Depressie bij visusstoornissen

Laatst beoordeeld: 01-01-2011

Uitgangsvraag

  • Hoe vaak komen depressieve klachten voor bij slechtziende ouderen en wat is de ernst van deze klachten?
  • Wat zijn de risicofactoren voor het ontwikkelen van depressieve klachten of welke factoren zijn geassocieerd met deze klachten?
  • Wat is de effectiviteit van interventies ter voorkoming of voor behandeling van depressieve klachten?

Aanbeveling

Oogartsen dienen bedacht te zijn op depressie en aan slechtziendheid gerelateerde depressieve klachten onder slechtziende patiënten.

 

Bij verdenking van depressieve klachten gerelateerd aan slechtziendheid dienen patiënten te worden verwezen naar de huisarts waarbij gewezen kan worden op de aanwezigheid van psychologen en maatschappelijk werkers welke gespecialiseerd zijn in aan slechtziendheid gerelateerde depressieve klachten in revalidatie- instellingen. Andere vormen van psychotherapie of behandeling door een psychiater kunnen eveneens zinvol zijn.

Overwegingen

Mogelijk gelden vergelijkbare bevindingen voor angst en het ontwikkelen van angststoornissen onder oudere slechtzienden. In de literatuur over slechtzienden ligt de nadruk meestal op depressieve klachten, echter angstklachten worden steeds vaker in één adem genoemd met depressiviteit vanwege de vergelijkbaarheid van symptomen. Bij ernstige depressie of angstklachten is wellicht een vorm van psychotherapie inclusief medicatie geïndiceerd.

Inleiding

Depressieve klachten lijken veelvuldig voor te komen bij mensen met slechtziendheid. Onderzoek is tot nu toe voornamelijk verricht naar depressie onder slechtziende ouderen. In veel van deze studies wordt het voorkomen van depressieve klachten vastgesteld met behulp van screenings-vragenlijsten als de Center for Epidemiologic Studies - Depression (CES-D) of de Geriatric Depression Scale (GDS). In een kleiner aantal studies wordt het voorkomen van een klinische depressie volgens de DSM-IV (Diagnostic Statistical Manual) vastgesteld met een diagnostisch interview. Er is uitgebreid onderzoek gedaan naar de prevalentie van depressie. Uit een review blijkt dat de prevalentie in de algemene oudere bevolking voor een klinische depressie varieert tussen de 0,5 en 3%. Echter, tussen de 10-15% geeft aan zodanig aan depressieve klachten te lijden dat de kwaliteit van leven negatief wordt beïnvloed en er een toename is in zorgconsumptie.1

 

Prevalentie van depressieve klachten

Uit de meeste onderzoeken, vaak cross-sectioneel of prospectief, komt naar voren dat een relatief groot aantal slechtziende ouderen significante depressieve klachten ervaart. Voorbeelden zijn een cross-sectioneel onderzoek onder Nederlandse slechtziende ouderen (N=274; gemiddelde leeftijd 78 jaar) die zich bij een revalidatie- instelling hadden aangemeld: 29% rapporteerde depressieve klachten en 7% had het afgelopen jaar een depressieve episode doorgemaakt die voldeed aan criteria volgens DSM-IV (C).2 Horowitz et al. (2005) rapporteerde depressieve klachten bij 26,9% van 584 slechtziende ouderen (65+) die zich hadden aangemeld bij een revalidatie-instelling.3 Daarnaast had op dat moment 7% een klinische depressie volgens DSM-IV (C). In eerder onderzoek rapporteerden zij 33,7% bij slechtziende ouderen (N=95) (B).4,5 In recent onderzoek van Rees et al. (2010) had 14,7% van slechtziende ouderen bij een derdelijns oogziekenhuis ernstige en 27,3% milde depressieve klachten (N=143).6 Echter, deze klachten werden niet met een diagnostisch instrument vastgesteld, maar met een screeningsvragenlijst (C). Rovner et al. (2002) lieten een prevalentie van 33% zien in onderzoek naar depressieve klachten onder macula degeneratiepatiënten (N=51) (B); Hayman et al. (2007) onder 391 patiënten (>75 jaar; visus <20/80) 29,4% (C); Brody et al. onder macula degeneratiepatiënten (N=151) 32,5% (C); en Skalicky et al. (2008) 32% onder patiënten met ernstig glaucoom (N=165), waarbij een significante toename van de prevalentie in de groep ouderen tussen 70 en 79 jaar werd vastgesteld naarmate de glaucoom ernstiger was (C).7-11 Uit een grote cross-sectionele bevolkingsstudie onder 13.900 personen (75+) bleek dat 13,6% van visueel beperkte ouderen depressieve klachten had vergeleken met 4,6% van de normaal ziende ouderen (B).12

