UI Interventies bij stressincontinentie

Laatst beoordeeld: 30-12-2011

Uitgangsvraag

Bij welke subgroepen en onder welke omstandigheden zijn (minimaal) invasieve behandelingen effectief?

 

In deze module wordt gekeken naar chirurgische interventies bij stressincontinentie.

Aanbeveling

Indien conservatieve behandeling voor stressincontinentie onvoldoende resultaat geeft, heeft het plaatsen van of een retropubische- of een transobturator synthetische suburethrale tape de voorkeur, mits vrouwen worden geïnformeerd over de lange termijn uitkomsten.

 

Afhankelijk van de situatie en voorkeur van de vrouw kan ook worden gekozen voor één van de volgende behandelopties:

  • Autologe fasciesling.
  • Injectie van bulkmaterialen  zoals glutaraldehyde collageen, silicone, carbon gecoat zirconium of hyaluronzuur/dextran copolymeer, mits vrouwen worden geïnformeerd dat:
    • herhaalde injecties nodig kunnen zijn om het gewenste effect te bereiken
    • de effectiviteit met de tijd vermindert
    • effectiviteit minder is dan met  retropubische  suspensie of sling
  • Open colposuspensie

 

Laparoscopische colposuspensie wordt niet aanbevolen als een routinematig toegepaste techniek voor de behandeling van stressincontinentie bij vrouwen.

 

 

Deze techniek behoort alleen te worden toegepast door een ervaren laparoscopische operateur, werkzaam in een multidisciplinair team met expertise in het vaststellen en behandelen van UI. Het kan wel worden overwogen bij vrouwen die om andere redenen een laparoscopische ingreep moeten ondergaan.

 

Voorwandplastiek, naaldsuspensie, herstel van paravaginaal defect en de Marshall- Marchetti-Krantz techniek worden niet aanbevolen voor de behandeling van stressincontinentie. Ook het gebruik van autoloog vet en polytetrafluoroethyleen als bulkmaterialen wordt niet aanbevolen voor de behandeling van stressincontinentie.

Overwegingen

Laparoscopische colposuspensie vergt meer (financiële) middelen, en het duurt langer dan open colposuspensie om zich de benodigde vaardigheden eigen te maken.

Synthethische suburethrale tape procedures zijn minder invasief dan open colposuspensie of autologe sling.

 

De MMK-techniek wordt niet langer routinematig toegepast in de klinische praktijk vanwege de ernstige complicatie osteitis pubis en het beschikbaar zijn van andere minder invasieve procedures. Ook naaldsuspensies worden niet langer routinematig toegepast in de klinische praktijk.

Conclusies

Niveau 2

De meeste trials waarin de effectiviteit en bijwerkingen van urethrale bulkmaterialen (collageen, silicone, carbon gecoate zirconium, hyaluronzuur/dextran co-polymeer) voor de behandeling van vrouwen met stressincontinentie zijn onderzocht, betreffen trials met betrekkelijk weinig patiënten en zijn van matige tot goede kwaliteit. Bulkmaterialen zijn wellicht minder effectief dan open chirurgie, maar gaan gepaard met minder postoperatieve complicaties.

 

B          Maher 2005; Corcos 2005; Keegan 2007

 

Niveau 2

Autoloog vet is niet effectiever dan een placebo en is significant minder effectief dan collageen. Er is overigens geen bewijs voor een grotere effectiviteit van een van de bulkmaterialen. Polytetrafluoroethyleen is niet in een gecontroleerde trial onderzocht.

 

B          Lee 2001; Haab 1997; Bano 2005; Andersen 2002; Lightner 2001

 

Niveau 3

Veelal zijn meerdere injecties nodig om bij de meeste patiënten effect te sorteren

 

C         zie Tabel 4.2.1 en 4.2.2

 

Niveau 3

Patiëntenseries laten zien dat de positieve effecten met het verstrijken van de tijd verminderen, en dat complicaties in de regel van voorbijgaande aard zijn, zoals acute retentie, dysurie, hematurie, frequency, en urineweginfectie. Een de novo overactieve blaas met aandrangincontinentie was de enige lange termijn complicatie die werd gevonden. Ernstige complicaties werden gerapporteerd met autoloog vet.

 

 

C         zie Tabel 4.2.2

 

Niveau 2

Open colposuspensie is een effectieve behandeling van stress-incontinentie bij vrouwen en is duurzaam. Er is geen consistent verschil in effectiviteit tussen laparoscopische en open colposuspensie voor de relevante uitkomstmaten. Peri-operatieve complicaties zijn minder frequent in geval van laparoscopische suspensie.

 

B zie Tabel 4.2.3, 4.2.4, 4.2.5; Colombo 1996; Dean 2006

 

Niveau 3

De meeste suspensietechnieken zijn effectief op de korte termijn maar de lange termijn uitkomsten voor voorwandplastiek en abdominaal paravaginaal herstel zijn weinig gunstig voor zover het stressincontinentie betreft.

 

C         zie Tabel 4.2.3, 4.2.4, 4.2.5

 

Niveau 2

Complicaties komen bij alle suspensietechnieken voor, zoals blaas- ontledigingsproblemen, aandrangsyndroom of het ontwikkelen van prolaps van de vagina-achterwand.

 

B          zie Tabel 4.2.3, 4.2.4, 4.2.5

 

Niveau 2

Het aanbrengen van een retropubische synthetische suburethrale tape is even effectief als colposuspensie (open of laparoscopisch) bij een follow- up tot drie jaar. De hersteltijd is korter dan met colposuspensie.

 

B          zie Tabel 4.2.5, Valpas 2004/2003; Paraiso 2004; Ustun 2003

 

Niveau 3

Over de lange termijn uitkomsten met een follow-up duur >3 jaar van een synthetische suburethrale tape zijn slechts beperkte gegevens beschikbaar maar lijkt er geen afname in effectiviteit te zijn.

C         zie Tabel 4.2.6

 

Niveau 2

Bij de synthetische suburethrale sling hebben de retropubische techniek en de transobturator techniek even goede resultaten op de korte termijn (follow-up 6 tot 12 maanden) en zijn de complicatiepercentages vergelijkbaar.

B          Liapis 2006; Zullo 2007; Meschia 2006; Laurikainen 2007; Araco

2008; Rinne 2008; Novara 2007; Latthe 2007; Porena 2007; Andonian 2007

C         Mellier 2004; Fischer 2005

 

Niveau 3

Peroperatieve complicaties zijn zeldzaam bij synthetische suburethrale tapes met uitzondering van blaasperforaties. Mits tijdig herkend tijdens de operatie en hersteld door de operateur lijkt dit geen lange termijn gevolgen te hebben. Lange termijn complicaties betreffen problemen met blaasontlediging en het ontwikkelen van aandrang en aandrang- incontinentie.

 

C         zie Tabel 4.2.5

 

Niveau 2

Van de biologische slings is de autologe fasciesling de meest onderzochte. Deze is effectief en duurzaam in de behandeling van stress­incontinentie.

 

B          Maher 2005; Bai 2005; Wadie 2005; Barbalias 1997

Samenvatting literatuur

Injectie van bulkmateriaal

Vanwege het overzicht is in onderstaande tabellen een aantal gegevens weergegeven afkomstig uit met name RCT’s (Tabel 4.2.1) en uit patiëntenseries (Tabel 4.2.2). In de meeste studies werden twee a drie injecties gegeven.

 

Tabel 4.2.1: Vergelijkende studies (RCT’s en cohort studie) naar bulkmateriaal

Studie

N

Vergelijking

Follow- up duur

Uitkomsten

Bijwerkingen / complicaties

Maher 2005 (RCT)

45

Silicone vs sling

6

maanden

Subjectieve       genezing       (<       1

incontinentie-episode per week):

77 vs 90% (NS)

Objectieve         genezing        (geen

incontinentie     op grond van

urodynamische tests):

9 vs 81% (S)

Urineweginfectie: 8,7 vs 13,6% (NS) Overactieve blaas:

0 vs 4,5% (NS) Moeite met legen van blaas:

4 vs 18% (NS)

Corcos 2005 (RCT)

133

Collageen              vs

continentie-

chirurgie

12

maanden

Percentage           <           2,5           gr

gewichtstoename in 24 uurs padtest: 52 vs 55% (NS)

Retentie:

2% vs 13%,(S) Moeite met legen van blaas:

17% vs 36% (S) Urineweginfectie 0% vs 6% (S)

Bano 2005 (RCT)

50

Silicone                  vs

collageen­implantaat

6 weken; 6

maanden

1 uur padtest: genezen na 6 weken:

42 vs 60%

genezen na 6 maanden:

38 vs 60% (geen statistische analyse

?

Andersen 2002 (RCT)

52

Zirconium              vs

collageen

3 jaar

Percentage genezen ('droog’): 40 vs 13% (NS)

?

