verschillen wat betreft patiëntkarakteristieken en gelijktijdige interventies (farmacotherapie en psychotherapie). Het effect van rTMS op manische symptomen is zeer beperkt onderzocht en die effecten lopen sterk uiteen, daarom is er een zeer lage graad van evidentie.

 

Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

ECT

Het bewijs op basis van placebo (‘sham’) gecontroleerde RCT’s over de effecten van ECT is zeer gering, hoewel er wel grote effecten worden gevonden op symptomen in observationele studies. Op basis van andere overwegingen wordt (ook in andere richtlijnen) ECT aangeraden voor patiënten met een bipolaire stoornis in een depressieve, manische of gemengde episode die onvoldoende (snel) reageren op farmacotherapie. Daarnaast wordt ECT ook aanbevolen bij sommige patiënten met een niet-medicatieresistente bipolaire depressie.

 

Andere vormen van neurostimulatie

Bepaalde vormen van neuromodulatie (anders dan ECT), zoals a-tDCS-F3+c-tDCS-F4 , HD-tDCS-F3 , a-tDCS-F3+c-tDCS-F8, HF-dTMS en LF-rTMS-F4 lijken effectief voor patiënten met een bipolaire depressie, het is echter onduidelijk hoe goed de behandeling wordt getolereerd (behandeluitval). Kwaliteit van leven lijkt toe te nemen door Cranial Electrotherapy Stimulation (CES), maar het effect op depressieve symptomen is onduidelijk. Er is te weinig bewijs om te bepalen of rTMS een effect heeft voor patiënten in een manische episode.

 

Patiënten- en naastenperspectief

Aangezien ECT meestal als ingrijpender wordt ervaren dan farmacotherapie, en er een negatieve beeldvorming omheen kan bestaan, moet veel aandacht besteed worden aan uitleg van de voor- en nadelen, en hoe de behandeling wordt uitgevoerd.

 

Bij stemmingsstoornissen kunnen de toegepaste medicamenten ernstige bijwerkingen en/of complicaties geven, zeker bij patiënten met een verhoogde gevoeligheid hiervoor zoals ouderen en patiënten met cardiale comorbiditeit. Bij deze patiënten kan daarom ECT eerder worden overwogen.

 

Een ernstige manische episode kan leiden tot zeer risicovol gedrag (schulden, faillissement, dakloosheid, relatiebreuk) en/of tot lichamelijke uitputting (Van Waarde e.a., 2000), en/of tot een langdurig beloop met ernstige beperkingen in het functioneren (langdurige gedwongen opname, langdurige uitval van werk), waardoor dergelijke situaties behandeling met ECT sterk overwogen kan worden om de manische episode te doorbreken.

 

Een ernstige depressieve episode met sterke suïcidaliteit kan leiden tot geslaagde suïcide of ernstige schade aan de patiënt en/of ernstige belasting van naasten. Omdat ECT leidt tot een snelle afname van depressieve symptomatologie (inclusief suïcidaliteit) is ECT sterk te overwegen als ernstige suïcidaliteit op de voorgrond staat.

 

Aanvullende bewijs

ECT voor manie

Er zijn slechts drie gecontroleerde of vergelijkende prospectieve studies die ECT bij de behandeling van manie onderzochten (Versiani e.a., 2011). In deze onderzoeken is er een betere klinische respons bij ECT dan bij ‘sham’-ECT (Sikdar e.a., 1994), lithium (Small e.a., 1988) of de combinatie lithium met haloperidol (Mukherjee, 1989), maar de methodologie van deze onderzoeken is zwak. Alle 28 onderzoeken in de review tonen aan dat ECT effectief kan zijn bij de behandeling van manie.

Recent is er een review met meta-analyse gedaan naar het effect van ECT in combinatie met medicatie (‘ECT combo’) versus alleen medicatie (de aangeboden typen medicatie en dosis varieerden in en tussen de studies) (Zhang et al 2021). Twaalf RCT’s werden geïncludeerd met deelnemers (n=386) met een acute manie (vijf studies met matig ernstige klachten en zeven studies met ernstige klachten (gemeten met YMRS of BMRS)). ECT combo had een groot effect (SMD=-3.50 (95% CI: -4.57, -2.44) op vermindering van manische symptomen in vergelijking met alleen medicatie. Geheugenstoornissen traden veel meer op bij ECT combo, dit effect was ook groot (SMD=8.33; 95% CI: 2.73 to 25.45). Op andere bijwerkingen (slaperigheid, droge mond, duizeligheid, verandering in ECG) of behandeluitval werden geen verschillen tussen de interventies gevonden. Voorzichtigheid is geboden bij het trekken van conclusies over deze uitkomsten. De studies zijn bijna allemaal in China gedaan (één in India), de heterogeniteit in de data was groot (sommige studies hadden grote effecten en sommige geen of zelfs negatieve effecten), er bestaat kans op bias in de studies omdat ze hun onderzoeksmethode niet duidelijk rapporteerden en er lijkt sprake van publicatiebias. Verder waren bij alle bijwerkingen-uitkomstmaten het aantal gevallen zo klein dat er lastig conclusies over te trekken zijn.

Het grootste onderzoek tot nu is een Zweedse register studie (Popiolek 2022) met een respons van 84% van de 571 patiënten die behandeld werden voor een manische episode (3x per week een ECT sessie met gemiddeld 6 sessies). Patiënten met een ernstige manie en zonder comorbide angst of obsessieve-compulsieve stoornis reageerden het beste. Terugval in een manische of depressieve stemmingsepisode na een manie is groot (55%) maar niet hoger voor patiënten die met ECT behandeld zijn voor een manie (Popiolek et el 2024).

 

ECT voor bipolaire depressie

Er is maar 1 dubbelblinde RCT waarin de behandeling van een bipolaire depressie met ECT is onderzocht (Greenblatt e.a., 1964). Er waren 5 armen: ECT (n = 63), imipramine (n = 73), fenelzine (n = 38), monoamineoxidaseremmer (n = 68) en placebo (n = 39). De ECT-respons (76%) was significant beter dan placebo (46%) of medicatie (28-50%). Recente reviews vonden 9 (Versiani e.a., 2011) en 7 (Loo e.a., 2011) klinische onderzoeken naar ect bij bipolaire depressie en 10 (Versiani e.a., 2011) en 11 (Loo e.a., 2011) klinische onderzoeken die ECT-behandeling van unipolaire depressie vergeleken met bipolaire depressie. Dit zijn vergelijkende retrospectieve of niet-vergelijkende prospectieve en retrospectieve onderzoeken. Er lijkt weinig wetenschappelijke aandacht voor de behandeling van de bipolaire depressie in contrast met de onderzochte effectiviteit van ECT bij de unipolaire depressie. De meeste onderzoeken vergelijken ECT met een behandeling met tricyclische antidepressiva of monoamineoxidaseremmers, waarbij patiënten vaker verbeteren of herstellen na ECT, alhoewel dit verschil niet altijd significant is (Loo e.a., 2011; Versiani e.a., 2011).

Veel onderzoeken zijn gedaan in therapieresistente patiënten met een bipolaire depressie. Als er voor deze patiënten gezocht wordt naar een behandeloptie van hoogst mogelijk wetenschappelijk bewijs is ECT een goede behandeloptie (Sienaert e.a., 2013).

