UI Incontinentie-absorptiemateriaal

Laatst beoordeeld: 30-12-2011

Uitgangsvraag

Wat is de effectiviteit van verschillende incontinentie-absorptiematerialen in termen van gebruikersgemak, lekkage en veiligheid voor de huid?

 

Deze module richt zich op 'Incontinentie-absorptiemateriaal (IA-materiaal)'.

Aanbeveling

Routinematig gebruik van IA-materiaal wordt alleen aanbevolen:

  • als tijdelijke aanvulling op conservatieve behandeling;
  • indien de (conservatieve) behandeling geen of onvoldoende effect heeft;
  • als een (operatieve) vervolgbehandeling niet mogelijk of gewenst is.

 

Gebruik voor lichte UI inlegverband voor UI (geen maandverband). Het IA-materiaal moet geschikt zijn voor het verlies van enkele kleine druppeltjes of scheutjes verlies per keer. Gebruik voor matige tot zware UI de T-vorm, het 1-delige systeem met plakstrip of het elastische broekje. Deze moeten geschikt zijn voor het verlies van flinke scheuten urineverlies per keer, of zelfs bijna de hele of de gehele blaasinhoud (dit is vaak het geval bij aandrangincontinentie).

 

Maak waar mogelijk een keuze voor een bepaald product door middel van een informatief gesprek tussen patiënt en continentieverpleegkundige of apotheker(assistent). Ga periodiek opnieuw een gesprek aan om te bekijken of er zaken veranderd zijn, waardoor ander IA- materiaal (bijvoorbeeld groter of kleiner absorptievermogen) gebruikt moet gaan worden of dat er wellicht minder of meer frequent verschoond hoeft te worden. Ga ook opnieuw een gesprek aan als sprake is van huidletsel, lekkage of anderszins.

 

In de thuissituatie kan een eerste uitgave van proef IA-materiaal door een apothekers­assistent gedaan worden, gevolgd door een uitgebreidere anamnese door een continentie­verpleegkundige.

 

Laat door de patiënt verschillende producten uitproberen en denk daarbij in ieder geval aan

het volgende:

  • De meest geschikte maat van het product.
  • Het meest geschikte absorptievermogen.
  • De vraag of het geschikt materiaal is voor de patiënt (denk aan allergieën/huidirritatie door bepaald materiaal).
  • Het bestaan van producten speciaal voor de man dan wel voor de vrouw.
  • De mate waarin de patiënt mobiel is.
  • De mate waarin de patiënt cognitieve problemen heeft (is de patiënt bijvoorbeeld in staat het product zelf aan te doen).
  • De handcoördinatie van de patiënt (is de patiënt in staat om het product zelf aan te doen)
  • De mate waarin de patiënt in staat is zichzelf uit te kleden.
  • De mate waarin hulp aanwezig is om de patiënt wanneer nodig te ondersteunen.
  • Het tijdstip van de dag: ’s nachts is soms een zwaarder product nodig en wellicht ook een onderlegger.
  • Soms (bij gebruik van een inlegger) is een fixatiebroekje of strak aansluitend ondergoed nodig om het IA-materiaal op z’n plek te houden.

 

De persoon die het IA-materiaal verwisselt dient op de hoogte te zijn hoe het betreffende product aangebracht moet worden in verband met mogelijk huidletsel en ander ongemak. Maak gebruik van de productkaarten van de fabrikant of neem contact op met de fabrikant voor informatie. Hulpverleners dienen desgewenst geschoold te worden.

Overwegingen

De werkgroep is van mening dat IA-materiaal alleen routinematig gebruikt mag worden:

  • als tijdelijke aanvulling op conservatieve behandeling;
  • indien (conservatieve) behandeling geen of onvoldoende effect heeft;
  • indien een (operatieve) vervolgbehandeling niet mogelijk of gewenst is.

De werkgroep geeft aan dat de ervaring leert dat bij wegwerp maandverband eerder sprake is van lekkage en van huidirritatie dan bij wegwerp inlegverband. Ze geven aan dat maandverband niet gebruikt moet worden voor UI.

De werkgroep geeft verder aan dat er veel verschil in voorkeur en gebruikersgemak bestaat. Deze zaken, en niet de kosten van het product, zijn doorslaggevend voor de keuze die gemaakt wordt. Daarbij kan sprake kan zijn van uiteenlopende moeilijkheden, bijvoorbeeld niet meer mobiel zijn, een slechte handcoördinatie en cognitieve problemen waardoor niet meer begrepen wordt hoe de producten aangebracht moeten worden.

 

De werkgroep geeft aan dat voor de nacht, bij zowel lichte als matig tot zware UI, een product met een groter absorptievermogen noodzakelijk kan zijn dan overdag en bovendien gebruik gemaakt kan worden van een onderlegger.

