Charles Bonnet Syndroom (visusstoornissen)

Laatst beoordeeld: 01-01-2011

Uitgangsvraag

Wat is de prevalentie en wat zijn risicofactoren van het Charles Bonnet Syndroom?

 

Hoe ervaart de patiënt het Charles Bonnet Syndroom?

 

Wat is de meest aangewezen behandelingsstrategie voor het Charles Bonnet Syndroom?

Aanbeveling

Elke slechtziende patiënt dient op de hoogte te worden gebracht van het bestaan van CBS, want het bespreekbaar maken kan een geruststellende werking hebben op degene die eraan lijdt.


Slechtziende patiënten met CBS dienen verwezen te worden naar een regionaal centrum voor optimalisering van het gezichtsvermogen, voor verlichtingsadvies en eventueel voor psychologische hulp bij verwerkingsproblematiek behorend bij CBS.


Bij geval van CBS kan, behalve bij twijfel over de aard van de visuele hallucinaties ook bij het ervaren van een grote lijdensdruk, een verwijzing naar andere medisch specialismen op zijn plaats zijn. Gedacht kan worden aan een ter zake kundige psychiater, neuroloog of geriater.

Overwegingen

Bij deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Inleiding

Indien door een slechtziende of blinde patiënt visuele sensaties worden waargenomen die er in werkelijkheid niet zijn, en waarvan de patiënt ook zelf goed beseft dat dit geen reële beelden zijn, wordt gesproken van niet-psychotische visuele hallucinaties, pseudo-hallucinaties of fantoombeelden (analoog aan fantoompijn bij een verloren geraakt ledemaat). Deze aan slechtziendheid gerelateerde hallucinaties worden geschaard onder de term Charles Bonnet Syndroom (CBS). In de onderstaande literatuur wordt aangekaart dat door de vergrijzing de prevalentie van oogaandoeningen stijgt en daarmee de kans om CBS te ontwikkelen.

Conclusies

De prevalentie van CBS is afhankelijk van de populatie en varieert tussen de 11 en 40%. Alleen lage visus lijkt een risicofactor te zijn voor CBS; het bewijs voor leeftijd als risicofactor van CBS is niet eenduidig. Bijna driekwart van de personen die aan CBS lijden spreekt daar nooit over met derden, waardoor angst en ongerustheid ontstaan. Dit maakt dat onderkenning en behandeling ervan belangrijke componenten zijn in de oogheelkundige zorg door patiënten op de hoogte te stellen over CBS en hen daarover gerust te stellen. Hoewel het bewijs ervoor ontbreekt, lijkt het optimaliseren van het gezichtsvermogen door medische interventies of revalidatie (hulpmiddelen) de meest aangewezen behandeling om CBS te verminderen. Het bewijs voor de effecten van farmacotherapie is louter anekdotisch (Niveau C-D).

Samenvatting literatuur

Prevalentie van het Charles Bonnet Syndroom

De prevalentie van CBS varieert in verschillende onderzoeken. Teunisse et al. (1995) vonden een prevalentie van 11% bij mensen die voor een vergrotend hulpmiddel bij een optometrist kwamen (N=300); (C)19 Scott et al. (2001) vonden bij 15% bij 86 opeenvolgende bezoekers van een retina polikliniek het CBS (C);20 Crumbliss et al. (2008) constateerden dat 24% van 50 patiënten die low vision hulpmiddelen ontvingen ook het CBS hadden. Hiervan gaf de helft aan dagelijks terugkerende hallucinaties te hebben. Drie patiënten gaven aan sinds het gebruik van hulpmiddelen minder frequent last te hebben van CBS (C);21 Khan et al. (2008) vonden onder 360 patiënten die al langer MD hadden een percentage CBS van 27% (C);22 Gilmour et al. (2009) vond in een vergelijkend onderzoek tussen goed- en slechtziende patiënten een prevalentie van CBS van 34% bij de slechtzienden (N=258; visus 20/40 - 20/1600) en <2% bij goedzienden (N=251). Slechtzienden met een visus tussen 20/300 en 20/800 hadden 2x zoveel kans op CBS en van de 194 MD patiënten had 34% CBS (B);23 Jackson et al. (2007) vonden een percentage van 35% bij slechtziende volwassenen die verwezen waren naar een revalidatiecentrum (N=225) (C).24 Tenslotte vonden Abbott et al. (2007) een prevalentie van 40% bij bilaterale MD patiënten (N=66; repons 80%) (C).25

