Uitgangsvraag

Wat zijn de risicofactoren op ouderenmishandeling?

Aanbeveling

Wees u als professional in de medisch-specialistische zorg zich ervan bewust dat risicofactoren op het ontstaan van ouderenmishandeling zowel bij het vermoedelijk slachtoffer, de vermoedelijk pleger dan wel in relatie- en omgevingsfactoren kunnen worden gevonden.

Conclusies

In de literatuur is een groot aantal potentiele risicofactoren voor ouderenmishandeling beschreven. De variatie in studiemethode, patiëntpopulatie en definities van ouderenmishandeling maken het onmogelijk om de resultaten goed te kunnen duiden. Wel geven deze resultaten een indicatie van de mogelijke risicofactoren, waarbij ze met de grootste voorzichtigheid en binnen de context waarin ze zijn onderzocht dienen te worden geïnterpreteerd.

 

Uit resultaten van studies blijkt dat risicofactoren bij slachtoffers vaak samenhangen met andere factoren en veelal betrekking hebben op het cognitie niveau, socio-economische status, psychische en psychiatrische aandoeningen, een slechte fysieke gezondheid, functionele beperkingen en afhankelijkheid van zorg, en een beperkt sociaal netwerk of eenzaamheid. Vaak beschreven risicofactoren bij de plegers zijn psychische en psychiatrische aandoeningen, alcohol- en middelengebruik, overbelasting in de mantelzorgsituatie, en geweld in de familiegeschiedenis. Voor andere socio-demografische en socio-economische kenmerken werden geen of onvoldoende sterke dan wel tegenstrijdige associaties gevonden.

Samenvatting literatuur

In kaders aan het begin van de module ‘Achtergrond ouderenmishandeling’ staat nadere informatie over de achtergrond van de Nederlandse onderzoeken die hieronder beschreven worden.

 

In Nederland

Comijs heeft in 1998 onderzoek verricht naar welke risicofactoren bij het slachtoffer mogelijk geassocieerd zijn met het ontstaan van de volgende vormen van ouderenmishandeling (in de studie van Comijs genaamd indicatoren): chronische verbale agressie, (psychische mishandeling), lichamelijke mishandeling en financieel misbruik (n=73). De risicofactoren van verwaarlozing konden niet worden onderzocht als gevolg van het kleine aantal slachtoffers (n=4).

 

Voor chronische verbale agressie bleek er in de univariate analyse sprake van een significante associatie (p<0,05) met gehuwd zijn (OR 1.48, 95% BI: 1,13 tot 1,94), samenwonend zijn met een partner of ander (OR 1,57, 95% BI: 1,18 tot 2,08) en het hebben van een matige of slechte gezondheid (OR 1,51, 95% BI: 1,16 tot 1,97). In de multivariate analyse bleven alleen samenwonend zijn met een partner of ander (OR 1,61, 95% BI: 1,22 tot 2,15) en het hebben van een matige of slechte gezondheid (OR 1,55, 95% BI: 1,19-2,03) over als statistisch significante associaties (p<0,05).

 

Voor lichamelijke mishandeling bleek er in de univariate analyse een significante associatie (p<0,05) met het hebben van depressieve symptomen (OR 1,67, 95% BI: 1,07 tot 2,61). In de multivariate analyse bleef de associatie met depressieve symptomen statistisch significant (p<0,05) en ontstond er een nieuwe significante associatie met het samenwonen met de partner of een ander (OR 1,63, 95% BI: 1,03 tot 2,58).

 

Voor financieel misbruik bleek er in de univariate analyse sprake van een significante negatieve associatie te zijn (p<0,05) met ‘wonend met een partner of ander’ (OR 0,60, 95% BI: 0,38 tot 0,95) of het hebben van een slechte gezondheid (OR 0,85, 95% BI: 0,76 tot 0,95), en een significante positieve associatie te zijn met gedeeltelijke afhankelijkheid van hulp van anderen voor instrumentele activiteiten in het dagelijkse leven (IADL) (OR 1,17, 95% BI: 1,05 tot 1,3) en de aanwezigheid van depressieve symptomen (OR 2,13, 95% BI: 1,44 tot 3,15). In de multivariate analyse bleken het alleenwonend zijn (OR 1,95, 95% BI: 1,19 tot 3,20), gedeeltelijke afhankelijkheid van hulp van anderen voor IADL (OR 1,14, 95% BI: 1,01 tot 1,28) en depressieve symptomen (OR 1,87, 95% BI: 1,24 tot 2,83) significant (p<0,05) geassocieerd met financieel misbruik. Ook was het mannelijk geslacht significant geassocieerd met financieel misbruik (OR 1,85, 95% BI: 1,21 tot 2,82).

 

Comijs (1998) vond verder geen significante associaties bij het slachtoffer ten aanzien van alle onderzochte vormen van ouderenmishandeling voor de factoren: geslacht, leeftijd, sociaaleconomische status, ADL-functioneren en gemiddelde MMSE-score. Uit de resultaten bleek verder dat de met financieel misbruik geassocieerde risicofactoren afweken van die van chronische verbale agressie en lichamelijke mishandeling. Dit zou kunnen betekenen dat financieel misbruik vaker in geïsoleerde vorm voorkwam dan de twee andere vormen van ouderenmishandeling.

 

Naast de studie van Comijs (1998) waren er ook nog een aantal andere bronnen beschikbaar die behulpzaam kunnen zijn bij het onderzoek naar mogelijke risicofactoren die geassocieerd kunnen zijn met het ontstaan van ouderenmishandeling. Hiervoor is het Rapport van het Verwey Jonker instituut over interculturele aspecten van ouderenmishandeling (2010) meegenomen alsook de volgende onderzoeken die in het rapport Ouderenmishandeling in Nederland van het Sociaal Cultureel planbureau (2015) zijn samengevat:

  1. de Gezondheidsmonitor volwassenen (2012);
  2. meldingen Veilig Thuis verzameld door Movisie (2014);
  3. het Barometeronderzoek (2013 & 2014);
  4. meldingen bij de inspectie voor de Gezondheidszorg (2011 tot 2014).

 

Ten slotte is er een recente bron toegevoegd die ten tijde van het schrijven van deze richtlijn is gepubliceerd, namelijk: het Prevalentie onderzoek Aard en omvang van ouderenmishandeling (Regioplan, 2018).

 

De gezondheidsmonitor volwassenen (2012)

De data uit de Gezondheidsmonitor 2012 zijn gebruikt om te kijken of huiselijk geweld significant vaker geassocieerd was met de aanwezigheid van bepaalde kenmerken bij de ouderen. Er werd (multivariaat) gekeken naar kenmerken (verbanden) die tegelijkertijd voorkwamen, waardoor er geen uitspraak kon worden gedaan over oorzaak en gevolg. Ruim de helft van de slachtoffers van mishandeling werd mishandeld door hun partner (55%); ook mishandeling door ex-partner (15%) en kinderen (17%) kwam regelmatig voor.

 

De volgende bevindingen werden gerapporteerd waarbij de aanwezigheid van een kenmerk afgezet werd tegen de afwezigheid van hetzelfde kenmerk (weergegeven met een OR van 1,0). Als een kenmerk werd vergeleken met een ander kenmerk dan werd dit erbij vermeld (NB in dit rapport ontbraken de betrouwbaarheidsintervallen):

  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met het zijn van een vrouw dan met het zijn van een man (OR 1,39 respectievelijk 1,0; p<0,01).
  • Huiselijk geweld was significant vaker negatief geassocieerd met een hogere leeftijd dan met een lagere leeftijd: 65 tot 74 jaar (OR: 1,0); 75 tot 84 jaar (OR: 0,63; p<0,001); en ≥85 jaar (OR 0,46; p<0,001).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met het hebben van minimaal 1 chronische aandoening (OR 1,51 respectievelijk 1,0; p<0,05).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met de aanwezigheid van angststoornissen en/of depressieve klachten (OR 2,24, respectievelijk 1,0; p<0,001).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met moeite met kunnen rondkomen (OR 1,96 respectievelijk 1,0; p<0,001).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met het gescheiden zijn van de oudere dan wanneer deze gehuwd was (OR 1,44 respectievelijk 1,0; p<0.01).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met alcohol gebruik bij de oudere OR 1,34 respectievelijk 1,0; p<0,05).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met het hoger opgeleid zijn dan met laag opgeleid zijn (opleidingsniveau: laag (lo): odds ratio: 1,0; midden 1 (mavo, lbo): OR 1,37 (ns), midden 2 (havo, vwo, mbo): OR: 1,62 (p<0,01) en hoog (hbo, wo): OR 2,29; p<0,001).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met de aanwezigheid van emotionele en sociale eenzaamheid (OR 2,55 en OR 2,01 respectievelijk 1,0 p<0,001).
  • Huiselijk geweld was significant vaker positief geassocieerd met het hebben van een migrantenachtergrond (westers en niet-westers) (OR: 1,47 respectievelijk 1,0; p<0,01).

 

De multivariate resultaten lieten zien dat eenzaamheid en een hoge score op de angststoornis-en depressieschaal de meest duidelijke positief significante associaties hadden met het voorkomen van huiselijk geweld. Beperking van de Gezondheidsmonitor 2012 was dat deze gericht was op huiselijk geweld en niet specifiek op (de verschillende vormen van) ouderenmishandeling. Daarnaast is de inschatting dat de meest kwetsbare ouderen minder vertegenwoordigd zijn onder de respondenten, waardoor er een vertekend beeld kan zijn ontstaan ten aanzien van de gevonden associaties. Ten slotte was de wijze van afname schriftelijk en niet middels interviews en kregen mensen vragen die de termen huiselijk geweld, slachtoffer en dader bevatten. Het vragen naar feitelijke gebeurtenissen zou betrouwbaardere gegevens hebben kunnen opleveren omdat mensen zich daar mogelijk beter in herkennen.

 

Meldingen huiselijk geweld Veilig Thuis (VT) verzameld door Movisie (2014)

De meldingen bij Veilig Thuis van ouderenmishandeling in huiselijke kring in de jaren 2012-2014 gaven het volgende beeld:

  • Er bleken vaker meldingen van vrouwen (tussen 67 en 73%) dan van mannen (tussen 27 en 32%) die slachtoffer van huiselijk geweld waren.
  • De meeste meldingen betroffen mensen in de leeftijdsgroep 70 tot 79 jaar (circa 40%) (overige leeftijdscategorieën: 65 tot 69 jaar: circa 25%; 80 tot 89 jaar; circa 28%; en ≥90 jaar: circa 8%).
  • De meeste meldingen betroffen slachtoffers die samenwonend waren (53% woonde samen met een partner of iemand anders), 40% woonde alleen en 7% woonde in een instelling.

 

De vermoedelijke pleger kwam meestal uit huiselijke kring: kinderen waren het meest voorkomende (van 36% in 2012, 52% in 2013 en 61% in 2014), daarna partners (32% in 2012 en 2014, 33% in 2013), daarna overige (40,2% in 2012; 17,2% in 2013, en 11,6% in 2014).

 

Het Barometeronderzoek (2013 & 2014)

In een (internet)enquête heeft het Verwey-Jonker Instituut bij zorgprofessionals en vrijwilligers in de zorg en ouderenwelzijn gevraagd naar hun ervaringen van (vermoedelijke) ouderenmishandeling. In 40% van gevallen was sprake van ontspoorde mantelzorg of overbelasting van de (vermoedelijke) pleger. Hierbij werd geen duidelijke uitspraak gedaan over de aanwezigheid van psychopathologie bij de pleger.

 

Meldingen Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (2011 tot 2014)

De meldingen van ouderenmishandeling die de IGJ tussen 2011 en 2014 uit verpleeg- en verzorgingshuizen ontving, omvatten in 70% van de gevallen ouderen die psychogeriatrische zorg ontvingen. De (vermoedelijke) pleger was in de meeste gevallen de zorgprofessional (75,9%) gevolgd door vrijwilligers (15,5%) en leerlingen (11,6%).

 

Rapport Verwey Jonker instituut, 2010

In 2010 heeft het Verwey-Jonker instituut een rapport opgesteld over interculturele aspecten van ouderenmishandeling. De opzet van het rapport was inventariserend van aard. Resultaten werden onder andere verkregen middels interviews met kwetsbare ouderen met een migratieachtergrond alsook vertegenwoordigers van zelforganisaties en sleutelfiguren van de verschillende migrantengroeperingen. Ook diverse instanties die hulp bieden aan mensen bij (vragen over) mantelzorg of huiselijke geweld en enkele experts werden geïnterviewd.

 

Uit de interviews kwam naar voren dat beperkingen in fysieke gezondheid en lagere sociaaleconomische omstandigheden in duidelijke mate aanwezig waren bij de geïnterviewde ouderen met een migratieachtergrond. Dit zijn factoren die als potentiele risicofactoren zouden kunnen worden gezien op het ontstaan van ouderenmishandeling. De ouderen met een migratieachtergrond hadden over het algemeen wel een beter sociaal vangnet en leunden zwaarder op het eigen netwerk. Uit de interviews bleek dat financiële uitbuiting het vaakst voorkwam bij ouderen met een migratieachtergrond. Andere vormen van ouderenmishandeling bleken in gezinnen met een migratieachtergrond even frequent voor te komen als in gezinnen zonder een migratieachtergrond.

