Wondzorg systemische niet-opioïde analgetica

Laatst beoordeeld: 01-10-2013

Uitgangsvraag

Zijn systemische niet-opioïde analgetica (zoals paracetamol en NSAID’s) effectieve middelen om acute wondpijn te bestrijden? 

Aanbeveling

Het verdient de aanbeveling milde en matige (VAS / NRS-score 1-6) acute wondpijn te bestrijden met paracetamol en NSAID’s. 

 

De werkgroep is van mening dat bij risicopatiënten (bijv. patiënten >70 jaar) een terughoudend voorschrijfbeleid van NSAID’s gevoerd dient te worden.

Overwegingen

Bij het behandelen van acute pijn moet eerst worden gezocht naar de oorzaak van de wondpijn (zie daarvoor ook onderstaand tabel) en die oorzaak dient vervolgens vermeden of behandeld te worden. Wanneer deze aanpak onvoldoende blijkt, kan de wondpijn farmacologisch worden behandeld, waarbij de volgende overwegingen een rol spelen:

 

Veiligheid

  • Verschillende bijwerkingen, risico’s en contra-indicaties moeten in acht worden genomen wanneer medicatie kortdurend of voor langere duur wordt voorgeschreven.
  • Paracetamol is een effectief analgeticum dat (inter)nationaal veel wordt gebruikt in de praktijk (NHG 2007, NVA 2003, IKNL 2008, Macintyre 2010, ISCI 2008).
  • De pijnstillende werking van paracetamol houdt drie tot vijf uur aan. Paracetamol wordt na orale toediening snel geresorbeerd (voor 80%) (FK). Paracetamol heeft over het algemeen geen schadelijke invloed op het maag-darmslijmvlies en veroorzaakt bij adequate (pijnstillende) dosering weinig bijwerkingen. Daarnaast treden overgevoeligheden zelden op (FK).
  • Ook NSAID’s zijn effectieve analgetica om acute pijn te bestrijden en worden (inter)nationaal aanbevolen (NVA 2003, IKNL 2008, Macintyre 2010, ISCI 2008). De werkgroep is echter van mening dat bij patiënten boven de 70 jaar NSAID’s zeer terughoudend dienen te worden voorgeschreven.

Patiëntenperspectief

  • De intensiteit van de pijn, zoals alleen de patiënt kan aangeven, staat centraal (NHG 2007 medicamenteuze pijnbestrijding, Berben 2011).

Professioneel perspectief

  • In de praktijk lijken paracetamol en NSAID’s voorafgaand aan een verbandwissel niet te werken bij complexe wonden (opinie van de experts). Echter, bij acute wonden worden paracetamol en NSAID’s als middelen van eerste keus beschouwd door de werkgroep, rekening houdend met de inwerkingsduur en juiste dosering.

Zorgorganisatie

  • Zowel paracetamol als NSAID’s zijn zonder recept verkrijgbaar.

 

Tabel: Wond- en materiaaleigenschappen die pijn veroorzaken*

Wondeigenschap

Pijnbestrijding

Oppervlakkige schaafwonden of donorsite wonden

Bescherm de wond en nieuw gevormd epitheel tegen trauma (verbandwissels of verkleving aan kleding) met een vaseline product, folie of hydrocolloïdverband.

Droge wonden

Voorkom uitdroging door een vochtig wondmilieu te behouden door gebruik te maken van een geschikt verbandmateriaal (zie ook tabel in module 'Optimale wondbedekker voor een lekkende wond') of vaseline producten.

Wonden die reiniging behoeven.

Preventieve maatregelen tegen wondinfectie.

Adequate pijnstilling (systemisch of lokaal) ruim vóór het reinigen (minimaal een half uur).

Gebruik een zachte, lauwwarme straal.

Denk na over de keuze van het reinigingsmiddel en de concentratie van dit product (zie ook tabel in module 'Optimaal wondmateriaal voor een geïnfecteerde wond').