 

Risicofactoren van het Charles Bonnet Syndroom

In een aantal onderzoeken is lage visus geassocieerd met CBS (C)19,20,22 en ook bij dementie werd in een studie van Murgatroyd et al. (2001) lagere visus genoemd in de groep die hallucineerde (C).26 Echter, in het onderzoek van Abbott et al. (2007) blijkt dat de mate van visusverlies of verlies van centraal gezichtsveld geen voorspeller is voor CBS (C).25 Jackson et al. (2007) vonden echter dat verminderde contrastsensitiviteit sterk geassocieerd was met dit type hallucinaties (C).24 Voorts wordt in Nederlands onderzoek hogere leeftijd genoemd als risicofactor voor CBS (C),19 maar in één studie juist lagere leeftijd (C).25 Echter, leeftijd als risicofactor wordt niet in alle studies bevestigd (C).23 Ook vrouwelijk geslacht, bilaterale slechtziendheid, emotionele stress, verminderde functionele status en slechtere kwaliteit van leven hingen samen met CBS (C).20 In het onderzoek van Gilmour et al. (2009) gaven patiënten zelf aan dat verlichting, vermoeidheid en stress mogelijke factoren zijn bij het ontstaan van een visuele hallucinatie. Leeftijd, alleenstaand zijn of verlies van partner (sociale isolatie) waren geen significante risicofactoren (C).23 Ook in het onderzoek van Murgatroyd et al. (2001) werd minder sterke omgevingsverlichting gerelateerd aan het voorkomen van visuele hallucinaties bij dementie (C).26

 

Hoe ervaart de patiënt het Charles Bonnet Syndroom

Het is van belang te weten hoe patiënten CBS ervaren gezien de mogelijke noodzaak van behandeling en bespreking van het fenomeen in de oogheelkundige praktijk. In onderzoek van Teunisse et al. (1996) werden 60 patiënten met CBS door een psychiater onderzocht, waarbij de frequentie en aard van de hallucinaties werden geïnventariseerd: 72% stoorde zich er nauwelijks aan, de overige 23% leed er onder; 73% had er nooit met een dokter (huisarts of oogarts) over gesproken; bij de 27% die dat wel had gedaan werd slechts aan één patiënt de juiste diagnose medegedeeld (C).27 In de studie van Gilmour et al. (2009) werden angst en ongerustheid door eenderde van de slechtziende patiënten over CBS genoemd. De typen hallucinaties die vaak werden genoemd waren dieren, vlekken of felle lichtflitsen, vreemde personen en bloemen (C).23 De meeste MD patiënten (71%) in het onderzoek van Khan et al. (2008) vonden CBS niet aangenaam of onaangenaam, echter, geruststelling door een arts werd verwelkomd. De onderzoekers vinden dat artsen zich ervan bewust moeten zijn dat symptomen niet altijd vanzelf verdwijnen, want bij 41% was CBS gedurende het beloop van de ziekte aanwezig (C).22

 

Wat is de meest aangewezen behandelingsstrategie voor het Charles Bonnet Syndroom

In de meeste studies en literatuuroverzichten worden aanbevelingen gedaan over behandeling van CBS (C/D).28-30 Veel van deze aanbevelingen lijken te zijn ontstaan uit hoe betrokkenen CBS in de dagelijkse praktijk aanpakken. Er zijn twee aspecten die belangrijk zijn omtrent de behandelingsstrategieën van CBS. De eerste is het aankaarten door de oogarts van de mogelijkheid dat een patiënt CBS heeft. Het tweede aspect is de mogelijkheid tot verwijzen naar andere specialismen of naar revalidatie.