 

Prevalentie onderzoek aard en omvang van ouderenmishandeling (Regioplan, 2018)

In deze studie werd naast naar de prevalentie ook gekeken naar de rol van risicofactoren op het ontstaan van ouderenmishandeling. De studie bestond uit een interviewstudie en informantenstudie. Bij de interviewstudie werd de aanwezigheid van risicofactoren, in deze studie kwetsbaarheden genoemd, geïnventariseerd. Vervolgens werden aanwezige kwetsbaarheden bij slachtoffers vergeleken met niet-slachtoffers. Bij de groep plegers werden de resultaten enkel beschreven en was vergelijking onmogelijk. Bij de informantenstudie werden de kenmerken van vermoedelijke slachtoffers en vermoedelijke plegers gerapporteerd.

 

De interviewstudie (augustus 2017 tot en met eind februari 2018)

In totaal 55 respondenten (27 mannen, 28 vrouwen) rapporteerden slachtofferschap van een vorm (of meer vormen) van ouderenmishandeling sinds 65-jarige leeftijd.

 

Slachtoffers (vastgesteld)

Nagenoeg alle slachtoffers hadden een Nederlandse achtergrond (98,2%). De volgende kwetsbaarheden waren vaker aanwezig bij slachtoffers, in vergelijking tot niet-slachtoffers (ook als werd gewogen naar geslacht, leeftijd en opleidingsniveau conform de algemene bevolking van 65-plussers):

  1. Financieel gebied: moeilijk rondkomen (x²=6,47; p=0,04; df=2) en betalingsachterstanden (x²=7,02; p=0,01; df=1).
  2. Gezondheid: meer chronische gezondheidsklachten: lagere ervaren gezondheid (t=2,69; p=0,01); meer gezondheidsklachten (t=-1,73; p=0,08) (trend); meer chronische gezondheidsklachten (t=-1,68; p=0,09); (trend); doet minder aan lichamelijke beweging (x²=3,89; p=0,048; df=1).
  3. Zelfredzaamheid en behoefte aan hulp: lagere zelfredzaamheid (t=2,52; p=0,02; df=57,1); vaker formele hulp (x²=11,23; p=0,00; df=1).
  4. Eenzaamheid en sociale participatie: hogere eenzaamheidsscore (t=3,66; p=0,00); minder sociale participatie (x²=11,85; p=0,00; df=1); minder deelname culturele activiteiten (x²=4,35; p=0,04; df=1); minder uitjes (x²=17,98; p=0,00; df=1); minder vakantie (x²=7,88; p=0,00; df=1).
  5. Eerder slachtofferschap mishandeling (voor 65ste levensjaar): eerder slachtoffer van mishandeling in algemene zin (x²=6,89; p=0,01; df=1); fysieke mishandeling (x²=11,62; p=0,00; df=1); psychische mishandeling (x²=3,10; p=0,08; df=1) (trend); seksuele mishandeling (x²=7,63; p=0,01; df=1).
  6. Algemene levenstevredenheid: lagere levenstevredenheid (t=3,63; p=0,00).
  7. Stressvolle gebeurtenissen: meer stressvolle levensgebeurtenissen sinds 65e levensjaar (t=-3,20; p=0,00).
  8. Psychisch functioneren: vaker depressieklachten (x²=26,22; p=0,00; df=1); meer stressklachten (x²=28,92; p=0,00; df=1).

 

Concluderend laten op basis van de interviewstudie de resultaten (van statistische toetsen) zien dat slachtoffers vergeleken met niet-slachtoffers:

  • vaker moeilijkheden op financieel gebied hebben;
  • meer gezondheidsklachten ervaren/hebben;
  • minder zelfredzaam zijn en meer behoefte aan formele hulp hebben;
  • minder participeren en eenzaam zijn;
  • vaker eerder (voor 65 jaar) slachtoffer van mishandeling zijn;
  • een lagere levenstevredenheid hebben;
  • meer stressvolle levensgebeurtenissen (exclusief mishandeling) hebben meegemaakt;
  • en meer psychische klachten zoals depressie-en stressklachten ervaren.

 

De resultaten duiden erop dat slachtoffers op een aantal vlakken kwetsbaarder zijn dan 65-plussers die géén slachtoffer van ouderenmishandeling zijn. Onduidelijk is echter hoe de samenhang tussen de kwetsbaarheden en het slachtofferschap getypeerd kan worden; zo is er niet zonder meer sprake van een oorzakelijk verband.

 

Plegers (vastgesteld)

Van de gerapporteerde plegers bleken bijna zes op de tien man. De plegers betroffen veelal een vriend(in) of kennis, buurman, broer of zus, of zoon of dochter van het slachtoffer. Hoewel in alle gevallen sprake was van een pleger uit de sociale kring van het slachtoffer, is door de meeste slachtoffers niet expliciet blijk gegeven van afhankelijkheid van de pleger. Voor zover bekend had een deel van de plegers te maken met financiële problemen, verslavingsproblemen en/of emotionele problemen, of was men met politie of justitie in aanraking geweest. Daarnaast had een deel van de plegers een zeer beperkte sociale kring. De verkregen informatie over plegers was niet altijd compleet, omdat alle informatie over de pleger is gebaseerd op de antwoorden van de respondent.

 

De informantenstudie (november 2017 tot en met februari 2018)

Er lijkt door de informanten (51 informanten uit 16 beroepsgroepen) een meer kwetsbare groep vermoedelijk slachtoffers in beeld gebracht te zijn dan met de interviewstudie. De vermoedelijk slachtoffers die werden gesignaleerd waren merendeels vrouw, bijna de helft van de vermoedelijk slachtoffers was op hoge leeftijd (80 jaar of ouder) en circa tien procent had een niet-Nederlandse herkomst. Voor een deel (bijna 1 op de 5) van de vermoedelijk slachtoffers vermoedden informanten dat deze slachtoffers een lage sociaaleconomische status hadden. De helft van de vermoedelijk slachtoffers was gehuwd en woonachtig met een partner. Een kwart van de vermoedelijk slachtoffers was weduwe/weduwnaar.

 

Daarnaast werden door de informanten nog de volgende kenmerken gezien bij de vermoedelijke slachtoffers:

  1. Bij bijna de helft van de vermoedelijke slachtoffers was er mogelijk sprake van geheugenproblemen.
  2. Eén op de vijf had te maken met stressklachten.
  3. Voor drie op de vier vermoedelijke slachtoffers gold dat ze niet of beperkt zelfredzaam waren.
  4. Bij ongeveer de helft van de vermoedelijke slachtoffers was sprake van eenzaamheid en miste een sociaal netwerk.
  5. Bij ruim een kwart van de vermoedelijke slachtoffers was er mogelijk sprake van financiële problemen.

 

Van de vermoedelijke plegers bleek de meerderheid man te zijn. Het vaakst betrof het de echtgenoot (en minder echtgenote) van het slachtoffer als vermoedelijk pleger, gevolgd door een zoon of dochter, maar ook ging het in een aantal gevallen om professionals werkzaam bij een zorginstelling. Ook aan de kant van de vermoedelijk pleger bleek er sprake te zijn van kwetsbaarheden: bij ruim een derde bleek er mogelijk sprake van financiële problemen, zoals het hebben van schulden. Daarnaast speelde bij een deel van de vermoedelijk plegers problematiek als een (Alzheimer-) dementie, een licht verstandelijke beperking of verslaving een rol.

Er werd met name over een vermoeden van ouderenmishandeling in een context van ontspoorde mantelzorg (onmacht, onvermogen, overbelasting bij pleger) gerapporteerd. Ook betrof het volgens de informanten soms een situatie van wederkerig slachtofferschap, waarbij er volgens hen sprake was van vermoedelijke mishandeling tussen partners onderling en het onderscheid tussen vermoedelijk pleger en vermoedelijk slachtoffer niet altijd duidelijk was.

 

Concluderend is zowel in de interviewstudie als in de informantenstudie aandacht besteed aan kwetsbaarheden als mogelijke risicofactoren voor ouderenmishandeling, waarbij de onderzoekers echter aangaven dat een daadwerkelijk oorzakelijk verband tussen het optreden van ouderenmishandeling en de gerapporteerde factoren niet kon worden vastgesteld.

 

Internationale literatuur

Risicofactoren op ouderenmishandeling zijn onderzocht in verschillende studies wereldwijd. De volgende studies worden hieronder beschreven: Dong (2013 en 2015), Johannesen (2013), McCausland (2016) en Pillemer (2016). In sommige studies werd er duidelijk gesproken over risicofactoren voor het ontstaan van ouderenmishandeling, bij andere studies werd er puur gesproken over associaties met het ontstaan van ouderenmishandeling. De terminologie gebruikt in de betreffende studie is hierbij aangehouden.

 

De systematische review van Dong (2013) geeft een overzicht van de literatuur (41 studies) over de associatie tussen psychische stress (zowel door de patiënt zelf waargenomen als de aanwezigheid van de klinische diagnose depressieve stoornis bij de patiënt) en ouderenmishandeling. De studies betroffen, op 1 studie na, allen zelfstandig wonende ouderen. Zowel een depressieve stoornis als gevoelens van eenzaamheid waren geassocieerd met alle vormen van ouderenmishandeling. De OR in studies varieerde van OR 1,44, 95% en BI 1,11 tot 1,87 (Dong 2009c) tot OR 3.26, 95% en BI 1,49 tot 7,10 (Dong, 2008). Verder liet de studie van Acierno (2010) een associatie zien tussen een beperkt sociaal netwerk en de vormen psychische mishandeling (OR 3,17, 95% BI: 2,14 tot 4,69), lichamelijke mishandeling (OR 2,95, 95% BI: 1,19 tot 7,30), seksueel misbruik (OR 5,68, 95% BI: 1,30 tot 2,44) en verwaarlozing (OR 4,14, 95% BI: 2,34 tot 7,35). In vergelijking met de studies betreffende slachtofferkarakteristieken bleek de hoeveelheid studies over mantelzorgkarakteristieken schaars. Williamson (2001) beschreef wel bij oudere zorgontvangers een correlatie met blootstelling aan ouderenmishandeling door een mantelzorger als de week voorafgaand een verhoogd risico op een depressieve stoornis was vastgesteld bij die mantelzorger (r=0,39, p<0.001). Hierbij werd voor demografische factoren, aard van de relatie en ziekte-ernst bij het slachtoffer gecorrigeerd.

 

In de systematische review van Johannesen (2013) werden 49 studies betreffende ouderenmishandeling bij zelfstandig wonende ouderen geïncludeerd. Studies met volwassenen <55 jaar en studies die zelfverwaarlozing als vorm van ouderenmishandeling definieerden, werden geëxcludeerd. De studies werden middels een vooraf opgestelde set criteria (gebaseerd op de STROBE Statement, Von Elm, 2007) beoordeeld op de hoogte van kwaliteit. Van de 37 statistisch significante risicofactoren die in de studies werden geïdentificeerd, waren 13 risicofactoren aanwezig in minimaal vier van de hoog-kwalitatieve studies. Deze 13 risicofactoren waren van toepassing op het slachtoffer, de pleger en omgevingsfactoren:

 

Slachtoffer

Cognitieve beperkingen en dementie

Deze factor werd vooral gezien bij de aanwezigheid van afhankelijkheid bij algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL). Studie-uitkomsten voor deze risicofactor varieerden van OR 1,20, 95% BI; 1,00 tot 1,40 (Cooper, 2008) tot OR 3,0, 95% BI; 1,10 tot 7,70 (Lachs, 1997).

 

Probleemgedrag bij ouderen met ADL-afhankelijkheid dan wel dementie

Studie-uitkomsten voor deze risicofactor varieerden van OR 1,56, 95% BI; 1,21 tot 2,00 (Ogioni, 2007) tot OR 38,3, 95% BI; 4,6 tot 326 (Cooper, 2008).

 

Een psychiatrische aandoening of psychische problemen

Deze risicofactor werd vooral gezien in de aanwezigheid van ADL-afhankelijkheid. Studie-uitkomsten voor deze risicofactor varieerden voor alle vormen van ouderenmishandeling van OR 2,39, 95% BI; 1,17 tot 4,89 (Shugarman, 2003) tot OR 3,26, 95% BI; 1,49 tot 7,10 (Dong, 2008); voor financieel misbruik was er één studie met een OR 1,87, 95% BI; 1,24 tot 2,83 (Comijs, 1998); voor psychische mishandeling varieerde de OR van 1,05, 95% BI; 1,00 tot 1,10 (Daly, 2007) tot OR 1,65 95% BI; 1,01 tot 2,72 (Garre-Olmo, 2009).