 

Bij de keuze van IA-materiaal moet een aantal zaken in overweging genomen worden, namelijk:

  1. De heupomvang/maat van de patiënt. De verschillende producten zijn in verschillende maten verkrijgbaar. De juiste maat moet uitgekozen worden, zodat het product zo goed en comfortabel mogelijk zit en huidirritatie en lekkage zoveel als mogelijk wordt vermeden.
  2. Binnen de productcategorieën is er verschil in absorptievermogen. Hiervan moet de juiste gekozen worden. Voor de nacht kan soms een zwaarder product nodig zijn en is het soms wenselijk om een onderlegger te gebruiken.
  3. Gebruikersgemak en zelfredzaamheid van de patiënt. Met name bij de groep kwetsbare ouderen, kunnen uiteenlopende problemen bestaan. Patiënten kunnen bijvoorbeeld niet mobiel zijn, een slechte handcoördinatie hebben, of cognitieve problemen waardoor ze niet meer begrijpen hoe de producten aangebracht moeten worden. Voor mensen die niet meer goed weten hoe ze IA-materiaal moeten verwisselen, kunnen de broekjes handig zijn omdat deze op gewoon ondergoed lijken. Echter, bij het verwisselen van het broekje dient de patiënt zich voor een deel uit te kleden. Dit is niet voor iedere patiënt weggelegd. Een T-vorm kan dan bijvoorbeeld
    weer handiger zijn. Het 1-delige systeem met plakstrip kan problemen geven als de patiënt problemen heeft met de handcoördinatie. De keuze voor een bepaald product kan bovendien afhankelijk zijn van de mate waarin hulp aanwezig is.
  4. Soms kan irritatie van de huid optreden, door het materiaal van een product. Het is dan verstandig om hetzelfde product bij een andere fabrikant uit te proberen.
  5. Als meerdere producten even geschikt blijken, dan kunnen de kosten van een product de doorslag geven.
  6. De productkaarten van fabrikanten kunnen geraadpleegd worden voor gedetailleerdere informatie bij het maken van een keuze. Hierop staat bijvoorbeeld vaak ook door middel van druppeltjes of kleuren aangegeven hoe groot het absorptie­vermogen van de verschillende producten is. Bovendien welke producten specifiek voor de man, dan wel vrouw ontworpen zijn.
  7. Als patiënten een keuze tussen producten aangeboden krijgen, dan zou het goed zijn als ze de verschillende producten kunnen uitproberen, alvorens een ‘definitieve’ keuze te maken. Deze keuze kan bijvoorbeeld door middel van een individueel gesprek tussen patiënt en continentieverpleegkundige gemaakt worden.
  8. Het is van belang om inlegverband goed te fixeren, met behulp van fixatiebroekjes of goed sluitend ondergoed.
  9. Bovendien is van belang dat 1 product tegelijk wordt gebruikt.

Conclusies

 

Niveau 2

Er is enige reden om aan te nemen dat wegwerp inlegverband beter scoort op lekkage, acceptatie, en voorkeur patiënt dan wegwerp maand­verband bij vrouwen met lichte UI. Het wegwerp inlegverband is wel duurder.

B Fader2007

 

Niveau 2

Op lekkage, voorkeur en acceptatie scoort bij de vrouwen met matige tot zware UI het elastische broekje (het duurste product) vaak het beste. Afhankelijk van setting en tijdstip van de dag, echter ook het 1-delige systeem met plakstrip (een na goedkoopste product) en een enkele keer de T-vorm (en het inlegmateriaal).

 

 

B Fader2008

 

Samenvatting literatuur

Er werd een search gedaan naar de effectiviteit van lA-materialen voor de opvang van urine (zie voor verantwoording kopje ‘Zoekverantwoording’). In deze search zijn twee reviews geïncludeerd waarin de kwaliteit van verschillende IA-materialen met elkaar wordt vergeleken (Fader 2007, Fader 2008). De eerstgenoemde review is gericht op patiënten met lichte UI en de laatstgenoemde op patiënten met matige tot zware UI. De verschillende producten die in de reviews benoemd worden zijn niet allemaal (onder dezelfde naam) bekend in de Nederlandse praktijk. Daarom is een vertaalslag van de literatuur naar de Nederlandse praktijk gemaakt (zie Bijlage ‘Bijlage 7: Vertaalslag literatuur IA-materiaal en huidverzorging naar Nederlandse Praktijk’). In dit stuk worden alleen de producten uit de review beschreven, die ook gangbaar zijn in de Nederlandse praktijk.

 

Lichte UI

In een review over lichte UI wordt 1 RCT beschreven (Fader 2007). In deze RCT werden bij 85 vrouwen met lichte UI verschillende IA-materialen met elkaar vergeleken. Onder lichte UI wordt verstaan dat het urineverlies met klein absorberend materiaal (50 tot 500 ml absorptievermogen) opgevangen kan worden. Dit is het geval bij het verliezen van enkele druppeltjes of scheutjes urine per keer (vaak het geval bij stressincontinentie). De leeftijd en de vorm van UI van de vrouwen wordt niet beschreven en het is onduidelijk in hoeverre de participanten hulpbehoevend waren. Er werden uiteenlopende uitkomstmaten gehanteerd, waarbij de mate waarin lekkage met het product wordt voorkomen, de acceptatie van het product en de mate waarin het product de voorkeur van de patiënt geniet, de nadruk kregen. Er is ook gekeken naar de kosten van het product. De RCT was van goede kwaliteit. Wegwerp inlegverband en wegwerpmaandverband werden met elkaar vergeleken. De resultaten staan in Tabel 7.1 weergegeven.