Conclusies

De prevalentie en beperkingen die door depressieve klachten worden veroorzaakt bij slechtzienden zijn substantieel. De prevalentie ligt rond de 1 op 3 van de slechtziende ouderen (B/C). Onderzoek naar risicofactoren en associaties laat zien dat depressieve klachten wellicht ontstaan door slechtere visus en de daaruit voorkomende problemen, maar er zijn ook een aantal algemenere kenmerken aan te wijzen die gerelateerd zijn aan of leiden tot depressieve klachten (A2/C).

De interventies tonen aan dat depressieve klachten kunnen worden behandeld en dat dit kan leiden tot het verdwijnen van deze klachten of het voorkómen van depressieve stoornissen. Wel zullen interventies moeten worden ontwikkeld die zich richten op het behoud van effecten, zodat depressieve klachten voor zover mogelijk blijvend zullen verminderen en stoornissen kunnen worden voorkomen (A2/B).

Samenvatting literatuur

Risicofactoren en associaties

In een aantal studies is gekeken in hoeverre slechtziendheid of visus een belangrijke voorspeller is of een significante associatie laat zien met depressieve klachten, of dat er andere factoren aan ten grondslag liggen. Voorbeelden waarin visus en gerelateerde problemen geassocieerd zijn met depressieve klachten zijn het onderzoek van Rees et al (2010) waaruit bleek dat visus-specifieke problematiek de sterkste voorspeller was voor depressieve klachten en daarnaast fysieke gezondheid, leeftijd en negatieve levensgebeurtenissen (C).6 In onderzoek van Brody et al. (2001) onder macula degeneratiepatiënten (N=151) bleek dat naast depressieve klachten ook de visus geassocieerd was met het ervaren van visuele beperkingen (C).9 Onderzoek bij 144 ouderen met macula degeneratie bij een revalidatiecentrum wees uit dat acceptatie van slechtziendheid sterk gerelateerd was aan depressief affect. Ook blijkt dat het gebruik van revalidatie services minder frequent is onder patiënten met depressieve klachten (C).13 In het in de vorige module genoemde onderzoek onder 391 patiënten (>75 jaar; visus < 20/80) waren fysieke, visuele (index visueel functioneren; VF14) en psychologische factoren gerelateerd aan depressieve klachten en niet zozeer leeftijd, geslacht, woonsituatie, etniciteit of gebruik van antidepressiva (C).8 In onderzoek van Horowitz et al (2003) komt naar voren dat initiële depressie werd verklaard door alleenstaand zijn, slechtere gezondheid en slechtere kwaliteit van sociale relaties.4 Vermindering van depressieve klachten werd verklaard door jongere leeftijd, beter gezondheid, stabiliteit van vriendschappen en gebruik van revalidatieservices voor slechtzienden (C). Ook twee grotere studies laten een relatie zien tussen slechtziendheid en depressie: in onderzoek van Wysong et al. (2009) werden verzekeringsdata van 10 jaar geanalyseerd van ruim 32.000 personen met MD.14 Deze werden vergeleken met dezelfde hoeveelheid mensen zonder MD die waren gematched op leeftijd, geslacht en ras maar die wel routinematig een oogcontrole hadden gehad. Ouderen met MD hadden een significant grotere kans op depressieve klachten (hazard ratio = 1,06) (B). In een systematische review met gepoolde data kwam naar voren dat onder andere mensen met visuele beperkingen een verhoogde kans hebben op depressieve klachten vergeleken met mensen zonder visuele beperking (OR=1,94) (A2).15 Ook bleek uit een review van Nyman et al. (2010) dat slechtziende volwassenen vaker een lagere mentale gezondheid ervaren, echter, een visuele beperking was in de gevonden studies niet altijd consistent gerelateerd aan depressieve klachten (C).16