In het bespreken van CBS raden Crumbliss et al. (2008) bijvoorbeeld aan om hierover directe vragen te stellen (C)21 en alert te zijn op de mogelijkheid dat de patiënt CBS heeft (C/D).30 Ook in de literatuurstudie van Menon et al. (2003) wordt aangeraden om CBS op te nemen in de anamnese (C/D).31 Het direct vragen en daarnaast patiënten te informeren over aard en oorzaken van CBS, begrip en empathie tonen en hen geruststellen dat CBS geen psychiatrische aandoening is, komt in een aantal studies terug (C/D).21,22,25,28,30,31 In het literatuuroverzicht van Shadlu et al. (2009) komt naar voren dat CBS vaak wordt ondergerapporteerd (C/D).30

Het tweede aspect in de behandelingsstrategie betreft het verwijzen naar andere specialismen of naar revalidatie. Crumbliss et al. (2008) geven aan dat revalidatie gericht op het verbeteren van het gezichtsvermogen kan helpen, waarbij men zich kan richten op het voorschrijven van hulpmiddelen en voorlichting (C),21 bijvoorbeeld over goede verlichting 's avonds, het met de ogen knipperen om de fantoombeelden te laten verdwijnen (C/D)28,29 en verminderen van sociale isolatie (C/D).29-31 Ondanks gebrek aan bewijs (case-studies, kleine samples, geen gerandomiseerde gecontroleerde trials) wordt ook door Eperjesi et al. (2004) (C/D),28 Rovner (2006) (C/D)29 en Shadlu et al. (C/D) (2009)30 aanbevolen om patiënten met mogelijk CBS eerst te verwijzen naar een low vision specialist die door optimaliseren van het gezichtsvermogen de hallucinaties kan helpen verminderen of verdwijnen. Als medische (bijvoorbeeld cataract operatie) of optische interventies niet helpen, kan worden gedacht aan andere mogelijkheden als zelfhulpgroepen of een verwijzing naar een psychiater voor farmacotherapie. Echter, ook het bewijs voor de effecten van farmacotherapie bij CBS is louter anekdotisch (C/D).28-30 Ook psychotherapie is een mogelijkheid, als de patiënt moeite heeft met het omgaan met CBS (C/D).31

Referenties

  1. 19 - Teunisse R, et al. The Charles Bonnet syndrome: a large prospective study in the Netherlands. A study of the prevalence of the Charles Bonnet syndrome and associated factors in 500 patients attending the University Department of Ophthalmology at Nijmegen. Br J Psychiatry 1995;166:254-7.
  2. 20 - Scott IU, Schein OD, Feuer WJ, Folstein MF. Visual hallucinations in patients with retinal disease. Am J Ophthalmol 2001;131:590-8.
  3. 21 - Crumbliss KE, Taussig MJ, Jay WM. Vision rehabilitation and Charles Bonnet Syndrome. Semin Ophthalmol 2008;23:121-6.
  4. 22 - Khan JC, Shahid H, Thurlby DA, et al. Charles Bonnet syndrome in age-related macular degeneration: the nature and frequency of images in subjects with end- stage disease. Ophthalmic Epidemiol 2008;15:202-8.
  5. 23 - Gilmour G, Schreiber C, Ewing C. An examination of the relationship between low vision and Charles Bonnet syndrome. Can J Ophthalmol 2009;44:49-52.
  6. 24 - Jackson ML, Bassett K, Nirmalan PV, Sayre EC. Contrast sensitivity and visual hallucinations in patients referred to a low vision rehabilitation clinic. Br J Ophthalmol 2007;91:296-8.
  7. 25 - Abbott EJ, Connor GB, Artes PH, Abadi RV. Visual loss and visual hallucinations in patients with age-related macular degeneration (Charles Bonnet syndrome). Invest Ophthalmol Vis Sci 2007;48:1416-23.
  8. 26 - Murgatroyd C, Prettyman R. An investigation of visual hallucinosis and visual sensory status in dementia. Int J Geriatr Psychiatry 2001;16:709-13.
  9. 27 - Teunisse R, et al. Visual hallucinations in psychologically normal people: Charles Bonnet syndrome. Lancet 1996;347:794-7.
  10. 28 - Eperjesi F, Akbarali N. Rehabilitation in Charles Bonnet syndrome: a review of treatment options. Clin Exp Optom 2004;87:149-52.
  11. 29 - Rovner BW. The Charles Bonnet syndrome: a review of recent research. Curr Opin Ophthalmol 2006;17:275-7.
  12. 30 - Shadlu A, Shadlu R, Banks Shepherd III J. Charles Bonnet syndrome: a review. Curr Opin Ophthalmol 2009;20:219-22.
  13. 31 - Menon GJ, Rahman I, Menon SJ, Dutton GN. Complex visual hallucinations in the visually impaired: the Charles Bonnet Syndrome. Surv Ophthalmol 2003;48:58-72.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2011