Materiaaleigenschap

Pijnbestrijding

Klevende wondbedekkers

Kennis ten aanzien van de wondbedekkers, wisselfrequentie en het beloop de wondgenezing dient aanwezig te zijn bij zorgverlener en patiënt om pijn te voorkomen. Raadpleeg eventueel de gebruiksinstructies van de leverancier.

Uitgedroogde wondbedekkers

Gazen tijdig verwisselen of wond beschermen met een vet gaas.

Neem daarnaast de tijd voor het losweken van de gazen en voeg eventueel lokaal lidocaïne of prilocaïne toe, 30 minuten voordat het verband wordt verwijderd.

Gebaseerd op het EWMA position document 2002 en de mening van experts

 

Conclusies

Richtlijn

 

  • Paracetamol is een effectief analgeticum met een lage incidentie van bijwerkingen (high quality of evidence GRADE).

  • NSAID’s zijn effectieve analgetica in de postoperatieve fase (high quality of evidence, GRADE).

 

Concept NVA 2003

 

Richtlijn

 

  • Paracetamol is het middel van eerste keus voor de behandeling van acute pijn binnen alle schakels van de spoedzorgketen (very low quality of evidence, GRADE).

  • Er wordt aanbevolen bij ernstige pijn in de spoedzorg behalve een opioïd middel ook paracetamol te geven (oraal of intraveneus) vanwege het opioïdsparend en beter pijnstillend effect (opinie van de werkgroep Pijnbehandeling bij traumapatiënten).

  • Er wordt sterk aanbevolen om de bijwerkingen, risicofactoren en contra-indicaties van NSAID’s in aanmerking te nemen alvorens wordt gekozen voor deze medicatie in de spoedzorgketen (opinie van de werkgroep Pijnbehandeling bij traumapatiënten).

  • Er wordt aanbevolen NSAID’s te gebruiken voor matige acute pijn op de HAP of SEH wanneer paracetamol, als middel van eerste keus, onvoldoende effectief blijkt (opinie van de werkgroep Pijnbehandeling bij traumapatiënten).

  • Het verdient aanbeveling paracetamol en NSAID’s te gebruiken als componenten van een pijnbehandeling die op meerdere niveaus aangrijpt (opinie van de werkgroep Pijnbehandeling bij traumapatiënten).

 

Berben 2011

Samenvatting literatuur

Er zijn geen systematische reviews, RCT’s of CCT’s gevonden voor deze specifieke vraag.

De NHG patiëntenbrief adviseert voor patiënten met brandwonden paracetamol en, als dat niet helpt, een andere pijnstiller, nl. NSAID’s zoals diclofenac of ibuprofen ter pijnstilling (NHG PBS 10a). Ook de richtlijn voor pijnbestrijding in de eerste lijn geschiedt volgens de WHO pijnladder (Farmacotherapeutische richtlijn NHG standaard 2007).

Aanvullend is gezocht in de (concept-)richtlijnen Postoperatieve pijnbestrijding, Pijn bij kanker en Pijnbehandeling bij traumapatiënten (NVA 2003/2012, IKNL 2008, Berben 2011).

Enkele voor de wondzorg relevante aanbevelingen uit de conceptrichtlijn voor Postoperatieve pijnbestrijding zijn (NVA 2003):

  1. Codeïne bij postoperatieve pijnbestrijding wordt niet langer geadviseerd.
  2. Bij lichte of matige postoperatieve pijn wordt paracetamol als analgeticum aanbevolen.
  3. NSAID’s zijn waardevol in de postoperatieve pijnbehandeling. Er kan niet aan een bepaald NSAID de voorkeur worden gegeven, de keuze dient daarom gemaakt te worden op basis van andere criteria (zoals bijwerkingen, contra-indicaties, beschikbare toedieningsvormen).

In de richtlijn voor patiënten met kanker en pijn worden niet-opioïden en sterk werkende opioïden aanbevolen volgens de WHO pijnladder (IKNL 2008).