 

Functionele afhankelijkheid/beperkingen

Deze risicofactor voor alle vormen van ouderenmishandeling varieerde met een OR 1,30, 95% BI; 1,10 tot 1,80 (Lachs, 1997) tot een OR 4,39, 95% BI; 2,44 tot 7,88 (Perez-Carceles, 2009), voor psychische mishandeling met een OR 1,55, 95% BI; 1,19 tot 2,03 (Comijs, 1998) tot een OR van 1,83, 95% BI; 1,27 tot 2,71 (Acierno, 2010); voor studies voor financieel misbruik met een OR van 1,14, 95% BI; 1,01 tot 1,28 (Comijs, 1998) tot een OR 2,00, 95% BI; 1,51 tot 2,64 (Acierno, 2010). Eén studie voor verwaarlozing betrof een OR van 1,98, 95% BI; 1,96 tot 4,99 (Cohen, 2008). Eén studie is hier niet benoemd omdat odds ratio’s ontbraken.

 

Matige fysieke gezondheid of kwetsbaarheid

De OR van deze risicofactor voor alle vormen van ouderenmishandeling betrof in één studie 1,18, 95% BI; 1,03 tot 1,34 (Buri, 2006); in een studie voor verwaarlozing was de OR 2,18, 95% BI; 1,42 tot 3,37 (Acierno, 2010); en in een studie voor psychische mishandeling was de OR van 1,55, 95% BI; 1,19 tot 2,03 (Comijs, 1998). Er waren nog een aantal andere studies die hier niet zijn benoemd omdat odds ratio’s ontbraken.

 

Laag inkomen

De studieresultaten voor deze risicofactor die betrekking had op alle vormen van ouderenmishandeling varieerden van een OR van 1,91, 95% BI; 1,10 tot 3,34 (Buri, 2006) tot een OR van 4,84, 95% BI; 3,03 tot 7,75 (Oh, 2006). De studies-resultaten voor deze risicofactor voor financieel misbruik varieerden met een OR van 1,83, 95% BI; 1,05 tot 3,20 (Garre-Olmo, 2009) tot een OR van 9,80, 95% BI; 4,89 tot 19,60 (Oh, 2006); voor psychische mishandeling was de OR 4,10, 95% BI; 2,23 tot 7,55 (Oh, 2006); voor lichamelijke mishandeling was de OR 4,42, 95% BI; 1,85 tot 10,55 (Oh, 2006); voor verwaarlozing was de OR 3,36, 95% BI; 1,67 tot 6,74 (Oh, 2006)

 

Doorgemaakt trauma of eerdere mishandeling

In een studie voor psychische mishandeling was de OR voor deze risicofactor 2,27, 95% BI; 1,47 tot 3,51 (Acierno, 2010). Details over het doorgemaakt trauma werden niet toegelicht.

 

Etniciteit

De studieresultaten lieten een relatie zien tussen financieel misbruik en het hebben van een Afrikaans-Amerikaanse etniciteit met een OR variërend van 1,77, 95% BI onbekend (Lauman, 2008) tot een OR van 8,57, 95% BI onbekend (Beach, 2010). De studieresultaten beschreven daarnaast een relatie tussen het voorkomen van alle vormen van ouderenmishandeling en het hebben van een niet-blanke huidskleur (OR 4,00, 95% BI 2,20 tot 7,20 (Lachs, 1997).

 

Mantelzorger als pleger

Overbelasting of stress bij mantelzorger

Deze risicofactor werd gezien bij ouderen met ADL-beperkingen dan wel dementie. Voor alle vormen van ouderenmishandeling varieerde de OR van 1,10, 95% BI 1,00 tot 1,10 (Cooper, 2008) tot OR 1,81, 95% BI 1,19 tot 2,74 (Cohen, 2007).

 

Psychiatrische ziekten of psychische problemen

Eén studie voor lichamelijke mishandeling toonde een OR voor deze risicofactor van 3,12, 95% BI 1,37 tot 7,12 (Paveza, 1992).

 

Relationeel

Conflicten binnen de familie

Deze risicofactor werd vooral gezien bij ouderen met ADL-beperkingen of dementie. Voor alle vormen van ouderenmishandeling varieerde de OR van 1,05, 95% BI 1,02 tot 1,07 (Cooney, 2006) tot OR 9,01, 95% BI 4,84 tot 16,78 (Perez-Carceles, 2009). De OR voor psychische mishandeling was OR 6,67, 95% BI 3,03 tot 16,67 (Oh, 2006), de OR voor financieel misbruik was OR 5,00, 95% BI 2,18 tot 11,11 (Oh, 2006), de OR voor verwaarlozing was OR 7,14, 95% BI 3,22 tot 16,67 (Oh, 2006).

 

Omgeving gerelateerd

Laag niveau van sociale steun vanuit de omgeving

Deze risicofactor was vooral aanwezig bij ADL-beperkingen. Voor alle vormen van ouderenmishandeling varieerde de OR voor deze risicofactor van 3,54, 95% BI 1,54 tot 8,13 (Shugarman, 2003) tot OR 4,59, 95% BI 2,37 tot 8,85 (Buri, 2006). Voor psychische mishandeling varieerde de OR van 2,86, 95% BI 1,45 tot 5,56 (Garre-Olmo, 2009) tot OR 3,17, 95% BI 2,14 tot 4,69 (Acierno, 2010). Voor verwaarlozing varieerde de OR van 1,92, 95% BI 1,01 tot 3,70 (Garre-Olmo, 2009) tot OR 4,14, 95% BI 2,34 tot 7,35 (Acierno, 2010).

 

Samenwonend met anderen

Voor alle vormen van ouderenmishandeling varieerde de OR van deze risicofactor van 1,96, 95% BI 1,16 tot 3,32 (Oh, 2006) tot een OR van 3,30, 95% BI 1,20 tot 10,00 (Lachs, 1997). Voor verwaarlozing betrof de OR 5,29, 95% BI 2,65 tot 10,56 (Garre-Omo, 2009), voor financieel misbruik betrof de OR 2,74, 95% BI 1,34 tot 5,60 (Oh, 2006), voor psychische mishandeling betrof de OR 1,61, 95% BI 1,22 tot 2,15 (Comijs, 1998) en tenslotte voor lichamelijke mishandeling betrof de OR 2,97, 95% BI 1,30 tot 6,76 (Paveza, 1992).

 

Overige slachtoffer gerelateerde risicofactoren die mogelijk een rol spelen bij ouderenmishandeling waren: eenzaamheid, alcoholmisbruik, bepaalde persoonlijkheidstrekken zoals bijvoorbeeld passende bij een antisociale persoonlijkheid, incontinentie en de afwezigheid van een vaste arts (geen referentie of OR vermeld). Er werd geen significante associatie gevonden tussen ouderenmishandeling en de factoren leeftijd, geslacht en opleidingsniveau. Bij de mantelzorger bleek geslacht ook geen significante risicofactor. Ten slotte bleek een hoog niveau van sociale steun een beschermende factor voor alle vormen van ouderenmishandeling met een OR van 0,41, 95% BI 0,19 tot 0,90 (Dong, 2008).

 

In de systematische review van Dong (2015) werden in de 35 geanalyseerde studies de onderstaande mogelijke risicofactoren op ouderenmishandeling gevonden bij zelfstandig wonende ouderen (studies met volwassenen jonger dan 60 jaar en studies die Engels niet als voertaal hadden, werden geëxcludeerd door de onderzoekers).

 

Bij de analyse werden voor de risico- en beschermende factoren alleen studies geïncludeerd waarbij ouderenmishandeling duidelijk was gedefinieerd als primaire onafhankelijke variabele, waarbij potentiële confounders werden meegenomen in de analyse van de studie en waarbij odds ratio’s en betrouwbaarheidsintervallen waren vermeld. Studies waarbij alleen een bivariate analyse werd toegepast werden geëxcludeerd. Cognitieve stoornissen bleken de meest consistente risicofactor in de geïncludeerde studies. De studie van VandeWeerd (2013) toonde bij ouderen met dementie van het Alzheimer-type een 4,8x hoger risico op lichamelijke ouderenmishandeling dan ouderen zonder dementie (OR 4,82, 95% BI 3,51 tot 12,52). De factoren fysieke functiebeperkingen, psychische stress/depressieve stoornis/angstklachten en beperkt sociaal netwerk/eenzaamheid bleken in bepaalde onderzoeken geassocieerd met een verhoogd risico op alle vormen van ouderenmishandeling en in andere studies bleek juist dat dit specifiek de vormen psychische mishandeling of zelfverwaarlozing betrof. De OR varieerde voor fysieke functiebeperkingen van een OR van 1,08, 95% BI 1,03 tot 1,13 (Dong, 2010) tot een OR van 1,40, 95% BI 0,40 tot 4,60 (Lachs, 1997). De OR varieerde voor een beperkt sociaal netwerk/eenzaamheid van een OR van 1,17, 95% BI 0,77 tot 1,77 (Yan, 2012) tot een OR van 4,06, 95% BI 1,49 tot 11,10 (Dong, 2007). De verschillende studies leverden geen consistente associaties op betreffende sociodemografische en socio-economische kenmerken (Beach, 2010; Oh, 2006; Naughton, 2012; Chokkanathan, 2014; Dong, 2010; Abrams, 2002; Yan, 2012).

 

In de systematische review van McCausland (2016) (zes studies) werd gekeken naar ouderenmishandeling bij ouderen met dementie. Uit meerdere studies bleek dat agressie van de oudere, in het verleden óf als nieuw symptoom van dementie, gecorreleerd was met mishandeling door de mantelzorger (Cooper, 2010: r -0.3 (p<0.001): correlatie mishandeling met positief “belonende” relaties). In de studie van Coyne (1993) was 33,1% van de geïnterviewde mantelzorgers zelf slachtoffer van mishandeling door de oudere met dementie. Wanneer de oudere met dementie in het verleden zelf voormalig pleger was geweest van huiselijk geweld verdubbelde dit percentage. Mantelzorgers die levenslang bloot hadden gestaan aan mishandeling door degene waar ze, nu deze ouder en dementerend was geworden, zorg voor droegen, hadden een 2x zo hoge kans om zelf pleger te worden van ouderenmishandeling.

 

In het literatuuroverzicht van Pillemer (2016) (20 studies) werd een overzicht gegeven van wereldwijde studies betreffende bevolkingsonderzoek naar mogelijke risicofactoren voor verschillende vormen van ouderenmishandeling. Hierin werd een indeling gemaakt in sterke risicofactoren die ondersteund werden door substantieel bewijs; potentiele risicofactoren waar de bewijslast varieerde/of beperkt aanwezig was; en dubieuze risicofactoren waar duidelijk bewijs ontbrak. De wijze waarop deze indeling werd gedaan is niet verder uitgelegd. Ten slotte werd er nog een beschermend factor besproken.

 

Slachtoffer

Mogelijke risicofactoren die als sterk werden beschreven waren functionele afhankelijkheid of functionele beperkingen, een slechte fysieke gezondheid, cognitieve beperkingen of dementie, slechte psychische of emotionele gezondheid en een laag inkomen of lage sociaaleconomische status. Mogelijke risicofactoren die als potentieel werden beschreven waren het mannelijk of vrouwelijke geslacht, een hogere of lagere leeftijd, financiële afhankelijkheid en ras of etniciteit.

 

Pleger

Mogelijke risicofactoren die als sterk werden beschreven waren het hebben van een psychiatrische ziekte en misbruik van alcohol of middelen en emotionele of financiële afhankelijkheid van het slachtoffer.

 

Relatie slachtoffer-pleger

Mogelijke risicofactoren die als potentieel werden beschreven waren de relatie tot het slachtoffer (welke wereldwijd variëren tussen partner en kinderen) en huwelijkse staat of juist het alleen wonen.

 

Omgeving

Mogelijke risicofactoren die als potentieel werden beschreven waren de geografische locatie en woonplaats.

 

Maatschappelijk

Mogelijke risicofactoren die als dubieus werden beschreven waren een negatief beeld over ouderen en de invloed van sociale en culturele normen en waarden.

 

Beschermende factoren

Mogelijke beschermende factoren die als sterk werden beschreven waren sociaal netwerk waar een gedeelde leefomgeving juist een risicofactor was.

 

Bij alle beschreven risico- en beschermende factoren ontbraken cijfers en statistische toetsbeschrijvingen (OR, p-waarden, BI).

 

Beperkingen van de bestudeerde studies

De studies die zijn bestudeerd voor het beantwoorden van de deelvraag worden gekenmerkt door een zeer grote variatie in gebruikte definities van ouderenmishandeling, patiëntpopulaties en steekproefomvang, meetinstrumenten, meetmethoden en geïncludeerde risicofactoren. Dit maakt dat de beschreven uitkomsten moeilijk met elkaar te vergelijken zijn en met terughoudendheid moeten worden geïnterpreteerd. Daarnaast werd bij een groot deel van de bestudeerde reviews geen kwaliteitstoetsing van de geïncludeerde studies gedaan en was de rapportage van onderzoeksmethoden en resultaten vaak suboptimaal. Hierdoor is de interpretatie en aggregatie van onderzoeksresultaten een uitdaging.