Lightner 2001 (RCT)

355

Zirconium              vs

collageen

12

maanden

1 uur padtest (afname t.o.v. baseline):

60 vs 64% (NS)

Aandrang:

24,7 vs 11,9% (S) Retentie:

16,9 vs 3,4% (S)

Lee 2001 (RCT)

68

Autoloog vet vs placebo

3

maanden

Genezing of verbetering (geen urineverlies tijdens 1 uur padtest, en score 0 op incontinentie vragenlijst, en geen urineverlies bij kuchen)

22,2 vs 20,7% (NS)

Aandrang:

13%                   (alle

patiënten)

Retentie:

3%

Urineweginfectie:

5%

Haab 1997

(cohort

studie)

 

Autoloog vet vs collageen

7

maanden

Subjectieve verbetering: 30 vs 62%

Subjectieve genezing: 14 vs 24%

Hematoom buikwand (n=1 in vetgroep)

Complicaties: 60%

 

 

 

 

Mislukking:

57 vs 14% (S)

(alle patiënten)

 

In een recente Cochrane review werd getracht een meta-analyse te verrichten van de in voorgaande tabel opgenomen trials (Keegan 2007). De heterogeniteit van de studies bleek echter zo groot dat dit niet mogelijk was. De meeste studies waren dermate klein van omvang dat berekening van relatieve risico’s dermate grote betrouwbaarheidsintervallen opleverde dat uitspraken over voor- of nadelen niet met enige zekerheid kunnen worden gedaan. Bij wijze van illustratie: bij een vergelijking van de uitkomst op de padtest na een peri-urethrale injectie versus geen behandeling is het gewogen gemiddelde verschil -3,7, maar het 95% betrouwbaarheidsinterval loopt van -16,29 tot + 8,89.

 

Tabel 4.2.2: Patiëntenseries van verschillende bulkmaterialen bij vrouwen met stress­incontinentie

Bulkmateriaal

Subjectieve genezing         /

verbetering

Objectieve genezing       /

verbetering

Follow- up duur

Bijwerkingen / Complicaties

Glutaraldehyde cross-

linked

collageen

Mediaan:      38%

(11           studies;

range: 7-49%) /

Mediaan: 40%

(10           studies;

range: 20-65%)

Mediaan:     48%

(genezing; twee studies)

Ca 2 jaar

De novo overactieve blaas, aandrang of aandrangincontinentie (4 studies): mediaan 21% (range 10-39%)

Retentie (9 studies): mediaan 6% (range 0-23%) Urineweginfectie   (6                                      studies):

mediaan 5% (range 0,5-26%) Hematurie (4 studies): mediaan 2% (range 0,7-5%).

Hyaluronzuur/

dextranomeer

co-polymeer

69-80% (2 stu­dies)

77-82% (2 stu­dies)

3          -12

maanden

In 2 studies:

Urineweginfecties: 12%, Urgency: 12%,

Hematurie: 10%,

Dysurie: 8%,

Urethrale stoornis: 7% Gereduceerde urineflow: 7%, Vaginale pijn: 7%,

Retentie: 7-20%

Infectie: 2%

Carbon                  gecoat

Zirconium

65-77%              (2

studies)

-

9-10

maanden

Huidreacties en retentie bij 1 persoon.

Polytetrafluoroethyleen

(PTFE)

Mediaan: 36% (6 studies; range: 7- 70%)

Mediaan: 19% (6 studies;       range

11-41%).

 

1-5 jaar

Acute retentie: mediaan 11%        (3

studies; range 3-31%) Urineweginfectie (2 studies): 3-4% Moeite met legen van blaas (1 studie): ca 2%

Branderig gevoel op plaats van injectie (1 studie): 32% Para-urethrale infectie (1 studie): 14%

Dysurie of urethrale pijn (1 studie): 38%

Passage van PTFE-plug via the urethra (12%).603

Hydroxylapatiet

7/7          vrouwen

gebruikte geen of minder pads

 

1 jaar

Urineweginfectie (3/7) Rententie (5/7)

Bronnen: Henalla 2000 ; Usman 1998 ; Gurdal 2002 ; Sheriff 1997 ; Radley 2001; Tamanini 2004 ; Tamanini 2003; Barranger 2000 ; Koelbl 1998; Harriss 1996; Richardson 1995; Cross 1998; Khullar 1997; Bent 2001; Monga 1995; Stanton 1997; Gorton 1999; Herschorn 1996; Herschorn 1997; Winters 2000; Stricker 1993; Homma 1996; Elsergany 1998; Tschopp 1999; Swami 1997; Stothers 1998; Smith 1997; Ang 1997; Monga 1997; Stenberg 1999; Stenberg 2003; Van Kerrebroeck 2004a; Van Kerrebroeck 2004b;Chapple 2005; Pannek 2001; Madjar 2003; Schulman 1983; Beckingham 1992; Deane 1985; Vesey 1988; Harrison 1993; Kiilholma 2000; Mayer 2001.

 

Colposuspensie

Open vs laparoscopische colposuspensie

Er werden 6 RCT’s gevonden waarin de open (Burch) colposuspensie met de laparoscopische colposuspensie werd vergeleken bij vrouwen met stressincontinentie. Een aantal data uit deze studies is in Tabel 4.2.3 weergegeven.

 

Tabel 4.2.3: Data uit RCT’s die open colposuspensie vergelijken met laparascopische colpo­suspensie. 

Studie

N

Follow- up duur

Vergelijk­

ing

Objectieve genezing       /

verbetering

Opname

duur

Operatie-

tijd

Duur

Arbeids­

verzuim

Bijwerkingen en complicaties

Ankardal

2005

211

1 jaar

Open     vs

lap

hechtingen vs           lap

mesh/ nietjes

<   8 g/24 h on 48 h padtest:

92 vs 71 vs 76% (NS)

<  5 g bij stress test:92 vs 90% vs 63%, ( S; open vs mesh)

3.9 vs3.3 vs        2.1

nachten (S; mesh vs

Burch/lap

)

66 vs 84 vs 74 min (S, hechtingen vs Burch)

 

Blaasperforatie: 5 vs 8% vs 1%

Hematoom welke operatie        vereist:

2 vs 2% vs 0%

Urineweginfectie (< 1                     maand):

23 vs 26% vs 0% Wondinfectie:

3 vs 2% vs 1%

Retentie > 5 dagen: 27 vs 39% vs 8% (S;                   burch/lap

hechting vs mesh)

Fatthy

2001

74

18 mnd

Open vs lap

hechtingen

negatieve stress test: 77.5 vs 84.8% (S)

(Subjectief:    90

vs 90.9% bij 6 maanden en: 85 vs 87.9% bij 18            maanden

(NS))

76 vs 36 uur (S)

53 vs 70 min (S)

 

Peri-operatief (NS): Blaasbeschadiging:

2.5 vs 2.9% Blaasperforatie: 0 vs 2.9%

Post-operatief (NS): wondinfectie:

5% vs %

Retropubisch

hematoom:

2.5% vs 0% Spontaan ledigen blaas:

90% vs 91%

De novo overactieve blaas:

7.5 vs 5.9%

Cheon

2003

90

1 jaar

Open vs lap

hechtingen

droog tijdens kuchen            bij

urodynamisch onderzoek:

86 vs 85.1%, (NS)

 

29            vs

42 min (S)

 

Blaasbeschadiging:

0 vs 4.3% Urineweginfectie:

6.9 vs 2.1% Wondcomplicatie:

2.1 vs 2.3%

DVT:

0 vs 2.1%

De novo overactieve blaas:

11.6 vs 25.5% Obstruction: 37.2 vs 27.7% Enterocele:

4.7 vs 2.3% Dyspareunie: 9.3 vs 6.4% (alle NS)

Ustun

2005

52

13-14

mnd

Open vs lap

hechtingen

droog              bij

urodynamisch

onderzoek:

80.8 vs 80.8%

6.5 vs 2

dagen

(S)

60 vs 90 min (S)

 

Peri-operatief: blaasbeschadiging: 3.8 vs 3.8% Bloeding:

0 vs 3.8% Post-operatief:

De novo overactieve blaas:

11.5% vs 7.6% Retentie:

7.6 vs 7.6%

(alle NS)

Su1997

92

6 mnd

Open vs lap

hechtingen

droog              bij

urodynamisch onderzoek: 95.6% vs 89.7% (S)

 

73 vs 63 min (S)

 

Obstructie:

4.3 vs 4.3% Overactieve blaas: 6.5 vs 4.3% Hematurie:

4.3% vs 0% Urineweginfectie: 2.2 vs 2.2%

(alle NS)

Kitchener

2006

291

2 jaar

Open vs lap

Negatieve 1 uur padtest:

70.1 vs 79.7% (NS)

6 vs 5 dagen (NS

 

10.54 vs 9.42 weken

Blaasbeschadiging: 0.7 vs 2.8% Darmbeschadiging: 0 vs 0.7%

Bloeding:

1.4 vs 0.7% Wonddehiscentie:

1.4% vs 0% Wondinfectie:

7.8 vs 0.7% Urineweginfectie:

5 vs 5.7% Luchtweginfectie 5 vs 3.5%

(Alle NS)

                       

 

De in de studies gebruikte objectieve maten voor genezing waren padtest, stress test of urodynamisch onderzoek. In vier studies werden geen significante verschillen tussen open en laparoscopische colposuspensie gevonden met deze uitkomstmaten; in één studie was het genezingspercentage met open colposuspensie na 6 maanden hoger, terwijl in de andere studie met laparoscopische suspensie na 18 maanden een beter resultaat werd bereikt.