Tot slot worden in een ketenrichtlijn voor traumapatiënten enkele farmacologische aanbevelingen gedaan ten aanzien van pijnstilling (Berben 2011). Ook voor deze doelgroep worden, oplopend volgens de WHO pijnladder, analgetica aanbevolen op basis van de ernst van de pijn (Numeric Rating Scale (NRS): 0: geen pijn, 1-3: milde pijn, 4-6: matige pijn en 7-10: ernstige pijn). Enkele aanbevelingen van deze richtlijn zijn;

  1. Paracetamol is het medicijn van voorkeur voor de behandeling van acute pijn binnen alle schakels van de spoedzorgketen.
  2. Het verdient aanbeveling bij ernstige pijn in de spoedzorg behalve een opioïd middel ook paracetamol te geven (oraal of intraveneus) vanwege het opioïdsparende en beter pijnstillende effect.
  3. Het verdient aanbeveling paracetamol en NSAID’s te gebruiken als componenten van een pijnbehandeling die op meerdere niveaus aangrijpt.
  4. Het is sterk aan te bevelen de bijwerkingen en contra-indicaties van NSAID’s in overweging te nemen bij de keuze voor deze medicatie in de spoedzorgketen.
  5. Het verdient aanbeveling NSAID’s te gebruiken voor matige acute pijn op de huisartsenpost (HAP) of spoedeisende hulp (SEH) wanneer paracetamol als middel van eerste keus onvoldoende effectief blijkt.
  6. Er kan geen aanbeveling gegeven worden voor keuze van een bepaald NSAID op basis van bewijs van effectiviteit. Het is daarom sterk aan te bevelen een keuze te maken op basis van andere criteria, zoals bijwerkingen, contra-indicaties, beschikbare toedieningsvormen en kosten.

Referenties

  1. NHG Standaard Patiëntenbrief 10a: Beschikbaar op: http://nhg.artsennet.nl/kenniscentrum/k_voorlichting/NHGPatientenbrieven/NHGPatientenbrief/PBS10a.htm
  2. NHG farmaceutische pijnstilling 2007. Beschikbaar op: http://download.nhg.org/FTP_NHG/standaarden/FTR/Pijnbestrijding_text.html
  3. Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie. Richtlijn Postoperatieve pijnbehandeling. 2003 Utrecht. Beschikbaar op: http://www.anesthesiologie.nl/uploads/150/1084/RL_Postoperatieve_Pijnbehandeling_2003.pdf
  4. Integraal Kankercentrum Nederland. Landelijke richtlijn: Pijn bij kanker. Versie 1.1. 2008. Beschikbaar op http://www.oncoline.nl/pijn-bij-kanker
  5. Berben SA, Kemps HH, van Grunsven PM, Mintjes-de Groot JA, van Dongen RT, Schoonhoven L. Guideline 'Pain management for trauma patients in the chain of emergency care'. Ned Tijdschr Geneeskd. 2011;155:A3100.
  6. Macintyre PE, Schug SA, Scott DA, Visser EJ, Walker SM; APM: SE Working Group of the Australian and New Zealand College of Anaesthetists and Faculty of Pain Medicine. Acute pain management: Scientific Evidence. 3rd edition. Melbourne: ANZCA & FPM; 2010.
  7. Institute for Clinical Systems Improvement (ICSI). Assessment and management of acute pain. Bloomington: Institute for Clinical Systems Improvement; 2008. Beschikbaar op: http://www.icsi.org/pain_acute/pain__acute__assessment_and_management_of__3.html
  8. Farmacotherapeutisch Kompas. College voor Zorgverzekeringen. Onafhankelijke geneesmiddeleninformatie voor professionals in de zorg. Beschikbaar op: http://www.fk.cvz.nl/

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-10-2013

Laatst geautoriseerd : 01-10-2013

Uiterlijk in 2017 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. Momenteel wordt een beleidsdocument ontwikkeld ten aanzien van de verantwoordelijkheden en competenties van verpleegkundigen, die hoogstwaarschijnlijk in 2013 wordt gepubliceerd. Tegen die tijd zal hoofdstuk 6 (Organisatie van zorg) worden herzien op basis van het document ‘functiedifferentiatie in de wondzorg’.