Zoeken en selecteren

In de databases Medline (via OVID), Embase (via Embase.com) en de Cochrane library (via Wiley) is op 9 maart 2016 met relevante zoektermen gezocht naar studies over de achtergrond van ouderenmishandeling. De zoekverantwoording is weergegeven onder het tabblad Verantwoording. De literatuurzoekactie leverde 3079 treffers op. Studies werden geselecteerd op grond van de volgende selectiecriteria: systematische reviews en vergelijkend onderzoek (RCT, CCT, observationeel onderzoek) gericht op ouderenmishandeling en/of mishandeling bij volwassenen. In eerste instantie werden 102 studies voorgeselecteerd op basis van de volgende selectiecriteria: klinische studies over mishandeling bij oudere patiënten (humaan). Vervolgens zijn door twee beoordelaars op basis van titel en abstract 13 studies geselecteerd. Na raadpleging van de volledige tekst werden vervolgens drie studies geëxcludeerd, en zijn 10 studies definitief geselecteerd. De volgende studies zijn opgenomen in de literatuuranalyse: Mysyuk, 2012; Mysuk, 2016; Heath, 2009; Comijs, 1998; Yon, 2017; Dong, 2013; Johanessen, 2013; Dong, 2015; McCausland, 2016 en Pillemer, 2016.

 

Verder is in deze module gebruikt gemaakt van beleidstukken en rapporten van relevante instanties:

  1. Rapport Interculturele aspecten van ouderenmishandeling, Verwey-Jonker Instituut, 2010: https://www.verweyjonker.nl/publicaties/2010/interculturele_aspecten_van_ouderenmishandeling, geraadpleegd op 21-10-2016.
  2. SCP-rapport Ouderenmishandeling in Nederland, 2015, https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2015/Ouderenmishandeling_in_Nederland, geraadpleegd op 21-10-2016.
  3. Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012: https://bronnen.zorggegevens.nl/Bron?naam=Gezondheidsmonitor-Volwassenen-en-Ouderen%2C-GGD%E2%80%99en%2C-CBS-en-RIVM, geraadpleegd op 15-02-2018).
  4. Gezondheidsmonitor Volwassenen en ouderen, 2016: https://bronnen.zorggegevens.nl/Bron?naam=Gezondheidsmonitor-Volwassenen-en-Ouderen%2C-GGD%E2%80%99en%2C-CBS-en-RIVM, geraadpleegd op 15-02-2018).
  5. Prevalentieonderzoek Aard en omvang ouderenmishandeling, Regioplan, mei 2018, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2018/05/17/aard-en-omvang-ouderenmishandeling, geraadpleegd 13-06-2018.

 

Relevante uitkomstmaten

De werkgroep definieerde niet a priori de genoemde uitkomstmaten, maar hanteerde de in de studies gebruikte definities.

 

In onderstaande kaders staat een korte samenvatting van de voor de uitgangsvragen gebruikte Nederlandse onderzoeken. Daarnaast wordt in deze module regelmatig gerefereerd aan het Actieplan ‘Ouderen in veilige handen’, Ministerie van VWS, 30 maart 2011.

 

Tabel 1 Onderzoeken gebruikt in rapport Ouderenmishandeling in Nederland (Sociaal en Cultureel Planbureau 2015)

De gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016

De Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 en de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 zijn uitgevoerd door de GGD’s, CBS (Centraal Bureau voor de Statistiek) en RIVM (Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu) en bevatten informatie over de gezondheid, sociale situatie en leefstijl van de Nederlandse bevolking van negentien jaar en ouder verkregen middels een grootschalige enquête.

 

In de Gezondheidsmonitor Volwassenen 2012 werd aan ouderen (aselecte streekproef uit de gemeentelijke basisadministratie) die op 1 januari 2013 65 jaar of ouder waren, gevraagd of ze -in het afgelopen jaar, tot vijf jaar geleden of langer dan vijf jaar geleden- slachtoffer waren geweest van huiselijk geweld. De geweldsvormen waarnaar werd gevraagd zijn psychisch of emotioneel geweld, lichamelijk geweld, ongewenste seksuele toenadering en seksueel misbruik. Financiëel misbruik en verwaarlozing ontbraken.

 

In de Gezondheidsmonitor Volwassenen en Ouderen 2016 werden specifiek vragen gesteld aan respondenten van 65 jaar en ouder over ouderenmishandeling. Het ging om nare gebeurtenissen in de thuissituatie aangedaan door gezinsleden, familieleden, (ex-) partners, huisvrienden, of door personen van wie de respondent afhankelijk is zoals een professionele hulpverlener of een mantelzorger. Het volgende werd voorgelegd: heeft iemand in de thuissituatie u de afgelopen 12 maanden:

 

Beledigd, getreiterd, gekleineerd of uitgescholden?

  • Geslagen, geschopt, geknepen of op een andere manier lichamelijk geweld aangedaan?
  • Niet willen helpen met uw persoonlijke verzorging (zoals helpen met wassen, aankleden of naar het toilet gaan) terwijl die persoon wist dat u hulp nodig had?
  • Financieel benadeeld (zoals geld of bezit afpakken of iets kopen op uw kosten zonder uw toestemming)?
  • Uw vrijheid beperkt of uw privacy geschonden (zoals door het achterhouden van uw post of door u te verbieden het huis uit te gaan of te telefoneren)?
  • Ongewenste seksuele opmerkingen gemaakt of aangeraakt zonder dat u dat wilde?

 

Meldingen Veilig Thuis verzameld door Movisie (2014)

Movisie verzamelde in samenwerking met het Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (LPBO) tot voor kort jaarlijks alle vragen en meldingen van huiselijk geweld die bij Veilig Thuis binnenkwamen. Het SCP-rapport beschrijft de meldingen betreffende huiselijk geweld over 2012, 2013 en de eerste helft van 2014. Hierbij werd onder huiselijk geweld verstaan: psychisch of emotioneel geweld, lichamelijk geweld, ongewenste seksuele toenadering en seksueel misbruik. In 2014 is voor de eerste keer het aantal meldingen over ouderenmishandeling onderverdeeld in meldingen en adviesvragen. In voorgaande jaren werd dit onderscheid niet gemaakt door de Steunpunten Huiselijk Geweld (nu Veilig Thuis). Het geven van advies en het aannemen en onderzoeken van meldingen zijn twee wettelijke taken van Veilig Thuis.

 

In juni 2015 verscheen de factsheet ouderenmishandeling van Movisie. Hierin staan ook de meldingen en adviesvragen over de tweede helft van 2014 vermeld en vormen een toevoeging op het SCP-rapport 2015.

 

Barometeronderzoek (2013 & 2014)

Het Barometeronderzoek is een online-enquête van het Verwey-Jonker Instituut in de regio’s Gelderland-Zuid en Amsterdam waar aan zorgprofessionals en vrijwilligers in de ouderenzorg is gevraagd naar ervaringen met vormen van (vermoedelijke) ouderenmishandeling waarmee men in het afgelopen jaar te maken heeft gehad.

 

Meldingen bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (2011 tot 2014)

In de periode 2011 tot 2014 registreerde de IGJ-meldingen van ouderenmishandeling door zorgprofessionals in zorginstellingen. In het SCP-rapport 2015 wordt alleen ingegaan op mishandeling door zorgprofessionals/leerlingen/vrijwilligers in intramurale instellingen, omdat het aantal meldingen over mishandeling in de thuiszorg te laag was.

NB bij navraag bij IGJ in juli zijn er na deze publicatie geen nieuwe cijfers bekend gemaakt van na 2014.

 

Tabel 2 Rapport Interculturele aspecten van ouderenmishandeling (Verwey Jonker instituut 2010)

Doelstelling van het onderzoek was meer inzicht te verschaffen in de specifieke problematiek met betrekking tot ouderenmishandeling en allochtonen.

Het onderzoek bestond uit vier onderdelen.

1. Een beknopt literatuuronderzoek waarin werd nagegaan wat al bekend was over de positie van ouderen in allochtone gezinssystemen, mantelzorg en ouderenmishandeling in allochtone gezinnen.

2. Interviews met

 - vertegenwoordigers van zelforganisaties en sleutelfiguren van de verschillende allochtone groeperingen in Amsterdam en diverse instanties die hulp bieden aan mensen bij (vragen over) mantelzorg of huiselijk geweld alsook enkele experts.

 - kwetsbare oudere allochtonen en (hun) mantelzorgers.

 Deze interviews hadden tot doel de onderzoeksresultaten te verdiepen door concrete casuïstiek, op het terrein van (overbelasting bij) mantelzorg, belemmeringen in de eigen leefsituatie of bij (de organisatie van) het Amsterdamse hulpaanbod.

3. Het derde onderdeel van het onderzoek bestond uit een expertmeeting over interculturele aspecten van ouderenmishandeling. Voor deze bijeenkomst zijn twee typen (landelijke en lokale) experts uitgenodigd: experts op het terrein van ouderenmishandeling/huiselijk geweld en experts op het terrein van allochtone ouderen. De expertmeeting had tot doel de resultaten uit het beknopte literatuuronderzoek en de interviews te valideren en aan te vullen en de perspectieven en expertise betreffende oudere allochtonen en ouderenmishandeling met elkaar in verband te brengen. De resultaten van de expertmeeting maken deel uit van de onderzoeksuitkomsten.

5. Het laatste deel van het onderzoek bestond uit het uitbrengen van een advies aan de gemeente, op basis van de uitkomsten van de bovengenoemde onderzoeksonderdelen.

 

NB In dit onderzoek wordt er gesproken over allochtone ouderen. Tegenwoordig gebruikt men de term persoon en in dit geval oudere met een (Westerse of niet-Westerse) migratieachtergrond (http://www.cbs.nl).

 

Tabel 3 Onderzoeken beschreven in proefschrift Elder mistreatment: Comijs (1999)

In dit proefschrift is verslag gedaan van een bevolkingsonderzoek naar de prevalentie (1994, N=1797), risico-indicatoren (1995, N=73) en de consequenties van ouderenmishandeling (1995). Bij het onderzoek is gebruik gemaakt van de populatie en data van de ‘Amsterdam Study of the Elderly” (Amstel). Het Amstel-onderzoek is een longitudinaal onderzoek naar de cognitieve veroudering van thuiswonende ouderen in Amsterdam (≥65 jaar oud). De gemiddelde leeftijd van de respondenten aan het bevolkingsonderzoek (N=1797) was 77,2 jaar (SD 5.5 jaar), in totaal 62,8% van de respondenten was vrouw. De gemiddelde MMSE-score betrof 27,1 voor de niet-slachtoffers en 27,4 voor de slachtoffers. Aan de ouderen werd gevraagd of zij een of meerdere van de 23 voorgelegde vormen van geweld en misbruik hadden meegemaakt. Dit betrof doorgemaakt fysiek of psychisch geweld, financieel misbruik of verwaarlozing vanaf de leeftijd van 65 jaar en ouder. Naar seksueel geweld werd niet gevraagd. Plegers van ouderenmishandeling betroffen zowel niet-professionele als professionele zorgverleners. Bij het interview werd gevraagd naar de frequentie van de mishandeling in het afgelopen jaar. Om de 1-jaars prevalentie te kunnen berekenen is derhalve besloten om bij de vormen verwaarlozing en verbale agressie (psychische mishandeling) aan de definitie toe te voegen dat deze vorm minstens 10x per jaar in het afgelopen jaar moest hebben plaatsgevonden. Bij lichamelijke mishandeling en financieel misbruik moest dit ten minste 1x in het afgelopen jaar hebben plaatsgevonden.

 

Tabel 4 Onderzoeken beschreven in prevalentieonderzoek Aard en omvang ouderenmishandeling, Regioplan (mei 2018)

Het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft Regioplan opdracht gegeven een onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van ouderenmishandeling. Regioplan heeft het onderzoek in samenwerking met Avans Hogeschool (Lectoraat Veiligheid in afhankelijkheidsrelaties) en Leyden Academy on Vitality and Ageing in 2017 en 2018 uitgevoerd.

 

Het doel van dit onderzoek was tweeledig; het primaire doel was inzicht bieden in de actuele aard en omvang van ouderenmishandeling (op basis van onderzoek in drie Nederlandse gemeenten). Daarnaast moest het onderzoek kennis over ouderenmishandeling verdiepen en zo bijdragen aan het verbeteren van preventie- en interventiestrategieën.

 

Het onderzoek vond plaats in Rotterdam, Tilburg en Boxtel. Er zijn vooraf enkele kaders gesteld om het onderzoek af te bakenen: de ouderen die aan het onderzoek deelnamen waren (1) 65 jaar en ouder en (2) thuiswonend. In dit onderzoek werd onderscheid gemaakt tussen vijf vormen van ouderenmishandeling: verwaarlozing, psychische mishandeling waaronder schending van rechten, fysieke mishandeling, financiële benadeling en seksuele mishandeling. Om een zo goed mogelijk beeld te kunnen schetsen van de prevalentie is een combinatie van verschillende onderzoeksmethoden toegepast, namelijk (1) een groot aantal face-to-face-interviews met een representatieve groep van 65-plussers in drie gemeenten van verschillende omvang, de zogenoemde interviewstudie en (2) een informantenstudie waarbij signalen van ouderenmishandeling door diverse beroepsgroepen in drie gemeenten werden geregistreerd, (3) registraties van Veilig Thuis (meldingen en adviezen in drie gemeenten) als aanvullende bron en (4) een literatuurstudie als referentiekader voor de interpretatie van de onderzoeksresultaten.