 

Tabel 7.1: Vergelijking product op voorkeur, acceptatie, lekkage en kosten bij lichte UI

 

Voorkeur

(hoogste score)

Acceptatie

(hoogste score)

Lekkage

(hoogste score)

Kosten materiaal

(goedkoopste

product)

Wegwerp inlegmateriaal versus wegwerp maand-verband

Wegwerp

inlegmateriaal

Wegwerp

inlegmateriaal

Wegwerp

inlegmateriaal

Maandverband

 

Het wegwerp inlegverband scoorde beter dan het wegwerpmaandverband, als gekeken wordt naar lekkage, acceptatie en voorkeur patiënt, bij vrouwen met lichte UI. Het wegwerp- inlegverband was echter ook het duurste.

 

Matige tot zware UI

In een review over matige en zware UI worden 2 RCT’s beschreven, waarin bij 109 vrouwen en 76 mannen absorberende producten werden vergeleken (Fader 2008). De participanten woonden thuis of in een verpleeghuis en hadden matige tot zware UI en/of faecale incontinentie. Er is sprake van matige tot zware UI als een groter absorberend materiaal nodig is om de urine in op te vangen (vaak met een absorptievermogen van 2000 tot 3000 ml). Dit is het geval wanneer flinke scheuten urine verlies per keer verloren wordt, of zelfs bijna de hele of de gehele blaasinhoud (dit is vaak het geval bij aandrangincontinentie). De leeftijd van de participanten en de soort UI worden niet benoemd. Het is onduidelijk in hoeverre participanten hulpbehoevend waren. Er werden uiteenlopende uitkomstmaten gehanteerd, waarbij de mate waarin een product de voorkeur van de patiënt geniet, de algehele mening van de patiënt over het product, en de mate van lekkage, de nadruk kregen. Bovendien werden de kosten van het product beschreven. De 2 trials waren van goede kwaliteit. In deze studie werd wegwerp inlegverband getest. Bovendien de T-vorm en de wegwerp elastische broekjes en tenslotte het 1-delige systeem met plakstrip.

 

T-vorm Elastisch broekje 1-delig systeem met plakstrip
T-vorm Elastisch broekje 1-delig systeem met plakstrip

 

 

 

In verschillende vergelijkingen werden de verschillende producten tijdens de dag of de nacht met elkaar vergeleken. Het resultaat hiervan staat in Tabel 7.2 weergegeven.

 

Tabel 7.2: Vergelijking product op voorkeur, acceptatie, lekkage en kosten bij matige-zware UI

 

Voorkeur

(hoogste

score)

Acceptatie/ algehele mening (hoogste score)

Lekkage

(hoogste

score)

Kosten

materiaal

(goedkoopste

product)

Wegwerp inlegmateriaal

versus 1-delig systeem met

plakstrip (dag)

 

 

 

Inlegmateriaal

Wegwerp inlegmateriaal versus T- vorm(dag)

-

Inlegmateriaal

-

Inlegmateriaal

Elastisch broekje versus 1-delig systeem met plakstrip (dag)

Elastisch

broekje

Elastisch broekje

-

Luier wegwerp

Elastisch broekje versus wegwerp inlegmateriaal (dag)

Elastisch

broekje

-

Elastisch

broekje

Inlegmateriaal

Elastisch broekje versus T-vorm (dag)

Elastisch

broekje

Elastisch broekje

-

T-vorm

1-delig systeem met plakstrip versus T-vorm (dag)

-

-

-

1-delig systeem met plakstrip

Wegwerp inlegmateriaal versus 1- delig systeem met plakstrip (nacht)

-

-

-

1-delig systeem met plakstrip

Wegwerp inlegmateriaal versus T- vorm (nacht)

-

-

-

Inlegmateriaal

Elastisch broekje versus wegwerp inlegmateriaal (nacht)

Elastisch

broekje

Elastisch broekje

Elastisch

broekje

Inlegmateriaal

Elastisch broekje versus 1-delig systeem met plakstrip (nacht)

Elastisch

broekje

-

Elastisch

broekje

1-delig systeem met plakstrip

Elastisch broekje versus T-vorm (nacht)

Elastisch

broekje

Elastisch broekje

-

T-vorm

1-delig systeem met plakstrip versus T-vorm (nacht)

-

-

-

1-delig systeem met plakstrip

Wegwerp inlegmateriaal versus T- vorm (nacht)

-

-

-

Inlegmateriaal

Elastisch broekje versus wegwerp inlegmateriaal (nacht)

Elastisch

broekje

Elastisch broekje

Elastisch

broekje

Inlegmateriaal

Elastisch broekje versus 1-delig systeem met plakstrip (nacht)

Elastisch

broekje

-

Elastisch

broekje

1-delig systeem met plakstrip

Elastisch broekje versus T-vorm (nacht)

Elastisch

broekje

Elastisch broekje

-

T-vorm

1-delig systeem met plakstrip versus T-vorm (nacht)

-

-

-

1-delig systeem met plakstrip

 

 

Kosten van producten

De elastische broekjes bleken het duurste te zijn. Daarna de T-vorm. Vervolgens het inleg- verband en het 1-delige systeem met plakstrip, waarbij blijkt dat het inlegverband overdag het goedkoopste is en het 1-delige systeem met plakstrip ‘s nachts.

 

Scores van producten getest op voorkeur, acceptatie en lekkage

Opvallend is dat het elastische broekje het beste scoort op lekkage, bij vrouwen thuis. Het elastische broekje en het 1-delige systeem met plakstrip overdag in het verpleeghuis. Verder werden geen verschillen gevonden in de scores op lekkage.