 

De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Orthopaedische Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

Algemene gegevens

Initiatief

Afdeling Kwaliteit & Procesinnovatie, Academisch Medisch Centrum (AMC)

 

Mandaterende verenigingen/instanties

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Nederlandse Vereniging van Dermatologie en Venereologie (NVDV)

Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie (NVPC)

Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen (NVSHA)

Nederlandse Vereniging Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen (NVSHV)

Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)

Traumanet en Vaatchirurgie - Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH)

Verenso, specialisten in ouderengeneeskunde

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN)

WCS Kenniscentrum Wondzorg

Zorgverzekeraars Nederland (ZN)

 

In samenwerking met

De vakverenigingen die alleen in de commentaarfase betrokken zijn en ondersteunende instanties, zoals voor de epidemiologische gegevens, en de Spoedeisende Hulp afdeling van het AMC voor de patiënteninventarisaties.

 

Met ondersteuning van

Orde van Medisch Specialisten

 

Financiering

Deze richtlijn is tot stand gekomen met financiële steun van de Nederlandse Vereniging van Heelkunde (SKMS) en ZonMw, in het kader van het programma ‘Spoedzorg’.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn biedt aanbevelingen om te komen tot een optimale behandeling voor patiënten met acute wonden (zie Bijlage 'Knelpuntenanalyse'). Voor de totstandkoming van de specifieke onderwerpen, zie kopje 'samenstelling werkgroep. Tevens zal aandacht worden besteed aan de materiële en personele kosten van wondzorg, waardoor zorginstanties en zorgverzekeraars weloverwogen keuzes kunnen maken (Guest 2005, Jones 2006).

 

Patiënten

De richtlijn geeft aanbevelingen voor de zorg voor kinderen en volwassen patiënten met een acute wond. Deze aanbevelingen gelden voor beide patiëntengroepen, tenzij nadrukkelijk volwassenen of kinderen worden genoemd.

 

Professionals

De richtlijn is bruikbaar voor alle eerste- en tweedelijns hulpverleners betrokken bij acute wondzorg. Dit zijn huisartsen en doktersassistenten of praktijkverpleegkundigen in de huisartspraktijk of op de huisartsenpost (HAP), ambulanceverpleegkundigen, SEH-artsen en -verpleegkundigen, specialisten ouderengeneeskunde en –verpleegkundigen, wondconsulenten, wondverpleegkundigen, thuiszorgverpleegkundigen, verzorgenden, verpleegkundig specialisten (VS) in eerste- en tweede lijn en physician assistants (PA) in de wondzorg, op de SEH of op de afdeling kindergeneeskunde, kinderartsen en kinderverpleegkundigen, anesthesiologen en artsen van één van de snijdende specialismen en dermatologen.

 

Afbakening

In deze richtlijn zullen we de behandeling van wonden met acute etiologie bespreken. Omdat alle acute wonden een zeker risico lopen om slecht te genezen, m.a.w. complexe wonden te worden, zullen er ook aanbevelingen worden gedaan voor acute wonden die een complicatie oplopen, bijv. tekenen vertonen van infectie of lekkage. Oncologische en brandwonden zullen echter niet in deze richtlijn worden opgenomen.

 

Uitkomstmaten

Bij het beoordelen van de literatuur heeft de werkgroep vooral gekeken naar studies waarbij gevalideerde patiëntgeoriënteerde uitkomstmaten werden gebruikt. Voor een overzicht van de gebruikte uitkomstmaten zie bijlage 2 'Uitkomstmaten'. Een uitzondering is het meten van wondinfectie, waar zowel subjectieve als objectieve uitkomstmaten zijn meegenomen. In geval van twijfel werd de voorkeur gegeven aan de klinische verdenking van een infectie, aangezien het beleid wordt aangepast op klinische verdenking ook al blijkt dit (nog) niet uit de diagnostiek (lab, kweek of microbiologie) (Kinnunen 2012). Ook surrogaat-uitkomstmaten, zoals het percentage genezen wondoppervlak, hebben we niet opgenomen in onze conclusies.

