Uitgangsvraag

Organisatie van zorg bij werkgerelateerd astma.

Aanbeveling

Na het identificeren van klachten of sensibilisatie tijdens gezondheidsbewaking is aanvullende diagnostiek aangewezen voor het aantonen of uitsluiten van werkgerelateerd astma, rhinitis of COPD. Dit geldt ook voor werkgerelateerde luchtwegklachten die ontstaan in de perioden tussen de periodieke onderzoeken.

 

Informeer de patiënt mondeling en schriftelijk over de mogelijke oorzaken van werkgerelateerd astma en over de behandeling. Benadruk dat aandacht nodig is voor onderzoek en interventie op de werkplek, voor de mogelijke gevolgen voor werk en inkomen, voor de relaties op het werk met collega’s en de werkgever en bespreek de rol van de bedrijfsarts.

 

Verwijs altijd naar de bedrijfsarts voor het beleid ten aanzien van verzuim, arbeidsongeschiktheid en re-integratie.

 

Dezelfde aanbevelingen worden gedaan in de ERS-richtlijn (Baur, 2012b). Behalve schriftelijke informatie voor de patiënt wordt het ontwikkelen van een brochure voor werkgevers aanbevolen. Deze zou door longartsen en bedrijfsartsen gezamenlijk kunnen worden ontwikkeld.

Inleiding

Werkgerelateerd astma komt frequent voor en wordt ondanks de hoge ziektelast en kosten onvoldoende onderkend. Het herkennen van werkgerelateerd astma is van belang voor de behandeling en prognose. Gezondheidsbewaking of surveillance wordt daarom aanbevolen voor het vroeg identificeren van werkgerelateerd astma, rhinitis en of een beroepsallergie bij medewerkers met een verhoogd risico of met een verhoogde gevoeligheid. Aanvullend diagnostisch onderzoek kan vervolgens een werkgerelateerd astma of een beroepsallergie aantonen of uitsluiten, waarna behandeling kan worden gestart. De belangrijkste maatregelen moeten echter in de werkomgeving worden getroffen: absolute vermijding van blootstelling aan allergenen in het geval van beroepsastma en het verminderen van de blootstelling in alle andere gevallen van werkgerelateerd astma. Veel van deze activiteiten liggen niet op het gebied van de longarts en kunnen alleen in multidisciplinair verband worden uitgevoerd. Deze module beschrijft dan ook hoe de in deze richtlijn beschreven zorg zich verhoudt tot het bredere perspectief van de zorgketen rondom werkgerelateerd astma (zie figuur 1).

 

Figuur 1 Kennisgebieden en samenwerking binnen de arbocuratieve zorg

Figuur 1 Kennisgebieden en samenwerking binnen de arbocuratieve zorg

 

In deze module wordt geprobeerd aan de hand van de volgende vraagstellingen meer inzicht te geven in de arbocuratieve zorgverlening en de rol die de longarts hierin heeft:

  • Hoe groot is de omvang en de ziektelast van werkgerelateerd astma in Nederland?
  • Hoe is de arbocuratieve zorg in Nederland georganiseerd?
  • Wat zijn belangrijke inhoudelijke elementen van arbocuratieve zorg?
  • Welke knelpunten bestaan in de arbocuratieve zorgverlening?

 

Omvang van het probleem en ziektelast

In de lijst van tien meest voorkomende ziekten in Nederland staat astma op de zesde plaats. De prevalentie van astma in de huisartsenpraktijk was in 2011 bij mannen 2,7% en bij vrouwen 3,1% (in totaal ruim 475.000 mensen), met een incidentie van respectievelijk 0,5 en 0,6% per jaar (volksgezondheidenzorg.info). Astma gaat in de meeste gevallen gepaard met rhinitis. De prevalentie van astma bij patiënten met rhinitis varieert in de literatuur tussen 10 en 40%. Daarom wordt rhinitis ook wel als een risicofactor voor of een voorstadium van astma beschouwd (ARIA guidelines).