 

In alle studies werden peri- en postoperatieve complicaties gerapporteerd. In geval van laparoscopische colposuspensie met mesh- en nietjestechniek hadden veel minder vrouwen last van urineretentie langer dan 5 dagen.

De operatieduur is in vier studies significant korter met open colposuspensie, terwijl in één studie geen verschil aantoonbaar was.

 

Duur van de ziekenhuisopname was in geval van open colposuspensie in drie studies langer terwijl er in twee studies geen verschil was. In de studie waarin de verzuimduur werd onderzocht bleek tussen open en laparoscopische colposuspensie geen verschil.

In een Cochrane review heeft de resultaten van een aantal studies kunnen ‘poolen’ met de volgende resultaten (NB: vergelijking betreft laparoscopische versus open colposuspensie (Dean 2006):

  • er is geen verschil in het aantal incontinentie-episoden per 24 uur tussen beide technieken bij een follow-up duur van 18 maanden: gewogen gemiddelde verschil bedraagt -0,12 (95% BI: -0,92 - +0,68);
  • er is geen verschil in blaasontledigingsstoornis tussen beide technieken bij een follow- up duur van 18 maanden: RR bedraagt 0,82 (95% BI: 0,50 - 1,35);
  • "urodynamische genezing” binnen 18 maanden valt enigszins uit ten voordele van de open colposuspensie: RR bedraagt 0,91 (95% BI: 0,85 - 0,99);
  • peri-operatieve complicaties zijn minder in geval van laparoscopische suspensie: RR bedraagt 0,74 (95% BI: 0,58 - 0,96);
  • wat het risico op blaasperforaties betreft is er geen aantoonbaar verschil: RR is 1,88 (95% BI: 0,93 -3,83);
  • patiënten lijken sneller naar huis te kunnen: gemiddelde verschil in ligduur bedraagt 0,86 dag (95% BI: 0.65 - 1,06).

 

Open colposuspensie versus voorwandplastiek

De resultaten van een aantal RCT’s bij vrouwen met stressincontinentie zijn in Tabel 4.2.4 weergegeven. De objectieve uitkomsten van de open (Burch) colposuspensie zijn zowel op de korte als lange termijn beter dan van de voorwandplastiek. Wat bijwerkingen of complicaties aangaat werd alleen aandrang gerapporteerd.

 

Tabel 4.2.4: RCT’s: Open colposuspensie vs voorwandplastiek

Studie

N

Follow-

up

duur

Vergelijking

Objectieve genezing / verbetering

Bijwerkingen en complicaties

Colombo 2000

71

8 jaar

Burch                         vs

voorwandplastiek

Negatieve stress-test: 74% vs 42% (S)

Terugkomen van cystocèle:

34% vs 3% (S) Aandrang:

21 vs 50%

?

3 patiënten de novo overactieve blaas

Kammerer-Doak

1999

35

1 jaar

Burch                         vs

gemodificeerde

voorwandplastiek

Droog tijdens kuchen:

89 vs 31% (S)

pad gewicht < 1 g na 20 min test: 83% vs 40% (S)

Bergman 1989a en Klutke 1999

298

1 jaar

Burch                         vs

gemodificeerde Pereyra procedure vs voorwandplastiek

Negatieve stress-test & geen urineverlies na post­operatief onderzoek:

87 vs 70% vs 69% (S; Burch > andere procedures)

Bergman 1989b en 1995

127

5 jaar

Burch                         vs

gemodificeerde Pereyra procedure vs voorwandplastiek

Negatieve stress-test & geen urine-verlies na post­operatief onder-zoek:

Indien genezing bij uitvallers wordt verondersteld:

84 vs 50% vs 43% (S, Burch

> andere procedures)

Indien geen genezing bij uitvallers                        wordt

verondersteld:

71 vs 38% vs 31% (S, Burch

andere procedures)

       

 

 

 

Colposuspensie en andere interventies

In één RCT (n=36; Colombo 1996) werd open (Burch) colposuspensie vergeleken met herstel van paravaginaal defect bij vrouwen met stressincontinentie en graad 1 urethro- cystocèle. Bij een follow-up van twee jaar was de stress test 100% negatief in de colposuspensiegroep tegen 61% in de andere groep, wat een significant verschil is. Persisterende problemen met het legen van de blaas alsmede recidief urethrocystocèle werden frequent gezien in beide groepen.

 

Colposuspensie versus sling of synthetische suburethrale tape (retropubisch of transobturator)

 

Open colposuspensie versus biologische sling

Open colposuspensie werd vergeleken met dura mater sling in één RCT (n=72; Enzelsberger 1996) bij vrouwen met recidief stressincontinentie na een hysterectomie. De gecombineerd objectieve (negatieve stress-test) en subjectieve genezing was 86% met colposuspensie tegen 92% met dura mater sling na 3 jaar follow-up. Significant meer vrouwen in de slinggroep hadden postoperatief problemen met het legen van de blaas (13 vs 3%) of retentie van urine (22 vs 6%), terwijl in de colposuspensiegroep meer rectocèle voorkwam (A11% vs A-5%).

 

Open colposuspensie versus autologe sling

In één RCT (n=92, Bai 2005) werd colposuspensie vergeleken met autologe fasciesling en synthetische suburethrale tape. Na 1 jaar werd significant meer genezing (negatieve stress­test en symptoomvrij) bereikt in de slinggroep (93% vs 88% vs 87%). De novo overactieve blaas (9%) kwam frequent voor in de colposuspensiegroep, en retentie (7/13%) in de andere groepen.

 

Open colposuspensie versus retropubische synthetische suburethrale tape

De gegevens van vijf RCT’s zijn in Tabel 4.2.5 weergegeven. In de meeste studies lijkt de objectieve genezing ruim 80% te bedragen. Tussen de diverse technieken komen in dit opzicht geen verschillen naar voren. Andere uitkomsten die werden gerapporteerd betroffen onder meer duur van arbeidsverzuim, hoeveel tijd verstreek vooraleer normale activiteiten weer konden worden opgepakt, de duur van de ziekenhuisopname. In alle gevallen pakte dit voor colposuspensie ongunstiger uit.

 

Tabel 4.2.5: RCT’s: Open colposuspensie versus retropubische synthetische suburethrale tape

Studie

N

Follow-up

duur

Vergelijking

Objectieve genezing / verbetering

Bijwerkingen en complicaties

Bai 2005

92

12 maanden

Open            vs

retropubische

synthetische

suburethrale

tape              vs

autologe

fasciesling

Negatieve stress-test en symptoomvrij:

88 vs 87% vs 93% (S; sling > Burch of retropubische synthetische suburethrale tape)

De novo actieve blaas:

9% vs 0 vs 0 Retentie van urine:

0 vs 13% vs 7%

Ward 2002

344

6 maanden en 2 jaar

Retropubische synthetische suburethrale tape vs open

Neg stress-test & < 1 g gewichtsverandering bij 1 uur padtest) na 6 maanden: 81% vs 67%; neg stress test 73% vs 64%; neg padtest

< 1g gewichtsverandering bij 1 uur padtest) na 2 jaar:

afhankelijk van ongunstig / gunstig scenario vanwege aannames mbt uitvallers: 63-85%                   retropubische

synthetische suburethrale tape              /               51 -87%

colposuspensie

< 6 maanden: Urineweginfectie < 6 weken postop:

22% vs 32%

blaasperforatie/-

trauma):

9% vs 2% (S) Vaginale perforatie: 3% vs 0% Wondinfectie:

2% vs 7%

Koorts:

1% vs 5% (S)

DVT:

0% vs 2% littekenbreuk:

- vs 2%

Retropubisch

hematoom:

2% vs 0% Vaatbeschadiging: 1% vs 0%

Tape erosie:

1 vs -

Na 6 maanden en <2 jaar:

UWI-symptomen:

5.9 vs 2.1% Problemen          met

legen van blaas:

0 vs 2.7% (S) Uterovaginale Prolaps:

0 vs 4.8% (S)

Incisioneel

herniaherstel:

- vs 3%

release of reven van de tape:

2% vs -

urethrale dilatatie: 2% vs 0% Keizersnede:

0.6% vs 0 Hysterectomie:

2 vs 0.7%

Studie

N

Follow-up

duur

Vergelijking

Objectieve genezing / verbetering

Bijwerkingen en complicaties

Liapis 2002

71

2 jaar

Retropubische synthetische suburethrale tape vs open

Genezing: Verschil in pad gewicht < 1 g bij 1 uur test; 84% vs 86% (NS)

Verbetering: > 50% reductie in incontinentie 7% vs 6% (NS)

Blaasperforatie:

11% vs 0% Urineweginfectie: 14% vs 6% Overactieve blaas: 17% vs 14% Sensorische aandrang:

6% vs 3% Hematoom:

0% vs 6%

Retentie:

0% vs 9%

Pijn op plaats van incisie:

0% vs 11%

Wang 2003

98

22 maanden

Retropubische synthetische suburethrale tape               vs

gemodificeerde open (Burch)

Genezing: < 2 g bij 1 uur padtest;

82% vs 76% (NS) Verbetering: > 50% reductie; 8 vs 12% (NS)

Alleen        vermeld:

geen significante complicaties

El-Barky 2005

50

3-6 maanden

Retropubische synthetische suburethrale tape vs open

Alleen subjectieve uitkomst: “Volledig” genezen:

72% vs 72% (NS) Verbetering:

20% vs 16% (NS)

Blaasperforatie: 8% vs 0% Retentie:

20% vs 12%

De novo urgency: 8% vs 12% Urineweginfectie: 20% vs 12% Wondinfectie:

0% vs 8%

 

Complicaties werden in vrijwel alle studies gerapporteerd. Beschadiging of perforatie van de blaas komt bij retropubische synthetische suburethrale tapes geregeld voor. Andere complicaties die met betrekking tot retropubische synthetische suburethrale tapes zijn gerapporteerd, zijn vaginale perforatie, retropubisch hematoom, vasculaire schade en tape erosie, en bij colposuspensie littekenbreuk, hematoom, urineretentie en pijn op de plaats van incisie. Uit de grootste studie (Ward 2002) blijkt dat gedurende een follow-up periode van 2 jaar significant meer vrouwen in de colposuspensiegroep een ingreep nodig hebben vanwege uterovaginale prolaps.