Samenstelling werkgroep

Kernwerkgroep

  • Drs. F.E. Brölmann, arts, AMC (projectuitvoerder)
  • Dr. D.T. Ubbink, arts & klinisch epidemioloog, AMC (projectleider)
  • Dr. H. Vermeulen, verpleegkundige & klinisch epidemioloog, AMC (voorzitter werkgroep)

 

Expertgroep

  • P.E. Broos- van Mourik, gespecialiseerd wondverpleegkundige, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
  • Dr. P.M.N.Y.H. Go, chirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Mw. E.S. de Haan, spoedeisende hulp verpleegkundige, Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen
  • Drs. M.W.F van Leen, specialist ouderengeneeskunde, Verenso
  • Dhr. J.W. Lokker, zorgverzekeraar, Zorgverzekeraars Nederland
  • Dr. C.M. Mouës-Vink, plastisch chirurg, Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie
  • Drs. K. Munte, dermatoloog, Nederlandse Vereniging van Dermatologie en Venereologie
  • Dhr. P. Quataert, gespecialiseerd wondverpleegkundige / voorzitter Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland Wondconsulenten
  • Drs. K. Reiding, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Drs. E.R. Schinkel, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Mw. K.C. Timm, verpleegkundig specialist intensieve zorg, WCS Kenniscentrum Wondzorg
  • Drs. M. Verhagen, spoedeisende hulp arts i.o., Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Dr. M.J.T. Visser, vaatchirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

 

Met ondersteuning van:

  • Ir. T.A. van Barneveld, klinisch epidemioloog, Orde van Medisch Specialisten, Utrecht

 

Voor het ontwikkelen van de richtlijn werd eind 2011 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante specialismen die te maken hebben met de behandeling van acute wonden. Met deze multidisciplinaire benadering is een breed draagvlak binnen het professionele veld van de wondzorg gecreëerd. Daarnaast weerspiegelt deze brede afvaardiging de verschillende invalshoeken bij knelpunten ten aanzien van de acute wondzorg. Bij het samenstellen van de werkgroep is zo veel mogelijk rekening gehouden met de academische achtergrond en locatie van de werkzaamheden. De werkgroepleden zijn gemandateerd door hun beroepsvereniging of kenniscentrum (WCS), of op participeren op persoonlijke titel (ES). De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn. Een aantal beroepsverenigingen heeft aangegeven niet direct te participeren in de werkgroep maar wel in de commentaarfase, namelijk: de Vereniging voor Huisartsenposten Nederland (VHN), Nederlandse Vereniging voor Traumatologie (NVT), Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde (NVK) en de Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA). 

Belangenverklaringen

Alle werkgroepleden hebben een belangenverklaring getekend. Een overzicht is in onderstaande tabel terug te vinden. De originele belangenverklaringen zijn op te vragen bij de kernwerkgroep.

 