 

Het grootste onderzoek tot nu is een Zweedse register studie (Popiolek 2019) met een response van 80,2% van de 1251 patiënten die behandeld werden voor een depressieve episode ihkv een bipolaire stoornis (3x per week ECT, gemiddeld 7,8 sessies). Hogere leeftijd was geassocieerd met een hogere kans op response. Patiënten met comorbide persoonlijkheidsstoornis of obsessieve-compulsieve stoornis en patiënten die ervoor behandeld waren met lamotrigine reageerden het slechts; 52.9% werd binnen een jaar opnieuw opgenomen; meerdere opnames, jonge leeftijd, en nabehandeling met benzodiazepines of antipsychotica in het verleden was sterk geassocieerd met het risico op heropname en suïcidaliteit.

 

In een andere studie was de reponse rate voor bipolaire depressie 74,2% (1246/1680) vergeleken met 77,1% (437/567) bij unipolaire depressie (Bahji et la 2019). Remissie percentages waren ook vergelijkbaar.

 

In een RCT waarin 73 patiënten gerandomiseerd werden naar ECT of een volgende medicatiestap was de response hoger in de ECT groep (73,9%) vergeleken met de medicatie groep (35,0%) maar remissie was niet verschillend (Schoeyen et al, 2015).

 

rTMS voor manie

In een meta-analyse werden 4 RCT’s geïncludeerd (n=102) waarin rechts prefrontale hoogfrequente rTMS (4-6 weken dagelijkse behandeling) werd vergeleken met ‘sham’ of links prefrontale hoogfrequente rTMS. Remissie was hoger in de actieve arm, maar andere uitkomstmaten waren niet significant, waarschijnlijk vanwege de kleine steekproefgrootte. Toekomstig onderzoek zal moeten uitwijzen of rTMS een optie is voor het behandelen van manie.

 

rTMS voor bipolaire depressie

Er zijn 24 studies die de effectiviteit van rTMS (dagelijkse behandeling gedurende 4-6 weken) voor bipolaire depressie onderzochten (Konstantinou et al 2022), 9 van de 10 ‘sham’ gecontroleerde studies hadden een steekproefgrootte kleiner dan 20 of vonden geen verschil. De variatie in uitkomst tussen studies is goed te verklaren door de grote variatie in TMS protocol, de ‘sham’ conditie en farmacologische behandeling tijdens de studies. Gerapporteerde bijwerkingen zijn hoofdpijn, moeheid, pijn op de plaats van stimulatie en ongemak op de schedel. Studies die patiënten includeerden met zowel unipolaire als bipolaire depressie lieten geen verschillen zien in effect of bijwerkingen (Konstantinou et al, 2022). Toekomstig onderzoek zal moeten uitwijzen of rTMS een optie is voor het behandelen van bipolaire depressie.

 

Professioneel Perspectief

Elke regiebehandelaar in Nederland heeft te maken met patiënten met stemmingsstoornissen en zal op de hoogte moeten zijn van de indicatie voor ECT (of in de toekomst rTMS) bij specifieke groepen. Het niet overwegen van ECT bij bijvoorbeeld therapieresistente patiënten met een stemmingsstoornis, die lijden aan een depressieve-, suïcidale-, manische-, katatone- en/of psychotische episode, kan gezien worden als een kunstfout.

 

Middelenbeslag

Stemmingsstoornissen zijn kostbaar voor de maatschappij. Bij vermindering van de duur en het aantal depressieve episoden kan daarom het beslag op de middelen reduceren. ECT (en mogelijk ook rTMS) kan daaraan een bijdrage leveren.

 

Organisatie van zorg

In Nederland is de zorg voor patiënten met stemmingsstoornissen verdeeld over drie echelons. Patiënten met lichte stemmingsklachten worden behandeld in de eerste lijn (huisarts en POG GGZ). Indien er sprake is van een depressieve stemmingsstoornis kan de huisarts dit zelf behandelen of bij ernstiger stoornissen en/of complicerende factoren doorverwijzen naar de generalistische basis-GGZ of specialistische GGZ. De behandeling van bipolaire stoornissen vindt in de acute fase altijd plaats in de specialistische GGZ.

Verwacht zou mogen worden dat binnen de specialistische GGZ de patiënten met therapieresistente en/of psychotische depressieve episoden, therapieresistente manische episoden, en/of ernstige suïcidale episoden worden doorverwezen voor ECT-indicatiestelling bij een daartoe ingericht ECT-centrum. In de praktijk blijkt dit niet altijd te gebeuren, waarbij de indruk bestaat dat veel patiënten met therapieresistente depressieve episoden terugverwezen worden naar de eerste lijn, waardoor zij niet in aanmerking komen voor ECT-indicatiestelling. De werkgroep vindt dit zeer ongewenst, omdat bepaalde patiënten hierdoor ernstig tekortgedaan worden.

 

Maatschappelijk Perspectief

ECT was in het recente verleden een gestigmatiseerde behandeling. De werkgroep vindt het spijtig dat deze maatschappelijke attitude een vertragende en/of negatieve invloed heeft op de mogelijkheden voor patiënten om doorverwezen te worden voor verdere indicatiestelling voor ECT. Adequate voorlichting, openheid en bij- en nascholing van huisartsen, POH-GGZ, professionals in de basis-GGZ en de specialistische-GGZ over de aard en effecten van ECT kan de drempel voor ECT te verlagen als daartoe een indicatie bestaat.

 

Overige overwegingen

ECT kan (zeer) effectief zijn bij het behandelen van alle fasen van een bipolaire stoornis. Het wetenschappelijk bewijs komt vooral uit observationele studies (Scandinavische registers), ‘sham’ gecontroleerde studies zijn oud en kwalitatief onvoldoende goed uitgevoerd naar de huidige standaarden. Voor patiënten kan het lastig zijn om goed de balans op te maken tussen kans op ECT response en bijwerkingen, ook omdat hiervoor nog weinig gepersonaliseerde voorspellers bekend zijn. Uit onderzoek naar de effectiviteit van ECT voor unipolaire depressie is duidelijk gebleken dat medicatie-resistentie een negatieve voorspeller is voor ECT response (Loef et al, 2024) waardoor het advies is om ECT tijdig als optie met patiënt en zijn naaste te bespreken.

Onderbouwing

Elektroconvulsieve therapie (electroconvulsive therapy, ECT) is het opwekken van een convulsie door middel van het toedienen van een korte pulsstroom onder algehele anesthesie. Het wordt toegepast om ernstige psychiatrische ziektebeelden te behandelen. Het is in moderne vorm een veilige en effectieve behandeling, die echter nog steeds te lijden heeft onder een negatieve beeldvorming bij zowel behandelaren als patiënten. De laatste decennia is er veel onderzoek gedaan naar de indicaties, de werkzaamheid, de veiligheid en neveneffecten van ect, waardoor de behandeling sterk aan kwaliteit heeft gewonnen. In 2021 is een herziene multidisciplinaire richtlijn ect gepubliceerd, die goede handvatten biedt om de indicatiestelling en uitvoering van ect te organiseren (richtlijnendatabase.nl/richtlijn/electroconvulsietherapie_ect).

De afgelopen decennia zijn er nieuwe publicaties verschenen over de behandeling van manie met ect; verder is er onderzoek gedaan waarin is vergeleken of ect bij depressies in het kader van een bipolaire stoornis even effectief is als bij unipolaire depressies. Ook zijn er publicaties verschenen over het effect van ect bij gemengde episoden en rapid cycling. Al deze onderzoeken zijn kritisch bekeken om de positie van ect bij de behandeling van de bipolaire stoornis nader te bepalen.