Laatst geautoriseerd : 01-01-2011

Uiterlijk in 2016 bepaalt het NOG of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geformeerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten. De verwachting is dat er onder andere op het gebied van auditief-visuele beperkingen en niet-aangeboren hersenletsel alleen al in Nederland meer onderzoek zal worden gedaan naar aanleiding van de aanstelling van bijzondere leerstoelen op dit gebied. Daarnaast zijn er op dit moment in ons land studies gaande bij mensen met visueel-verstandelijke beperkingen.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlands Oogheelkundig Gezelschap

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen in samenwerking met Bartiméus en Koninklijke Visio. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd door het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap en uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

Aanleiding

In november 2004 werd door het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap de richtlijn "Verwijzing van slechtzienden en blinden” gepubliceerd. Deze richtlijn heeft tot doel te komen tot een betere verwijzing van patiënten met een visuele beperking naar revalidatie. De richtlijn bevat aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de oogarts gebaseerd op deugdelijk wetenschappelijk onderzoek (‘evidence based’). Aan de hand van deze richtlijn kunnen oogartsen potentieel te verwijzen slechtziende en blinde mensen identificeren en komen tot een transparante en doelmatige verwijzing van slechtzienden en blinden naar revalidatie-instellingen, low vision centra en andere vormen van hulpverlening. Om te komen tot een zo groot mogelijke zelfredzaamheid en participatie bij een blijvende visuele beperking zijn er verschillende revalidatiemogelijkheden zoals gebruik van hulpmiddelen, multidisciplinaire revalidatieprogramma’s, scholing en huisvesting. Deze mogelijkheden mogen echter niet zonder meer bekend worden verondersteld bij de potentiële doelgroep. Er is door individuele patiënten, patiëntenorganisaties en aanbieders van revalidatie bij slechtziendheid in het verleden vaak op gewezen dat de verwijzing van blinde en slechtziende mensen naar instellingen voor revalidatie en onderwijs adequater zou kunnen geschieden.

Door de vele ontwikkelingen binnen het veld van revalidatie is de richtlijn inmiddels toe aan herziening. Ook zijn er in de eerste richtlijn enkele onderwerpen onderbelicht gebleven, zoals revalidatie bij mensen met een meervoudige beperking. Te denken valt aan mensen met visueel-verstandelijke beperkingen, cognitieve beperkingen en auditief-visuele beperkingen

Een werkgroep heeft namens het NOG de richtlijn herzien. Het resultaat heeft u momenteel in de hand en is genaamd: "Visusstoornissen, revalidatie en verwijzing".

Doel en doelgroep

Doelstelling

De richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering van de oogarts. Het doel van de richtlijn is te komen tot:

  • de identificatie van potentieel te verwijzen slechtzienden en blinden;
  • informatieverstrekking over de visuele beperking en revalidatiemogelijkheden om zo te komen tot een betere communicatie met patiënten en hulpverleners;
  • een transparante en doelmatige verwijzing van slechtzienden en blinden naar revalidatie-instellingen en andere vormen van hulpverlening.