Werkgroepleden

Beroepsvereniging

Verklaring*

Drs. P.E. Broos- van Mourik

V&VN

Getekend

Dr. P.M.N.Y.H. Go

NVvH

Getekend

Mw. E.S. de Haan

NVSHV

Getekend

Drs. M.W.F van Leen

Verenso

Getekend

Dhr. J.W. Lokker

ZN

Getekend

Dr. C.M. Mouës-Vink

NVPC

Getekend

Drs. K. Munte

NVDV

Getekend

Dhr. P. Quataert

V&VN

Getekend

Drs. K. Reiding

NHG

Getekend

Drs. E.R. Schinkel

Op persoonlijke titel

Getekend

Mw. K.C. Timm

WCS

Getekend

Drs. M. Verhagen

NVSHA

Getekend

Dr. M.J.T. Visser

NVvH

Getekend

Drs. F.E. Brölmann

AMC; Kernwerkgroep

Getekend

Dr. D.T. Ubbink

AMC; Kernwerkgroep

Getekend

Dr. H. Vermeulen

AMC; Kernwerkgroep

Getekend

Inbreng patiëntenperspectief

Er bestaat geen patiëntenvereniging voor patiënten met (acute) wonden zoals in deze richtlijn beschreven. Ook in de literatuur wordt weinig gevonden over de ervaring van patiënten met acute wonden. Om toch het perspectief van patiënten te kunnen meenemen, zijn er telefonische interviews (n=50) en schriftelijke enquêtes (n=50) afgenomen. De resultaten uit deze inventarisatiestudie zijn beschreven bij de overige overwegingen. Zie onderstaand voor de inventarisatie.

 

Inventarisatiestudie

Op de SEH en HAP van het Academisch Medisch Centrum Amsterdam is in 2013 een onderzoek uitgevoerd bij 50 patiënten die daar kwamen voor de behandeling van hun wond. De vraagstelling betrof de ervaringen en tevredenheid van deze patiënten m.b.t. de acute wondzorg die zij daar ontvingen.


De 50 patiënten (of de ouders van kleine kinderen) werden direct na de behandeling gevraagd een vragenlijst in te vullen. Zij hadden een leeftijd variërend van 2 tot 86 jaar en 36 van hen was man. Zes procent van de wonden werd niet gereinigd. De overige werden gereinigd met chloorhexidine of water. Twee derde van alle wonden werd gesloten. Dit werd gedaan m.b.v. Steri-strips® (34%), hechtingen (22%), huidlijm (22%), of een combinatie van deze (22%). Ruim één derde (36%) van de gesloten wonden werd niet verder verbonden.

 

De behandelde patiënten gaven de behandeling in zijn totaliteit gemiddeld het rapportcijfer 8,2. De hygiëne tijdens de behandeling, de snelheid en kwaliteit ervan, de pijnbestrijding en de informatievoorziening vonden zij belangrijke onderdelen van de zorg.

 

De helft van alle patiënten vond dat de 3 fases in de wondbehandeling (reinigen, sluiten en verbinden) pijnloos zouden moeten zijn. Na de behandeling vond 23% de reiniging het meest pijnlijk, 10% de wondsluiting en 10% het verbinden van de wond.  

 

Verder gaven 10 patiënten (20%) aan geen informatie te hebben ontvangen van de zorgverlener(s) over de verzorging van de wond na vertrek uit de SEH of HAP, in het bijzonder betreffende het opnieuw verbinden en nat mogen worden van de wond en wat te doen bij (wond)problemen. Vrijwel alle patiënten (95%) die wel waren geïnformeerd, waren hierover (zeer) tevreden.

 

De meerderheid van de patiënten vond het belangrijk dat verbandmaterialen eenvoudig in het gebruik waren en dat zij of een naaste in staat moesten zijn dit zelf aan te brengen.

 

Concluderend vinden patiënten in dit onderzoek het belangrijk dat zorgverleners hygiënisch werken, zorgen voor een pijnloze wondreiniging en -behandeling en voldoende informatie geven over de wondzorg daarna.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

 

Gegevens van de inventarisatie van patiëntenervaringen zijn samengevat onder het kopje inbreng patientenperspectief. 

 

In de commentaarfase zijn de volgende beroepsverenigingen betrokken: Nederlandse Vereniging van Anesthesiologie, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde, Nederlandse Vereniging van Traumatologie, Nederlandse Orthopaedische Vereniging, Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland – dermatologie en de Nederlandse Organisatie Voor Wondprofessionals (NOVW).

 

De richtlijn wordt verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en verenigingen. Ook wordt de samenvatting van de richtlijn ter publicatie aangeboden aan het NTvG, WCS, NTG, NHG, NVvH.

 

Mogelijke vervolginitiatieven

Een ‘app’ voor of toegang tot de richtlijn op smartphones zou ontwikkeld kunnen worden. De definitieve richtlijn is te downloaden via de websites van verschillende beroepsverenigingen. Daarnaast zullen alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen geïnformeerd worden over de richtlijn.