 

Interviewstudie:

Een willekeurige steekproef van 8896 65-plussers is per brief uitgenodigd voor het onderzoek. Ruim de helft van de genodigden (52,7%) meldde zich na ontvangst van de brief af. De overgebleven adressen zijn bezocht door interviewers. Uit deze huisbezoeken (N = 4199) zijn in totaal 1015 interviews voortgekomen (24,2% van alle huisbezoeken en 11,4% van de aangeschreven personen). De analyses zijn uitgevoerd met 1002 bruikbare interviews. Van de responsgroep was 47,4 procent vrouw en 52,6 procent man. De gemiddelde leeftijd was 74,8 jaar, met uiteenlopende leeftijden van 65 jaar tot 100 jaar. Respondenten waren relatief hoogopgeleid. Circa 90 procent had een Nederlandse achtergrond.

 

Informantenstudie:

Gedurende de informantenstudie (4 maanden) zijn vermoedens van ouderenmishandeling geregistreerd door informanten uit 16 beroepsgroepen, zoals thuiszorg, verpleging, vrijwilligerswerk en notariaat. De meeste signalen die geregistreerd werden, waren afkomstig van professionals werkzaam in de extramurale zorg.

Referenties

  1. Abrams RC, Lachs M, McAvay G, et al. Predictors of self-neglect in community-dwelling elders. Am J Psychiatry. 2002;159(10):1724-30. PubMed PMID: 12359679.
  2. Acierno R, Hernandez MA, Amstadter AB, et al. Prevalence and correlates of emotional, physical, sexual and financial abuse and potential neglect in the United States: the National Elder Mistreatment Study. Am J Public Health. 2010;100(2):292-7. doi: 10.2105/AJPH.2009.163089. Epub 2009 Dec 17. PubMed PMID: 20019303; PubMed Central PMCID: PMC2804623.
  3. Alexandra Hernandez-Tejada M, Amstadter A, Muzzy W, et al. The national elder mistreatment study: race and ethnicity findings. J Elder Abuse Negl. 2013;25(4):281-93. doi: 10.1080/08946566.2013.770305. PubMed PMID: 23768412; PubMed Central PMCID: PMC3694735.
  4. Amstadter AB, Zajac K, Strachan M, et al. Prevalence and correlates of elder mistreatment in South Carolina: the South Carolina elder mistreatment study. J Interpers Violence. 2011;26(15):2947-72. doi: 10.1177/0886260510390959. Epub 2011 May 20. PubMed PMID: 21602200; PubMed Central PMCID: PMC4182959.
  5. Anetzberger GJ, Korbin JE, Austin C. Alcoholism and elder abuse. Journal of Interpersonal Violence, 9, 184–193. doi:10.1177/088626094009002003. Geen PubMed PMID gevonden. 1994.
  6. Baker MW, LaCroix AZ, Wu C, et al. Mortality risk associated with physical and verbal abuse in women aged 50 to 79. J Am Geriatr Soc. 2009;57(10):1799-809. doi: 10.1111/j.1532-5415.2009.02429.x. Epub 2009 Aug 13. PubMed PMID: 19682130.
  7. Barometer 2013 & 2014, https://www.verwey-jonker.nl/publicaties/2015/eindmeting-barometer-ouderenmishandeling-gelderland-zuid geraadpleegd op 29-12-2016.
  8. Beach SR, Schulz R, Williamson GM, et al. Risk factors for potentially harmful informal caregiver behavior. J Am Geriatr Soc. 2005 Feb;53(2):255-61. PubMed PMID: 15673349.
  9. Beach SR, Schulz R, Castle NG, et al. Financial exploitation and psychological mistreatment among older adults: differences between African Americans and non-African Americans in a population-based survey. Gerontologist. 2010;50(6):744-57. doi: 10.1093/geront/gnq053. Epub 2010 Jul 22. PubMed PMID: 20650947; PubMed Central PMCID: PMC3003550.
  10. Begle AM, Strachan M, Cisler JM, et al. Elder mistreatment and emotional symptoms among older adults in a largely rural population: the South Carolina elder mistreatment study. J Interpers Violence. 2011;26(11):2321-32. doi: 10.1177/0886260510383037. Epub 2010 Sep 9. PubMed PMID: 20829233; PubMed Central PMCID: PMC3005541.
  11. Browne K. Family violence: Spouse and elder abuse. In K. Howells & C.R. Hollin (Eds.), Clinical approaches to violence (pp. 119–154). Chichester, UK: Wiley. Geen PubMed PMID gevonden. 1989.
  12. Brozowski K, Hall DR. Growing old in a risk society: Elder abuse in Canada. Journal of Elder Abuse & Neglect, 16, 65–81. doi:10.1300/J084v16n03_04. Geen PubMed PMID bekend. 2004.
  13. Brozowski K, Hall DR. Aging and risk: Physical and sexual abuse of elders in Canada. Journal of Interpersonal Violence, 25, 1183–1199. doi:10.1177/0886260509340546. Geen PubMed PMID bekend. 2010.
  14. Buri H, Daly JM, Hartz AJ, et al. Factors associated with self-reported elder mistreatment in Iowa’s frailest elders. Res Aging 2006;28:562-581. Geen PubMed PMID bekend.
  15. Burnes D, Pillemer K, Caccamise PL, et al. Prevalence of and Risk Factors for Elder Abuse and Neglect in the Community: A Population-Based Study. J Am Geriatr Soc. 2015;63(9):1906-12. doi: 10.1111/jgs.13601. Epub 2015 Aug 27. PubMed PMID: 26312573.
  16. Burnes D, Pillemer K, Caccamise PL, et al. Prevalence of and Risk Factors for Elder Abuse and Neglect in the Community: A Population-Based Study. J Am Geriatr Soc. 2015;63(9):1906-12. doi: 10.1111/jgs.13601. Epub 2015 Aug 27. PubMed PMID: 26312573.
  17. Burnett J, Jackson SL, Sinha AK, et al. Five-year all-cause mortality rates across five categories of substantiated elder abuse occurring in the community. J Elder Abuse Negl. 2016;28(2):59-75. doi: 10.1080/08946566.2016.1142920. Epub 2016 Jan 21. PubMed PMID: 26797389.
  18. Bytheway B. Ageism. Buckingham: Open University Press. Geen PubMed PMID gevonden. 1994.
  19. Cadmus EO, Owoaje ET. Prevalence and correlates of elder abuse among older women in rural and urban communities in South Western Nigeria. Health Care Women Int. 2012;33(10):973-84. doi: 10.1080/07399332.2012.655394. PubMed PMID: 22946597.
  20. Cannell MB, Manini T, Spence-Almaguer E, et al. U.S. population estimates and correlates of sexual abuse of community-dwelling older adults. J Elder Abuse Negl. 2014;26(4):398-413. doi:10.1080/08946566.2013.879845. PubMed PMID: 24410194.
  21. Chokkanathan S. Factors associated with elder mistreatment in rural Tamil Nadu, India: a cross-sectional survey. Int J Geriatr Psychiatry. 2014;29(8):863-9. doi: 10.1002/gps.4073. Epub 2014 Jan 17. PubMed PMID: 24436119.
  22. Chokkanathan S, Lee AE. Elder mistreatment in urban India: a community based study. J Elder Abuse Negl. 2005;17(2):45-61. PubMed PMID: 16611611.
  23. Cohen M, Levin SH, Gagin R, et al. Elder abuse: disparities between older people's disclosure of abuse, evident signs of abuse, and high risk of abuse. J Am Geriatr Soc. 2007;55(8):1224-30. PubMed PMID: 17661961.
  24. Cohen M. Research assessment of elder neglect and its risk factors in ahospital setting. Intern Med J. 2008 Sep;38(9):704-7. doi:10.1111/j.1445-5994.2008.01630.x. Epub 2008 Apr 16. PubMed PMID: 18422563.
  25. Cooney C, Howard R, Lawlor B. Abuse of vulnerable people with dementia by their carers: can we identify those most at risk? Int J Geriatr Psychiatry. 2006;21(6):564-71. PubMed PMID: 16783768.
  26. Cooper C, Katona C, Finne-Soveri H, et al. Indicators of elder abuse: a crossnational comparison of psychiatric morbidity and other determinants in the Ad-HOC study. Am J Geriatr Psychiatry. 2006;14(6):489-97. PubMed PMID: 16731717.
  27. Cooper C, Manela M, Katona C, et al. Screening for elder abuse in dementia in the LASER-AD study: prevalence, correlates and validation of instruments. Int J Geriatr Psychiatry. 2008;23(3):283-8. PubMed PMID: 17621366.
  28. Cooper C, Selwood A, Blanchard M, et al. Thedeterminants of family carers' abusive behaviour to people with dementia: results of the CARD study. J Affect Disord. 2010;121(1-2):136-42. doi: 10.1016/j.jad.2009.05.001. Epub 2009 May 17. PubMed PMID: 19446884.
  29. Coyne AC, Reichman WE, Berbig LJ. The relationship between dementia and elder abuse. Am J Psychiatry. 1993;150(4):643-6. PubMed PMID: 8465884.
  30. Daly JM, Hartz AJ, Stromquist AM, et al. Self-reported elderdomestic partner violence in one rural Iowa county. Journal of Emotional Abuse 2007; 7: 115-134. Pubmed PMID niet bekend.
  31. Donder L, Lang G, Ferreira-Alves J, et al. Risk factors of severity of abuse against older women in the home setting: A multinational European study. J Women Aging. 2016;28(6):540-554. PubMed PMID: 27749201.
  32. Dong X, Chen R, Chang ES, et al. Elder abuse and psychological well-being: a systematic review and implications for research and policy--a mini review.Gerontology. 2013;59(2):132-42. doi: 10.1159/000341652. Epub 2012 Aug 24. Review.PubMed PMID: 22922225.
  33. Dong X, Simon M, Evans D. A population-based study of physical function and risk for elder abuse reported to social service agency: findings from the Chicago health and aging project. J Appl Gerontol. 2014;33(7):808-30. doi: 10.1177/0733464812459371. Epub 2012 Sep 17. PubMed PMID: 25231755.
  34. Dong X, Simon MA, Odwazny R, et al. Depression and elder abuse and neglect among a community-dwelling Chinese elderly population. J Elder Abuse Negl. 2008;20(1):25-41. doi: 10.1300/J084v20n01_02. PubMed PMID: 18551905.
  35. Dong X, Beck T, Simon MA. Loneliness and mistreatment of older Chinese women: does social support matter? J Women Aging. 2009a;21(4):293-302. doi:10.1080/08952840903285252. PubMed PMID: 20183154.
  36. Dong X, Beck T, Simon MA. The associations of gender, depression and elder mistreatment in a community-dwelling Chinese population: the modifying effect of social support. Arch Gerontol Geriatr. 2010;50(2):202-8. doi: 10.1016/j.archger.2009.03.011. Epub 2009 Apr 26. PubMed PMID: 19398133.
  37. Dong X, Simon MA, Gorbien M, et al. Loneliness in older chinese adults: a risk factor for elder mistreatment. J Am Geriatr Soc. 2007;55(11):1831-5. Epub 2007 Oct 16. PubMed PMID: 17944895.
  38. Dong X, Simon MA, Evans DA. Prevalence of self-neglect across gender, race, and socioeconomic status: findings from the Chicago Health and Aging Project. Gerontology. 2012;58(3):258-68. doi: 10.1159/000334256. Epub 2011 Dec 21. PubMed PMID: 22189358; PubMed Central PMCID: PMC3362301.
  39. Dong X, Wilson RS, Mendes de Leon CF, Evans DA. Self-neglect and cognitive function among community-dwelling older persons. Int J Geriatr Psychiatry. 2010a;25(8):798-806. doi: 10.1002/gps.2420. PubMed PMID: 19946866.
  40. Dong X, Simon MA, Wilson RS, Mendes de Leon CF, Rajan KB, Evans DA. Decline in cognitive function and risk of elder self-neglect: finding from the Chicago Health Aging Project. J Am Geriatr Soc. 2010b;58(12):2292-9. doi: 10.1111/j.1532-5415.2010.03156.x. PubMed PMID: 21143438; PubMed Central PMCID: PMC3059228.
  41. Dong X, Simon MA, Evans D. Elder self-neglect and hospitalization: findings from the Chicago Health and Aging Project. J Am Geriatr Soc. 2012;60(2):202-9. doi: 10.1111/j.1532-5415.2011.03821.x. Epub 2012 Jan 27. PubMed PMID: 22283642; PubMed Central PMCID: PMC3288156.
  42. Dong X, Simon MA, Gorbien M. Elder abuse and neglect in an urban chinese population. J Elder Abuse Negl. 2007;19(3-4):79-96. PubMed PMID: 18160382.
  43. Dong X, Simon M, Mendes de Leon C, et al. Elder self-neglect and abuse and mortality risk in a community-dwelling population. JAMA. 2009b;302(5):517-26. doi: 10.1001/jama.2009.1109. PubMed PMID: 19654386; PubMed Central PMCID: PMC2965589.
  44. Dong X, Beck T, Simon MA. Loneliness and mistreatment of older Chinese women: does social support matter? J Women Aging. 2009c;21(4):293-302. doi:10.1080/08952840903285252. PubMed PMID: 20183154.
  45. Dong X, Simon M, Rajan K, Evans DA. Association of cognitive function and risk for elder abuse in a community-dwelling population. Dement Geriatr Cogn Disord. 2011;32(3):209-15. doi: 10.1159/000334047. Epub 2011 Nov 16. PubMed PMID: 22095098; PubMed Central PMCID: PMC3237103.
  46. Dong X, Simon MA. Elder abuse as a risk factor for hospitalization in older persons. JAMA Intern Med. 2013;173(10):911-7. doi: 10.1001/jamainternmed.2013.238. PubMed PMID: 23567991.
  47. Dong XQ, Simon M, Evans D. Cross-sectional study of the characteristics of reported elder self-neglect in a community-dwelling population: findings from a population-based cohort. Gerontology. 2010c;56(3):325-34. doi: 10.1159/000243164. Epub 2009 Sep 26. PubMed PMID: 19786733; PubMed Central PMCID: PMC2865493.
  48. Dong XQ. Elder Abuse: Systematic Review and Implications for Practice. J Am Geriatr Soc. 2015;63(6):1214-38. doi: 10.1111/jgs.13454. Epub 2015 Jun 11. Review. PubMed PMID: 26096395.