Ook zal de richtlijn een leidraad zijn voor het gesprek van de oogarts met de patiënt en hulpverlener om te komen tot de "shared decision” en de inhoud van de verwijsbrief. De richtlijn kan een hulp zijn bij de keuze van de aard van revalidatie en instelling. De commissie wil er echter op wijzen dat zelfs binnen Nederland, afhankelijk van de lokale situatie, de aanwezige deskundigheid op het gebied van revalidatie bij slechtziendheid of blindheid sterk kan verschillen. Zo is er in sommige regio’s wel een optometrisch low vision centrum in de directe nabijheid, maar geen regionaal revalidatiecentrum. Monodisciplinaire low vision centra (waar enkel optometristen werken) en regionale revalidatiecentra hebben echter een verschillende insteek. Bovendien kan de deskundigheid binnen de verschillende regionale revalidatiecentra verschillen, bijvoorbeeld als het gaat om kinderen. De oogarts wordt dan ook geadviseerd om bij de verwijzing rekening te houden met de regionale organisatie.

 

Doelgroep

De richtlijn is primair bedoeld voor oogartsen. Daarnaast kan de richtlijn ook een hulpmiddel zijn voor artsen die op een andere manier betrokken zijn bij mensen met een visuele beperking. Ook voor bijvoorbeeld indicatieadviseurs van het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) kan de richtlijn waardevol zijn bij de beoordeling van een hulpaanvraag.

Samenstelling werkgroep

De werkgroep is een onderdeel van de subcommissie richtlijnen en protocollen van het Nederlands Oogheelkundig Gezelschap (NOG). Deze subcommissie is onderdeel van de commissie Kwaliteit.

 

Leden kernwerkgroep

  • H.L. Vreeken MSc, gezondheidswetenschapper en promovendus op het gebied van low vision, afdeling oogheelkunde en EMGO+-instituut, VU medisch centrum, Amsterdam
  • Dr. R.M.A. van Nispen, psycholoog, epidemioloog en post doc onderzoeker op het gebied van low vision, afdeling oogheelkunde en EMGO+-instituut, VU medisch centrum, Amsterdam
  • Prof. dr. G.H.M.B. van Rens, FEBOphth, Elkerliek Ziekenhuis, Helmond en hoogleraar Oogheelkunde, afdeling oogheelkunde en EMGO+-instituut, VU medisch centrum, Amsterdam

 

Leden klankbordgroep

  • Dr. F.N. Boonstra, oogarts Bartiméus, Zeist, verzorgde namens Bartiméus mede hoofdstuk 7 over slechtziende kinderen
  • M.N. Copper, oogarts, FEBOphth. en voorzitter commissie Kwaliteit van het Nederlands Oogheelkundig Genootschap
  • Dr. F.T.J.M. Fortuin, oud-voorzitter Federatie Slechtzienden- en Blindenbelang, Belangenbehartiging van blinden en slechtzienden
  • M.E.H.M. Fortuin, oogarts, Martini ziekenhuis, Groningen
  • Drs. G. Joosten, oud-voorzitter VIZIRIS, op persoonlijke titel.
  • Dr. B.J.M. Melis-Dankers, senior klinisch fysicus visueel systeem, Koninklijke Visio, expertisecentrum voor slechtziende en blinde mensen
  • B.A.E. van der Pol, oogarts UMCG en de Brink, voorzitter subcommissie richtlijnen NOG.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De implementatie van een richtlijn vereist veel aandacht. Deze heeft immers pas effect als ze ook daadwerkelijk in de praktijk wordt gebruikt. De richtlijn "Verwijzing van slechtzienden en blinden” is destijds in concept aangeboden en besproken in de algemene ledenvergadering van het NOG waarna de definitieve richtlijn is verzonden naar alle oogartsen in Nederland en in samengevatte vorm gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en European Journal of Ophthalmology. Ook is de richtlijn in te zien via het internet op:

http://www.oogheelkunde.org/patienten/patientenvoorlichting/richtlijnen.