Hoewel ECT vaak als laatste stap wordt gezien bij de behandeling van de manie en de bipolaire depressie, kan het ook eerder worden overwogen als de manie of depressie therapieresistent is, gepaard gaat met psychotische kenmerken, of van lange duur is met lichamelijke uitputting. Ect wordt in dit verband als een bewezen effectieve behandeling beschouwd.

XXOO

a-tDCS-F3+c-tDCS-F4 , HD-tDCS-F3 , a-tDCS-F3+c-tDCS-F8, HF-dTMS of LF-rTMS-F4 resulteren mogelijk in een vermindering van depressieve symptomen.

Hsu2024

XOOO

Het bewijs is zeer onzeker over het effect van HF-rTMS-F3+LF-rTMS-F4, HF-rTMS, iTBS-F3, LF-rTMS-F3, cTBS-F4 of CES op een vermindering van depressieve symptomen.

Hsu2024

XXOO

CES resulteert mogelijk in een verbetering van de kwaliteit van leven.

Hsu2024

XOOO

Het bewijs is zeer onzeker over het effect van niet-invasieve hersenstimulatie (behalve door cranial electrotherapy stimulation (CES), zie vorige conclusie) op kwaliteit van leven.

Hsu2024

XOOO

Het bewijs is zeer onzeker over het effect van niet-invasieve hersenstimulatie op behandeluitval.

Hsu2024

XOOO

Het bewijs is zeer onzeker over het effect van rTMS op  een manische symptomen.

Tee2020

XOOO

Er lijkt een positief effect van ECT op patiënten met een bipolaire stoornis die een depressieve, manische of ‘mixed-state’ periode doormaken en niet adequaat reageren op farmacotherapie. Ook lijkt er een positief effect op patiënten met een niet-medicatieresistente bipolaire depressie. Maar het bewijs is zeer onzeker.

MDR Bipolaire stoornissen (2015) en de MDR ECT (2021)

7a. Is een depressieve episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

XΟΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT een behandeloptie is bij een patiënt met een bipolaire depressie (ernst en suïcidaliteit meewegen).

 

(Zornberg & Pope, 1993)

XΟΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT een behandeloptie is bij een patiënt met een bipolaire depressie die onvoldoende reageert op farmacotherapie.

(Daly e.a., 2001; Devanand e.a., 2000; Ciapparelli e.a., 2001; Prudic e.a., 2004; Sackeim & Prudic, 2005)

 

7b. Is een manische episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

XΟΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT een behandeloptie is bij een patiënt met manie die onvoldoende reageert op farmacotherapie.

 

(Small e.a., 1988; Sikdar e.a., 1994; Schnur e.a., 1992; Mukherjee e.a., 1994)

 

7c. Is een rapid cycling patroon of ‘mixed-state’ in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

 

XΟΟΟ

Er zijn aanwijzingen dat ECT een behandeloptie is bij een patiënt met ‘mixed-state’ die onvoldoende reageert op farmacotherapie.

 

(Devanand e.a., 2000; Ciapparelli e.a., 2001; Gruber e.a., 2000)

Uitgangvraag rTMS

Hsu2024 (Hsu et al. 2024)

In een goed uitgevoerde systematische review met netwerk meta-analyse en GRADE beoordeling bekeken Hsu en collegae het effect van gemiddeld 3 weken (range 1-6 weken; 10-20 sessies) verschillende vormen van niet-invasieve hersenstimulatie*  bij personen met een bipolaire depressie, er werden alleen studies geïncludeerd waar de data van unipolaire depressie gescheiden waren van de deelnemers met een bipolaire depressie. Er werden 18 RCTs (n=617, range per studie n=4 tot 64) geïncludeerd en het overgrote deel van de deelnemers had een behandelresistente bipolaire depressie (range in gemiddelde leeftijd 26–53 jaar en de proportie vrouwen lag tussen de 0% and 73%). In bijlage X zijn de resultaten met bijbehorende GRADE´ing van de verschillende niet-invasieve hersenstimulatie* op ernst van depressieve symptomen, uitval en kwaliteit van leven. De Moderate (redelijke kwaliteit) is waarschijnlijk een overschatting van de auteurs over de kwaliteit van het bewijs, er is sprake van risk of bias en heterogeniteit in de data. De moderate kwaliteit is daarom nog met één afgewaardeerd naar lage kwaliteit. En als het betrouwbaarheidsinterval de grens van niet klinische relevantie doorkruist wordt er nog een keer gedowngraded voor imprecisie. Verder zijn de betrouwbaarheidsintervallen op de uitkomst behandeluitval zo breed dat alle uitkomsten als zeer lage kwaliteit moeten worden gezien.

* a-tDCS-F3 þc-tDCS-F4, anodal transcranial direct current stimulation over F3 plus cathodal transcranial direct current stimulation over F4;

atDCS-F3 þc-tDCS-F8,, anodal transcranial direct current stimulation over F3 plus cathodal transcranial direct current stimulation over F8;

CES,, cranial electrotherapy stimulation;

cTBS-F4, continuous theta burst stimulation over F4;

HD-tDCS-F3, high-definition transcranial direct current stimulation over F3;

HF-dTMS, high frequency deep transcranial magnetic stimulation;

HF-rTMS-F3, high frequency repetitive transcranial magnetic stimulation over F3;

HF-rTMS-F3 þLF-rTMS-F4, high frequency repetitive transcranial magnetic stimulation over F3 plus low frequency repetitive transcranial magnetic stimulation over F4;

iTBS-F3, intermittent theta burst stimulation over F3;

LF-rTMS-F3, lowfrequency repetitive transcranial magnetic stimulation over F3;

LF-rTMS-F4, low frequency repetitive transcranial magnetic stimulation over F4

NB ECT werd niet meegnomen in deze netwerkanalyse

 

Tee2020 (Tee et al. 2020)

In een goed uitgevoerde systematische review met meta-analyse bekeken Tee en collegae het effect van rTMS bij personen in een manische fase (analysen voor bipolaire depressie zijn niet gebruikt omdat in deze richtlijn gebruik wordt gemaakt van de studie van Hsu2024). Tee en collegae gebruikte twee RCTs bij volwassenen (n=60; leeftijd range van 30-44; 26% vrouw) (Kaptsan2003 ; Praharaj2009) en bij adolescenten (n=26; leeftijd range van 14-15; 19% vrouw) Pathak2015;

 

Het bewijs is van zeer lage kwaliteit. Er is sprake van RoB, heterogeniteit in de data, brede betrouwbaarheidsintervallen en één studie was bij adolescenten gedaan.

 

Uitgangvraag ECT

We maken gebruik van de aanbevelingen uit de MDR ECT (2021) (Startpagina - Electroconvulsietherapie (ECT) - Richtlijn - Richtlijnendatabase)

 

Uitgangsvragen

7a. Is een depressieve episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

7b. Is een manische episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

7c. Is een rapid cycling patroon of ‘mixed-state’ in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

 

Aanbevelingen

Bij een manische episode in het kader van een bipolaire stoornis die onvoldoende (snel) verbetert met medicatie is het toepassen van ECT een optie.

Bij een medicatieresistente ‘mixed-state’ in het kader van een bipolaire stoornis is het toepassen van ECT een optie.

Bij een medicatieresistente rapid cycling patroon in het kader van een bipolaire stoornis is het toepassen van ECT een optie.