  49. Friedman LS, Avila S, Tanouye K, et al. A case-control study of severe physical abuse of older adults. J Am Geriatr Soc. 2011;59(3):417-22. doi: 10.1111/j.1532-5415.2010.03313.x. PubMed PMID: 21391932.
  50. Garre-Olmo J, Planas-Pujol X, López-Pousa S, et al. Frailty and Dependence in Girona Study Group. Prevalence and risk factors of suspected elder abuse subtypes in people aged 75 and older. J Am Geriatr Soc. 2009;57(5):815-22. PubMed PMID: 19484837.
  51. Gezondheidsmonitor GGD’en, CBS en RIVM, 2012 & 2016, https://bronnen.zorggegevens.nl/Bron?naam=Gezondheidsmonitor-Volwassenen-en-Ouderen%2C-GGD%E2%80%99en%2C-CBS-en-RIVM (versie 2012 geraadpleegd op 29-12-2016; versie 2016 geraadpleegd op 15-02-1018).
  52. Gil AP, Kislaya I, Santos AJ, et al. Elder abuse in Portugal: findings from the first national prevalence study. J Elder Abuse Negl. 2015;27(3):174-95. doi: 10.1080/08946566.2014.953659. Epub 2014 Dec 9. PubMed PMID: 25122109.
  53. Giraldo-Rodríguez L, Rosas-Carrasco O. Development and psychometric properties of the Geriatric Mistreatment Scale. Geriatr Gerontol Int. 2013;13(2):466-74. doi: 10.1111/j.1447-0594.2012.00894.x. Epub 2012 Jun 14. PubMed PMID: 22694594.
  54. de Gruijter M, Verwijs R , Kromontono E. Interculturele aspecten van ouderenmishandeling Verwey-Jonker Instituut. 2010:5-89.
  55. von Heydrich L, Schiamberg LB, Chee G. Social-relational risk factors for predicting elder physical abuse: an ecological bi-focal model. Int J Aging Hum Dev. 2012;75(1):71-94. PubMed PMID: 23115914.
  56. Homer AC, Gilleard C. Abuse of elderly people by their carers. BMJ. 1990;301(6765):1359-62. PubMed PMID: 2271883; PubMed Central PMCID: PMC1664522.
  57. Hwalek MA, Sengstock MC. Assessing the probability of abuse of the elderly: toward development of a clinical screening instrument. J Appl Gerontol 1986;5:153-173. Geen PubMed PMID bekend.
  58. Jackson SL. All Elder Abuse Perpetrators Are Not Alike: The Heterogeneity of Elder Abuse Perpetrators and Implications for Intervention. Int J Offender Ther Comp Criminol. 2016;60(3):265-85. doi: 10.1177/0306624X14554063. Epub 2014 Oct 16. Review. PubMed PMID: 25326465.
  59. Johannesen M, LoGiudice D. Elder abuse: a systematic review of risk factors in community-dwelling elders. Age Ageing. 2013;42(3):292-8. doi:10.1093/ageing/afs195. Epub 2013 Jan 22. Review. PubMed PMID: 23343837.
  60. Labrum T. Factors related to abuse of older persons by relatives with psychiatric disorders. Arch Gerontol Geriatr. 2017;68:126-134. doi: 10.1016/j.archger.2016.09.007. Epub 2016 Oct 13. PubMed PMID: 27810660.
  61. Lachs MS, Williams C, O'Brien S, et al. Risk factors for reported elder abuse and neglect: a nine-year observational cohort study. Gerontologist. 1997;37(4):469-74. PubMed PMID: 9279035.
  62. Lachs MS, Williams CS, O'Brien S, et al. The mortality of elder mistreatment. JAMA. 1998;280(5):428-32. PubMed PMID: 9701077.
  63. Lachs MS, Pillemer K. Elder abuse. Lancet. 2004;2-8;364(9441):1263-72. Review. PubMed PMID: 15464188.
  64. Laumann EO, Leitsch SA, Waite LJ. Elder mistreatment in the United States: prevalence estimates from a nationally representative study. J Gerontol B Psychol Sci Soc Sci. 2008;63(4):S248-S254. PubMed PMID: 18689774; PubMed Central PMCID: PMC2756833.
  65. Lee M, Kolomer SR. Caregiver burden, dementia, and elder abuse in South Korea. J Elder Abuse Negl. 2005;17(1):61-74. PubMed PMID: 16611617.
  66. Lee, M. Caregiver stress and elder abuse among Korean family caregivers or older adults with disabilities. J Fam Violence 2008;23:707-712. Geen PubMed PMID bekend.
  67. Lindenberg J, Mysyuk Y, Westendorp, RGJ. Systeembehandeling: Recht doen aan de zienswijzen van ouderen zelf. Justitiele verkenningen. 2015;6 (jaargang 41).
  68. Lowenstein A, Eisikovits Z, Band-Winterstein T, et al. Is elder abuse and neglect a social phenomenon? Data from the First National Prevalence Survey in Israel. J Elder Abuse Negl. 2009;21(3):253-77. doi: 10.1080/08946560902997629. PubMed PMID: 19827328.
  69. McCausland B, Knight L, Page L, et al. A systematic review of the prevalence and odds of domestic abuse victimization among people with dementia. Int Rev Psychiatry. 2016;28(5):475-484. Epub 2016 Aug 26. PubMed PMID:27564566.
  70. Melchiorre MG, Chiatti C, Lamura G, et al. Social support, socio-economic status, health and abuse among older people in seven European countries. PLoS One. 2013;8(1):e54856. doi: 10.1371/journal.pone.0054856. Epub 2013 Jan 30. PubMed PMID: 23382989; PubMed Central PMCID: PMC3559777.
  71. Mouton CP, Rodabough RJ, Rovi SL, et al. Psychosocial effects of physical and verbal abuse in postmenopausal women. Ann Fam Med. 2010;8(3):206-13. doi: 10.1370/afm.1095. PubMed PMID: 20458103; PubMed Central PMCID: PMC2866717.
  72. Movisie, factsheet ouderenmishandeling in 2014, uitgave juni 2015; https://www.movisie.nl/feiten-en-cijfers/ouderenmishandeling-2014-meldingen-adviesvragen, geraadpleegd 29-12-2016
  73. Natan MB, Lowenstein A, Eisikovits Z. Psycho-social factors affecting elders' maltreatment in long-term care facilities. Int Nurs Rev. 2010;57(1):113-20. doi: 10.1111/j.1466-7657.2009.00771.x. PubMed PMID: 20487483.
  74. Naughton C, Drennan J, Lyons I, et al. Abuse and neglect of older people in Ireland (Report on the National Study of Elder Abuse and Neglect). Dublin: National Centre for the Protection of Older People. Geen PubMed PMID bekend. 2010.
  75. Naughton C, Drennan J, Lyons I, et al. The relationship between older people's awareness of the term elder abuse and actual experiences of elder abuse. Int Psychogeriatr. 2013;25(8):1257-66. doi: 10.1017/S1041610213000513. Epub 2013 Apr 29. PubMed PMID: 23628217.
  76. Nelson TD. Ageism: Prejudice against our feared future self. Journal of Social Issues, 61, 207–221. doi:10.1111/j.1540-4560.2005.00402.x. Geen PubMed PMID gevonden. 2005.
  77. Ogioni L, Liperoti R, Landi F, et al. Cross-sectional association between behavioral symptoms and potential elder abuse among subjects in home care in Italy: results from the Silvernet Study. Am J Geriatr Psychiatry. 2007;15(1):70-8. PubMed PMID: 17194817.
  78. Oh J, Kim HS, Martins D, et al. A study of elder abuse in Korea. Int J Nurs Stud. 2006 Feb;43(2):203-14. PubMed PMID: 15913631.
  79. O’Keeffe M, Hills A, Doyle M, et al. UK study of abuse and neglect of older people: Prevalence survey report. London: Department of Health. Geen PubMed PMID bekend. 2007.
  80. Olofsson N, Lindqvist K, Danielsson I. Fear of crime and psychological and physical abuse associated with ill health in a Swedish population aged 65-84 years. Public Health. 2012;126(4):358-64. doi: 10.1016/j.puhe.2012.01.015. Epub 2012 Mar 2. PubMed PMID: 22386619.
  81. Paveza GJ, Cohen D, Eisdorfer C, et al. Severe family violence and Alzheimer's disease: prevalence and risk factors. Gerontologist. 1992;32(4):493-7. PubMed PMID: 1427252.
  82. Penhale B, Parker J, Kingston P. Elder abuse: Approaches to working with violence. Birmingham: BASW/Venture Press. Geen PubMed PMID gevonden. 2000.
  83. Pérez-Cárceles MD, Rubio L, Pereniguez JE, et al. Suspicion of elder abuse in South Eastern Spain: the extent and risk factors. Arch Gerontol Geriatr. 2009;49(1):132-7. doi: 10.1016/j.archger.2008.06.002. Epub 2008 Aug 3. PubMed PMID: 18676036.
  84. Peterson JC, Burnes DP, Caccamise PL, et al. Financial exploitation of older adults: a population-based prevalence study. J Gen Intern Med. 2014;29(12):1615-23. doi: 10.1007/s11606-014-2946-2. Epub 2014 Jul 25. PubMed PMID: 25103121; PubMed Central PMCID: PMC4242880.
  85. Pillemer K, Burnes D, Riffin C, et al. Elder Abuse: Global Situation, Risk Factors, and Prevention Strategies. Gerontologist. 2016;56Suppl2:S194-205. doi: 10.1093/geront/gnw004. Review. PubMed PMID: 26994260; PubMed Central PMCID: PMC5291158.
  86. Pillemer K, Finkelhor D. The prevalence of elder abuse: a random sample survey. Gerontologist. 1988;28(1):51-7. PubMed PMID: 3342992.
  87. Pillemer K. The dangers of dependency: new findings on domestic violence against the elderly. Soc Probl 1985; 33: 148-158. Geen PubMed PMID gevonden
  88. Plaisier I, de Klerk M. Ouderenmishandeling in Nederland. Inzicht in kennis over omvang en achtergrond van ouderen die slachtoffer zijn van ouderenmishandeling. Sociaal en Cultureel Planbureau 2015. isbn 978 90 377 0748 9. https://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2015/Ouderenmishandeling_in_Nederland.
  89. Podnieks E. National survey on abuse of the elderly in Canada. Journal of Elder Abuse & Neglect, 4, 4–58. doi:10.1300/ J084v04n01_02. Geen PubMed PMID bekend. 1993.
  90. Pot AM, van Dyck R, Jonker C, et al. Verbal and physical aggression against demented elderly by informal caregivers in The Netherlands. Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol. 1996;31(3-4):156-62. PubMed PMID: 8766461.
  91. Regioplan, Aard en omvang ouderenmishandeling, mei 2018.
  92. Schafer MH, Koltai J. Does embeddedness protect? Personal network density and vulnerability to mistreatment among older American adults. J Gerontol B Psychol Sci Soc Sci. 2015;70(4):597-606. doi: 10.1093/geronb/gbu071. Epub 2014 Jun 12. PubMed PMID: 24924161.
  93. Schofield MJ, Powers JR, Loxton D. Mortality and disability outcomes of self-reported elder abuse: a 12-year prospective investigation. J Am Geriatr Soc. 2013;61(5):679-85. doi: 10.1111/jgs.12212. Epub 2013 Apr 16. PubMed PMID: 23590291.
  94. Sethi D, Wood S, Mitis F, et al. European report on preventing elder maltreatment. Geneva, Switzerland: World Health Organization. Geen PubMed PMID bekend. 2011.
  95. Shugarman LR, Fries BE, Wolf RS, et al. Identifying older people at risk of abuse during routine screening practices. J Am Geriatr Soc. 2003;51(1):24-31. PubMed PMID: 12534841.
  96. Soares J, Barros H, Torres-Gonzales F, Abuse and health in Europe. Kaunas: Lithuanian University of Health Sciences Press. Geen PubMed PMID gevonden. 2010.
  97. Strasser SM, Smith M, Weaver S, et al. Screening for Elder Mistreatment among Older Adults Seeking Legal Assistance Services. West J Emerg Med. 2013;14(4):309-15. doi: 10.5811/westjem.2013.2.15640. PubMed PMID: 23930143; PubMed Central PMCID: PMC3735377.
  98. Tierney MC, Snow WG, Charles J, et al. Neuropsychological predictors of self-neglect in cognitively impaired older people who live alone. Am J Geriatr Psychiatry. 2007;15(2):140-8. PubMed PMID: 17272734.
  99. Vandeweerd C, Paveza GJ, Walsh M, et al. Physical mistreatment in persons with Alzheimer's disease. J Aging Res. 2013;2013:920324. doi: 10.1155/2013/920324. Epub 2013 Mar 17. PubMed PMID: 23577255; PubMed Central PMCID: PMC3613078.
  100. Vandeweerd C, Paveza GJ, Fulmer T. Abuse and neglect in older adults with Alzheimer's disease. Nurs Clin North Am. 2006;41(1):43-55, v-vi. Review. PubMed PMID: 16492453.
  101. von Elm E, Altman DG, Egger M, Pocock SJ, Gøtzsche PC, Vandenbroucke JP;STROBE Initiative. The Strengthening the Reporting of Observational Studies in Epidemiology (STROBE) statement: guidelines for reporting observational studies. Lancet. 2007 Oct 20;370(9596):1453-7. PubMed PMID: 18064739.
  102. Wiglesworth A, Mosqueda L, Mulnard R, et al. Screening for abuse and neglect of people with dementia. J Am Geriatr Soc. 2010;58(3):493-500. doi: 10.1111/j.1532-5415.2010.02737.x. PubMed PMID: 20398118.
  103. Williamson GM, Shaffer DR. Relationship quality and potentially harmful behaviors by spousal caregivers: how we were then, how we are now. The Family Relationships in Late Life Project. Psychol Aging. 2001;16(2):217-26. PubMed PMID: 11405310.
  104. Wolf RS, Pillemer K. Helping elderly victims: The reality of elder abuse. New York: Columbia University Press. Geen PubMed PMID gevonden. 1989.
  105. Wu L, Chen H, Hu Y, et al. Prevalence and associated factors of elder mistreatment in a rural community in People's Republic of China: a cross-sectional study. PLoS One. 2012;7(3):e33857. doi: 10.1371/journal.pone.0033857. Epub 2012 Mar 20. PubMed PMID: 22448276; PubMed Central PMCID: PMC3309016.
  106. Yan E, Chan KL. Prevalence and correlates of intimate partner violence amongolder Chinese couples in Hong Kong. Int Psychogeriatr. 2012;24(9):1437-46.doi: 10.1017/S1041610212000294. Epub 2012 Mar 27. PubMed PMID: 22452872.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 27-07-2018