Uit een implementatieonderzoek naar de richtlijn "Verwijzing van slechtzienden en blinden” van Cruysberg & van Rens (2007) bleek dat de richtlijn als bruikbaar werd ervaren, de oogartsen op de hoogte zijn van het bestaan van de richtlijn en globaal de inhoud kennen. In deze studie werd een overwegend positieve houding van oogartsen ten aanzien van de richtlijn gevonden, maar ook potentiële hindernissen bij de implementatie. Zo gaven de oogartsen aan dat de aanbevelingen over het slechtnieuwsgesprek te veel tijd zou kosten, waren zij het niet eens met de aanbeveling met betrekking tot het bespreken van het Charles Bonnet Syndroom en waren zij weinig gemotiveerd om het verwijzingsproces te veranderen. Ondanks dat de richtlijn overwegend positief werd ontvangen bleek uit een volgend onderzoek van Van Rens et al. dat het verschijnen van de richtlijn het verwijsgedrag niet heeft veranderd. Vervolgens hebben Hagelaar et al. een dossieronderzoek uitgevoerd bij vier verschillende revalidatiecentra naar (veranderingen in) het verwijsgedrag van oogartsen. Hieruit bleek dat ook na het versturen van een reminder, bestaande uit de richtlijn en een korte vragenlijst, het verwijsgedrag niet is veranderd. Wel zijn er grote verschillen in verwijsgedrag tussen verschillende regio’s. Bij het verschijnen van de thans voorliggende, herziene richtlijn, "Visusstoornissen, revalidatie en verwijzing", zal wederom grote aandacht worden besteed aan de implementatie en met name aan de aanbevelingen zoals gedaan door Hagelaar et al.  ter verbetering van de implementatie. De implementatie zal worden bevorderd door het Richtlijn Educatie Programma (www.rep-online.nl) welke momenteel nog in ontwikkeling is. Op deze webpagina worden nascholingsprogramma’s aangeboden voor medisch specialisten middels E-learning. Verder zal de naleving van de richtlijn onderdeel gaan uitmaken van de kwaliteitsvisitatie van de oogartsenpraktijken.

Werkwijze

De leden van de kernwerkgroep (R.M.A. van Nispen, G.H.M.B. van Rens en H.L. Vreeken) zochten systematisch naar literatuur en beoordeelden ieder de inhoud en kwaliteit hiervan. De manier waarop de literatuur werd beoordeeld staat beschreven in Tabel 1.1. Vervolgens werden de modules voor de conceptrichtlijn geschreven waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen werd de tekst toegelicht en werd er over de hoofdstukken gediscussieerd. Op verzoek van de leden van de kernwerkgroep schreef dr. F.N. Boonstra tezamen met R.M.A van Nispen de module over kinderen (module slechtziende kinderen).

Tijdens het tot stand komen van de richtlijn werd driemaal vergaderd met de leden van de klankbordgroep. De opmerkingen en adviezen van de klankbordgroep werden in het concept van de richtlijn meegenomen. Vervolgens werd de richtlijn in concept beoordeeld door de commissie richtlijnen en door de commissie kwaliteit van het NOG. Het concept werd aansluitend ter globale toetsing voorgelegd aan het bestuur van het NOG.

De richtlijn werd tenslotte in concept op de website van het NOG geplaatst. De commentaren op dit concept werden in de definitieve richtlijn verwerkt. Op 31-3-2011 is de richtlijn aangeboden aan de leden van het NOG. Deze definitieve richtlijn werd na deze bijeenkomst ook in schriftelijke vorm toegezonden aan de leden.

 

Tabel 1.1: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematisch review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt- controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

*Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

Bron: Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg CBO, EBRO Handleiding voor werkgroepleden, november 2007

 

Tabel 1.2: Overzicht literatuuronderzoek elektronische databases "Richtlijn Visusstoornissen”

Totalen per module

Hits

Abstracts beoordeeld

Aantal opgevraagde artikelen

Gebruikte literatuur1

  1. Defenities, epidemiologie en organisatie van de zorg
  2. Verwijzing
  3. Revalidatie
  4. Verzorgings- en verpleeghuisbewoners
  5. Niet-aangeboren hersenletsel
  6. Depressie
  7. Verstandelijke beperking

10. Comorbiditeit en valincidenten

0

 

 

 

408

965

95

 

389

 

150

266

 

207

0

 

 

 

104

577

54

 

170

 

114

82

 

88

0

 

 

 

36

113

29

 

32

 

15

40

 

22

14

 

 

 

31

43

25

 

19

 

22

23

 

20

 

2480

1189

387

141

1 Gebruikte literatuur in richtlijn uit elektronische databases en andere bronnen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.