Op acceptatie scoorde het elastische broekje thuis het beste. Bij vrouwen in verpleeghuizen werden voor wat betreft acceptatie van de producten, geen significante verschillen gevon­den.

 

Het elastische broekje kreeg de meeste voorkeur in de thuissituatie en bovendien in het verpleeghuis overdag. In het verpleeghuis tijdens de nacht kregen het 1-delige systeem met plakstrip, de T-vorm en het elastische broekje de meeste voorkeur.

Referenties

  1. Fader M, Cottenden AM, Getliffe K. Absorbent products for light urinary incontinence in women. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, Issue 2. Art. No.: CD001406. DOI: 10.1002/14651858.CD001406.pub2.
  2. Fader M, Cottenden AM, Getliffe K. Absorbent products for moderate-heavy urinary and/or faecal incontinence in women and men. Cochrane Database of Systematic Reviews 2008, issue 4. Art. No.: CD007408. DOI: 10.1002/14651858.CD007408.
  3. Hodgkinsons B, Nay R, Wilson J. A systematic review of topical skin care in aged care facilities. Journal of Clinical Nursing 2006 april; 16: 129-136.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 30-12-2011

Laatst geautoriseerd : 30-12-2011

Herziening

Uiterlijk in 2015 wordt door de initiatiefnemer, na raadpleging van of op advies van andere in de richtlijn participerende verenigingen, bepaald of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om (delen van) de richtlijn te herzien. De

geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding

zijn een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie

Algemene gegevens

Organisatie:

CBO (tot 30 april 2009)

Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging (vanaf 1 mei 2009)

 

Samenwerkende organisaties:

Universitair Medisch Centrum St Radboud Nijmegen, Afdeling Huisartsengeneeskunde/ Vrouwenstudies Medische Wetenschappen Universitair Medisch Centrum Groningen

 

Mandaterende verenigingen/instanties:

  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en  Bedrijfsgeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor UrologieNederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en Pre- en Postpartum Gezondheidszorg
  • Stichting Bekkenbodem Patiënten
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland Continentie Verpleegkundigen & Verzorgenden

 

Medewerking van:

Nederlands Huisartsen Genootschap Verenso, specialisten in ouderengeneeskunde

 

Financiering:

Programma Kennisbeleid Kwaliteit Curatieve Zorg (KKCZ) van ZonMw

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence’ gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners in het algemeen moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt’, kunnen zorgverleners echter op basis van hun professionele autonomie zo nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

 

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De aanbevelingen in de richtlijn berusten op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming. Er wordt aangegeven wat, volgens de huidige maatstaven en aansluitend bij de gangbare Nederlandse praktijk, in het algemeen de beste zorg is voor patiënten met UI. De richtlijn geeft aanbevelingen voor de diagnostiek, (medicamenteuze) behandeling, voorlichting en begeleiding van patiënten met UI.

Specifieke doelen zijn:

  • het in een zo vroeg mogelijk stadium onderkennen en diagnosticeren van UI;
  • het behandelen van UI gericht op het herstellen van continentie of het verminderen van incontinentie-epiodes;
  • het zorgen dat de patiënt zo min mogelijk hinder ondervindt van blijvende UI;
  • het bevorderen van samenwerking en afstemming tussen de verschillende betrokken disciplines rondom de zorg aan patiënten met UI.

 

Afbakening/doelgroep

Deze richtlijn heeft betrekking op alle vrouwen die zich met klachten van UI melden bij een (huis)arts of fysiotherapeut. Het gaat om stress-, aandrang- en gemengde incontinentie. De richtlijn geldt voor volwassen vrouwen uit alle leeftijdsgroepen. Voor de zorg aan kwetsbare ouderen met UI verwijzen we naar de richtlijn ‘Urine-incontinentie bij kwetsbare ouderen’ (V&VN/LEVV, 2010).

 

Richtlijngebruikers

De richtlijn is bedoeld voor alle zorgverleners die bij de behandeling van vrouwen met UI zijn betrokken: huisartsen, gynaecologen, urologen, fysiotherapeuten, specialisten ouderen geneeskunde, continentieverpleegkundigen en bedrijfsartsen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van deze richtlijn is in 2008 een multidisciplinaire werkgroep samen­gesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met UI betrokken medische en paramedische disciplines, een vertegenwoordiger van de patiëntenvereniging Stichting Bekkenbodem Patiënten en een medewerker van het CBO (zie ‘Samenstelling van de werkgroep’). De adviseur van het CBO is in 2009 vervangen door een senior adviseur van het Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden, met een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende betrokken verenigingen en instanties, alsmede met een spreiding van al dan niet academische achtergrond.