 

Samenvatting van de literatuur  
Uitgangsvraag 7a. Is een depressieve episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

Een groot deel van de gevonden artikelen betreft overzichtsartikelen. Daarnaast zijn enkele gevalsbeschrijvingen gevonden en verschillende artikelen over onderzoek naar (neven)effecten van ECT, zoals eeg-veranderingen, waarvoor ook patiënten met een bipolaire stoornis waren geïncludeerd. Gecontroleerd onderzoek naar het effect is schaars en ontbreekt bij kinderen en adolescenten (Weller e.a., 2002). In 17 overzichtsartikelen wordt ECT genoemd als een te overwegen optie bij therapieresistentie, zowel voor behandeling van de manische als de depressieve fase. In een overzichtsartikel wordt gesteld dat ECT effectief is bij bipolaire depressie (Zornberg & Pope, 1993). In 5 van de 7 onderzoeken bleek dat ECT effectiever was dan behandeling met antidepressiva, maar dit waren retrospectieve, naturalistische of open prospectieve onderzoeken. Bij analyse van de gegevens van 3 prospectieve onderzoeken, waarin 228 medicatieresistente patiënten waren geïncludeerd, kon geen verschil in respons (ongeveer 60%) en remissie (ongeveer 50%) bij de 162 unipolaire en 66 bipolaire depressieven worden aangetoond (Daly e.a., 2001). In een retrospectief onderzoek met 38 bipolair depressieve patiënten werd een respons van 76% vastgesteld (Devanand e.a., 2000). In een prospectief onderzoek bleek de respons op ECT bij 23 medicatieresistente patiënten met bipolaire depressie lager te zijn, maar de auteurs opperen dat in dit onderzoek mogelijk strengere criteria voor respons werden gebruikt (Ciapparelli e.a., 2001). Uit een analyse van 279 unipolair en 54 bipolair depressieve patiënten van een ander prospectief onderzoek (Prudic e.a., 2004; Sackeim & Prudic 2005) bleek bij de bipolaire patiënten een responspercentage van 68,5% en een remissiepercentage van 55,6%.

 

Uitgangsvraag 7b. Is een manische episode in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

In 1994 werd de literatuur over het effect van ECT bij acute manie samengevat door Mukherjee e.a. (1994). Dit betrof zowel retrospectief als prospectief onderzoek bij in totaal 589 patiënten, gepubliceerd vanaf 1944: een aantal gevalsbeschrijvingen, 6 retrospectieve en 2 prospectieve onderzoeken. Tachtig procent van manische patiënten zou verbeteren dan wel in remissie komen. Deze conclusie berust grotendeels op een van de twee prospectieve gerandomiseerde onderzoeken, waarin 34 manische patiënten lithiumcarbonaat of ECT kregen. De ECT-patiënten scoorden na 8 weken op de Clinical Global Impression-schaal beter dan de patiënten die waren behandeld met lithiumcarbonaat (Small e.a., 1988). Het andere onderzoek betrof een open prospectief onderzoek, waar bij 13 van 22 medicatieresistente manische patiënten een complete remissie werd behaald (Schnur e.a., 1992). Keck e.a. concluderen dan ook terecht dat de evidentie dat ECT effectief is bij de manie niet berust op een voldoende aantal gecontroleerde onderzoeken (Keck e.a., 2000).

Enigszins apart staat een prospectief dubbelblind gerandomiseerd onderzoek waarbij 2 groepen van 15 manische patiënten 8 ECT-sessies of placebo-ECT’s kregen. Alle patiënten kregen ook 600 mg chloorpromazine, wat dit onderzoek moeilijk vergelijkbaar maakt. De patiënten die daadwerkelijk ECT kregen, deden het significant beter (Sikdar e.a., 1994).

 

Uitgangsvraag 7c. Is een rapid cycling patroon of ‘mixed-state’ in het kader van een bipolaire stoornis een indicatie voor het toepassen van ECT?

In een enkel overzichtsartikel wordt gesteld dat er ook voldoende evidentie is om ECT toe te passen bij ‘mixed-state’ en rapid cycling (Kusumakar e.a., 1997). De gecontroleerde onderzoeken worden hieronder besproken. Over ECT bij cyclothymie werden geen artikelen gevonden.

In twee prospectieve onderzoeken naar het effect van ECT bij medicatieresistente patiënten met mixed state werden responspercentages gevonden van 80% (Devanand e.a., 2000) respectievelijk 56% (Ciapparelli e.a., 2001). In het laatste onderzoek werden mogelijk strengere criteria voor respons aangehouden. Een ander onderzoek beschrijft een 100% respons op ECT bij 7 patiënten die uit een groep van 41 manische patiënten die waren behandeld met farmacotherapie, resistent waren gebleken (Gruber e.a., 2000). Naar het effect van ECT bij rapid cycling bestaat geen onderzoek. Slechts 4 patiënten die succesvol zijn behandeld met onderhouds-ECT, worden beschreven (Vanelle e.a., 1994).

Review protocol

Uitgangsvraag: Elektroconvulsieve therapie & rTMS

Topic

Interventions/ epidemiology

Review question(s)

      • Wat is de effectiviteit en wat zijn de bijwerkingen van elektroconvulsieve therapie (ect) bij volwassenen met een (behandelresistente) bipolaire stoornis?
      • Wat is de effectiviteit en wat zijn de bijwerkingen van rTMS bij volwassenen met een bipolaire stoornis?

Criteria for considering studies for the review

  • Types of participants
  • Volwassen patiënten met een (behandelresistente) bipolaire stoornis.
  • Intervention

ECT

ECT + onderhoudsbehandeling

rTMS

rTMS + onderhoudsbehandeling

  • Comparator

Sham(+onderhoudsbehandeling)

  • Critical outcomes

Symptomatisch herstel, functioneel herstel

  • Important outcomes

Kwaliteit van leven/werkherstel/voorkomen nieuwe episoden/uitval

  • Time

-

  • Study design

Systematic reviews/ meta-analyses (van RCT’s)

  • Study setting/country

In klinische setting

Search strategy

Databases searched: CINAHL, Pubmed, PsycInfo

Date limiters: database inspectie van 2010 tot 2024.

Other limiters, e.g. design, language, age: volwassenen (18+)

The review strategy

De wetenschappelijke onderbouwing wordt zoveel mogelijk gebaseerd op bestaande systematic reviews met meta-analyse. Vanwege de breedte van de uitgangsvraag worden maximaal 5 SRs geïncludeerd die, in overleg met de werkgroep, zoveel mogelijk de PICO dekken (en/of nieuwe relevante inzichten opleveren, denk aan nieuwe interventies). Bij hoge uitzondering zal er nog een search gedaan worden naar (aanvullende) RCTs.