 

Van de mensen met astma waren er in 2011 ruim 300.000 in de arbeidzame periode (57% vrouw) (volksgezondheidenzorg.info). Het Populatie Attributieve Risico (PAR = De hoeveelheid gezondheidslast in een populatie die vermeden kan worden als de determinant afwezig is, in dit geval "werk") van beroepsmatige blootstelling als oorzaak voor astma ligt rond 15% (Baur, 2012a). De jaarlijkse incidentie van beroepsastma onder de werkende bevolking wordt geschat op circa 50 per miljoen. Dat betekent dat bij een werkende bevolking van ruim acht miljoen mensen in Nederland elk jaar ongeveer 375 nieuwe gevallen van beroepsastma kunnen worden verwacht. Er zijn geen schattingen van de in Nederland werkzame populatie die is blootgesteld aan allergenen die beroepsallergie en beroepsastma kunnen veroorzaken. De incidentie en prevalentie van patiënten met astma dat verergert door beroepsmatige blootstelling is niet bekend.

 

Uitgaande van 45.000 mensen met een arbeidsgerelateerd astma komt de ziektelast uitgedrukt in DALY’s (Disability-Adjusted Life-Year, de som van het aantal levensjaren met ziekte en het aantal verloren levensjaren, met een weging voor de ernst van deze ziekte) overeen met een verlies van 1300 DALYS per jaar. Dit ligt in dezelfde orde als de ziektelast door werkgerelateerde lage rugklachten (Eysink, 2007; RIVM).

 

In 2007 ontving 20% van de patiënten met astma een uitkering in het kader van arbeidsongeschiktheid. Voor de algehele bevolking was dit 11%, voor chronisch zieken en gehandicapten tussen 15 en 65 jaar 27% (Heijmans, 2009). De directe zorgkosten voor mensen met astma en COPD bedroegen in 2011 €1,5 miljard per jaar (volksgezondheidenzorg.info), de arbeidsverzuimkosten voor longaandoeningen €1,0 miljard per jaar (Trimbos-instituut, 2011).

 

Organisatie van de arbocuratieve zorg

Bij werkgerelateerde aandoeningen staat de relatie tussen beroepsmatige blootstelling en klachten of aandoeningen centraal. In figuur 6.1 wordt het model van de arbocuratieve zorg schematisch weergegeven (Van Damme, 1995; Rooyackers, 2006). Het model beschrijft een keten waarvan blootstelling, gezondheidseffecten in populaties en individuele patiëntenzorg de schakels vormen. De resultaten vertalen zich in individuele behandeling, re-integratie en monitoring (tertiaire preventie), het vroeg opsporen van gezondheidseffecten (secundaire preventie) en het voorkómen of verminderen van de blootstelling aan schadelijke stoffen, gassen en dampen door beheersmaatregelen op de werkplek (primaire preventie). De toegang tot de vraaggestuurde curatieve zorg is weergegeven met de pijl geheel rechts in het schema. Als door de huisarts of medische specialist een relatie met beroepsmatige blootstelling wordt overwogen zoals bij werkgerelateerde klachten, dient deze naar de bedrijfsarts te verwijzen, maar in de praktijk gebeurt dit slechts in een beperkt aantal gevallen.

 

Kenmerkend voor de arbocuratieve zorg is dat deze zowel op individueel niveau als op groepsniveau plaatsvindt. Voor het opsporen van werkgerelateerde aandoeningen in grotere populaties is epidemiologische kennis vereist. Een ander kenmerk is onderzoek en interventie op de werkplek. Hiervoor is samenwerking noodzakelijk tussen professionals binnen de arbeidshygiëne, arbeids- en bedrijfsgeneeskunde en de curatieve zorg. Deze Nederlandse versie van de ERS-richtlijn voor longartsen behandelt onderwerpen die op het raakvlak liggen tussen de individuele curatieve zorg en de arbeidsgeneeskunde zorg die zich ook richt op populaties. De rol van de longarts binnen het huidige Nederlandse stelsel voor arbocuratieve zorgverlening beperkt zich strikt genomen tot de individuele medische diagnostiek en behandeling. Re-integratie van individuele patiënten, onderzoek naar effecten op populatieniveau en het vroeg opsporen daarvan evenals onderzoek en interventie op de werkplek behoren tot het werkveld van de bedrijfsarts en de arbeidshygiënist.