 

De bruikbaarheid van de richtlijn kan getoetst worden aan de hand van een praktijktest in het Academisch Medisch Centrum Amsterdam, St. Antonius ziekenhuis Nieuwegein, Huisartsenposten, West Fries Gasthuis Hoorn en huisartsenpraktijken. Gedurende vier weken zouden zorgverleners met de richtlijn kunnen werken. Na deze periode beoordeelden de medewerkers de bruikbaarheid aan de hand van een digitale vragenlijst. Hierbij staan de volgende vragen centraal:

  1. In hoeverre beoordelen zorgverleners de richtlijn als helder, bruikbaar en ondersteunend bij de acute wondbehandeling voor kinderen en volwassenen?
  2. In hoeverre verbetert de richtlijn de afstemming van deze wondzorg in de keten?
  3. Welke factoren vergemakkelijken of bemoeilijken het gebruik van de richtlijn in de praktijk?

 

Daarnaast kan de richtlijn worden aangeboden aan inhoudsdeskundigen en professionals die in de wondzorg(keten) verantwoordelijk zijn voor beleid en implementatie.

De kernaanbevelingen zouden in de toekomst als indicatoren gebruikt kunnen worden om de adherentie aan, en kwantificering van de opgestelde aanbevelingen te handhaven.

Werkwijze

Deze evidence-based, multidisciplinaire richtlijn ”Wondzorg” beperkt zich tot de knelpunten in de ketenzorg die de werkgroep heeft gekozen bij de behandeling van wonden met acute etiologie. Deze richtlijn is tot stand gekomen volgens de evidence-based richtlijnontwikkeling (EBRO) methodiek. In een toekomstige update van deze richtlijn dient aandacht te worden besteed aan overige of nieuwe knelpunten en mogelijke indicatoren voor de mate waarin deze richtlijn wordt nageleefd.

Medische besluitvorming dient altijd gebaseerd te zijn op het beschikbare bewijsmateriaal, de expertise van de behandelaar, de lokale voorzieningen en omstandigheden en de voorkeuren van de patiënt. De behandelkeuzes en procedures met betrekking tot de individuele patiënt berusten op volwaardige communicatie tussen patiënt, behandelaar en andere betrokken zorgverleners.

 

Werkwijze

De werkgroep bestond uit een kerngroep (DU, FB, en HV) en een expertgroep. De kerngroep was verantwoordelijk voor de literatuurstudies en het opstellen en redigeren van de richtlijn. De expertgroep leverde inhoudelijk expertise. De kern- en expertgroep zijn samen verantwoordelijk voor de knelpuntenanalyse en het vaststellen van de uitgangsvragen (zie Bijlage 'Knelpuntenanalyse'). Ook hebben zij de uiteindelijke aanbevelingen geformuleerd. Tot slot werd procesmatige ondersteuning geboden vanuit de Orde van Medische Specialisten (TvB). Er zijn geen voor deze richtlijn relevante relaties van de werkgroepleden met commerciële instellingen gemeld.

 

De knelpunten zijn geïnventariseerd op basis van de literatuur en kennis uit het veld door focusgroepen, interviews en overleg met de expertgroep (voor een overzicht van de expertgroep zie kopje 'samenstelling werkgroep'). Ook zijn patiënten uit een multicenter RCT over de behandeling van donorsites gevraagd naar knelpunten en is een inventarisatiestudie op de SEH-afdeling van het AMC verricht. De zo samengestelde lijst van knelpunten is aan de expertgroep voorgelegd voor een top 9 prioritering. Daarop zijn 7 conceptuitgangsvragen opgesteld, die bij de tweede vergadering door de werkgroep definitief verkozen en geformuleerd zijn. Voor de ontwikkeling van de richtlijn zijn de principes van de Evidence-Based Richtlijn Ontwikkeling (EBRO) als leidraad gebruikt en zijn de criteria van het Appraisal of Guidelines Research & Evaluation (AGREE II)-instrument gevolgd (The AGREE next steps consortium 2009). 