  1. Hsu CW, Chou PH, Brunoni AR, Hung KC, Tseng PT, Liang CS, Carvalho AF, Vieta E, Tu YK, Lin PY, Chu CS, Hsu TW, Chen YB, Li CT. Comparing different non-invasive brain stimulation interventions for bipolar depression treatment: A network meta-analysis of randomized controlled trials. Neurosci Biobehav Rev. 2024 Jan;156:105483. doi: 10.1016/j.neubiorev.2023.105483. Epub 2023 Dec 5. PMID: 38056187.
  2. Kaptsan A, Yaroslavsky Y, Applebaum J, Belmaker RH, Grisaru N. Right prefrontal TMS versus sham treatment of mania: a controlled study. Bipolar Disord. 2003;5(1):36–9.
  3. Kishi T, Sakuma K, Matsuda Y, Kito S, Iwata N. Repetitive transcranial magnetic stimulation for mania: A systematic review and meta-analysis. Bipolar Disord. 2023 Mar;25(2):160-161. doi: 10.1111/bdi.13305. Epub 2023 Feb 14. PMID: 36661347.
  4. Konstantinou G, Hui J, Ortiz A, Kaster TS, Downar J, Blumberger DM, Daskalakis ZJ. Repetitive transcranial magnetic stimulation (rTMS) in bipolar disorder: A systematic review. Bipolar Disord. 2022 Feb;24(1):10-26. doi: 10.1111/bdi.13099. Epub 2021 May 26. PMID: 33949063.
  5. Loef D, Hoogendoorn AW, Somers M, Mocking RJT, Scheepens DS, Scheepstra KWF, Blijleven M, Hegeman JM, van den Berg KS, Schut B, Birkenhager TK, Heijnen W, Rhebergen D, Oudega ML, Schouws SNTM, van Exel E, Rutten BPF, Broekman BFP, Vergouwen ACM, Zoon TJC, Kok RM, Somers K, Verwijk E, Rovers JJE, Schuur G, van Waarde JA, Verdijk JPAJ, Bloemkolk D, Gerritse FL, van Welie H, Haarman BCM, van Belkum SM, Vischjager M, Hagoort K, van Dellen E, Tendolkar I, van Eijndhoven PFP, Dols A. A prediction model for electroconvulsive therapy effectiveness in patients with major depressive disorder from the Dutch ECT Consortium (DEC). Mol Psychiatry. 2024 Oct 24. doi: 10.1038/s41380-024-02803-2. Epub ahead of print. PMID: 39448805.
  6. Pathak V, Sinha VK, Praharaj SK. Efficacy of adjunctive high frequency repetitive Transcranial magnetic stimulation of right prefrontal cortex in adolescent mania: a randomized sham-controlled study. ClinPsychopharmacol Neurosci. 2015;13(3):245–9.
  7. Praharaj SK, Ram D, Arora M. Efficacy of high frequency (rapid) suprathreshold repetitive transcranial magnetic stimulation of right prefrontal cortex in bipolar mania: a randomized sham controlled study. J Affect Disord. 2009;117(3):146–50
  8. Tee MMK, Au CH. A Systematic Review and Meta-Analysis of Randomized Sham-Controlled Trials of Repetitive Transcranial Magnetic Stimulation for Bipolar Disorder. Psychiatr Q. 2020 Dec;91(4):1225-1247. doi: 10.1007/s11126-020-09822-6. PMID: 32860557.

Bijlage resultaten Hsu2024

Tabel Verandering in ernst van depressieve symptomen (negatief is in het voordeel van de interventie)

 

Direct evidence

 

 

Standardized mean difference (95% CI)

The final rating of direct evidence

a-tDCS-F3+c-tDCS-F4 vs Sham

-1.15 (-1.50,-0.79)*

◯⊕⊕⊕Moderate

HD-tDCS-F3 vs Sham

-1.17 (-1.78,-0.57)*

◯⊕⊕⊕Moderate

a-tDCS-F3+c-tDCS-F8 vs Sham

0.69 (0.02,1.37)*

◯⊕⊕⊕Moderate

HF-dTMS vs Sham

-0.81 (-1.39,-0.23)*

◯⊕⊕⊕Moderate

HF-rTMS-F3+LF-rTMS-F4 vs Sham

-0.43 (-1.01,0.16)

◯⊕⊕⊕Moderate

HF-rTMS-F3 vs Sham

-0.52 (-1.18,0.14)

◯⊕⊕⊕Moderate

LF-rTMS-F4 vs Sham

-0.57 (-1.03,-0.12)*

◯⊕⊕⊕Moderate

iTBS-F3 vs Sham

-0.23 (-0.91,0.46)

◯⊕⊕⊕Moderate

LF-rTMS-F3 vs Sham

-1.19 (-3.72,1.34)

◯◯◯⊕Very low

cTBS-F4 vs Sham

-0.12 (-1.03,0.79)

◯◯⊕⊕Low

CES vs Sham

-0.33 (-1.33,0.66)

◯◯⊕⊕Low

 

Tabel over kans op uitval uit de behandeling (de 95% CI zijn zo breed dat de GRADE inschatting van de auteurs niet kloppen)

 

Direct evidence

 

 

OR (95% CI)

The final rating of direct evidence

HD-tDCS-F3 vs Sham

 0.96 (0.06,16.21)

◯◯⊕⊕Low

a-tDCS-F3+c-tDCS-F8 vs Sham

1.41 (0.21,9.62)

◯◯⊕⊕Low

a-tDCS-F3+c-tDCS-F4 vs Sham

2.09 (0.48,9.06)

◯⊕⊕⊕Moderate

iTBS-F3 vs Sham

0.63 (0.08,5.25)

◯⊕⊕⊕Moderate

cTBS-F4 vs Sham

 0.70 (0.04,13.18)

◯◯⊕⊕Low

LF-rTMS-F3 vs Sham

 0.53 (0.03,10.33)

◯◯⊕⊕Low

HF-rTMS-F3 vs Sham

0.79 (0.16,3.83)

◯⊕⊕⊕Moderate

LF-rTMS-F4 vs Sham

1.04 (0.14,7.83)

◯◯⊕⊕Low

HF-rTMS-F3+LF-rTMS-F4 vs Sham

 2.10 (0.18,24.87)

◯◯⊕⊕Low

HF-dTMS vs Sham

  7.93 (0.39,162.07)

◯◯⊕⊕Low

CES vs Sham

 1.27 (0.02,71.63)

◯◯⊕⊕Low

 

Forest plot kwaliteit van leven

Beoordelingsdatum en geldigheid

Publicatiedatum  : 24-03-2026

Beoordeeld op geldigheid  : 24-03-2026

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Plusminus

Algemene gegevens

Deze richtlijn is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen, op initiatief van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). Het is een multidisciplinaire richtlijn die aanwijzingen geeft voor screening, diagnostiek en behandeling van bipolaire stoornissen. De ontwikkeling is gefinancierd vanuit het gealloceerde budget van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) van de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS). Methodologisch en organisatorisch is de richtlijnontwikkeling ondersteund door het Trimbos-instituut.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is ontwikkeld als hulpmiddel. De richtlijn geeft aanbevelingen en handelingsinstructies voor de screening, diagnostiek en behandeling van zowel kinderen als adolescenten, volwassenen en ouderen met een bipolaire stoornis. De aanbevelingen zijn bedoeld ter ondersteuning van de praktijkvoering van alle professionals die betrokken zijn bij de zorgverlening voor deze patiënten. De richtlijn geeft een overzicht van goed (‘optimaal’) handelen in lijn met de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overige overwegingen, als waarborg voor kwalitatief hoogwaardige zorg. De richtlijn kan tevens richting geven aan de onderzoeksagenda voor wetenschappelijk onderzoek naar bipolaire stoornissen.

De multidisciplinaire ontwikkelprocedure is bedoeld om de multidisciplinaire samenwerking in de dagelijkse praktijk te bevorderen. Daarnaast kan deze richtlijn vertaald worden naar monodisciplinaire richtlijnen van afzonderlijke beroepsgroepen. De richtlijn is dan te beschouwen als een moederrichtlijn voor de richtlijnen van die beroepsgroepen, waarin men aanknopingspunten kan vinden voor lokale zorgprogramma’s en protocollen. Het opstellen van lokale zorgprogramma’s en protocollen op basis van deze richtlijn wordt door de richtlijnwerkgroep aangemoedigd, aangezien de implementatie van de in deze richtlijn beschreven behandeling optimale zorg kan bevorderen.