 

Open colposuspensie versus transobturator synthetische suburethrale tape)

In één RCT werd open colposuspensie vergeleken met een transobturator synthetische suburethrale tape (Sivaslioglu 2007). Er werden geen significant verschillen gevonden voor objectieve en subjectieve genezingspercentages.

 

Laparoscopische colposuspensie versus retropubische synthetische suburethrale tape

In drie studies (Valpas 2004/2003 [n=128]; Paraiso 2004 [n=72; Ustun 2003 [n=46]) werd laparoscopische colposuspensie met synthetische suburethrale tape vergeleken bij vrouwen met stressincontinentie. De duur van de follow-up was 11-12 maanden. In één studie

scoorden vrouwen met een retropubische synthetische suburethrale tape significant beter dan zij die een laparoscopische colposuspensie hadden ondergaan (86% vs 57%]). Dit gold echter niet in geval van een negatieve 48 uur padtest (< 8 g/24 h); een verschil van 14% (73 vs 59%) was niet significant. In de tweede studie kwam naar voren dat het percentage vrouwen dat na de behandeling binnen 18 maanden weer stressincontinentie had, minder was bij een retropubische synthetische suburethrale tape (3 vs 19%) maar ook dit verschil is niet significant. In een derde studie werd alleen subjectieve genezing gerapporteerd: met beide procedures bedroeg dit 83%. Intra- of postoperatieve complicaties kwamen regelmatig in beide groepen voor zoals blaasperforaties, retentie, wondinfectie, urineweginfecties, hematoom en bekkenabces. Andere sporadisch voorkomende complicaties waren de novo overactieve blaas, vaginale erosie van mesh en aandrang bij een retropubische synthetische suburethrale tape en postoperatieve ileus, longembolie, en pyelonefritis bij laparoscopische colposuspensie. Opnameduur was significant langer bij laparoscopische colposuspensie dan bij een retropubische synthetische suburethrale tape.

 

Lange termijn follow-up van suspensietechnieken

Er is vanwege de korte duur van menig RCT ook gekeken naar cohortstudies en patiëntenseries voor de lange termijn follow-up data. In drie cohortstudies werden de uitkomsten van colposuspensie (Burch), vergeleken met voorwandplastiek (Tamussino 1999, Cosiski Marana 1996, Van Geelen 1988). De duur van de follow-up varieerde van 5 tot 7 jaar. Het aantal uitvallers varieerde van 2 tot 40%. Het aantal patiënten varieerde van 90 tot 544. Een voorwandplastiek werd in de meeste studies uitgevoerd bij vrouwen met stressincontinentie en hooggradige prolaps. Colposuspensie vond gewoonlijk plaats bij vrouwen met ernstiger stressincontinentie. In geen van de studies werd gekeken naar het effect van storende variabelen op de statistische significantie van uitkomsten betreffende continentie. Gegeven deze omstandigheid en het grote percentage uitvallers moeten eventuele verschillen in uitkomsten tussen diverse groepen met grote voorzichtigheid beschouwd worden.

In de patiëntenseries (15 studies) hadden de studies betrekking op de Burch colposuspensie. Het aantal patiënten varieerde van 48 tot 374, met een totaal van 2.097; de duur van de follow-up varieerde van 1 tot 18 jaar, terwijl dit in ongeveer een kwart van de studies tenminste 5 jaar was (Alcalay 1995, Herbertsson 1993, Ladwig 2004, Eriksen 1990, Kiilholma 1993, Akpinar 2000, Feyereisl 1994, Kjolhede 2005a, Kjolhede 2005b & 2005c, Langer 2001, Burch 1968, Galloway 1987, Lim 1990, Kinn 1995, Ou 1999 & 1993, Ross 1998). Het percentage uitvallers varieerde van 9 tot 68%.

In de cohortstudies en patiëntenseries werden de volgende complicaties gevonden: de novo overactiviteit of aandrangincontinentie, problemen met legen blaas / chronische retentie, recidiverende urineweginfecties, prolaps (cystocèle, rectocèle of enterocèle), dyspareunie, suprapubische pijn of pijn op plaats van hechtingsmateriaal.

 

Synthetische suburethrale tapes (retropubisch en transobturator)

Retropubische synthetische suburethrale tape versus autologe fasciesling

Twee RCT’s vergeleken een retropubische synthetische suburethrale tape met een autologe fasciesling (Wadie 2005, Bai 2005). In de ene studie (n=53; Wadie 2005) werd in beide groepen een mate van genezing (droog, geen verband gebruikt en negatieve stress test) gerapporteerd van 92% na 6 maanden. Complicaties waren de novo overactieve blaas (0% bij retropubische synthetische suburethrale tapes versus 4% bij autologe fascieslings), wondpijn (7% versus 28%) en retentie (13% versus 7%). In de andere studie (n=92; Bai 2005), waarin ook een derde arm met colposuspensie was opgenomen, waren de genezingspercentage (negatieve stress-test en vrij van symptomen) voor retropubische synthetische suburethrale tape, open colposuspensie en fasciesling respectievelijk 87%, 88% en 93% na 1 jaar.

 

Retropubische synthetische suburethrale tape versus open colposuspensie

Zie ‘Colposuspensie’ (Tabel 4.2.5).

 

Retropubische synthetische suburethrale tape versus laparoscopische colposuspensie

Zie ‘Colposuspensie’ (Valpas 2004/2003, Paraiso 2004, Ustun 2003).

 

Retropubische synthetische suburethrale tape bottom-up versus top-down

De resultaten van een caudocraniale (bottom-up) en een craniocaudale (top-down) benadering van een retropubische synthetische suburethrale tape werden vergeleken in een retrospectieve cohort studie bij vrouwen met stressincontinentie die deze procedures hadden ondergaan.

Er werden geen significante verschillen in subjectieve continentiestatus of opnameduur tussen beide groepen vastgesteld. Blaas- en vaginale perforatie lijken frequenter (2% versus 7% and 0% versus 4%) voor te komen met een craniocaudale benadering (Lo 2005, n = 90).

 

Retropubische synthetische suburethrale tape versus varkenshuidcollageen sling

In een RCT bij vrouwen waarbij conservatieve behandeling onvoldoende resultaat boekte werden geen significante verschillen gevonden tussen een retropubische synthetische suburethrale tape en varkenshuidcollageen in subjectieve genezing of verbetering na 1 of 3 jaar. Ook werden geen significante verschillen gevonden in tevredenheid (afgenomen door een schriftelijke enquête) na 3 jaar. In operatieduur, duur van het ziekenhuisverblijf en complicatiepercentages was er ook geen significant verschil. De complicaties betroffen bloeding (3% retropubische synthetische suburethrale tape versus 4% varkenshuid collageen sling), infectie (0% versus 2%), het loslaten van de sling of dilatatie van de urethra (5% versus 10%), ICS (3% versus 3%), de novo urgency of aandrangincontinentie (15% versus 18%) en dyspareunie (3% versus 0%) (n=142) (Arunkalaivanan 2003, Abdel-Fattah

2004)    .

 

Retropubische versus transobturator synthetische suburethrale tape (inside-out procedure)

In zes RCT’s werd retropubische synthetische suburethrale tape vergeleken met transobturator synthetische suburethrale tape (inside-out procedure) (Liapis 2006, Zullo 2007, Meschia 2006, Laurikainen 2007, Araco 2008, Rinne 2008). Het aantal patienten varieerde van 72 tot 267 met een totaal van 966. Follow-up varieerde van 2 tot 12 maanden terwijl dit in 4 studies 12 maanden bedroeg. In 5 studies werden geen signficante verschillen gevonden in objectieve en subjectieven uitkomstmaten. In één studie werd een significant verschil gevonden voor de objectieve genezing (Araco 2008). In deze studie werd gestratificeerd voor milde en ernstige stressincontinentie. Er was een significant hoger percentage patienten met objectieve genezing in de retropubische synthetische suburethrale tape-groep met ernstige stressincontinentie (100% versus 66%). Er zijn tegenstrijdige resultaten wat betreft het totaal aantal complicaties in deze studies. De studies rapporteerden of geen verschillen in percentage complicaties (Liapis 2006, Meschia 2006), of een significant hoger percentage complicaties in de transobturator synthetische suburethrale tape groep (Laurikainen 2007) of een signifcant hoger percentage complicaties in de retropubische synthetische suburethrale tape-groep (Zullo 2007). Van de laatstge­noemde studie is het niet duidelijk hoe het totaal aantal complicaties is berekend.