Een voorbeeld van andere factoren die gerelateerd zijn aan depressieve klachten is het eerder genoemde bevolkingsonderzoek van Evans et al. (2007) waaruit bleek dat, na correctie voor ADL welke de relatie tussen slechtziendheid en depressie kunnen beïnvloeden, de relatie tussen slechtziendheid en depressieve klachten niet meer significant was (B).12 Rovner et al. (2002) toonden in een prospectief cohort aan dat visus en visuele beperkingen geen significante voorspellers waren voor depressieve klachten onder MD patiënten (N=51) zodra gecorrigeerd werd voor algemene fysieke beperkingen.7 Voorts voorspelde een toename in depressieve klachten een afname in zelfgerapporteerd visueel functioneren (B). Slechtere gezondheid, sociale steun, de mate waarin men in staat is doeltreffend te handelen (“self-efficacy”) en een depressieve episode in het verleden verhoogden de kans op depressieve klachten en een klinische depressie bij slechtziende ouderen (65+, N=584) vergeleken met degenen die geen depressie doormaakten. Echter, het hebben van functionele beperkingen en negatieve levenservaringen waren geassocieerd met depressieve klachten en alleen een depressieve episode in het verleden verhoogde de kans op een klinische depressie op dat moment (C). In grootschalig onderzoek van Jones et al (2009) werd gezocht naar kenmerken van depressieve slechtziende ouderen.17 Er werden gegevens uit een databestand van ca. 50.000 ouderen (65+) geanalyseerd waarbij ca. 8.800 slechtzienden met en zonder depressieve klachten werden vergeleken met ruim 3.000 mensen zonder visuele beperkingen en depressieve klachten (referentiegroep). Mensen met een visuele beperking en depressieve symptomatologie rookten vaker (gecorrigeerde OR=1.6), leden vaker aan obesitas (OR=1,9), waren fysiek inactief (OR=3,0), hadden een matig tot slechte gezondheid (OR=26,5) en hadden vaker moeite met zelfverzorging (OR=11,8) en sociale participatie (OR=10,9) dan mensen zonder visuele beperkingen en depressieve klachten (B).

In twee onderzoeken is aandacht voor depressieve klachten bij de partner of mantelzorger: In onderzoek van Bambara et al. (2009) werden depressieve klachten bij mantelzorgers van slechtzienden onderzocht (N=96).18 Ineffectief probleemoplossend vermogen was geassocieerd met een ernstigere depressieve symptomatologie van de mantelzorger (C). Uit onderzoek van Goodman et al. (2002) bij 123 partners van slechtzienden, bleek dat een aantal factoren depressiviteit bij de partner verklaarde.19 Echter, depressiviteit van de slechtziende zelf was een onafhankelijke voorspeller voor depressieve klachten van de partner (C).

 

Interventie effecten

Twee onderzoeksgroepen hebben kwalitatief goede gerandomiseerde gecontroleerde trials gedaan naar de effecten van behandeling van depressieve klachten of ter voorkoming van het ontwikkelen van een klinische depressie. In een gerandomiseerd onderzoek naar de effecten van een self-management programma onder een wat kleine groep oudere macula degeneratiepatiënten (N=32; gemiddelde leeftijd 81,5 jaar) komt naar voren dat het programma effectief is in het verminderen van depressieve klachten na 6 maanden. Het programma is specifiek gericht op deze patiëntengroep en bestaat uit cognitieve en gedragselementen, gezondheidseducatie en verbeteren van probleemoplossend vermogen (A2).10 Het tweede gerandomiseerde onderzoek is gedaan naar de effecten van problem-solving treatment (PST) onder 206 macula degeneratie-patiënten. Hieruit blijkt dat PST de 2-maands incidentie van depressieve stoornissen (DSM-IV) met de helft vermindert (OR=0,43). Echter, dit effect verdween na 6 maanden. De onderzoekers concluderen dat PST uitgebreid zou moeten worden met een zorgmodel waarbij aandacht is voor het behouden van revalidatievaardigheden20 of zogenaamde "booster-sessies” waarbij de effecten van PST op het voorkómen van depressieve stoornissen mogelijk langer aanhouden (A2). Voorts laat prospectief onderzoek van Horowitz et al. (2005) zien dat revalidatieservices als het voorschrijven van optische hulpmiddelen, counseling en vaardigheden training een positieve invloed hebben op zowel fysiek als psychisch functioneren (B).5