Indien de aanbevelingen uit deze richtlijn in de concrete situatie niet aansluiten bij de wensen of behoeften van de patiënt met een bipolaire stoornis, kan beredeneerd worden afgeweken van de richtlijn, tenzij de wensen of behoeften van de patiënt naar de mening van de behandelaar hem of haar kunnen schaden, dan wel geen nut hebben. In alle gevallen komt een behandeling tot stand op basis van gezamenlijke besluitvorming door de optimaal geïnformeerde patiënt, naaste en behandelaar(s).

 

Afbakening

Deze richtlijn betreft de diagnostiek en behandeling van kinderen en adolescenten (12 tot 23 jaar), volwassenen en ouderen (60 jaar of ouder) bij wie er sprake is van (of er een vermoeden is van) een bipolaire stemmingsstoornis. In de richtlijn is gezocht naar oorspronkelijke onderzoeken zonder begindatum, en tot en met november 2024. In sommige gevallen zijn gepubliceerde aanvullende reviews van recenter datum geraadpleegd. Nog niet gepubliceerde onderzoeken zijn niet meegenomen.

 

Doelgroep

De ontwikkeling van de multidisciplinaire richtlijnen voor de ggz geschiedt primair vanuit een inhoudelijke invalshoek ten behoeve van de verbetering van de kwaliteit van de zorgverlening. De gebruikers van de richtlijn zijn doorgaans allen professioneel betrokken bij de zorg voor patiënten met een bipolaire stoornis of voor patiënten bij wie men die aandoening vermoedt.

In de werkgroep waren ook patiënten- en familieverenigingen vertegenwoordigd, waarmee het perspectief van de patiënten met een bipolaire stoornis en hun naasten in de richtlijn een plaats heeft gekregen. Daardoor kunnen ook niet-professionele zorgverleners en/of belangenverenigingen tot de gebruikers van de richtlijn kan behoren.

Samenstelling werkgroep

De Multidisciplinaire richtlijn bipolaire stoornissen is ontwikkeld door de richtlijnwerkgroep Bipolaire stoornissen bij volwassenen, in opdracht van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP). De richtlijnwerkgroep, onder voorzitterschap van prof. dr. Ralph Kupka, emeritus hoogleraar bipolaire stoornissen, bestond uit psychiaters, psychologen, verpleegkundig specialisten, belangenbehartigers en ervaringsdeskundigen, allen door de (beroeps)verenigingen uitgenodigd en op persoonlijke titel aan het project verbonden.

Voorafgaande aan het ontwikkeltraject zijn kennismakingsgesprekken gevoerd met kandidaat-leden voor de werkgroep. Uit deze groep belangstellenden zijn de huidige werkgroepleden geselecteerd. Naast de richtlijnwerkgroep is een aantal experts benaderd om adviseur te worden. Deze adviseurs konden op individuele basis worden gevraagd om op verzoek van een werkgroeplid mee te denken over een specifieke uitgangsvraag. De richtlijnwerkgroep is methodologisch en organisatorisch ondersteund door het technische team van het Trimbos-instituut. Dit technische team bestond uit een projectleider, twee literatuur reviewers, een informatiespecialist, en een project assistent. De tabellen Leden werkgroep, Leden adviesgroep en Methodologische ondersteuning geven een overzicht van de samenstelling van de richtlijnwerkgroep, de klankbordgroep en het ondersteunende technische team.

 

Leden Werkgroep

 

Naam

Organisatie

Beroepsvereniging

1.

Prof. dr. Ralph Kupka (voorzitter)

Amsterdam UMC; Altrecht; GGZ inGeest; Dimence

Psychiater, NVvP

2.

dr. Manja Koenders (vicevoorzitter)

Leiden University Faculty of Social Sciences

Psycholoog, NIP

3.

Prof. dr. Manon Hillegers

afd. K&J Psychiatrie Erasmus MC

Psychiater, NVvP

3.

dr. Annemieke Dols

UMC Utrecht

Psychiater, NVvP

4.

dr. Imke Hanssen

Radboud Universiteit Nijmegen

Psycholoog, NIP

5.

dr. Bart Geerling

Dimence

verpleegkundig specialist, V&VN

6.

drs. Henk Mathijssen

Plusminus

Plusminus

7.

Elisabeth Bakker-Timmerman

Plusminus, KenBiS

Plusminus

 

Leden adviesgroep

 

Naam

Organisatie

Beroep

1.

prof. dr. Marc Vervloet*

Radboud UMC

Hoogleraar nefrologie

2.

Dr. Miranda Kurver

NHG

Huisarts en senior wetenschappelijk medewerker richtlijnontwikkeling

3.

dr. Ingeborg Wilting

UMC Utrecht

klinisch farmacoloog

4.

dr. Benno Haarman

UMC Groningen

Psychiater

5.

dr. Rob Havermans

Mondriaan, PsyQ

Psychiater

6.

dr. Debbie Zittema

GGZ Ingeest

Psychiater en klinisch farmacoloog

7.

Bianca van Nieuwendijk

GGZ Ingeest

Verpleegkundig specialist

8.

Mischa van Bendegem

Mediant

Verpleegkundig specialist

9.

Dr. Bram Dierckx

Erasmus MC

Psychiater

10.

Dr. Esther Mesman

Erasmus MC

GZ-psycholoog

11.

Dr. Max de Leeuw

LUMC

Psychiater

12.

Dolf Snel

 

Naastenperspectief

13.

Suzanne Demacker

Altrecht

GZ-psycholoog

14.

Dr. Melis Orhan

Universiteit Leiden

GZ-psycholoog

15.

Theo Hoedemaker

Plusminus

Naastenperspectief

16.

JRP van der Veen

Plusminus

ervaringsdeskundige

17.

Bernadette Wigchert

Plusminus

ervaringsdeskundige

18.

Mirthe Knot-Ploeg

Plusminus

ervaringsdeskundige

*Marc Vervloet is namens de NIV gemandateerd om advies te verlenen op module 9 Somatische Aspecten.

 

Methodologische ondersteuning

Naam

Ondersteuning

Eva Becking

Projectleider, Trimbos-instituut

Anne van Jaarsveld

Reviewer, Trimbos-instituut

Matthijs Oud

Reviewer, Trimbos-instituut

Rikie Deurenberg

Informatiespecialist, namens Trimbos-instituut

Joyce Huls           

Projectassistent, Trimbos-instituut

 

In totaal kwam de Werkgroep Bipolaire Stoornissen voorafgaand aan de commentaarfase acht keer bijeen in de periode van januari 2024 tot maart 2025. In deze periode werden de stappen van de methodiek voor evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) doorlopen. De informatiespecialist verrichtte in overleg met de werkgroepleden op systematische wijze literatuuronderzoek en de reviewers maakten per uitgangsvraag een selectie in de gevonden onderzoeken (zie voor informatie over de zoekstrategie en de selectiecriteria: het reviewprotocol). De reviewers beoordeelden de kwaliteit en inhoud van de aldus verkregen literatuur en verwerkten deze per uitgangsvraag in evidentie-tabellen, GRADE-profielen, beschrijvingen van de wetenschappelijke onderbouwing en wetenschappelijke (gewogen) conclusies (per module beschreven onder “Onderbouwing”). Leden van de Werkgroep gingen op basis van de gevonden literatuur met elkaar in discussie over praktijkoverwegingen (per module beschreven onder “Overwegingen”) en aanbevelingen (per module beschreven onder “Aanbevelingen”). De werkgroepleden schreven samen met het technisch team van het Trimbos-instituut de concepttekst, welke ter becommentariëring openbaar is gemaakt. De ontvangen commentaren worden verwerkt in een commentaartabel, die tijdens een werkgroep bijeenkomst wordt besproken. Na het doorvoeren van op deze bijeenkomst voorgestelde wijzigingen wordt de definitieve richtlijn aan de opdrachtgever aangeboden.