 

Bij de uitvoering van gezondheidsbewaking (surveillance) wordt de kennis binnen bovengenoemde disciplines integraal toegepast.

 

Gezondheidsbewaking (surveillance)

Gezondheidsbewaking of surveillance is geïndiceerd als de blootstelling aan een bepaalde stof niet of onvoldoende kan worden verlaagd en daarmee een gezondheidsrisico oplevert. Ook het identificeren van een nieuw geval van beroepsastma (index case), bijvoorbeeld door een tot dusver onbekend allergeen, kan aanleiding zijn tot het starten van gezondheidsbewaking. Het betreft een dynamische preventiestrategie die zich richt op alle medewerkers met een verhoogd risico en op de blootstelling, met als doel veiligheid en gezondheid te bevorderen. Alle bovenbeschreven elementen van de arbocuratieve zorg vormen onderdeel van deze strategie, die wordt behandeld in de ERS-richtlijnen (Baur, 2012b; Wilken, 2012). Gezondheidsbewaking vindt periodiek plaats en bestaat in ieder geval uit een vragenlijst aangevuld met het testen van sensibilisatie (specifiek IgE) of aspecifieke bronchiale hyperreactiviteit of verwijzing naar een centrum met ervaring. De frequentie is afhankelijk van de aard van het risico, de resultaten van gezondheidsbewaking en de genomen beheersmaatregelen. Medisch onderzoek bij alle blootgestelde medewerkers is echter kostbaar met een hoog percentage aan negatieve uitslagen. Omdat veel onderzoek is verricht naar blootstelling aan meelstof, sensibilisatie en gezondheidsklachten bij bakkers in Nederland was het mogelijk om met behulp van een diagnostisch model een eenvoudige vragenlijst te ontwikkelen en te valideren die de kans op sensibilisatie voorspelt. Dit maakt medische triage mogelijk op basis van risicostratificatie, waarbij alleen bakkers met een verhoogd risico worden geselecteerd voor verder medisch onderzoek (Wilken, 2012; Meijer, 2010). Deze methode wordt inmiddels toegepast binnen het landelijk gezondheidsbewakingssysteem van de sector bakkerijen, waaraan alle ambachtelijke en industriële bakkers eens per vier jaar kunnen deelnemen. Naast deze actieve wijze van opsporing is het van belang dat bij de gezondheidsbewaking in de perioden tussen de periodieke onderzoeken de werknemer de gelegenheid krijgt om bij het optreden van werkgerelateerde luchtwegklachten het spreekuur van de bedrijfsarts te bezoeken. De ervaring heeft geleerd dat nieuwe gevallen van werkgerelateerd astma niet alleen door actieve opsporing worden gevonden, maar evenzeer door deze meer passieve vorm van surveillance.

 

Er zijn aanwijzingen dat gezondheidsbewaking voor inhaleerbare allergenen een gunstig effect heeft op de ziektelast en de sociaaleconomische kosten, maar een generalistisch programma voor bijvoorbeeld allergenen met een hoog en laag molecuulgewicht is nog niet beschikbaar. Ook ontbreken prospectieve studies naar de langere termijneffecten van gezondheidsbewaking (Wilken, 2012).

 

In Nederland past gezondheidsbewaking binnen het kader van een Preventief Medisch Onderzoek (PMO) gericht op een specifiek beroepsrisico. PMO wordt door de bedrijfsarts uitgevoerd als vrijwillig periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en is verankerd in de Arbowet (Art. 18 en Arbobesluit) (Sluiter, 2013). Omdat gezondheidsbewaking is opgenomen in de richtlijn voor bedrijfsartsen en niet tot het primaire werkterrein van de longarts behoort, valt bespreking hiervan buiten het bestek van een richtlijn voor longartsen. Benadrukt wordt dat voor de bijstand en begeleiding van werknemers die door ziekte niet in staat zijn hun arbeid te verrichten, voor periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en voor aanstellingskeuringen de inzet van een bedrijfsarts verplicht is (Art. 2.14a Arbobesluit).