Tenslotte blijkt uit een Australische vragenlijststudie naar de dagelijkse praktijk van oogheelkunde en revalidatie professionals (N=94; vertegenwoordigt een respons van 14%) dat de laatste groep zich vaker uit zichzelf bezig hield met het detecteren van depressie. Dit hing samen met zelfvertrouwen om depressie te herkennen, met barrières (bijv. ontbreken van standaardprocedures, kennis en tijd) en met percepties over depressie zoals het vertrouwen in effectiviteit van behandeling. De onderzoekers concluderen dat training nodig is om professionals de vaardigheid te geven in het adequaat omgaan met en detecteren van depressie bij slechtzienden (C).22

Referenties

  1. 1 - Beekman AT, Copeland JR, Prince MJ. Review of community prevalence of depression in later life. Br J Psychiatry 1999;174:307-11.
  2. 2 - van Nispen RMA, Vreeken HL, Comijs HC, van Rens GHMB. Improving referral of depressed elderly in low vision rehabilitation. Eindrapportage ZonMw-InZicht. 2011.
  3. 3 - Horowitz A, Reinhardt JP, Kennedy GJ. Major and subthreshold depression among older adults seeking vision rehabilitation services. Am J Geriatr Psychiatry 2005;13:180-7.
  4. 4 - Horowitz A, Reinhardt JP, Boerner K, Travis LA. The influence of health, social support quality and rehabilitation on depression among disabled elders. Aging Ment Health 2003;7:342-50.
  5. 5 - Horowitz A, Reinhardt JP, Boerner K. The effect of rehabilitation on depression among visually disabled older adults. Aging Ment Health 2005;9:563-70.
  6. 6 - Rees G, Tee HW, Marella M, et al. Vision-specific distress and depressive symptoms in people with vision impairment. Invest Ophthalmol Vis Sci 2010;51:2891-6.
  7. 7 - Rovner BW, Casten RJ, Tasman WS. Effect of depression on vision function in age-related macular degeneration. Arch Ophthalmol 2002;120:1041-4.
  8. 8 - Hayman KJ, Kerse NM, La Grow SJ, et al. Depression in older people: visual impairment and subjective ratings of health. Optom Vis Sci 2007;84:1024-30.
  9. 9 - Brody BL, Gamst AC, Williams RA, et al. Depression, visual acuity, comorbidity, and disability associated with age-related macular degeneration. Ophthalmology 2001;108:1893-900.
  10. 10 - Brody BL, Roch-Levecq AC, Kaplan RM, et al. Age-related macular degeneration: self-management and reduction of depressive symptoms in a randomized, controlled study. J Am Geriatr Soc 2006;54:1557-62.
  11. 11 - Skalicky S, Goldberg I. Depression and quality of life in patients with glaucoma: a cross-sectional analysis using the Geriatric Depression Scale-15, assessment of function related to vision, and the Glaucoma Quality of Life-15. J Glaucoma 2008;17:546-51.
  12. 12 - Evans JR, Fletcher AE, Wormald RPL. Depression and anxiety in visually impaired older people. Ophthalmology 2007;114:283-8.
  13. 13 - Tolman J, Hill RD, Kleinschmidt JJ, Gregg CH. Psychosocial adaptation to visual impairment and its relationship to depressive affect in older adults with age-related macular degeneration. Gerontologist 2005;45:747-53.
  14. 14 - Wysong A, Lee PP, Sloan FA. Longitudinal incidence of adverse outcomes of age-related macular degeneration. Arch Ophthalmol 2009;127:320-7.
  15. 15 - Huang CQ, Dong BR, Lu ZC, et al. Chronic diseases and risk for depression in old age: A meta-analysis of published literature. Ageing Research Reviews 2010;9:131-41.
  16. 16 - Nyman SR, Gosney MA, Victor CR. Psychosocial impact of visual impairment in working-age adults. Br J Ophthalmol 2010;94:1427-31.
  17. 17 - Jones GC, Rovner BW, Crews JE, Danielson ML. Effects of depressive symptoms on health behavior practices among older adults with vision loss. Rehabil Psychol 2009;54:164-72.
  18. 18 - Bambara JK, Owsley C, Wadley V, et al. Family caregiver social problem- solving abilities and adjustment to caring for a relative with vision loss. Invest Ophthalmol Vis Sci 2009;50:1585-92.
  19. 19 - Goodman CR, Shippy RA. Is it contagious? Affect similarity among spouses. Aging Ment Health 2002;6:266-74.
  20. 20 - Rovner BW, Casten RJ. Preventing late-life depression in age-related macular degeneration. Am J Geriatr Psychiatry 2008;16:454-9.
  21. 21 - Rovner BW, Casten RJ, Hegel MT, et al. Preventing depression in age-related macular degeneration. Arch Gen Psychiatry 2007;64:886-92.
  22. 22 - Rees G, Fenwick EK, Keeffe JE, et al. Detection of depression in patients with low vision. Optom Vis Sci 2009;86:1328-36.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2011