  • Dhr. dr. C.H. van der Vaart, gynaecoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht en medisch directeur Alant Vrouw, namens Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (voorzitter)
  • Dr. Ir. J.J.A. de Beer, adviseur, CBO (tot 31 oktober 2008)
  • Dhr. dr. L.C.M. Berghmans, bekkenfysiotherapeut, klinisch epidemioloog en organi­satorisch directeur Pelvic Care Center Maastricht, namens Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Dr. J. M. van Geelen, gynaecoloog i.r., voorzitter Stichting Bekkenbodem Patiënten
  • Mw. dr. L. Giepmans, MTA-deskundige, Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Dr. P. van Houten, specialist ouderen geneeskunde, Zonnehuisgroep Amstelland, namens Verenso
  • Mw. dr. L.M.O. de Kort, uroloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht, namens Nederlandse Vereniging voor Urologie
  • Mw. prof. dr. A.L.M. Lagro-Janssen, hoogleraar vrouwenstudies medische wetenschappen, huisarts, kaderhuisarts urogynaecologische problemen, Universitair Medisch Centrum Sint Radboud, namens Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Prof. dr. B.W. Mol, gynaecoloog, Amsterdam Medisch Centrum, namens Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Dhr. H.J. Mulder MScN, nurse practitioner urologie, Martiniziekenhuis, namens V&VN Continentie Verpleegkundigen & Verzorgenden
  • Mw. P.P.M. van Nierop, bekkenfysiotherapeut/MSPT, Bekkenfysiotherapie Voorburg ’t Loo, namens Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie / Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en Pre- en Postpartum Gezondheidszorg
  • Mw. dr. T.A.M. Teunissen, huisarts/onderzoeker/kaderarts urogynaecologie, Universitair Medisch Centrum Sint Radboud, namens Nederlands Huisartsen Genootschap (vervanger mw. prof. dr. A.L.M. Lagro-Janssen)
  • Mw. drs. E. Poot, senior adviseur, Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging (vanaf 1 januari 2009)
  • Mw. drs. D.M. Schipper, adviseur indicatoren, CBO
  • Mw. dr. I. van Zanten, bedrijfsarts, Iwona Van Zanten Bedrijfsarts, namens Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde

 

 

Belangenverklaringen

Er zijn voor deze richtlijn geen relevante relaties van werkgroepleden met de farmaceutische en/of hulpmiddelenindustrie gemeld (blijkend uit belangenverklaringen, deze zijn op te vragen bij het CBO).

Inbreng patiëntenperspectief

Om de wensen, voorkeuren en opvattingen van patiënten met UI en de door hen ervaren knelpunten in de terugkeer naar het werk te inventariseren was in het kader van de ontwikkeling van richtlijnen een kwalitatieve studie gepland in de vorm van een focusgroep.

 

Belangrijke voordelen van deze methodiek zijn:

    • patiënten of anderen kunnen in hun eigen woorden aangeven wat belangrijk is;
    • de dynamiek van het focusgroepsgesprek kan helpen om de belangrijkste thema’s op het spoor te komen en vast te stellen in welke mate er sprake is van consistente en gedeelde opvattingen.

 

Het werken met focusgroepen kent ook nadelen, zoals:

    • het aantal thema’s waarover kan worden gesproken is door de tijdsduur beperkt, focusgroepsbijeenkomsten duren zelden langer dan 1,5 uur;
    • de resultaten van een focusgroepsbijeenkomst zijn moeilijk generaliseerbaar, omdat ze niet vanzelfsprekend als representatief kunnen worden beschouwd voor een bredere groep.

 

Om organisatorische reden is het echter niet gelukt om een focusgroep te houden. Daarom is er gekozen om aan een aantal patiënten met UI schriftelijk open vragen te stellen over de gevolgen van UI voor het werk, de contacten met de behandelaars, de arbodienst en de houding van de werkgever en collega’s. Aan de respondenten werd gevraagd om de antwoorden zoveel mogelijk in eigen woorden te geven. De antwoorden werden per onderwerp geclusterd en samengevat. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen werden apart uitgelicht.

 

Methode

Doel: ervaringen van patiënten met UI met terugkeer naar werk te inventariseren, het betreft zowel de knelpunten als de wenselijke situatie, de rol van de diverse medische en paramedische professionals, alsook de werkomgeving.

 

Methode: kwalitatief onderzoek middels een vragenlijst met open vragen.

    • Dertien respondenten: zie respondentenlijst.
    • Selectie respondenten: patiënten met UI die werken of ooit hebben gewerkt. Werving via gynaecologische poliklinieken in 2e en 3e lijn.
    • Werving respondenten: via de Stichting Patiënten Bekkenbodem (SPB).
    • Opstellen van de vragenlijst en bewerking van de resultaten: dr. Iwona van Zanten- Przybysz, zelfstandig bedrijfsarts en docent/onderzoeker Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, UMC St. Radboud, Nijmegen, tevens lid van de projectgroep.

 

Respondentenlijst

#

Leeftijd

Opleiding/beroep

Vorm van UI

1

40

Apothekersassistente,      een

vaste aanstelling, werkt 16 uur per week

Stressincontinentie,      een        synthetische

suburethrale sling operatie ondergaan, heeft doorgewerkt met UI.

2

61

Werkt        als       zelfstandig

ondernemer in maatschap fiscaal   bureau, werkt 40

uur/week

Stressincontinentie, operatie gehad, daarna vrijwel droog.

3

43

Huishoudelijk medewerker en verkoopster, werkt in totaal 8 uur/week

Stressincontinentie, heeft licht urineverlies.

4

56

Administratief     medewerker,

werkt in totaal 6 uur/week.

Lichte stressincontinentie.

5

46

Heeft          gewerkt          als

reinigingsmedewerker. Werkt nu niet.

Stressincontinentie. Werkt nu niet meer, ‘loopt’ in de Ziekte Wet bij het UWV. Het is onduidelijk of dit door de klachten komt.