Laatst geautoriseerd : 27-07-2018

Voor het beoordelen van de actualiteit van deze richtlijn is de werkgroep niet in stand gehouden. Uiterlijk in 2021 bepaalt het bestuur van de NVKG of de modules van deze richtlijn nog actueel zijn. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De NVKG is regiehouder van deze richtlijn en eerstverantwoordelijke op het gebied van de actualiteitsbeoordeling van de richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke en beroepsverenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de regiehouder over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Geriatrie
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
  • Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland
  • Nederlands Instituut van Psychologen
  • Patiëntenfederatie Nederland
  • Vereniging Vertrouwensartsen Kindermishandeling en huiselijk geweld
  • Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk
  • Landelijk Netwerk Veilig Thuis
  • Nederlandse Vereniging Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen

Algemene gegevens

De autorisatie door de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP) en het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP) is onder voorbehoud.

 

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (http://www.kennisinstituut.nl) en werd gefinancierd door de Stichting Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel van de richtlijn

Deze richtlijn geeft aanbevelingen voor de dagelijkse praktijk in de medisch- specialistische zorg betreffende het vroegtijdige signaleren van en handelen bij (een vermoeden van) ouderenmishandeling en het verbeteren van de organisatie en zorg voor deze patiënten.

 

De volgende onderwerpen komen aan de orde:

  • definitie van ouderenmishandeling, vormen en risicofactoren;
  • signalering/diagnostiek en screening;
  • juridische aspecten en wet- en regelgeving;
  • organisatie van zorg.

 

Afbakening van de richtlijn

De richtlijn richt zich op het signaleren van ouderenmishandeling in het medisch-specialistische zorgdomein. De richtlijn sluit aan bij de KNMG-meldcode kindermishandeling en huiselijk geweld.

 

Beoogde gebruikers van de richtlijn

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven en wet- en regelgeving de beste zorg is voor patiënten bij wie een vermoeden van ouderenmishandeling bestaat.

 

De richtlijn is bruikbaar voor alle zorgprofessionals werkzaam in het medisch-specialistisch zorgdomein die te maken krijgen met (een vermoeden van) ouderenmishandeling en biedt aanknopingspunten voor lokale protocollen en/of transmurale zorgafspraken.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2016 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante disciplines. De leden van de werk- en klankbordgroep zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte van augustus 2016 tot juli 2018 aan de totstandkoming van de richtlijn. Het klankbordgroeplid S. van Berben is medeauteur geweest op het onderdeel screening vanwege specifieke expertise.

 

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

Aan de werkgroep namen vertegenwoordigers vanuit de klinische geriatrie, spoedeisende hulp, spoedeisende hulp verpleegkunde, verpleegkundig specialisten geriatrie, psychiatrie, psychologie, en vertrouwensartsen deel.

 

Aan de klankbordgroep namen vertegenwoordigers vanuit verpleegkunde, aandachtsfunctionarissen, huisartsgeneeskunde, spoedeisende hulp, sociaal werkers, juristen, Veilig Thuis en onderzoekers deel. Deze groep heeft op gezette momenten commentaar gegeven op de conceptrichtlijn.

 

Werkgroep

  • Drs. M.E. van Houten, klinisch geriater, werkzaam in het OLVG West te Amsterdam en Spaarnegasthuis te Hoofddorp, NVKG (voorzitter)
  • Drs. B. Appels, klinisch neuropsycholoog, werkzaam in het Medisch Centrum Slotervaart te Amsterdam, NIP
  • W.M.E. Bil, MANP, verpleegkundig specialist klinische geriatrie, werkzaam in het Medisch Centrum Slotervaart te Amsterdam, V&VN
  • Drs. J.O. Daal, klinisch geriater, werkzaam in het Westfriesgasthuis te Hoorn, NVKG
  • Dr. H.W. Ham, spoedeisende hulp verpleegkundige werkzaam in het UMC Utrecht, en Hogeschool hoofddocent Acute Zorg, werkzaam bij de Hogeschool Utrecht, NVSHV
  • A. IJzermans, vertrouwensarts en forensisch arts, VVAK
  • Drs. A. van Kalles, AIOS klinische geriatrie, NVKG
  • Drs. B. van de Kerkhof-van Bon, spoedeisende hulp arts, werkzaam in het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis, NVSHA
  • Dr. G.G. Rosman-Meijer, vertrouwensarts en jeugdarts KNMG, VVAK en Landelijk Netwerk Veilig Thuis
  • Drs. E. Vleugel, Psychiater Kliniek Ouderen GGZ in Geest locatie Haarlem, NVvP

 

Klankbordgroep

  • Dr. S.A.A. Berben, associate lector acute intensieve zorg, werkzaam bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen, bestuurslid NVSHV
  • J. van Bokhorst, AIOS spoedeisende hulp, NVSHA
  • D. van Delden MSc, casemanager Dementie Oosterhout en omgeving en coördinator Dementiepunt bij Thebe, V&VN
  • Drs. L. van Haastert-Jap, huisarts, NHG
  • Dr. mr. A. de Jong, adviseur gezondheidsrecht, KNMG
  • M. de Jong, aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling, werkzaam bij GZ Maatschappelijk werk, BPSW
  • M. van der Krans-Vlug, projectleider Ouderenmishandeling Veilig Thuis Utrecht, Voorzitter Landelijk Platform Bestrijding Ouderenmishandeling (deelname tot mei 2017)
  • Mr. E.H.G. Kwakman, landelijk officier van justitie, Huiselijk geweld en Zeden, werkzaam bij het Openbaar Ministerie
  • Dr. K. Landsbergen, hoofddocent, werkzaam bij de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (deelname tot juli 2017)
  • J. Vrolijk, aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling en huiselijk geweld, werkzaam in het Jeroen Bosch Ziekenhuis vakgroep Klinische geriatrie

 

Met ondersteuning van:

  • D. Dreesens, senior-adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • W. Harmsen, adviseur, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten
  • M.E. Wessels, literatuurspecialist, Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

De KNMG-code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement, kennisvalorisatie) hebben gehad. Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. De ondertekende belangenverklaringen zijn op te vragen bij het secretariaat van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Gemelde belangen

Ondernomen actie

van Houten

1. Klinisch geriater, vanaf 15-09-2018 niet meer praktiserend.

2. Arts-docent masterfase interne geneeskunde OLVG-west en Spaarne gasthuis Hoofddorp.

3. Projectleider Interprofessioneel opleiden op de klnische geriatrie.

4. Lid stuurgroep 70+ portefeuille scholing.

1.Portefeuillehouder scholing stuurgroep kwetsbare ouderen OLVG, locatie west, valt binnen functie arts-docent.

2.Eigenaar van gerio-teaching per 01-05-2017

Op dit moment nog geen betaalde werkzaamheden. Doel bedrijf is onderwijs geven op gebied ouderengeneeskunde alsook adviseren op gebied implementatie senior vriendelijke projecten.

Geen

Geen

Daal

Klinisch geriater

In eigen ziekenhuis: lid werkgroep ouderenmishandeling, lid van commissie Appraisal en Assessment (voorzitter), lid DUO commissie, lid commissie OGTU (Orthopedisch lid projectgroep kwetsbare ouderen en heupfractuur, en opleider: semi artsen (co assistenten), verbredende co assistenten, verpleegkundig specialist.

Lid richtlijnontwikkeling NVKG.

Lid werkgroep spoedzorg in de regio, vanuit Traumanet AMC.

Allemaal niet betaalde functies.

Geen

 

Geen

 

IJzermans

Vertrouwensarts veilig thuis (full-time).

Forensisch arts (oproep/diensten 15uur/week)

Werkgroep forensisch medische expertise voor kinderen

Geen

 

Geen

Van de Kerkhof-van Bon

AIOS spoedeisende hulp geneeskunde bij opstarten richtlijn, nu spoedeisende hulp arts

Lid van sectie kindermishandeling en huiselijk geweld van de NVSHA (onbetaald).

klankbordlid van de richtlijn fracturen bij kinderen (onbetaald).

Bezig met het schrijven van een artikel over ouderenmishandeling en het beleid in EU

Geen

Vleugel

Psychiater Kliniek Ouderen GGZ in Geest locatie Haarlem

Penningmeester afdeling ouderenpsychiatrie van de NVvP, onbetaald

Geen

Geen

Van Kalles

AIOS klinische geriatrie

Geen

Geen

Geen

Appels

Klinisch neuropsycholoog MC Slotervaart

Richtlijnontwikkeling MCI (vacatiegeld)

Geen

Geen

Blom-Ham

Spoedeisende hulp verpleegkundige, Verpleegwetenschapper

Geen

Geen

Geen

Bil

Verpleegkundig specialist, afdeling klinisch geriatrie, MC Slotervaart/aandachtsfunctionaris ouderenmishandeling

Gastdocent (on)betaald).

Hoofdredacteur Vakblad De Verpleegkundig Specialist (onbetaald).

Lid-beroepsgenoot Regionaal Tuchtcollege voor de Gezondheidszorg te Den Haag (vacatiegelden).

Lid Congrescommissie Geriatriedagen namens V&VN (onbetaald).

Lid kerngroep Herziening richtijn probleemgedrag (Verenso) (vacatiegelden).

Lid klankbordgroep Ondersteuning Implementatie Actieplan Ouderen veilig 2015-2017 (Regioplan) in opdracht van Min. VWS (onkosten).