Laatst geautoriseerd : 01-01-2011

Uiterlijk in 2016 bepaalt het NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geformeerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. De verwachting is dat er onder andere op het gebied van auditief-visuele beperkingen en niet-aangeboren hersenletsel alleen al in Nederland meer onderzoek zal worden gedaan naar aanleiding van de aanstelling van bijzondere leerstoelen op dit gebied. Daarnaast zijn er op dit moment in ons land studies gaande bij mensen met visueel-verstandelijke beperkingen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen in samenwerking met Bartiméus en Koninklijke Visio. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd door het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap en uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

Aanleiding

In november 2004 werd door het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap de richtlijn "Verwijzing van slechtzienden en blinden” gepubliceerd. Deze richtlijn heeft tot doel te komen tot een betere verwijzing van patiënten met een visuele beperking naar revalidatie. De richtlijn bevat aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de oogarts gebaseerd op deugdelijk wetenschappelijk onderzoek (‘evidence based’). Aan de hand van deze richtlijn kunnen oogartsen potentieel te verwijzen slechtziende en blinde mensen identificeren en komen tot een transparante en doelmatige verwijzing van slechtzienden en blinden naar revalidatie-instellingen, low vision centra en andere vormen van hulpverlening. Om te komen tot een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie bij een blijvende visuele beperking zijn er verschillende revalidatiemogelijkheden zoals gebruik van hulpmiddelen, multidisciplinaire revalidatieprogramma’s, scholing en huisvesting. Deze mogelijkheden mogen echter niet zonder meer bekend worden verondersteld bij de potentiële doelgroep. Er is door individuele patiënten, patiëntenorganisaties en aanbieders van revalidatie bij slechtziendheid in het verleden vaak op gewezen dat de verwijzing van blinde en slechtziende mensen naar instellingen voor revalidatie en onderwijs adequater zou kunnen geschieden.

Door de vele ontwikkelingen binnen het veld van revalidatie is de richtlijn inmiddels toe aan herziening. Ook zijn er in de eerste richtlijn enkele onderwerpen onderbelicht gebleven, zoals revalidatie bij mensen met een meervoudige beperking. Te denken valt aan mensen met visueel-verstandelijke beperkingen, cognitieve beperkingen en auditief-visuele beperkingen

Een werkgroep heeft namens het NOG de richtlijn herzien. Het resultaat heeft u momenteel in de hand en is genaamd: "Visusstoornissen, revalidatie en verwijzing".

Doel en doelgroep

Doelstelling

De richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering van de oogarts. Het doel van de richtlijn is te komen tot:

  • de identificatie van potentieel te verwijzen slechtzienden en blinden;
  • informatieverstrekking over de visuele beperking en revalidatiemogelijkheden om zo te komen tot een betere communicatie met patiënten en hulpverleners;
  • een transparante en doelmatige verwijzing van slechtzienden en blinden naar revalidatie-instellingen en andere vormen van hulpverlening.