6

46

Flexmedewerker, werkt 36 uur/week

Heeft stressincontinentie.

7

59

Ziekenverzorgende, werkt 12 uur/week.

Vorm van UI is onbekend.

8

40

Werkt niet, is afgekeurd.

Stress/aandrangincontinentie.

9

46

Ergotherapeut,    werkt 20

uur/week.

Heeft stressincontinentie, is 6 x geopereerd.

10

51

Telefoniste, werkt 20 uur/week.

Is           verlamd          geweest,          heeft

aandrangincontinentie.

11

49

Verkoopster, werkt 12 uur per week.

Lichte stressincontinentie.

12

49

Arbeidsre-integratie consulente,      werkte       20

uur/week. Is nu volledig afgekeurd.

Ernstige           stressincontinentie-          en

endeldarmklachten, deels iatrogeen.

13

40

Apothekersassistente, werkt 16 uur/week.

Heeft stressincontinentie, heeft synthetische suburethrale sling operatie gehad.

Samenvatting

Gemiddelde leeftijd : 48,1 (range 40-61 jaar)

Werk: 2/13 (15,4%) werkt fulltime, 8/13 (61,5%) parttime en 3/13 (23,1%) werkt niet.

 

 

 

 

Wat zijn de ervaringen van de patiënten met UI met terugkeer naar werk?

De input uit de vragenlijsten is niet integraal weergegeven. Onderstaand zijn de belangrijkste uitspraken op een rij gezet:

 

Rol van de artsen

Contacten met de huisarts en de specialist

    • Ik heb nooit concrete adviezen gekregen ten aanzien van werk. Dat heb ik gemist: advies van de specialist en de fysiotherapeut over hoe om te gaan met de fysieke problemen en psychologische gevolgen van UI. Ook heb ik achteraf gezien meer willen weten van de ervaringen van lotgenoten.
    • Mijn behandelaar en de fysiotherapeut hebben de zaken goed gecommuniceerd. Van de fysiotherapeut heb ik adviezen gekregen hoe om te gaan met mijn klachten op het werk. Dat vond ik prettig.
    • Mijn behandelaars vroegen nooit wat ik doe en of mijn klachten van invloed zijn op het werk.
    • Ik kreeg advies van de huisarts over hoe om te gaan met de klachten op het werk.
    • Goed contact met de huisarts en praktische adviezen hoe om te gaan met het werk.
    • Vond vervelend dat de huisarts en de specialist hele moeilijke woorden gebruikten, kon niet altijd alles begrijpen wat ze zeiden.
    • Heb nooit vragen over werk gehad van de huisarts en/of de specialist. Ik had behoefte aan meer advies over hoe om te gaan met de klachten op het werk. Praktische informatie over wat wel en niet mag na bepaalde ingrepen.
    • Ik heb geen informatie gehad van de huisarts of de specialist over de gevolgen van UI voor het werk en hoe ermee om te gaan.

 

Contacten met de bedrijfsarts/de arbodienst

    • Ik heb pas na een synthetische suburethrale tape-operatie contact gehad met de bedrijfsarts en die was goed.
    • Goed contact gehad met de bedrijfsarts.
    • Geen ondersteuning van de bedrijfsarts. Het contact was slecht en er was geen begrip.
    • Goed contact met de bedrijfsarts.
    • Zeer prettig contact gehad met de bedrijfsarts.
    • Telefonisch contact gehad met de bedrijfsarts. Geen concrete adviezen en/of begeleiding gehad.
    • Er is contact geweest met de bedrijfsarts en de huisarts. Iedereen was het er mee eens: ik zou pas weer gaan werken als ik succesvol geopereerd zou worden en ’s nachts weer normaal door zou kunnen slapen. Dat is dus nooit gebeurd, want door een medische misser (verkeerde operatiekeuze en summiere informatievoorziening) ben ik er nu erger aan toe dan voorheen. Ik ben niet meer teruggekeerd.
    • Het was al snel duidelijk dat werken er voorlopig voor mij niet meer inzit. Ik wilde met rust gelaten worden door de bedrijfsarts en dat is ook gebeurd.
    • Goed contact gehad met de bedrijfsarts.

 

De rol van de werkgever/leidinggevende en collega’s tijdens de terugkeer naar werk