Ook in twee meta-analyses werden gelijke genezingspercentages gevonden van retro- pubische en transobturator synthetische suburethrale tape en waren er geen verschillen in complicatiepercentages (Novara 2007, Latthe 2007). De review van Latthe (2007) had een follow-up van slechts 2-12 maanden.

 

Retropubische versus transobturator synthetische suburethrale tape

Twee RCT’s vergeleken retropubische met transobturator synthetische suburethrale tape (outside-in procedure) (Porena 2007, Andonian 2007). Beide studies vonden geen verschil in genezingspercentages. Met betrekking tot complicaties vond Porena (2007) geen verschil in percentage complicaties terwijl Andonian (2007) een significant hoger percentage complicaties vond in de transobturator-groep.

De uitkomsten van retropubische en transobturator synthetische suburethrale tape (outside- in procedure) zijn ook in twee retrospectieve cohortstudies (n = 633) onderzocht (Mellier 2004, Fischer 2005). Er werden geen significante verschillen in genezing, verbetering of tevredenheidscores waargenomen. Complicaties kwamen in beide groepen in dezelfde mate voor: bloeding en persisterende of de novo aandrangincontinentie. Andere complicaties met retropubische synthetische suburethrale tapes waren perforatie van blaas of vagina (14%) en hematomen (2%), met transobturator synthetische suburethrale tape blaasperforatie (0,5%), vaginale erosie (1%) of urethraperforatie (1%).

Transobturator synthetische suburethrale tape (inside-out versus outside-in procedure)

Twee RCT’s vergeleken bij transobturator synthetische suburethrale tape de inside-out procedure met de outside-in procedure (But & Faganelj 2008, Lee 2008). Een studie includeerde 120 patiënten en vonden geen verschil in subjectieve genezingspercentages na 4 maanden (90,7% voor inside-out vs 88,7% voor outside-in) (But & Faganelj 2007). De andere studie concludeerde dat, in hun studie met onvoldoende power, er geen verschil was in objectieve en subjectieve genezingspercentages en geen verschil in percentage compli­caties (Lee 2008).

 

Retropubische synthetische suburethrale tape versus intravaginale sling (IVS) of suprapubic arc sling (SPARC)

Eén RCT vergeleek retropubische synthetische suburethrale tape met intravaginale sling (IVS), waarbij ook de suprapubic arc sling (SPARC) werd geëvalueerd, bij vrouwen met urodynamische stressincontinentie. Een minderheid had eerder een incontinentieoperatie ondergaan (Lim 2005). De studie includeerde vrouwen waarbij conservatieve behandeling niet succesvol was of die profylactisch continentie chirurgie ondergingen tijdens prolaps herstel voor gemaskeerde stressincontinentie (stressincontinentie aangetoond met urodynamica); follow-up was slechts 3 maanden. De studie vond geen significant verschil in objectieve of subjectieve genezing of verbetering en in tevredenheid, Er was een significant verschil in urineretentie als complicatie voor de retropubische synthetische suburethrale tape-groep, er waren geen significante verschillen in andere complicaties (blaasperforatie, bloeding en de novo urgency) (n=195; 93% geanalyseerd).

Twee andere RCT’s vergeleken retropubische synthetische suburethrale tape met SPARC bij vrouwen met urodynamische stressincontinentie, met of zonder POP (Pelvic Organ Prolapse) (n=84, n=62) (Andonian 2005, Tseng 2005). Minimale duur van follow-up was 1 jaar, de mediaan was 25 maanden. Beide studies rapporteerden geen significante verschillen in objectieve genezingpercentages (padtest), deze varieerde van 81% tot 95%. Erosie van de sling kwam significant meer voor bij de SPARC groep in vergelijking met retropubische synthetische suburethrale tape of IVS (13% versus 3% versus 2%) (Lim

2005)    . Er was geen significant verschil in andere gerapporteerde complicaties (blaas­perforatie, urineretentie, plasproblemen, loslaten/erosie/terugtrekken van het bandje, haematomen, gebrekkige genezing van de vaginawond, erosie/exposure van het implantaat door de vaginawand.

 

Langere termijn uitkomsten van retropubische synthetische suburethrale tape

Meer dan 100 patiëntenseries kunnen een beeld geven van de langere termijn uitkomsten

van retropubische synthetische suburethrale tape (zie Tabel 4.2.6).

 

Tabel 4.2.6: Uitkomsten van retropubische synthetische suburethrale tape op basis van patiëntenseries naar duur van follow-up

Uitkomstmaten

Follow-up duur, aantal studies en patiënten

 

 

Tot 1 jaar (range 6 weken tot gemiddeld 10 maanden)

20 studies 3621 vrouwen

1-2jaar 39 studies 4017 vrouwen

2-3 jaar 11 studies 2173 vrouwen

Meer dan 3 jaar (tot gemiddeld 8 jaar)

9 studies 1504 vrouwen

 

Subjectieve genezing

10 studies: mediaan 88% (range 76-97%, interkwartiel range: 87-89%)

18 studies: mediaan 87%

(range 59-95%, interkwartiel range: 83-91,5%)

6 studies: mediaan 80% (range 67-90%)

2 studies 7/8 jaar follow-up: 80% and 90%

 

Objectieve genezing

1 studie: 87%

14 studies: mediaan 87%

(range 42-95%, Interkwartiel range 83-91,5%

4 studies: mediaan 90% (range 83-91%)

3 studies: range 81 -95%

Tevredenheid

3                 studies:

mediaan 87% (range 85%-91 %)

8 studies: mediaan 80%

(range 72-96%, Interkwartiel range 76-93%)

2 studies: 82% en 88%

1 studie: 95%

Kwaliteit van leven

3                 studies:

verbetering         in

KHQ (2 studies) en IIQ en UDI (1 studie)

3                     studies:

verbetering in UDI en IIQ (UDI-6 en IIQ- 7 in 2 studies)

2                     studies:

verbetering in IIQ-7 en UDI-6

Niet geëvalueerd

Andere uitkomsten

2 studies: seksueel functioneren hersteld na ingreep bij 58%; 15% dyspareunie; 5% libidoverlies; seksueel functioneren: bij 34% verbetering, 62% gelijk, 4% verslechterd; herstel van urineverlies tijdens gemeenschap bij 87%

Geen

Geen

1 studie: verbetering seksueel functioneren bij 50% van de vrouwen die geen urineverlies hadden tijdens de gemeenschap (n=19); libidoverlies

Bron: Tabel 5.1 van de NICE-richtlijn 2006

 

De volgende per-operatieve complicaties werden gerapporteerd:

  • blaasperforaties (63 studies): mediaan 4% (range 0–23%, Interkwartielafstand: 3–7%);
  • haematomen (32 studies): mediaan 1,5% (range 0–10%);
  • bloedingen (21 studies): mediaan 1,2% (range 0–4%);
  • perforatie van de urethra (7 studies): mediaan 0,5% (range 0–2%);
  • zenuwbeschadiging (4 studies): mediaan 0,7% (range 0–1,6%).

 

Postoperatieve complicaties die werden gerapporteerd betroffen:

  • blaasontledigingsstoornis (53 studies): mediaan 11% (range 1.6–60%, Interkwartielafstand: 5–17%);
  • de novo aandrang, aandrangincontinentie of detrusor overactiviteit (40 studies): mediaan 6% (range 0–26%).

 

Andere synthetische slings
Intravaginale sling (IVS) of suprapubic arc sling (SPARC) versus retropubische synthetische suburethrale tape
Zie ‘Retropubische synthetische suburethrale tape versus intravaginale sling (IVS) of supra-pubic arc sling (SPARC)’ (Lim 2005, Andonian 2005, Tseng 2005).


Polytetrafluoroethyleen (PTFE) sling versus open colposuspensie of rectus fasciesling
Twee RCT’s evalueerden polytetrafluoroethyleen (PTFE) slings. Alle drie waren kleine studies met een maximum follow-up van ongeveer twee jaar. In een RCT bij vrouwen met stressincontinentie en urethrale hypermobiliteit werd PFTE vergeleken met open colposuspensie. Voor de genezingspercentages was er geen significant verschil na 2,5 jaar (objectief 85% versus 100%; subjectief 93% versus 84%). Bij de baseline meting was het percentage vrouwen met detrusor overactiviteit significant lager in de PTFE groep (41% versus 95%). De novo detrusor overactiviteit werd gerapporteerd in 24% versus 5%.
Complicaties op de lange termijn in sling groep waren erosie (12%) en release van het bandje in verband met retentie (6%) (n=36) (Sand 2000, Culligan 2003).


Een andere RCT vergeleek PTFE met een rectus fasciesling bij vrouwen met stress-incontinentie (n=48; 92% onderging eerder continentie chirurgie). Gecombineerde objectieve en subjectieve genezingspercentages waren respectievelijk 88% en 81% na 6 maanden. Urethrale erosie, recidiverende urineweginfecties en de novo detrusor overactiviteit kwamen voor bij PFTE terwijl geen complicaties werden gerapporteerd in de fasciesling groep (Barbalias 1997).