 

Strategie voor zoeken naar literatuur

Er werd eerst gezocht naar relevante (inter)nationale richtlijnen op de volgende sites:

- NICE, SIGN, GUIDELINE, GIN, TRIPDATABAS

- Artsennet, Kwaliteitskoepel, Diliguide

Vervolgens werd in MEDLINE, EMBASE, CINAHL en de Cochrane Library Database gezocht naar alle systematische reviews (SR) over acute wondzorg, die daarna werden ingedeeld in de medisch inhoudelijke uitgangsvragen. Aanvullend werd er handmatig gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de opgevraagde artikelen. In eerste instantie werd er gezocht naar SR's van gerandomiseerde klinische onderzoeken (RCT’s). Bij afwezigheid van SR’s werd gezocht naar RCT's in de Cochrane Library Database. De gebruikte zoektermen en het inclusie-stroomdiagram staan onder het kopje 'zoekverantwoording'.

 

Beoordeling van de studies

De selectiecriteria zijn vooraf door de werkgroep opgesteld en worden hieronder beschreven. De selectie van de artikelen is door de projectuitvoerder (F. Brölmann (FB)) uitgevoerd en onafhankelijk van elkaar getoetst door twee collegae (D. Ubbink (DU) en A. Eskes (AE)). Er werd met DU in 196 van de 200 artikelen (98%) overeenstemming gevonden en met AE in 194 van de 200 (96%) artikelen. De inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid (Cohen’s kappa) loopt van 0,69 tot 0,81 (m.a.w. goed tot bijna perfect). Na selectie en beoordeling van de methodologische kwaliteit werd aan elk geselecteerd artikel de mate van bewijskracht toegekend (zie Figuur 1). Hiervoor is gebruik gemaakt van een graderingsysteem (Grading of Recommendations Assessment, Development and Evaluation; http://www.gradeworkinggroup.org/) (Guyatt 2008). Dit systeem geeft het vermoeden op bias weer dat inherent is aan de verschillende studiedesigns.

 

Inclusie

  • Volwassenen mannen en vrouwen en/of kinderen, van alle leeftijden en alle etnische groepen
  • Wonden met acute etiologie (chirurgische wonden, primair en secundair gesloten en traumatische wonden (schaafwonden, bijt-, snij-, of steekverwondingen, laceraties, skin tears)
  • SR’s, RCT’s, gecontroleerde onderzoeken, vergelijkende onderzoeken en prospectieve niet-vergelijkende onderzoeken*
  • Studies hebben een duidelijke onderzoeksvraag waarbij in- & exclusiecriteria zijn beschreven en die de door ons opgestelde uitkomstmaten in de resultaten beschrijven
  • Talen: Europese talen
  • Vanaf 1966 tot heden

 

Exclusie

  • Chronische wonden: veneuze of arteriële ulcera, oncologische wonden, diabetische voet, decubituswonden
  • Brandwonden/blaren
  • Studies met minder dan 10 patiënten (voor alle studiedesigns)

 

* Volgens de gradering van evidence (piramide) beginnen we bovenaan bij de guidelines en SR’s en dan stapsgewijs (i.o.m. de werkgroepleden) afzakkend naar vergelijkende of cohortstudies.

 

Richtlijnontwikkeling

De gebruikte methodiek voor richtlijnontwikkeling verhoogt de transparantie van de totstandkoming van de aanbevelingen in deze richtlijn. Wanneer er naar productgroepen wordt gerefereerd, hebben we in de evidencetabellen de specifieke producten en hun concentratie beschreven. Wij realiseren ons dat er dan nog grote verschillen bestaan binnen de verschillende productgroepen, bijvoorbeeld binnen de honingproducten.

 

Figuur 1. Bewijskracht volgens GRADE (Guyatt 2008)

Bewijskracht volgens GRADE

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.