Ook zal de richtlijn een leidraad zijn voor het gesprek van de oogarts met de patiënt en hulpverlener om te komen tot de "shared decision” en de inhoud van de verwijsbrief. De richtlijn kan een hulp zijn bij de keuze van de aard van revalidatie en instelling. De commissie wil er echter op wijzen dat zelfs binnen Nederland, afhankelijk van de lokale situatie, de aanwezige deskundigheid op het gebied van revalidatie bij slechtziendheid of blindheid sterk kan verschillen. Zo is er in sommige regio’s wel een optometrisch low vision centrum in de directe nabijheid, maar geen regionaal revalidatiecentrum. Monodisciplinaire low vision centra (waar enkel optometristen werken) en regionale revalidatiecentra hebben echter een verschillende insteek. Bovendien kan de deskundigheid binnen de verschillende regionale revalidatiecentra verschillen, bijvoorbeeld als het gaat om kinderen. De oogarts wordt dan ook geadviseerd om bij de verwijzing rekening te houden met de regionale organisatie.

 

Doelgroep

De richtlijn is primair bedoeld voor oogartsen. Daarnaast kan de richtlijn ook een hulpmiddel zijn voor artsen die op een andere manier betrokken zijn bij mensen met een visuele beperking. Ook voor bijvoorbeeld indicatieadviseurs van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) kan de richtlijn waardevol zijn bij de beoordeling van een hulpaanvraag.

Samenstelling werkgroep

De werkgroep is een onderdeel van de subcommissie richtlijnen en protocollen van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG). Deze subcommissie is onderdeel van de commissie Kwaliteit.

 

Leden kernwerkgroep

  • H.L. Vreeken MSc, gezondheidswetenschapper en promovendus op het gebied van low vision, afdeling oogheelkunde en EMGO+-instituut, VU medisch centrum, Amsterdam
  • Dr. R.M.A. van Nispen, psycholoog, epidemioloog en post doc onderzoeker op het gebied van low vision, afdeling oogheelkunde en EMGO+-instituut, VU medisch centrum, Amsterdam
  • Prof. dr. G.H.M.B. van Rens, FEBOphth, Elkerliek Ziekenhuis, Helmond en hoogleraar Oogheelkunde, afdeling oogheelkunde en EMGO+-instituut, VU medisch centrum, Amsterdam

 

Leden klankbordgroep

  • Dr. F.N. Boonstra, oogarts Bartiméus, Zeist, verzorgde namens Bartiméus mede hoofdstuk 7 over slechtziende kinderen
  • M.N. Copper, oogarts, FEBOphth. en voorzitter commissie Kwaliteit van het Nederlands Oogheelkundig Genootschap
  • Dr. F.T.J.M. Fortuin, oud-voorzitter Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang, Belangenbehartiging van blinden en slechtzienden
  • M.E.H.M. Fortuin, oogarts, Martini ziekenhuis, Groningen
  • Drs. G. Joosten, oud-voorzitter VIZIRIS, op persoonlijke titel.
  • Dr. B.J.M. Melis-Dankers, senior klinisch fysicus visueel systeem, Koninklijke Visio, expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen
  • B.A.E. van der Pol, oogarts UMCG en de Brink, voorzitter subcommissie richtlijnen NOG.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De implementatie van een richtlijn vereist veel aandacht. Deze heeft immers pas effect als ze ook daadwerkelijk in de praktijk wordt gebruikt. De richtlijn "Verwijzing van slechtzienden en blinden” is destijds in concept aangeboden en besproken in de algemene ledenvergadering van het NOG waarna de definitieve richtlijn is verzonden naar alle oogartsen in Nederland en in samengevatte vorm gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en European Journal of Ophthalmology. Ook is de richtlijn in te zien via het internet op:

http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/richtlijnen.