 

Biologische slings
Bijna alle RCT’s over biologische slings vergelijken autologe rectus fasciesling met andere chirurgische interventies. Daarnaast werden RCT’s gevonden die de dura mater en varkens-huidcollageen slings evalueren. Indien de studie eerder is besproken dan wordt hier naar verwezen.

 

Rectus fasciesling versus peri-urethrale siliconen
Zie ‘Injectie van bulkmateriaal’ (Maher 2005).

 

Rectus fasciesling versus retropubische synthetische suburethrale tape
Zie ‘Retropubische synthetische suburethrale tape versus autologe fasciesling’ (Bai 2005, Wadie 2005).

 

Rectus fasciesling versus polytetrafluoroethyleen sling
Zie ‘Polytetrafluoroethyleen (PTFE) sling versus open colposuspensie of rectus fasciesling’ (Barbalias 1997).

Referenties

  1. Abdel-Fattah M, Barrington JW, Arunkalaivanan AS. Pelvicol pubovaginal sling versus tension- free vaginal tape for treatment of urodynamic stress incontinence: A prospective randomized three-year follow-up study. European Urology 2004;46(5):629-35.
  2. Akpinar H, Cetinel B, Demirkesen O, et al. Long-term results of Burch colposuspension. International Journal of Urology 2000;7(4):119--25.
  3. Alcalay M, Monga A, Stanton SL. Burch colposuspension: a 10-20#year follow up. British Journal of Obstetrics and Gynaecology 1995;102(9):740--5.
  4. Andersen RC. Long-term follow-up comparison of Durasphere and Contigen in the treatment of stress urinary incontinence. Journal of Lower Genital Tract Disease 2002;6(4):239--43.
  5. Andonian S, Chen T, St-Denis B, et al. Randomized clinical trial comparing suprapubic arch sling (SPARC) and tension-free vaginal tape (TVT): One-year results. European Urology 2005;47(4):537-41.
  6. Andonian S, St-Denis B, Lemieux MC, Corcos J. Prospective clinical trial comparing Obtape and DUPS to TVT: one-year safety and efficacy results.[see comment]. European Urology 2007;52:245-51
  7. Ang LP, Tay KP, Lim PH, et al. Endoscopic injection of collagen for the treatment of female urinary stress incontinence. Interna tional Journal of Urology 1997;4(3):254-8.
  8. Ankardal M, Milsom I, Stjerndahl J-H, et al. A three-armed randomized trial comparing open Burch colposuspension using sutures with laparoscopic colposuspension using sutures and laparoscopic colposuspension using mesh and staples in women with stress urinary incontinence. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 2005;84(8):773--9.
  9. Araco F, Gravante G, Sorge R, Overton J, De Vita D, Sesti F, Piccione E. TVT-O vs TVT: a randomized trial in patients with different degrees of urinary stress incontinence. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2008;19:917-26.
  10. Arunkalaivanan AS and Barrington JW. Randomized trial of porcine dermal sling (Pelvicol implant) vs. tension-free vaginal tape (TVT) in the surgical treatment of stress incontinence: a questionnaire-based study. International Urogynecology Journal 2003;14(1):17-23.
  11. Awad SA, Al-Zahrani HM, Gajewski JB, et al. Long-term results and complications of augmentation ileocystoplasty for idiopathic urge incontinence in women. British Journal of Urology 1998;81(4):569-73.
  12. Bai SW, Sohn WH, Chung DJ, et al. Comparison of the efficacy of Burch colposuspension, pubovaginal sling, and tension-free vaginal tape for stress urinary incontinence. International Journal of Gynaecology and Obstetrics 2005;91 (3):246--51.
  13. Bano F, Barrington JW, Dyer R. Comparison between porcine dermal implant (Permacol) and silicone injection (Macroplastique) for urodynamic stress incontinence. International Urogynecology Journal 2005;16(2):147--50.
  14. Barbalias G, Liatsikos E, Barbalias D. Use of slings made of indigenous and allogenic material (Goretex) in type III urinary incontinence and comparison between them. European Urology 1997 ;31 (4):394-400.
  15. Barranger E, Fritel X, Kadoch O, et al. Results of transurethral injection of silicone micro- implants for females with intrinsic sphincter deficiency. Journal of Urology 2000;164(5):1619- 22.
  16. Beckingham IJ,Wemyss-Holden G, Lawrence WT. Long-term follow-up of women treated with perurethral Teflon injections for stress incontinence. British Journal of Urology 1992;69(6):580- 3.
  17. Bent AE, Foote J, Siegel S, et al. Collagen implant for treating stress urinary incontinence in women with urethral hypermobility. Journal of Urology 2001;166(4):1354-7.
  18. Bergman A and Elia G. Three surgical procedures for genuine stress incontinence: Five-year follow-up of a prospective randomized study. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1995;173(1):66--71.
  19. Bergman A, Ballard CA, Koonings PP. Comparison of three different surgical procedures for genuine stress incontinence: Prospective randomized study. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1989b;160(5 Part 1):1102--6.
  20. Bergman A, Koonings PP, Ballard CA. Primary stress urinary incontinence and pelvic relaxation: Prospective randomized comparison of three differnt operations. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1989a;161(1):97--101.
  21. Burch JC. Cooper’s ligament urethrovesical suspension for stress incontinence. Nine years’ experience--results, complications, technique. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1968;100(6):764--74.
  22. But I, Faganelj M. Complications and short-term results of two different transobturator techniques for surgical treatment of women with urinary incontinence: a randomized study. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2008; 19(6):857-861
  23. Chapple CR, Haab F, Cervigni M, et al. An open, multicenter study of NASHA/Dx Gel (Zuidex) for the treatment of stress urinary incontinence. European Urology 2005;48(3):488-94.
  24. Cheon WC, Mak JHL, Liu JYS. Prospective randomised controlled trial comparing laparoscopic and open colposuspension. Hong Kong Medical Journal 2003;9(1):10--14.
  25. Colombo M, Milani R, Vitobello D, et al. A randomized comparison of Burch colposuspension and abdominal paravaginal defect repair for female stress urinary incontinence. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1996;175(1):78--84.
  26. Colombo M, Vitobello D, Proietti F, et al. Randomised comparison of Burch colposuspension versus anterior colporrhaphy in women with stress urinary incontinence and anterior vaginal wall prolapse. BJOG: an International Journal of Obstetrics and Gynaecology 2000;107(4):544- -51.
  27. Congregado Ruiz B, Pena Outeirino X, Campoy Martinez P, et al. Peripheral afferent nerve stimulation for treatment of lower urinary tract irritative symptoms. European Urology 2004;45(1):65--9.
  28. Corcos J, Collet JP, Shapiro S, et al. Multicenter randomized clinical trial comparing surgery and collagen injections for treatment of female stress urinary incontinence. Urology 2005;65(5):898--904.
  29. Cosiski Marana HR, Moreira de AJ, Matheus de SM, et al. Evaluation of long-term results of surgical correction of stress urinary incontinence. Gynecologic and Obstetric Investigation 1996;41(3):214--19.
  30. Cox R and Worth PHL. Ileal loop diversion in women with incurable stress incontinence. British Journal of Urology 1987;59(5):420-2.
  31. Cross CA, English SF, Cespedes RD, et al. A followup on transurethral collagen injection therapy for urinary incontinence. Journal of Urology 1998;159(1):106—8.
  32. Culligan PJ, Goldberg RP, Sand PK. A randomized controlled trial comparing a modified Burch procedure and a suburethral sling: Long-term follow-up. International Urogynecology Journal 2003;14(4):229--33.
  33. Dean NM, Ellis G, Wilson PD, Herbison GP. Laparoscopic colposuspension for urinary incontinence in women. Cochrane Database of Systematic Reviews 2006, Issue 3. Art. No.: CD002239. DOI: 10.1002/14651858.CD002239.pub2.
  34. Deane AM, English P, Hehir M. Teflon injection in stress incontinence. British Journal of Urology 1985;57(1):78-80.
  35. Edlund C, Peeker R, Fall M. Clam ileocystoplasty: Successful treatment of severe bladder overactivity. Scandinavian Journal of Urology and Nephrology 2001;35(3):190-5.
  36. El-Barky E, El-Shazly A, El-Wahab OA, et al. Tension free vaginal tape versus Burch colposuspension for treatment of female stress urinary incontinence. International Urology and Nephrology 2005;37(2):277--81.
  37. Elsergany R, Elgamasy A-N, Ghoniem GM. Transurethral collagen injection for female stress incontinence. International Urogynecology Journal 1998;9(1):13—18.
  38. Enzelsberger H, Helmer H, Schatten C. Comparison of Burch and Lyodura sling procedures for repair of unsuccessful incontinence surgery. Obstetrics and Gynecology 1996;88(2):251--6. Eriksen BC, Hagen B, Eik-Nes SH, et al. Long-term effectiveness of the Burch colposuspension in female urinary stress incontinence. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 1990;69(1):45--50.