 

Een mogelijke bijdrage van de longarts aan gezondheidsbewaking komt in een van de aanbevelingen terug. Voor de inhoud van individuele diagnostiek en behandeling wordt verwezen naar de desbetreffende modules.

 

Interventie in de werkomgeving

Terwijl in de curatieve zorg de medicamenteuze en niet-medicamenteuze behandeling gericht is op het individu (medicatie, leefstijl) en op de woonomgeving (sanering), staat bij arbeidsgerelateerde aandoeningen interventie in de werkomgeving centraal. Beheersmaatregelen vormen een belangrijk onderdeel van de interventie en zijn het terrein van de arbeidshygiënist. In de ERS-richtlijnen komt dit onderwerp aan bod in het hoofdstuk over gezondheidsbewaking. Daarnaast is een apart hoofdstuk gewijd aan primaire preventie. Ook dit hoofdstuk is verder buiten beschouwing gelaten. Enkele raakvlakken zijn elders in deze richtlijn opgenomen.

 

Knelpunten

In de arbocuratieve zorg en bij de uitvoering van gezondheidsbewaking spelen een aantal problemen die samenhangen met het huidige zorgstelsel, het multidisciplinaire karakter, de beschikbaarheid en kwaliteit van de geleverde zorg evenals de samenwerking tussen disciplines. Deze problemen zijn in een aantal recente Nederlandse rapporten nader geanalyseerd (Advies Betere zorg voor werkenden, 2014; De Zwart, 2011). Samenvattend worden de volgende knelpunten beschreven:

  • Er is onvoldoende aandacht voor de factor arbeid bij de huisarts en medisch specialist; Er is onvoldoende kennis over en aandacht voor preventie van beroepsziekten en het opsporen hiervan bij de bedrijfsarts; De bedrijfsarts is onvoldoende toegankelijk voor (potentieel) werkenden, zoals de meeste ZZP’ers (1,1 miljoen in 2013), werklozen en vrijwilligers. Werknemers met gezondheidsklachten maar zonder verzuim krijgen binnenkort weer toegang tot de bedrijfsarts.
  • Er is onvoldoende communicatie en samenwerking tussen bedrijfsarts en de curatieve zorgverleners.
  • De onafhankelijkheid van de bedrijfsarts is niet zonder meer gewaarborgd en het vertrouwen in de bedrijfsarts schiet te kort. Als mogelijke gevolgen worden gesignaleerd het uitblijven van een diagnose, behandeling en interventie, waardoor een extra gezondheidsrisico ontstaat en onnodig lang verzuim. Dit verklaart ook het laag aantal, overigens verplichte, meldingen van beroepsziekten door bedrijfsartsen bij het Nederlandse Centrum voor Beroepsziekten (NCvB). Aanbevelingen en suggesties worden gedaan om tot verbetering te komen (Advies Beter zorg voor werkenden, 2014; Advies Werk: van belang voor iedereen, 2016).

 

Oorzaken

Als achterliggende oorzaak wordt gewezen op het ontbreken van een risque professionel in het Nederlandse stelsel voor sociale zekerheid. Hierdoor vervalt de noodzaak om de oorzaak van een aandoening te onderzoeken, omdat iedereen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid een uitkering ontvangt (risque social) ongeacht of de oorzaak binnen of buiten het werk ligt. Nederland kent ook geen regeling voor compensatie van beroepsziekten (De Zwart, 2011).

 

Een andere oorzaak die genoemd kan worden en mogelijk samenhangt met het stelsel voor sociale zekerheid is dat arbeidsgerelateerde zorg niet wordt vergoed vanuit de Zorgverzekeringswet en dus geen onderdeel uitmaakt van het basispakket. Behoudens in centra voor klinische arbeidsgeneeskunde zijn arbeidshygiënisten en bedrijfsartsen niet beschikbaar binnen de tweedelijns gezondheidszorg.