Lid klankbordgroep richtlijnherziening Artrose heup-knie (KNGF) (vacatiegelden).

Lid Landelijk Netwerk Klinische Geriatrie (V&VN) (onbetaald).

Lid Landelijk Netwerk Verpleegkundig Specialisten Klinische Geriatrie (V&VN) (onbetaald).

Lid werkgroep ontwikkeling kwaliteitskader intramurale spoedzorg (FMS/NIV) (vacatiegelden).

Geen

Geen

Berben

Senior ondezoeker 0,6 ftem Acute Zorgregio Oost, Radboudumc

Associate Lector Acute lntensieve Zorg 0,44 fte, Kenniscentrum Duurzame Zorg,

Hogeschoolvan Arnhem en Nijmegen,

1. Lid UMC Raad (bezoldigd).

Onbezoldigd:

2. Lid bestuurscommissie Richtlijnen V&VN.

3. Lid bestuur Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Verpleegkundigen.

4. Member Scientific Board European.

5. Academy of Nursing Science.

6. Lid Adviesraad Academic Network for Applied Public Health and Emergency Medicine (Anaphem).

7.Projectleider van RAAK-SIA gesubsidieerd ondezoeksproject naar de herkenning en

melding van ouderenmishandeling in de ambulancezorg en op de spoedeisende hulp.

8. E-learning ontwikkeld Ouderenmishandeling voor professionals in de acute intensieve zorg

(chauffeurs, verpleegkundigen, ambulance en SEH-verpleegkundigen, SEH-artsen).

Projectleider van RAAK-SIA gesubsidieerd ondezoeksproject naar de herkenning en

melding van ouderenmishandeling in de ambulancezorg en op de spoedeisende hulp.

E-learning ontwikkeld Ouderenmishandeling voor professionals in de acute intensieve zorg

(chauffeurs, verpleegkundigen, ambulance en SEH-verpleegkundigen, SEH-artsen)

Uitgesloten van besluit-vorming aangaande (aanbevelin-gen) training en nascholing

Rosman-Meijer

Vertrouwensarts

Jeugdarts KNMG

Bij Veilig thuis werk ik als vertrouwensarts en ben betrokken bij adviestrajecten, meldingen en onderzoeken waarbij er sprake is van een vemroeden van huiselijk geweld en kindermishandeling.

 

(onbetaald) bestuurslid (secretaris) VVAK, Vereniging VertrouwensArtsen Kindermishandeling en huiselijk geweld.

Geen

Geen

Inbreng patiëntenperspectief

Ten behoeve van het patiëntenperspectief heeft er periodiek overleg plaatsgevonden met de Patiëntenfederatie Nederland, UnieKBO en ANBO. Verder is er informatie ingewonnen bij Het Verwey-Jonker Instituut. Aangaande ouderen met een migrantenachtergrond hebben het NOOM (Netwerk van Organisaties van Oudere Migranten) en Pharos documentatiemateriaal aangeleverd. Movisie heeft ervaring met het in kaart brengen van het slachtoffer- en plegersperspectief bij huiselijk geweld. Deze organisatie is behulpzaam geweest met het toelichten van de door hen gepubliceerde cijfers en heeft eveneens documentatiemateriaal aangeleverd.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn(-module) en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren. Het implementatieplan is te vinden bij de aanverwante producten. De werkgroep heeft tevens (interne) indicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken (zie Indicatoren).

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II-instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II; Brouwers, 2010), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is. Voor een stap-voor-stap beschrijving hoe een evidence-based richtlijn tot stand komt wordt verwezen naar het stappenplan Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen van het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten.

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep en de adviseur de knelpunten. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door de deelnemers aan de invitational conference. Het verslag van de invitational is opgenomen als aanverwante product.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur concept-uitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen als kritiek, belangrijk (maar niet kritiek) en onbelangrijk. Tevens definieerde de werkgroep ten minste voor de kritieke uitkomstmaten welke verschillen zij klinisch (patiënt-)relevant vonden.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen (Medline), systematische reviews (Medline, Cochrane Database), en (grijze) literatuur over ouderenmishandeling in binnen- en buitenland. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekstrategie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module met desbetreffende uitgangsvraag. De zoekstrategie voor de oriënterende zoekactie/patiëntenperspectief zijn opgenomen onder aanverwante producten.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (risk of bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de Risk of Bias (RoB) tabellen. De gebruikte RoB instrumenten zijn gevalideerde instrumenten die worden aanbevolen door de Cochrane Collaboration: AMSTAR – voor systematische reviews; Cochrane – voor gerandomiseerd gecontroleerd onderzoek; ACROBAT-NRS – voor observationeel onderzoek; QUADAS II – voor diagnostisch onderzoek.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidence-tabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

A) Voor interventievragen (vragen over therapie of screening)

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methode. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie http://www.gradeworkinggroup.org/).

 

GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Deze gradaties verwijzen naar de mate van zekerheid die er bestaat over de literatuurconclusie (Schünemann, 2013).

 

GRADE

Definitie

Hoog

  • er is hoge zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is zeer onwaarschijnlijk dat de literatuurconclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Redelijk

  • er is redelijke zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • het is mogelijk dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Laag

  • er is lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • er is een reële kans dat de conclusie verandert wanneer er resultaten van nieuw grootschalig onderzoek aan de literatuuranalyse worden toegevoegd.

Zeer laag

  • er is zeer lage zekerheid dat het ware effect van behandeling dichtbij het geschatte effect van behandeling ligt zoals vermeld in de literatuurconclusie;
  • de literatuurconclusie is zeer onzeker.

 

B) Voor vragen over diagnostische tests, schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

De kracht van het wetenschappelijke bewijs werd eveneens bepaald volgens de GRADE-methode: GRADE-diagnostiek voor diagnostische vragen (Schünemann, 2008), en een generieke GRADE-methode voor vragen over schade of bijwerkingen, etiologie en prognose. In de gehanteerde generieke GRADE-methode werden de basisprincipes van de GRADE-methodiek toegepast: het benoemen en prioriteren van de klinisch (patiënt) relevante uitkomstmaten, een systematische review per uitkomstmaat, en een beoordeling van bewijskracht op basis van de vijf GRADE-criteria (startpunt hoog; downgraden voor risk of bias, inconsistentie, indirectheid, imprecisie, en publicatiebias).

 

C) Voor vragen over de waarde van meet- of classificatie-instrumenten (klinimetrie)

Deze instrumenten werden beoordeeld op validiteit, intra- (test-hertest) en inter-beoordelaarsbetrouwbaarheid, responsiviteit (alleen bij meetinstrumenten) en bruikbaarheid in de praktijk.

 

Formuleren van de conclusies

Voor elke relevante uitkomstmaat werd het wetenschappelijk bewijs samengevat in een of meerdere literatuurconclusies waarbij het niveau van bewijs werd bepaald volgens de GRADE-methodiek. De werkgroepleden maakten de balans op van elke interventie (overall conclusie). Bij het opmaken van de balans werden de gunstige en ongunstige effecten voor de patiënt afgewogen. De overall bewijskracht wordt bepaald door de laagste bewijskracht gevonden bij een van de kritieke uitkomstmaten. Bij complexe besluitvorming waarin naast de conclusies uit de systematische literatuuranalyse vele aanvullende argumenten (overwegingen) een rol spelen, werd afgezien van een overall conclusie. In dat geval werden de gunstige en ongunstige effecten van de interventies samen met alle aanvullende argumenten gewogen onder het kopje Overwegingen.

 

Overwegingen (van bewijs naar aanbeveling)

Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals de expertise van de werkgroepleden, de waarden en voorkeuren van de patiënt (patient values and preferences), kosten, beschikbaarheid van voorzieningen en organisatorische zaken. Deze aspecten worden, voor zover geen onderdeel van de literatuursamenvatting, vermeld en beoordeeld (gewogen) onder het kopje Overwegingen.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module Organisatie van zorg.

 

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werden er (interne) indicatoren ontwikkeld om het toepassen van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. Meer informatie over de methode van indicatorontwikkeling is op te vragen bij het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten (secretariaat@kennisinstituut.nl).

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is om de uitgangsvraag te kunnen beantwoorden. Een overzicht van de onderwerpen waarvoor (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek van belang wordt geacht, is als aanbeveling in de Kennislacunes beschreven (onder aanverwante producten).

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt-)organisaties voorgelegd ter commentaar. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de deelnemende (wetenschappelijke) verenigingen en (patiënt-) organisaties voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd dan wel geaccordeerd.

 

Literatuur

Actieplan ‘Ouderen in veilige handen’, Ministerie van VWS, 30 maart 2011. Voortzetting Actieplan ‘Ouderen in veilige handen’ (2015-2017).

Baker MW, LaCroix AZ, Wu C, et al. Mortality risk associated with physical and verbal abuse in women aged 50 to 79. J Am Geriatr Soc. 2009;57(10):1799-809. doi: 10.1111/j.1532-5415.2009.02429.x. Epub 2009 Aug 13. PubMed PMID: 19682130.

Begle AM, Strachan M, Cisler JM, et al. Elder mistreatment and emotional symptoms among older adults in a largely rural population: the South Carolina elder mistreatment study. J Interpers Violence. 2011;26(11):2321-32. doi: 10.1177/0886260510383037. Epub 2010 Sep 9. PubMed PMID: 20829233; PubMed Central PMCID: PMC3005541.

Brouwers MC, Kho ME, Browman GP, et al. AGREE Next Steps Consortium. AGREE II: advancing guideline development, reporting and evaluation in health care. CMAJ. 2010;182(18):E839-42. doi: 10.1503/cmaj.090449. Epub 2010 Jul 5. Review. PubMed PMID: 20603348.

Comijs HC. 'Elder mistreatment: prevalence, risk indicators and consequences', PhD, Vrije Universiteit Amsterdam. 1999.

Comijs HC, Pot AM, Smit JH, et al. Elder abuse in the community:prevalence and consequences. J Am Geriatr Soc. 1998;46(7):885-8.PubMed PMID:9670877.

Dong XQ. Elder Abuse: Systematic Review and Implications for Practice. J Am Geriatr Soc. 2015;63(6):1214-38. doi: 10.1111/jgs.13454. Epub 2015 Jun 11. Review. PubMed PMID: 26096395.

Dong X, Simon MA. Elder abuse as a risk factor for hospitalization in older persons. JAMA Intern Med. 2013;173(10):911-7. doi: 10.1001/jamainternmed.2013.238. PubMed PMID: 23567991

Dong X, Simon M, Mendes de Leon C, et al. Elder self-neglect and abuse and mortality risk in a community-dwelling population. JAMA. 2009;302(5):517-26. doi: 10.1001/jama.2009.1109. PubMed PMID: 19654386; PubMed Central PMCID: PMC2965589.

Lachs MS, Williams CS, O'Brien S, et al. The mortality of elder mistreatment. JAMA. 1998;280(5):428-32. PubMed PMID: 9701077.

http://www.veiligezorgrelatie.nl/downloads/Leidraad%20Veilige%20zorgrelatie,%20uitgewerkt%20(april%202016).pdf.

Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0. Adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. https://richtlijnendatabase.nl/over_deze_site/richtlijnontwikkeling.html. 2012.

Mouton CP, Rodabough RJ, Rovi SL, et al. Psychosocial effects of physical and verbal abuse in postmenopausal women. Ann Fam Med. 2010;8(3):206-13. doi: 10.1370/afm.1095. PubMed PMID: 20458103; PubMed Central PMCID: PMC2866717.

Olofsson N, Lindqvist K, Danielsson I. Fear of crime and psychological and physical abuse associated with ill health in a Swedish population aged 65-84 years. Public Health. 2012;126(4):358-64. doi: 10.1016/j.puhe.2012.01.015. Epub 2012 Mar 2. PubMed PMID: 22386619.

Ontwikkeling van Medisch Specialistische Richtlijnen: stappenplan. Kennisinstituut van Medisch Specialisten.

Rijksoverheid ouderenmishandeling, https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/ouderenmishandeling.

Schofield MJ, Powers JR, Loxton D. Mortality and disability outcomes of self-reported elder abuse: a 12-year prospective investigation. J Am Geriatr Soc. 2013;61(5):679-85. doi: 10.1111/jgs.12212. Epub 2013 Apr 16. PubMed PMID: 23590291.

Schünemann H, Brożek J, Guyatt G, et al. GRADE handbook for grading quality of evidence and strength of recommendations. Updated October 2013. The GRADE Working Group, 2013. Available from http://gdt.guidelinedevelopment.org/central_prod/_design/client/handbook/handbook.html.

Schünemann HJ, Oxman AD, Brozek J, et al. Grading quality of evidence and strength of recommendations for diagnostic tests and strategies. BMJ. 2008;336(7653):1106-10. doi: 10.1136/bmj.39500.677199.AE. Erratum in: BMJ. 2008;336(7654). doi: 10.1136/bmj.a139. PubMed PMID: 18483053.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.