  39. Fatthy H, El HM, Samaha I, et al. Modified Burch colposuspension: Laparoscopy versus laparotomy. Journal of the American Association of Gynecologic Laparoscopists 2001;8(1):99-- 106.
  40. Feyereisl J, Dreher E, Haenggi W, et al. Long-term results after Burch colposuspension. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1994;171(3):647--52.
  41. Fischer A, Fink T, Zachmann S, et al. Comparison of retropubic and outside-in transoburator sling systems for the cure of female genuine stress urinary incontinence. European Urology 2005;48(5):799-804.
  42. Flynn MK, Webster GD, Amundsen CL. The effect of botulinum-A toxin on patients with severe urge urinary incontinence. Journal of Urology 2004;172(6 Part 1):2316-20.
  43. Galloway NT, Davies N, Stephenson TP. The complications of colposuspension. British Journal of Urology 1987;60(2):122--4.
  44. Gorton E, Stanton S, Monga A, et al. Periurethral collagen injection: A long-term follow-up study. BJU International 1999;84(9):966-71.
  45. Govier FE, Litwiller S, Nitti V, et al. Percutaneous afferent neuromodulation for the refractory overactive bladder: results of a multicenter study. Journal of Urology 2001;165(4):1193--8. Greenwell TJ, Venn SN, Mundy AR. Augmentation cystoplasty. BJU International ;88(6):511-25.
  46. Groutz A, Gordon D, Wolman I, Ja AJ, David MP, J.B. Lessing JB. Tension-Free Vaginal Tape for Stress Urinary Incontinence: Is There a Learning Curve? Neurourol.Urodynam. ;21:470-472.
  47. Gurdal M, Tekin A, Erdogan K, et al. Endoscopic silicone injection for female stress urinary incontinence due to intrinsic sphincter deficiency: Impact of coexisting urethral mobility on treatment outcome. Urology 2002;60(6):1016-19.
  48. Haab F, Zimmern PE, Leach GE. Urinary stress incontinence due to intrinsic sphincteric deficiency: experience with fat and collagen periurethral injections.[erratum appears in J Urol 1997 Jul;158(1):188]. Journal of Urology 1997;157(4):1283--6.
  49. Harrison SC, Brown C, O’Boyle PJ. Periurethral Teflon for stress urinary incontinence: medium - term results. British Journal of Urology 1993;71(1):25-7.
  50. Harriss DR, Iacovou JW, Lemberger RJ, et al. Peri-urethral silicone microimplants (Macroplastique(TM)) for the treatment of genuine stress incontinence. British Journal of Urology 1996;78(5):722-8.
  51. Hasan ST, Marshall C, Robson WA, et al. Clinical outcome and quality of life following enterocystoplasty for idiopathic detrusor instability and neurogenic bladder dysfunction. British Journal of Urology 1995;76(5):551-7.
  52. Hasan ST, RobsonWA, Pridie AK, et al. Transcutaneous electrical nerve stimulation and temporary S3 neuromodulation in idiopathic detrusor instability. Journal of Urology 1996;155(6):2005-11.
  53. Henalla SM, Hall V, Duckett JR, et al. A multicentre evaluation of a new surgical technique for urethral bulking in the treatment of genuine stress incontinence. BJOG: an International Journal of Obstetrics and Gynaecology 2000;107(8):1035-9.
  54. Herbertsson G and Iosif CS. Surgical results and urodynamic studies 10#years after retropubic colpourethrocystopexy. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 1993;72(4):298--301.
  55. Homma Y, Kawabe K, Kageyama S, et al. Injection of glutaraldehyde cross-linked collagen for urinary incontinence: two-year efficacy by self-assessment. International Journal of Urology 1996;3(2):124-7.
  56. Kammerer-Doak DN, Dorin MH, Rogers RG, et al. A randomized trial of burch retropubic urethropexy and anterior colporrhaphy for stress urinary incontinence. Obstetrics and Gynecology 1999;93(1):75--8.
  57. Keegan PE, Atiemo K, Cody J, McClinton S, Pickard R. Periurethral injection therapy for urinary incontinence in women. Cochrane Database of Systematic Reviews 2007, Issue 3. Art. No.: CD003881. DOI: 10.1002/14651858.CD003881.pub2
  58. Khullar V, Cardozo LD, Abbott D, et al. GAX collagen in the treatment of urinary incontinence in elderly women: A two year follow up. British Journal of Obstetrics and Gynaecology 1997;104(1):96-9.
  59. Kiilholma P and Makinen Herschorn S and Glazer AA. Early experience with small volume periurethral polytetrafluoroethylene for female stress urinary incontinence. Journal of Urology 2000;163(6):1838-42.
  60. Kiilholma P, Makinen J, Chancellor MB, et al. Modified Burch colposuspension for stress urinary incontinence in females. Surgery, Gynecology and Obstetrics 1993;176(2):111--15.
  61. Kinn AC. Burch colposuspension for stress urinary incontinence. 5-year results in 153 women. Scandinavian Journal of Urology and Nephrology 1995;29(4):449--55.
  62. Kitchener HC, Dunn G, Lawton V, et al. Laparoscopic versus open colposuspension -- results of a prospective randomised controlled trial. BJOG 2006;113:1007--13.
  63. Kjolhede P. Long-term efficacy of Burch colposuspension: A 14-year follow-up study. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 2005a;84(8):767--72.
  64. Kjolhede P, Wahlstrom J, Wingren G. Pelvic floor dysfunction after Burch colposuspension - A comprehensive study. Part I. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 2005b;84(9):894-- 901.
  65. Kjolhede P, Wahlstrom J, Wingren G. Pelvic floor dysfunction after Burch colposuspension - A comprehensive study. Part II. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 2005c;84(9):902-- 8.
  66. Klingler HC, Pycha A, Schmidbauer J, et al. Use of peripheral neuromodulation of the S3 region for treatment of detrusor overactivity: a urodynamic-based study. Urology 2000;56(5):766--71.
  67. Kockelbergh RC, Tan JBL, Bates CP, et al. Clam enterocystoplasty in general urological practice. British Journal of Urology 1991;68(1):38-41.
  68. Koelbl H, Saz V, Doerfler D, et al. Transurethral injection of silicone microimplants for intrinsic urethral sphincter deficiency. Obstetrics and Gynecology 1998;92(3):332-6.
  69. Ladwig D, Miljkovic-Petkovic L, Hewson AD. Simplified colposuspension: A 15-year follow-up. Australian and New Zealand Journal of Obstetrics and Gynaecology 2004;44(1):39--45.
  70. Langer R, Lipshitz Y, Halperin R, et al. Long-Term (10-15#years) follow-up after Burch colposuspension for urinary stress incontinence. International Urogynecology Journal 2001 ;12(5):323--6.
  71. Latthe PM, Foon R, Toozs-Hobson P. (2007) Transobturator and retropubic tape procedures in stress urinary incontinence: a systematic review and meta-analysis of effectiveness and complications. BJOG 2007;114: 522-31.
  72. Laurikainen E, Valpas A, Kivela A, Kalliola T, Rinne K, Takala T, Nilsson CG. Retropubic compared with transobturator tape placement in treatment of urinary incontinence: a randomized controlled trial. Obstetrics & Gynecology 2007;109: 4-11.
  73. Lebret T, Lugagne PM, Herve JM, et al. Evaluation of tension-free vaginal tape procedure. Its safety and efficacy in the treatment of female stress urinary incontinence during the learning phase. Eur Urol 2001;40:543-547.
  74. Lee PE, Kung RC, Drutz HP. Periurethral autologous fat injection as treatment for female stress urinary incontinence: a randomized double-blind controlled trial. Journal of Urology 2001 ;165(1):153--8.
  75. Lee K-Y, C. M.-S., Lee Ys, Han J-Y, Kim J-Y, Jung Bj, Han Dh (2008) Prospective comparison of the inside-out and outside-in transobturator-tape procedures for treatment of femal stress urinary incontinence. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2008; 19:577-582.
  76. Liapis A, Bakas P, Creatsas G. Burch colposuspension and tension-free vaginal tape in the management of stress urinary incontinence in women. European Urology 2002;41(4):469--73.
  77. Lightner D, Calvosa C, Andersen R, et al. A new injectable bulking agent for treatment of stress urinary incontinence: Results of a multicenter, randomized, controlled, double-blind study of Durasphere. Urology 2001 ;58(1):12--15.
  78. Lim PH, Brown AD, Chisholm GD. The Burch Colposuspension operation for stress urinary incontinence. Singapore Medical Journal 1990;31(3):242--6.
  79. Lim YN, Muller R, Corstiaans A, et al. Suburethral slingplasty evaluation study in North Queensland Australia: The SUSPEND trial. Australian and New Zealand Journal of Obstetrics and Gynaecology 2005;45(1):52-9.
  80. Lo TS, Horng SG, Liang CC, et al. Ultrasound and urodynamic comparison between caudocranial and craniocaudal tension-free vaginal tape for stress urinary incontinence. Urology 2005;66(4):754--8.
  81. Lucas M, Emery S, Stephenson T. A Randomised Study to Assess and Compare the Clinical Effectiveness of Two Surgical Techniques for the Treatment of Stress Urinary Incontinence inWomen. No. RC080. Cardiff: TheWales Office of Research and Development for Health and Social Care; 2000.