    • Ik heb geen problemen ervaren op het werk door mijn UI en heb ermee doorgewerkt. Pas na een synthetische suburethrale tape-operatie heb ik contact met de leidinggevende daarover gehad en die was prima. Wat heeft geholpen om aan het werk te blijven was de goede werksfeer.
    • Ik heb zelf contact gezocht met mijn werkgever om over mijn probleem te praten. Dit contact heb ik als prettig ervaren. Ik heb nooit verzuimd vanwege urineverlies. Eigenlijk heb ik nooit behoefte gehad aan ondersteuning door collega’s.
    • Ik heb nooit mijn klachten verteld aan mijn baas of collega’s.
    • De chef had begrip voor de klachten. Collega’s wisten hier niets van. Ik ben ondanks de klachten gewoon blijven werken.
    • De werkgever wist van het probleem, had daar begrip voor.
    • Ik heb slechte ervaring gehad met de werkgever en geen begrip van de collega’s. Ik heb geen hulp gekregen van de werkgever om aan het werk te blijven. Ik ben zelf een andere baan gaan zoeken binnen dezelfde organisatie.
    • Werkgever vroeg bijna wekelijks of ik aan de slag ging. Was niet altijd begripvol, ik werd uiteindelijk ontslagen. Ik heb begrip en de betrokkenheid van mijn werkgever en collega’s gemist.
    • Ik heb goed contact gehad met de werkgever. Die was meestal meelevend en ondersteunend. Tijdens mijn verzuim was er regelmatig contact. Vervelend was dat de leidinggevenden vaak wisselden en mijn voorgeschiedenis niet kenden. De terugkeer naar werk verliep wisselend. Soms ben ik te snel begonnen. Ik heb veel urineverlies, maar met een goede planning en als ik mij regelmatig kan verschonen, gaat het goed. Mijn eigen motivatie en het leuke contact met mijn collega’s en cliënten heeft mij het meest geholpen om te blijven werken. Wat niet hielp was onbegrip over de zwaarte van de ingrepen en de invloed daarvan op de belastbaarheid bij sommige leidinggevenden.
    • Problemen doorgegeven aan de baas. Ik ben ondanks de klachten blijven werken. Vaak moet ik naar het toilet lopen, soms meerdere malen per uur, soms gaat het weer beter. Er is geen pijl op te trekken. De leiding en collega’s hebben niet altijd begrip. Je moet toch je targets halen en daarvoor lever ik een deel van de pauze in, anders haal ik de targets niet. Iets meer begrip zou fijn zijn als ik de targets niet haal.
    • Ik werk gewoon door en heb geen contact gehad daarover met de baas of een arbodienst.
    • Ik heb geen contact daarover gehad met de werkgever en heb steeds stug doorgewerkt. Mijn werkgever wist niets van mijn UI en dat vond ik ook prima. Ik viel uiteindelijk uit door een combinatie van meerdere gynaecologische klachten, waaronder incontinentie. Al was het heel lastig, voor mij was te werken met mijn UI en niemand heeft gemerkt dat ik daar mee ‘liep’ (hoop ik).
    • Mijn contract werd niet verlengd (terwijl dat wel het geval zou zijn geweest als ik gezond was gebleven). Ik wist dat er een operatie en een herstelperiode voor de deur stonden en kon dat natuurlijk niet verzwijgen richting mijn werkgever.
    • Ik heb altijd doorgewerkt. Contact met de werkgever over de klachten kwam pas voor de synthetische suburethrale sling operatie. De terugkeer naar werk verliep prima. Ik heb geen ondersteuning gehad van de werkgever of collega’s. Een goede werksfeer hielp wel om naar het werk terug te keren.
    • Ik ben met mijn klachten blijven werken, vaak werkonderbrekingen gehad, maar als zelfstandige kon ik de werktijden zelf bepalen. Vaak onbegrip bij collega’s ervaren, geen ondersteuning.


Welke onderwerpen werden door respondenten als het meest belangrijk gezien?

    • Behoefte aan autonomie om op het werk normaal te kunnen functioneren (planning van de werkzaamheden met pauzes voor toiletbezoek, mogelijkheid om zich te verschonen, werkaanpassingen, etc.)
    • Een belangstellende en ondersteunende werkomgeving. Begrip van de leidinggevende en hulp bij de aanpassingen op het werk.
    • Advies van de behandelaars over hoe om te gaan met de klachten op het werk en praktische adviezen over wat zij wel kunnen doen en wat zij moeten laten.
    • Kennis van de problematiek van de bedrijfsarts en steun in terugkeer naar het werk. Hoe kan ik aan het werk blijven en meedenken over aanpassingen.
    • Wil om te blijven werken.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zo veel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarnaast zijn er diverse hulpmiddelen ontwikkeld om implementatie van de richtlijn te bevorderen. Het gaat om een flowchart, indicatoren en een patiëntenversie.

De flowchart is een schematische en beknopte weergave van de richtlijn.

Door een subwerkgroep is een set kwaliteitsindicatoren ontwikkeld die door de werkgroep is geaccordeerd. De indicatoren zijn bedoeld om de kwaliteit van zorg te monitoren en zo nodig te verbeteren. Het gaat om ‘interne’ indicatoren, ze zijn dus niet bedoeld voor externe verantwoording. De indicatorenset en de verantwoording zijn opgenomen in deel II van de richtlijn.

Verder is op basis van de inhoud van de richtlijn een patiëntenversie ontwikkeld. De patiëntenversie geeft in begrijpelijke taal weer wat een vrouw met UI kan verwachten qua zorgverlening. Op basis van deze patiëntenversie kan eigen foldermateriaal worden ontwikkeld.