Referenties

  1. Advies Werk: van belang voor iedereen. Een advies over werken met een chronische ziekte. SER, nr 2, maart 2016: https://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/2010-2019/2016/werken-chronische-ziekte.aspx.
  2. Advies Betere zorg voor werkenden: Een visie op de toekomst van de arbeidsgerelateerde zorg. SER, nr 7, september 2014: http://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/2010-2019/2014/toekomst-arbeidsgerelateerde-zorg.aspx
  3. ARIA guidelines: allergic rhinitis and its impact on asthma: http://www.whiar.org/Documents&Resources.php
  4. Baur X, Aasen TB, Burge PS, et al. The management of work-related asthma guidelines: a broader perspective. Eur Respir Rev. 2012a;21:125-39.
  5. Baur X, Sigsgaard T, Aasen TB, et al. Guidelines for the management of work-related asthma. Eur Respir J. 2012;39:529-545.
  6. Eysink PED, Blatter BM, Gool van CH, et al. Ziektelast van ongunstige arbeidsomstandigheden in Nederland. RIVM rapport 270012001. 2007.
  7. Heijmans MJWM, Spreeuwenberg P, Rijken PM. Monitor zorg- en leefsituatie van mensen met astma en mensen met COPD Trends en ontwikkelingen over de periode 2001 – 2008. Nivel. 2009.
  8. https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/astma
  9. Meijer E, Suarthana E, Rooijackers J, et al. Application of a prediction model for work-related sensitisation in bakery workers. Eur Respir J. 2010;36:735-42.
  10. Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB). Handelen van de bedrijfsarts bij werknemers met astma en COPD. Utrecht: NVAB; 2003; https://www.nvab-online.nl/richtlijnen/richtlijnen-NVAB/astma-en-COPD.
  11. RIVM, Nationaal Kompas Volksgezondheid, http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/sterfte-levensverwachting-en-daly-s/ziektelast-in-daly-s/selectie-van-ziekten-voor-daly-berekeningen/.
  12. Rooyackers J. Nederlands Kenniscentrum Arbeid en Longaandoeningen. Ned Tijdschr Geneeskd. 2006;150:1238-1242.
  13. Sluiter J, Weel ANH, Hulshof C. Leidraad preventief medisch onderzoek van werkenden. NVAB, KMKA, 2013. https://www.nvab-online.nl/richtlijnen-en-kennisdocumenten/procedurele-leidraden/leidraad-pmo.
  14. Trimbos-instituut, verzuim door psychische en somatische aandoeningen bij werkenden, resultaten van de ‘Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study-2’ (NEMESIS-2). 2011.
  15. Van Damme K, Casteleyn L, Heseltine E, et al. Individual susceptibility and prevention of occupational diseases: scientific and ethical issues. J Occup Environ Med. 1995;37:91-99.
  16. Wilken D, Baur X, Barbinova L, et al. What are the benefits of medical screening and surveillance? Eur Respir Rev. 2012;21:105-111.
  17. Zwart de BCH, Prins R, Gulden van der JWJ. Onderzoek naar de positie van de bedrijfsarts. Astri. 2011.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2016

Laatst geautoriseerd : 01-01-2016

Uiterlijk in 2021 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose of deze richtlijn (module) nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Allergologie

Algemene gegevens

De richtlijn wordt ter autorisatie voorgelegd aan:

  • Nederlandse Vereniging van Artsen voor Longziekten en Tuberculose (NVALT)
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB)
  • Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB)
  • Nederlands Vereniging voor Allergologie (NVvA)

 

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van Medisch Specialisten (www.kennisinstituut.nl) en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel van de richtlijn

Het doel van de richtlijn is het creëren van duidelijke en uniforme diagnostiek, behandeling, prognose en preventie van werkgerelateerd astma. Daarnaast beoogt deze richtlijn andere behandelaars in de eerste en tweede lijn te ondersteunen bij het signaleren van werkgerelateerde luchtwegklachten.