Uit een implementatieonderzoek naar de richtlijn "Verwijzing van slechtzienden en blinden” van Cruysberg & van Rens (2007) bleek dat de richtlijn als bruikbaar werd ervaren, de oogartsen op de hoogte zijn van het bestaan van de richtlijn en globaal de inhoud kennen. In deze studie werd een overwegend positieve houding van oogartsen ten aanzien van de richtlijn gevonden, maar ook potentiële hindernissen bij de implementatie. Zo gaven de oogartsen aan dat de aanbevelingen over het slechtnieuwsgesprek te veel tijd zou kosten, waren zij het niet eens met de aanbeveling met betrekking tot het bespreken van het Charles Bonnet Syndroom en waren zij weinig gemotiveerd om het verwijzingsproces te veranderen. Ondanks dat de richtlijn overwegend positief werd ontvangen bleek uit een volgend onderzoek van Van Rens et al. dat het verschijnen van de richtlijn het verwijsgedrag niet heeft veranderd. Vervolgens hebben Hagelaar et al. een dossieronderzoek uitgevoerd bij vier verschillende revalidatiecentra naar (veranderingen in) het verwijsgedrag van oogartsen. Hieruit bleek dat ook na het versturen van een reminder, bestaande uit de richtlijn en een korte vragenlijst, het verwijsgedrag niet is veranderd. Wel zijn er grote verschillen in verwijsgedrag tussen verschillende regio’s. Bij het verschijnen van de thans voorliggende, herziene richtlijn, "Visusstoornissen, revalidatie en verwijzing", zal wederom grote aandacht worden besteed aan de implementatie en met name aan de aanbevelingen zoals gedaan door Hagelaar et al.  ter verbetering van de implementatie. De implementatie zal worden bevorderd door het Richtlijn Educatie Programma (www.rep-online.nl) welke momenteel nog in ontwikkeling is. Op deze webpagina worden nascholingsprogramma’s aangeboden voor medisch specialisten middels E-learning. Verder zal de naleving van de richtlijn onderdeel gaan uitmaken van de kwaliteitsvisitatie van de oogartsenpraktijken.

Werkwijze

De leden van de kernwerkgroep (R.M.A. van Nispen, G.H.M.B. van Rens en H.L. Vreeken) zochten systematisch naar literatuur en beoordeelden ieder de inhoud en kwaliteit hiervan. De manier waarop de literatuur werd beoordeeld staat beschreven in Tabel 1.1. Vervolgens werden de modules voor de conceptrichtlijn geschreven waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen werd de tekst toegelicht en werd er over de hoofdstukken gediscussieerd. Op verzoek van de leden van de kernwerkgroep schreef dr. F.N. Boonstra tezamen met R.M.A van Nispen de module over kinderen (module slechtziende kinderen).

Tijdens het tot stand komen van de richtlijn werd driemaal vergaderd met de leden van de klankbordgroep. De opmerkingen en adviezen van de klankbordgroep werden in het concept van de richtlijn meegenomen. Vervolgens werd de richtlijn in concept beoordeeld door de commissie richtlijnen en door de commissie kwaliteit van het NOG. Het concept werd aansluitend ter globale toetsing voorgelegd aan het bestuur van het NOG.

De richtlijn werd tenslotte in concept op de website van het NOG geplaatst. De commentaren op dit concept werden in de definitieve richtlijn verwerkt. Op 31-3-2011 is de richtlijn aangeboden aan de leden van het NOG. Deze definitieve richtlijn werd na deze bijeenkomst ook in schriftelijke vorm toegezonden aan de leden.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, november 2007

 

Tabel 1.2: Overzicht literatuuronderzoek elektronische databases "Richtlijn Visusstoornissen”

Totalen per module

Hits

Abstracts beoordeeld

Aantal opgevraagde artikelen

Gebruikte literatuur1

  1. Defenities, epidemiologie en organisatie van de zorg
  2. Verwijzing
  3. Revalidatie
  4. Verzorgings- en verpleeghuisbewoners
  5. Niet-aangeboren hersenletsel
  6. Depressie
  7. Verstandelijke beperking

10. Comorbiditeit en valincidenten

0

 

 

 

408

965

95

 

389

 

150

266

 

207

0

 

 

 

104

577

54

 

170

 

114

82

 

88

0

 

 

 

36

113

29

 

32

 

15

40

 

22

14

 

 

 

31

43

25

 

19

 

22

23

 

20

 

2480

1189

387

141

1 Gebruikte literatuur in richtlijn uit elektronische databases en andere bronnen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.