Belangenverklaringen

Naam werkgroeplid

Functie

Nevenwerkzaamheden

Belangen

Ralph Kupka

Hoogleraar Bipolaire stoornissen

Psychiater

Bestuurslid Akwa-GGZ

Voorzitter bestuur KenBis

Bestuurslid ISBD

nvt

Manja Koenders

GZ-psycholoog i.o. specialist

Universitair docent

Docent Rino-groep

Zzp supervisor

nvt

Manon Hillegers

Hoogleraar en afdelingshoofd kinder/jeugd psychiatrie

Bestuurslid BOPP-west

ESCAP bestuurslid

ISBD taskforce member

nvt

Annemieke Dols

Psychiater

Onderwijs en nascholing faciliteren

nvt

Bart Geerling

Verpleegkundig specialist/hoofd

Onderzoeker

Voorzitter herziening zorgstandaard

Nvt

Henk Matthijsen

Voorzitter Plusminus

Lid RvT GGZ Transparant

Nvt

Elisabeth Bakker Timmerman

Lid Plusminus

Gepensioneerd ergotherapeut

Bestuurslid KenBis

Lid familieraad Parnassia

 

Nvt

Methode ontwikkeling

Evidence based

Werkwijze

EBRO-methode voor wetenschappelijke onderbouwing

Deze multidisciplinaire richtlijn is herzien volgens de methodiek van evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO). Hierbij werd de GRADE-methodiek toegepast. Er zijn ook hoofdstukken overgenomen vanuit de vorige versie van de MDR Bipolaire stoornis (2015). Hierin zijn conclusies gebaseerd op de ‘levels of evidence’ (voor informatie over deze werkwijze, raadpleeg de verantwoording van de betreffende hoofdstukken).

 

GRADE-methodiek

Sinds de introductie van de GRADE-methodiek in 2004 werd dit wereldwijd al snel de methode van voorkeur om wetenschappelijk bewijs te graderen ten behoeve van richtlijnontwikkeling (Guyatt et al., 2008), inclusief deze richtlijn. De GRADE-methodiek gaat er van uit dat de zekerheid van het wetenschappelijk bewijs uit randomized controlled trials (RCT’s) in beginsel hoog is vanwege de, mits goed uitgevoerd, kleine kans op vertekening (bias). In geval van observationele (niet gerandomiseerde) studies is de uitgangspositie van de zekerheid van bewijs laag. De zekerheid van het bewijs per uitkomstmaat wordt, behalve door de methodologische kwaliteit van de individuele onderzoeken, ook bepaald door andere factoren, zoals de mate van consistentie van de gevonden resultaten uit de verschillende onderzoeken en de precisie van de gevonden uitkomst (zie tabel 1.1). Bij observationeel onderzoek kan het bewijs in bepaalde gevallen omhoog worden gegradeerd.

 

 

Tabel 1.1 GRADE: Factoren voor downgraden en upgraden 1

We downgraden de zekerheid van bewijs van studies met een hoge uitgangspositie (RCT’s), bij:

We upgraden de zekerheid van bewijs van observationele studies bij:

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet of uitvoering (study limitations): hierbij gaat het om de methodologische kwaliteit. Voorbeelden zijn dat de randomisatie-procedure niet optimaal was, dat beoordelaars van subjectieve uitkomsten niet geblindeerd waren, dat er selectief is gerapporteerd over de uitkomsten en dat er veel uitvallers waren.
  1. Een groot effect (large magnitude of effect): hiervan is sprake als er in de resultaten een groot effect of een sterk bewijs van associatie gevonden wordt. Dit kan tot uitdrukking komen in de hoogte van het relatieve risico (RR).

 

  1. Inconsistentie van de resultaten (inconsistency): hierbij gaat het om heterogeniteit van de resultaten van verschillende studies. Er kunnen beperkingen zijn als er een grote variatie is in de schattingen van het effect van een behandeling of als er nauwelijks overlap is tussen de 95%-betrouwbaarheidsintervallen (BI’s).
  1. Mogelijke confounders die het ‘ware’ effect verminderd hebben (plausible confounding): hiervan kan sprake zijn als er een achterliggende variabele is, zoals de ernst van de aandoening van de patiënten die met het onderzoek meedoen, die van invloed is op het effect van de interventie.
  1. Indirect bewijs (indirectness): er worden twee soorten indirect bewijs onderscheiden. Enerzijds gaat het om indirecte vergelijkingen, bijvoorbeeld wanneer er alleen interventies met een placebo worden vergeleken en geen interventies met elkaar worden vergeleken. Anderzijds gaat het om verschillen in patiëntenpopulatie, inhoud van de interventie of keuze van de uitkomstmaten tussen de beschikbare studies en de uitgangsvraag die in de richtlijn of richtlijn wordt gesteld.
  1. Bewijs van een verband tussen de dosering en de repons (dose-response gradient): hiervan kan sprake zijn als een stijgende dosering van een bepaald medicijn meer effect geeft.

 

  1. Onnauwkeurigheid van de resultaten (imprecision): hierbij gaat het om de onzekerheid van de uitkomst, bijvoorbeeld als de 95%-BI’s heel breed zijn vanwege kleine patiënten aantallen.

 

  1. Kans op selectieve publicatie (publication bias) van onderzoeken of uitkomstmaten. Een voorbeeld van een beperking is wanneer niet alle studies gepubliceerd worden, bijvoorbeeld kleine studies die geen effecten ten gunste van de interventie konden aantonen.

 

1 De zekerheid van het bewijs (zeer laag, laag, matig en hoog) verwijst naar de mate van vertrouwen dat men heeft in de schatting van het effect van een behandelinBij de beoordeling van het wetenschappelijke bewijs ten aanzien van bovenstaande factoren werd uitgegaan van ‘Grade guidelines’, zoals ook te raadplegen in het ‘Grade handbook’ (Guyatt et al., 2013; Handbook for grading the quality of evidence and the strength of recommendations using the GRADE approach).

 

Legenda GRADE

Na vaststelling van het niveau van bewijs wordt dit in de bijbehorende conclusies als volgt verwoord:

Zekerheid

Symbolen

 

Signaalwoorden

Hoog

⊕⊕⊕⊕

“Het is aangetoond dat…”

geeft, heeft (een effect), resulteert in

Redelijk

⊕⊕⊕◯

“Het is aannemelijk...”

waarschijnlijk

Laag

⊕⊕◯◯

“Er zijn aanwijzingen…”

zou kunnen, lijkt, suggereert

Zeer laag

⊕◯◯◯

“Het is onzeker, maar er zijn aanwijzingen dat…”

onzeker

Van bewijs naar aanbevelingen: Overwegingen

Naast het wetenschappelijk bewijs bepalen enkele andere factoren mede of een instrument of behandeling wordt aanbevolen. In de teksten van de vorige richtlijn-versies werd dit onder “Overige Overwegingen” beschreven.