 

Beoogde gebruikers van de richtlijn

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met werkgerelateerde luchtwegklachten en werkgerelateerd astma. De gebruikers van de richtlijn betreffen dan ook naast de longartsen andere medische en paramedische beroepsgroepen zoals bedrijfsartsen, verzekeringsartsen, medische adviseurs, allergologen, huisartsen, physician assistants, longfunctieanalisten, (long)verpleegkundigen en praktijkondersteuners in de huisartsenpraktijk. De richtlijn is informatief voor arbeidshygiënisten, arbeidsdeskundigen en andere professionals in de arbodienstverlening.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2015 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met werkgerelateerd astma.

 

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende 18 maanden aan de totstandkoming van de richtlijn.

 

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • Dr. J.M. (Jos) Rooijackers, longarts, NVALT, Den Bosch (voorzitter richtlijnwerkgroep)
  • Dr. F.H. (Frans) Krouwels, longarts, NVALT, Den Bosch
  • Dr. J.S. (Jaring) van der Zee, longarts, NVALT, Den Bosch
  • Drs. A.C. (Anna) de Boer, AIOS-longziekten, NVALT, Den Bosch
  • B. (Benjamin) van Wijngaarden MSc, Longfonds, Amersfoort
  • Dr. T.M. (Teake) Pal, bedrijfsarts, NVAB, Utrecht

 

Met ondersteuning van:

  • P.H. (Pieter) Broos, MSc, senior-adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten, Utrecht
  • H.L. (Hilde) Vreeken, MSc, adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten, Utrecht, tot december 2015
  • E.A. (Ester) Rake, MSc, junior adviseur, Kennisinstituut van Medisch Specialisten, Utrecht, vanaf januari 2016

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen door middel van reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek, en belangen door kennisvalorisatie. De belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van Medisch Specialisten, een overzicht vindt u hieronder.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

Kouwels

Longarts

opleider longgeneeskunde

adviesraad Boehninger - zie verder (betaald)

incidenteel geven van cursussen over astma en COPD, betaald

diverse spins over (GSK, Boehninger, Novartis) voor huisartsen

voorzitter commissie kwaliteits visitatie longgeneeskunde NVALT

voorzitter Bronckhorst colloquia NVALT

Persoonlijke financiële belangen: adviescommissie Boehringer

Geen

Van der Zee

Longarts

/directeur Teaching Hospital AVG Amsterdam

geen

 

 

Rooijackers

Longarts: 0,7fte: Voorzitter bestuur St. NKAL (ZBC), 0,1 fte

geen

Extern gefinancierd onderzoek: gezondheidsbewaking in de ambachtelijke en industriële bakkerijen, uitgevoerd in opdracht van het Nederlands Bakkerij Centrum (NBC). Het NBC betaalt de zorgkosten geheel of gedeeltelijk.

 

Kennisvalorisatie: uitvoering van gezondheidsbewakingssystemen

Geen

Boer

aios longziekten

geen

 

 

Van Wijngaarden

Projectleider

n.v.t.

 

 

De Groene

Bedrijfsarts in de rol van klinisch arbeidsgeneeskundige bij het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten (NCvB) en de Polikliniek Mens en Arbeid (PMA), beiden onderdeel van het Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid onderdeel van het Academisch Medisch Centrum (AMC) te Amsterdam.

geen

 

 

Pal

klinisch arbeidsgeneeskundige op afroep bij IKA Nederland

docent beroepsziekten -betaald

bestuurslid Ned Ver Klinische Arbeidsgeneeskunde – onbetaald

bestuurslid sectie Arbeidstoxicologie van de Ned Ver Toxicologie -onbetaald

besturslid Stihcting LDOH-onbetaald

lid cie richtlijnontwikkeling van de NVAB-onbetaald

lid kerngroep update richtlijn astma en COPD van de NVAB-onbetaald

Reputatiemanagement:

lid cie richtlijnontwikkeling van de NVAB

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Om het Nederlandse patiëntenperspectief te integreren in de richtlijn, werden een focusgroep gehouden met patiënten met beroepsastma en interviews afgenomen. Hierbij werd nauw samengewerkt met het Longfonds, waarbij het Longfonds in de lead was. Een verslag hiervan (zie bijlage 3) is besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn verwerkt in de richtlijn. De conceptrichtlijn is tevens voor commentaar voorgelegd aan de deelnemers van de focusgroep.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. De werkgroep heeft na de vertaling van de aanbevelingen uit de ERS-richtlijn een inschatting gemaakt of de aanbevelingen implementeerbaar zijn in de Nederlandse praktijk en deze waar nodig aangepast. Het implementatieplan (bijlage 8) is te vinden onder 'Toepassen' bij de aanverwante producten.