Werkwijze

De werkgroepleden waren gemandateerd door hun vereniging. De werkgroep is 8 maal bijeen geweest waarin achtereenvolgens afbakening en knelpunten zijn besproken, de uitgangsvragen zijn vastgesteld en de conceptteksten en de conceptrichtlijn zijn besproken. Daarnaast zijn parallelle producten zoals de indicatorenset, de patiëntenversie en de flowchart besproken.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

Om het ontwikkelen van de richtlijn zo efficiënt mogelijk te laten verlopen is er voor het adapteren van een bestaande en geschikte multidisciplinaire richtlijn gekozen. Hierbij is gebruik gemaakt van de ADAPTE handleiding (ADAPTE, 2007). Bij het zoeken naar een richtlijn die geschikt is voor adaptatie is in eerste instantie bij National Institute for Health and Clinical Excellence (NICE) gezocht (www.nice.org) gekeken en de International Continence Society (ICS) (www.icsoffice.org). Dit leverde twee richtlijnen op (NICE 2006; Abrams 2005). Eerst is gekeken naar overeenkomst in uitgangsvragen van de beide richtlijnen en de uitgangsvragen van deze richtlijn. Hierbij bleek dat een groot deel van de uitgangsvragen uit de NICE richtlijn overeenkwamen met de uitgangsvragen van deze richtlijn. De richtlijn van de ICS bleek geen uitgangsvragen te bevatten waardoor adaptatie niet mogelijk was. De NICE richtlijn is vervolgens beoordeeld met het AGREE instrument (AGREE 2001) waarbij deze van voldoende kwaliteit bleek. De NICE richtlijn is derhalve gebruikt voor adaptatie voor de desbetreffende uitgangsvragen. Dit betreft uitgangsvragen over diagnostiek (H 2), conservatieve behandeling (H 3) en chirurgische behandeling (H 4). Voor de uitgangsvragen die niet overeenkwamen met de NICE richtlijn zijn aparte searches uitgevoerd. Een verwijzing naar de verantwoording van de searches staat in de desbetreffende tekstgedeelten. Het gaat om de uitgangsvragen betreffende comorbiditeit (H 5), arbeid (H 6), incontinentie-absorptiemateriaal en huidverzorging (H 7) en de rol van de continentie- verpleegkundige (H 8). Daarnaast zijn twee hoofdstukken toegevoegd over samenwerking (H 9) en kosteneffectiviteit (H 10) Om het niveau van bewijs aan te geven zijn de artikelen beoordeeld op kwaliteit. Daarbij is gebruik gemaakt van onderstaande indeling.

 

Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde

onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

 

 

Niveau van conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

 

Omdat de NICE richtlijn andere niveaus van bewijs gebruikt is een vertaling gemaakt naar bovenstaande indeling (zie hieronder).

Omdat de NICE richtlijn uit 2006 dateert en er gedurende het ontwikkelproces een update van de ICS richtlijn (Abrams 2009) is gepubliceerd is er gecontroleerd of er in die publicatie recentere studies zijn opgenomen. Indien dit van toepassing was zijn deze studies meege­nomen in deze richtlijn.

 

Vertaling level of evidence NICE richtlijn

Diagnostiek

Methodologische criteriali,

st CBO versus Levels of evidence NICE

CBO

 

 

NICE

 

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2- niveau

 

Ia

Systematic review (with homogeneity)* of level-1 studies.

A2

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met               tevoren               gedefinieerde

afkapwaarden en onafhankelijke

beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende                     grote      serie      van

opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

 

Ib

Level-1 studies, which are studies:

-       That use a blind comparison of the test with a validated reference standard (gold standard)

-       In a sample of patients that reflects the population to whom the test would apply.

B

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

 

II

Level-2 studies or Systematic reviews of level-2

studies

Level-2 studies are studies that have only one of

the following:

-       Narrow population (the sample does not reflect the population to whom the test would apply)

-       Use a poor reference standard (defined as that where the 'test' is included in the 'reference', or where the 'testing' affects the 'reference')

-       The comparison between the test and reference standard is not blind

-       Case-control studies.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

 

III

Level-3 studies or Systematic reviews of level-3 studies:

Studies had have at least two or three of the features listed above by level-2 studies.

D

Mening van deskundigen

 

IV

Evidence obtained from expert committee reports or opinions and/or clinical experience without explicit critical experience, based on physiology, bench research or 'first principles'

*Homogeneity means there are no or minor variations in the directions and degrees of results between individual studies that are included in the systematic review. DS = Diagnostic study

 


 Therapie

 

Methodologische criteriali,

st CBO versus Levels of evidence NICE

CBO

 

 

NICE

 

A1

Systematische review van tenminste

 

1++

High-quality meta-analysis (MA), systematic

 

twee onafhankelijk van elkaar

 

 

reviews (SR) of randomised controlled trials

 

uitgevoerde onderzoeken van A2-

 

 

(RCTs).

 

niveau

 

 

 

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

 

1++

RCT's with a very low risk of bias

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met

 

1 +

Well-conducted MA, SR of RCTs with a low risk

 

alle kenmerken als genoemd onder A2

 

 

of bias or RCTs with a low risk of bias

 

(hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

 

2++

High-quality SR of case-control or cohort studies High-quality case-control or cohort studies with a very low risk of confounding, bias or chance and a high probability that the relationship is causal

 

 

 

2+

Well-conducted case-control or cohort studies with a low risk of confounding, bias or chance and a moderate probability that the relationship is causal

C

Niet-vergelijkend onderzoek

 

3

Non-analytic studies (for example case reports, case series)

D

Mening van deskundigen

 

4

Expert opinion, formal consensus

 

 

CONCLUSIE GEBASEERD OP

1         Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2          1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3          1 onderzoek van niveau B of 1 of meer onderzoeken van niveau C

4          Mening van deskundigen


 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties of kosten. Deze aspecten worden besproken na de ‘Conclusie’ in de ‘Overige overwegingen’. Hierin wordt de wetenschappelijke conclusie in de context van de dagelijkse praktijk geplaatst en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.