 

Mee te wegen factoren om te bepalen of een instrument of behandeling wordt aanbevolen:

1. Kwaliteit van bewijs

Hoe hoger de algehele kwaliteit van het bewijs, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

2. Balans tussen gewenste en ongewenste effecten

Hoe groter het verschil is tussen de gewenste en ongewenste effecten, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling. Hoe kleiner dit verschil of hoe meer onzekerheid over de grootte van het verschil, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • Bespreken effectiviteit in relatie tot bijwerkingen en complicaties in het licht van de kwaliteit van bewijs, de precisie van de effectgrootte en minimaal klinisch relevant geacht voordeel;
  • Sterkte van het effect vergeleken met geen interventie;
  • Aanwezigheid van comorbiditeit;
  • Klinisch niet relevantie van het effect.

 3. Patiëntenperspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van patiënten bij het afwegen van de voor- en nadelen van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

4. Professioneel perspectief

Hoe groter de uniformiteit in waarden en voorkeuren van professionals ten aanzien van de toepasbaarheid van een interventie, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke (positieve of negatieve) aanbeveling.

Toelichting:

  • Kennis en ervaring met technieken/therapieën;
  • Risico’s die professional loopt bij het toepassen van de interventie;
  • Verwachte tijdbesparing;
  • Verlies aan tijd door het invoeren van de interventie.

5. Middelenbeslag

Hoe minder middelen er worden gebruikt (m.a.w. hoe lager de kosten van een interventie zijn vergeleken met de beschouwde alternatieven en andere kosten gerelateerd aan de interventie), des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een sterke aanbeveling. Hoe meer onzekerheid over het middelenbeslag, des te waarschijnlijker wordt een conditionele aanbeveling.

6. Organisatie van zorg

Hoe meer onzekerheid of de geëvalueerde interventie daadwerkelijk op landelijke schaal toepasbaar is, des te waarschijnlijker wordt het formuleren van een conditionele aanbeveling.

Toelichting:

  • De beschikbaarheid/aanwezigheid van faciliteiten & medicijnen;
  • De wijze waarop de organisatie van de zorg aangeboden dient te worden/grootte van de verandering in de organisatie-zorgproces / infrastructuur voor implementatie;
  • Voorbeeld: een bepaalde diagnostiek of behandeling kan alleen in bepaalde centra worden uitgevoerd in verband met de aanwezigheid van faciliteiten zoals een PET-scan.

Formulering van aanbevelingen

Afhankelijk van deze factoren kun je een instrument of behandeling wel of niet aanbevelen. We maken daarbij onderscheid tussen zwakke en sterke aanbevelingen. In het geval van een sterke aanbeveling zou je behandeling X voor alle patiënten met Y willen aanbevelen. Bij een zwakke aanbeveling is dit bijvoorbeeld afhankelijk van de voorkeuren van de patiënt in kwestie. Het is belangrijk in deze sectie expliciet te vermelden op grond waarvan een behandeling wel of niet wordt aanbevolen en ook waarom die aanbeveling zwak of sterk zou moeten zijn.

 

Voor de formulering van ‘sterke’ (onvoorwaardelijke) en ‘zwakke’ (voorwaardelijke) aanbevelingen is de volgende indeling aangehouden (zie tabel 1.2):

 

Tabel 1.2 GRADE Voorkeursformulering sterke / zwakke aanbevelingen

Gradering aanbeveling

Betekenis

Voorkeursformulering*

STERK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] aan.

ZWAK VOOR

De voordelen zijn groter dan de nadelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Overweeg [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

ZWAK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor een meerderheid van de patiënten, maar niet voor iedereen.

De meerderheid van geïnformeerde patiënten zal waarschijnlijk deze optie kiezen.

Wees terughoudend met [interventie], bespreek de voor- en nadelen).

STERK TEGEN

De nadelen zijn groter dan de voordelen voor bijna alle patiënten.

Alle of nagenoeg alle geïnformeerde patiënten zullen waarschijnlijk deze optie kiezen.

We bevelen [interventie] niet aan.

*      Het gaat hier om voorkeursaanbevelingen, deze kunnen in een enkel geval afwijken. Voor bepaalde hoofdstukken is GRADE niet toegepast (bijv. Organisatie van zorg) daar zijn uit praktisch oogpunt ook de aanbevelingen niet volgens GRADE.

 

Zoekstrategie

Om de uitgangsvragen te kunnen beantwoorden, is door de informatiespecialist en reviewers van het Trimbos-instituut, in overleg met de werkgroepleden, op systematische wijze literatuuronderzoek verricht en is een selectie gemaakt binnen de gevonden onderzoeken volgens vooraf vastgestelde selectiecriteria. Er is gezocht naar meta-analyses, systematische reviews en oorspronkelijke onderzoeken. In de literatuursearches is gezocht naar literatuur in de Engelse en Nederlandse taal. Voor het zoeken naar publicaties is gebruikgemaakt van Medline en Psychological Information Database (Psycinfo).

 

Selectiestrategie

Bij de selectie van artikelen zijn de volgende criteria gehanteerd:

  • Geeft het onderwerp van het gevonden onderzoek voldoende antwoord op de uitgangsvraag: worden de binnen GRADE vastgestelde kritische en belangrijke uitkomstmaten in het onderzoek geëvalueerd? (zie voor meer informatie over GRADE verderop in deze paragraaf);
  • Sluit de doelgroep van het gevonden onderzoek voldoende aan bij de doelgroep van de richtlijn;
  • Is er sprake van een meta-analyse, systematic-review, randomised controlled trial (RCT), cohort onderzoek, cross-sectioneel onderzoek, patiëntcontrole onderzoek of wetenschappelijke verantwoord kwalitatief onderzoek? Bij een longitudinaal onderzoek: Is er sprake van een voldoende lange follow-up periode?;
  • Zie voor meer informatie over de zoekstrategie de bijlagen per hoofdstuk en voor meer informatie over de selectiecriteria per uitgangsvraag de reviewprotocollen in de bijlagen per hoofdstuk.

Leeswijzer

Met kinderen en adolescenten bedoelen we kinderen van 8 tot 12 jaar en adolescenten van 12 tot 18 jaar. Met jongvolwassenen bedoelen we volwassenen van 18 tot 25 jaar. Met volwassenen bedoelen we mensen van 25 tot 60 jaar. Met ouderen bedoelen we oudere volwassenen van 60 jaar en ouder.

Zoekverantwoording

Op 3 juni 2024 is er een search uitgevoerd in PsychInfo en Medline databases. De specifieke zoektermen zijn in het review protocol opgenomen. De search leverde 145 referenties op. Na beoordeling op titel en abstract bleven er 24 referenties over voor selectie op basis van de volledige teksten: Mutz2019, Cretaz2015, Mutz2018, Pridmore2021, Qin2023, Cai2024, Cai2023, Tee2020, Kishi2023, Donde2017, Hsu2024, Bahji2019, Zhang2021, Cloutier2021, Verdolini2018 en Grunze2018. De voornaamste exclusieredenen waren dubbelle referenties, een recentere of betere review, onjuiste populatie of onjuiste interventie. Na een uitgebreide tweede selectie bleven 2 studies over die zijn opgenomen in dit hoofdstuk: Tee2020, Hsu2024.

Volgende:
Somatische aspecten bipolaire stoornis