Werkwijze

Zoals beschreven in de inleidende module is deze richtlijn gebaseerd op de Europese richtlijn van de European Respiratory Society (ERS) [http://erj.ersjournals.com/content/39/3/518]. De werkwijze van de ontwikkeling van de ERS-richtlijn wordt verderop beschreven (richtlijnmethodiek ERS-richtlijn). Bij de ontwikkeling van de Nederlandse versie van deze richtlijn diende het document Richtlijnen 2.0 als uitgangspunt. Er werd door de werkgroep beoordeeld in hoeverre de richtlijn voldeed aan de in dit document omschreven kaders en welke aanvullende activiteiten noodzakelijk waren. De werkgroep beoordeelde onder andere dat in aanvulling op de ERS-richtlijnmethodiek een knelpuntenanalyse en het organiseren van focusgroepbijeenkomsten noodzakelijk waren.

 

De volgende stappen zijn gevolgd om de richtlijn te vertalen en het Nederlandse perspectief te integreren:

In kaart brengen behoeften bij achterban voor vertaling richtlijn

De achterban werd geraadpleegd om te bepalen of er behoefte bestond aan een vertaling van de internationale richtlijn. Hieruit bleek dat de Nederlandse situatie verschilt van de ERS-richtlijn, waardoor de inschatting werd gemaakt dat het nuttig is om de richtlijn te vertalen en aan te passen.

 

AGREE II

De ERS-richtlijn werd door twee adviseurs uit de Nederlandse werkgroep onafhankelijk van elkaar gescoord met behoud van het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010). AGREE II is een internationaal breed geaccepteerd instrument waarmee de kwaliteit van de internationale richtlijn kan worden bepaald, door middel van het scoren van de richtlijn op zes domeinen: scope and purpose, stakeholder involvement, rigour of development, clarity of presentation, applicability en editorial independance. De AGREE II scores zijn op te vragen bij het Kennisinstituut.

 

Beoordelen kwaliteit searches

Om te bepalen hoe recent de zoekstrategie van de internationale richtlijn was en wat de kwaliteit van de zoekstrategie was, werd van één uitgangsvraag (prognose van werkgerelateerd astma) de search beoordeeld. De search werd met behulp van een informatiespecialist opnieuw uitgevoerd. Hieruit bleek dat in de search uit de ERS-richtlijn alleen op MeSH (medical subject headings) termen was gezocht en niet op studies zonder MeSH terms. Hierdoor werden de nieuwste artikelen niet gevonden in de search van de ERS-richtlijn. Dit verschil zorgde voor een zoekresultaat van 168 studies in de nieuwe search ten opzichte van 92 studies in de oude search (search uitgevoerd voor één risicofactor). Verder werd de search van de ERS-richtlijn uitgevoerd in 2010, waardoor de literatuur van de afgelopen jaren nog niet in de richtlijn is verwerkt. Omdat dit in de projectaanvraag niet was voorzien besloot de werkgroep dat het aanpassen van alle searches inclusief het verwerken van nieuwe literatuur te veel tijd in beslag zou nemen, daarom is in deze vertaling uitgegaan van de search uit de ERS-richtlijn. Bij een toekomstige herziening zal hiermee rekening worden gehouden.

 

Vertaling aanbevelingen

Tijdens de voorbereidende fase vertaalden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de aanbevelingen uit de ERS-richtlijn naar het Nederlands. De vertaalde aanbevelingen werden plenair besproken tijdens een vergadering van de werkgroep alsmede tijdens de invitational conference.

