Welke voor varicellazostervirus (VZV) vatbare personen dienen te allen tijde te worden opgespoord door middel van screening op antistoffen tegen VZV? Hierbij is gekeken naar:

-          immuungecompromitteerde personen

-          personeel werkzaam in de gezondheidszorg

 

Uit deze vraag volgen 2 subvragen:

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-09-2010

Laatst geautoriseerd : 01-09-2010

Uiterlijk in 2015 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen als nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit ervan. De andere wetenschappelijke verenigingen die aan deze richtlijn deelnemen, of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Medische microbiologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venerologie
  • Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS)

Doel en doelgroep

De richtlijn beoogt een leidraad te zijn voor de dagelijkse praktijk van preventie van ernstige primo-infecties met VZV bij patiënten met een verhoogd risico, en de verspreiding ervan op locaties waar deze patiënten zich frequent ophouden (ziekenhuizen, poliklinieken).

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle medewerkers in de gezondheidszorg die voor en met patiënten uit bovengenoemde risicogroepen werken.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2009 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, met vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met VZV-infecties te maken hebben (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep). De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname aan deze werkgroep. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze conceptrichtlijn.

 

  • Dr. Ph.H. Rothbarth, arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie (voorzitter werkgroep)
  • Dr. C.A. Benne, arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Dr. K. Boer, gynaecoloog, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Drs. A. Bruinsma, verloskundige, Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen
  • Drs. G. Frijstein, bedrijfsarts, Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde
  • Dr. N.G. Hartwig, kinderarts, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Drs. P.H.A. Jacobs, arts M&G Infectieziektebestrijding, Vereniging voor Infectieziekten (VIZ)
  • Prof. dr. T.W. Kuijpers, kinderarts, Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde
  • Dr. E. van Leeuwen, gynaecoloog, Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Dr. W. Opstelten, huisarts, Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Prof. dr. A.P. Oranje, dermatoloog, Nederlandse Vereniging voor Dermatologie en Venereologie
  • Dr. H.C. Rümke, onderzoeker, Vaxinostics, Universitair Vaccin Centrum Rotterdam Nijmegen
  • Dr. C.M.A. Swanink, arts-microbioloog, Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie

 

Met ondersteuning van:

  • Dr. N.H.J. van Veen, adviseur, Orde van Medisch Specialisten
  • Drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten

 

Redactiecommissie:

  • Dr. Ph.B. Rothbarth
  • Dr. N.G. Hartwig
  • Dr. W. Opstelten

Belangenverklaringen

Elf werkgroepleden hebben verklaard in de afgelopen vijf jaar en/of gedurende de looptijd van het project geen belangen te hebben gehad die mogelijk kunnen interfereren met de besluitvorming in de werkgroep ten aanzien van de interpretatie van het wetenschappelijk bewijs en het opstellen van aanbevelingen. Twee werkgroepleden hebben verklaard in de afgelopen vijf jaar en/of gedurende de looptijd van het project belangen (contractonderzoek voor of advisering, scholing en sponsoring van farmaceutische industrie) te hebben gehad die mogelijk kunnen interfereren met de besluitvorming in de werkgroep ten aanzien van de interpretatie van het wetenschappelijk bewijs en het opstellen van aanbevelingen.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De richtlijn wordt verspreid onder alle relevante specialismen die met VZV-infecties te maken hebben.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 1 jaar aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden zochten systematisch naar relevante literatuur en beoordeelden de kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De uiteindelijke teksten vormen samen de hier voorliggende richtlijn.

 

Methode richtlijnontwikkeling

Deze (concept)richtlijn is opgesteld aan de hand van het “Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation” (AGREE) instrument (www.agreecollaboration.org). Dit instrument is een breed (internationaal) geaccepteerd instrument voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Herziening

De richtlijn Varicella uit 2003 vormde het uitgangspunt voor deze richtlijn. Er werd gekeken of de aanbevelingen uit deze richtlijn nog actueel waren en van toepassing op de Nederlandse situatie. Waar nodig zijn aanbevelingen herzien aan de hand van recente literatuur. Tevens is een nieuwe vraag over indicaties voor toediening van VZV-vacccins toegevoegd.

 
Strategie voor zoeken naar literatuur

Er is systematisch gezocht naar literatuur over de periode januari 1998 t/m mei 2010, in aansluiting op de richtlijn uit 2003. Eerst is oriënterend gezocht naar bestaande richtlijnen via Guidelines International Network (http://www.g-i-n.net/), het CBO Kwaliteitsinstituut voor de gezondheidszorg (www.cbo.nl) en SUMSearch en naar systematische reviews via de Cochrane Library en SUMsearch. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke onderzoeken in de bibliografische database Medline via PubMed. Voor de indicaties voor toediening van de in Nederland geregistreerde VZ-vaccins is ook gezocht in de database Embase. Tevens is aanvullend handmatig gezocht naar onderzoeken aan de hand van de literatuurlijsten van de opgevraagde artikelen. De gebruikte zoektermen staan in bijlage 2.

 

Beoordeling van de kwaliteit van onderzoeken

Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De werkgroepleden hebben deze artikelen vervolgens beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. De indeling hierbij staat in tabel 1.1.

De beoordeling van de verschillende artikelen vindt u in de verschillende teksten terug onder het kopje ‘Samenvatting literatuur’. Aangezien nauwelijks goede gecontroleerde onderzoeken zijn gevonden voor dit onderwerp, zijn de onderzoeken alleen samengevat in de tekst en niet in evidence-tabellen. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 1.2).

 

Tabel 1.1. Indeling van methodologische kwaliteit van individuele onderzoeken

Bewijs niveau

Interventie onderzoek

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review / meta-analyse van tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek t.o.v. een referentietest (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

Onderzoek t.o.v. een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohortonderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohortonderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

 

Tabel 1.2. Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van het aan de conclusie ten grondslag liggend bewijs

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

(Het is aangetoond dat…)

2

1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

(Het is aannemelijk dat…)

3

1 onderzoek van niveau B of C

(Er zijn aanwijzingen dat…)

4

Mening van deskundigen 

(De werkgroep is van mening dat…)

 

Formuleren van aanbevelingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs vaak nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overwegingen’. Bij de overwegingen spelen de ervaring en opvattingen van de werkgroepleden een rol. De ‘aanbevelingen’ geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen. De gebruikte methodiek voor richtlijnontwikkeling verhoogt de transparantie van de totstandkoming van de aanbevelingen in deze richtlijn.