 

Knelpuntenanalyse: invitational conference

De vertaalde aanbevelingen vormden de input voor de knelpuntenanalyse. Om de knelpunten te identificeren werd een invitational conference gehouden. Tijdens deze bijeenkomst kregen de aanwezige partijen de gelegenheid op de validiteit van de ERS-aanbevelingen te reageren en werden aanvullende knelpunten aangedragen. Er werd geconstateerd dat een Nederlandse vertaling van de ERS-richtlijn nuttig zal zijn, aangezien de internationale richtlijn geen inzicht geeft rondom onderwerpen die specifiek zijn voor de Nederlandse situatie, zoals de afstemming tussen de longartsen en de bedrijfsartsen. De volgende partijen waren aanwezig bij de invitational conference: M. Niederer (NKAL), J. Rooijackers, (NVALT), G. de Groene (NCvB), R. Houba (NVv Arbeidshygiene), L. Verweij (VWS), E. Roling (LAN), B van Wijngaarden (Longfonds), T. Pal (NVAB), M. Persoons (ZN/CZ), H. Vreeken (Kennisinstituut), P Broos (Kennisinstituut/NVALT). Een verslag hiervan is te vinden in bijlage 2.

 

Raamwerk vaststellen

De werkgroep besloot naar aanleiding van de invitational conference om drie uitgangsvragen geheel te vertalen en uit te werken in deze Nederlandse versie van de richtlijn; de modules over diagnostiek, prognose/risicofactoren en behandeling. De relevante aspecten uit de uitgangsvraag over screening en surveillance en de uitgangsvraag over preventie werden opgenomen in de module Organisatie van Zorg.

 

Richtlijnteksten vertalen

De werkgroep vertaalde de richtlijnentekst, dat wil zeggen de conclusies en aanbevelingen. De achtergrondteksten werden overgenomen, vertaald en aangevuld voor zover deze relevant waren voor de onderbouwing van de conclusies en aanbevelingen of voor de toepassing in de Nederlandse situatie. Gedurende deze ‘ontwikkelfase’ werden verschillende plenaire werkgroepbijeenkomsten gepland om de voortgang en inhoud van de teksten te bespreken.

 

Toevoegen van overwegingen per uitgangsvraag

De werkgroep bediscussieerde de Nederlandse aspecten rondom werkgerelateerd astma en voegde deze overwegingen toe aan de richtlijnentekst. Aspecten zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken werden meegewogen, om op die manier tot relevante aanbevelingen te komen voor het Nederlandse veld. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Overwegingen.

 

Toevoegen module Organisatie van zorg

Tijdens de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van Zorg. In deze module zijn ook twee uitgangsvragen van de ERS-richtlijn verwerkt, namelijk de uitgangsvraag over screening en surveillance en de uitgangsvraag over preventie.

 

Toevoegen module Kennislacunes

De aanbevelingen in richtlijnen zijn zoveel mogelijk gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek. Het blijkt echter dat onderzoek ter onderbouwing van aanbevelingen soms ontbreekt of ontoereikend is. Men spreekt dan van een kennislacune. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Dit staat per module beschreven onder de aanbevelingen.

 

Herformuleren aanbevelingen

De vertaalde aanbevelingen werden geherformuleerd. Hierbij werden toevoegingen gedaan op basis van de uitkomsten van de focusgroep en interviews met patiënten. Ook de overwegingen met de Nederlandse situatie als uitgangspunt dienden als input om de aanbevelingen te herformuleren. De aanduiding van de sterkte van de bewijskracht bij de aanbeveling, welke in de ERS-richtlijn werden gebruikt, zijn in de Nederlandse richtlijn weggelaten. De werkgroep achtte dit niet relevant aangezien de aanduiding van het bewijs al bij de conclusies is weergegeven en er nieuwe aanbevelingen vanuit het patiëntenperspectief werden geformuleerd.

 

Conceptrichtlijn vaststellen en commentaarfase

Na het vertalen van de teksten en de aanbevelingen en het aanvullen van de richtlijn met relevante onderwerpen, stelde de werkgroep de conceptrichtlijn vast.

 

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep.

 

Commentaren verwerken

Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep.

 

Autorisatie

De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.