  82. Madjar S, Covington-Nichols C, Secrest CL. New periurethral bulking agent for stress urinary incontinence: Modified technique and early results. Journal of Urology 2003;170(6 Part 1):2327-9.
  83. Maher CF, O’Reilly BA, Dwyer PL, et al. Pubovaginal sling versus transurethral Macroplastique for stress urinary incontinence and intrinsic sphincter deficiency: A prospective randomised controlled trial. BJOG: an International Journal of Obstetrics and Gynaecology 2005;112(6):797--801.
  84. Mayer R, Lightfoot M, Jung I. Preliminary evaluation of calcium hydroxylapatite as a transurethral bulking agent for stress urinary incontinence. Urology 2001;57(3):434-8.
  85. Mellier G, Benayed B, Bretones S, et al. Suburethral tape via the obturator route: Is the TOT a simplification of the TVT? International Urogynecology Journal 2004;15(4):227-32.
  86. Meschia M, Pifarotti P, Bernasconi F, Magatti F, Vigano R, Bertozzi R, Barbacini P. Tension- free vaginal tape (TVT) and intravaginal slingplasty (IVS) for stress urinary incontinence: a multicenter randomized trial. Am J Obstet Gynecol 2006; 195:1338-42.
  87. Monga AK and Stanton SL. Urodynamics: Prediction, outcome and analysis of mechanisms for cure of stress incontinence by periurethral collagen. British Journal of Obstetrics and Gynaecology 1997;104(2):158-62.
  88. Monga AK, Robinson D, Stanton SL. Periurethral collagen injections for genuine stress incontinence: A 2-year follow-up. British Journal of Urology 1995;76(2): 156-60.
  89. Mundy AR and Stephenson TP. ‘Clam’ ileocystoplasty for the treatment of refractory urge incontinence. British Journal of Urology 1985;57(6):641-6.
  90. Novara G, Ficarra V, Boscolo-Berto R, Secco S, Cavalleri S, Artibani W. Tension-free midurethral slings in the treatment of female stress urinary incontinence: a systematic review and metaanalysis of randomized controlled trials of effectiveness. Eur Urol 2007, 52, 663-78.
  91. Ou CS and Rowbotham R. Five-year follow-up of laparoscopic bladder neck suspension using synthetic mesh and surgical staples. Journal of Laparoendoscopic and Advanced Surgical Techniques-Part A 1999;9(3):249--52.
  92. Ou CS, Presthus J, Beadle E. Laparoscopic bladder neck suspension using hernia mesh and surgical staples. Journal of Laparoendoscopic Surgery 1993;3(6):563--6.
  93. Pannek J, Brands FH, Senge T. Particle migration after transurethral injection of carbon coated beads for stress urinary inconti nence. Journal of Urology 2001;166(4):1350-3.
  94. Paraiso MF, Walters MD, Karram MM, et al. Laparoscopic Burch colposuspension versus tension-free vaginal tape: a randomized trial. Obstetrics and Gynecology 2004;104(6):1249--58.
  95. Radley SC, Chapple CR, Mitsogiannis IC, et al. Transurethral implantation of Macroplastique for the treatment of female stress urinary incontinence secondary to urethral sphincter deficiency. European Urology 2001;39(4):383-9.
  96. Rapp DE, Lucioni A, Katz EE, et al. Use of botulinum-A toxin for the treatment of refractory overactive bladder symptoms: An initial experience. Urology 2004;63(6):1071-5.
  97. Richardson TD, Kennelly MJ, Faerber GJ. Endoscopic injection of glutaraldehyde cross-linked collagen for the treatment of intrinsic sphincter deficiency in women. Urology 1995;46(3):378- 81.
  98. Rinne K, Laurikainen E, Kivala A, Aukee P, Takala T, Valpas A, Nilsson CG (2008) A randomized trial comparing TVT with TVT-O: 12 months results. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct. 2008; 19:1049-1054
  99. Ross JW. Multichannel urodynamic evaluation of laparoscopic Burch colposuspension for genuine stress incontinence. Obstetrics and Gynecology 1998;91(1):55--9.
  100. Sand PK, Winkler H, Blackhurst DW, et al. A prospective randomized study comparing modified Burch retropubic urethropexy and suburethral sling for treatment of genuine stress incontinence with low-pressure urethra. American Journal of Obstetrics and Gynecology 2000;182(1 Part 1):30--4.
  101. Schmid DM, Sauermann P, Werner M, Schuessler B, Blick N, Muentener M, Strebel RT, Perucchini D, Scheiner D, Schaer G, John H, Reitz A, Hauri D, Schurch B. Experience with 100 cases treated with botulinum-A toxin injections in the detrusor muscle for idiopathic overactive bladder syndrome refractory to anticholinergics. J Urol. 2006 Jul;176(1):177-85.
  102. Schraffordt Koops SE, Bisseling TM, Heintz AP, Vervest HA. Prospective analysis of complications of tension-free vaginal tape from The Netherlands Tension-free Vaginal Tape study. Am J Obstet Gynecol. 2005 Jul;193(1):45-52.
  103. Schulman CC, Simon J, Wespes E, et al. Endoscopic injection of teflon for female urinary incontinence. European Urology 1983;9(4):246-7.
  104. Sheriff MK, Foley S, McFarlane J, et al. Endoscopic correction of intractable stress incontinence with silicone micro-implants. European Urology 1997;32(3):284-8.
  105. Singh G, Wilkinson JM, Thomas DG. Supravesical diversion for incontinence: a long-term follow-up. British Journal of Urology. 1997;79(3):348-53.
  106. Sivaslioglu AA, Caliskan E, Dolen I, Haberal A. A randomized comparison of transobturator tape and Burch colposuspension in the treatment of female stress urinary incontinence. International Urogynecology Journal & Pelvic Floor Dysfunction 2007;18:1015-1019.
  107. Smith CP, Nishiguchi J, O'Leary M, Yoshimura N, Chancellor MB. Single-institution experience in 110 patients with botulinum toxin A injection into bladder or urethra. Urology. 2005 Jan;65(1):37-41.
  108. Smith DN, Appell RA, Winters JC, et al. Collagen injection therapy for female intrinsic sphincteric deficiency. Journal of Urology 1997;157(4):1275-8.
  109. Soomro NA, Khadra MH, RobsonW, et al. A crossover randomized trial of transcutaneous electrical nerve stimulation and oxybutynin in patients with detrusor instability. Journal of Urology 2001;166(1):146-9.
  110. Stanton SL and Monga AK. Incontinence in elderly women: Is periurethral collagen an advance? British Journal of Obstetrics and Gynaecology 1997;104(2):154-7.
  111. Stenberg A, Larsson G, Johnson P, et al. DiHA Dextran Copolymer, a new biocompatible material for endoscopic treatment of stress incontinent women. Short term results. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 1999;78(5):436-42.
  112. Stenberg AM, Larsson G, Johnson P. Urethral injection for stress urinary incontinence: Long¬term results with dextranomer/hyaluronic acid copolymer. International Urogynecology Journal 2003;14(5):335-8.
  113. Stothers L, Goldenberg SL, Leone EF. Complications of periurethral collagen injection for stress urinary incontinence. Journal of Urology 1998;159(3):806-7.
  114. Stricker P and Haylen B. Injectable collagen for type 3 female stress incontinence: The first 50 Australian patients. Medical Journal of Australia 1993;158(2):89-91.
  115. Su TH, Wang KG, Hsu CY, et al. Prospective comparison of laparoscopic and traditional colposuspensions in the treatment of genuine stress incontinence. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 1997;76(6):576--82.
  116. Swami S, Batista JE, Abrams P. Collagen for female genuine stress incontinence after a minimum 2-year follow-up. British Journal of Urology 1997;80(5):757-61.
  117. Tamanini JT, D’Ancona CA, Netto NR Jr. Treatment of intrinsic sphincter deficiency using the Macroplastique Implantation System: two-year follow-up. Journal of Endourology 2004;18(9):906-11.
  118. Tamanini JT, D’Ancona CA, Tadini V, et al. Macroplastique implantation system for the treatment of female stress urinary incontinence. Journal of Urology 2003;169(6):2229-33.
  119. Tschopp PJ, Wesley-James T, Spekkens A, et al. Collagen injections for urinary stress incontinence in a small urban urology practice: Time to failure analysis of 99 cases. Journal of Urology 1999;162(3 Part 1):779-83.
  120. Tseng L-H, Wang AC, Lin Y-H, et al. Randomized comparison of the suprapubic arc sling procedure vs tension-free vaginal taping for stress incontinent women. International Urogynecology Journal 2005;16(3):230-5.
  121. Usman F and Henalla S. A single transurethral Macroplastique(TM) injection as primary treatment for stress incontinence in women. Journal of Obstetrics and Gynaecology 1998;18(1):56-60.
  122. Ustun Y, Engin-Ustun Y, Gungor M, et al. Randomized comparison of Burch urethropexy procedures concomitant with gynecologic operations. Gynecologic and Obstetric Investigation 2005;59(1):19--23.
  123. Ustun Y, Engin-Ustun Y, Gungor M, et al. Tension-free vaginal tape compared with laparoscopic Burch urethropexy. Journal of the American Association of Gynecologic Laparoscopists 2003;10(3):386-9.
  124. Valpas A, Kivela A, Penttinen J, et al. Tension-free vaginal tape and laparoscopic mesh colposuspension for stress urinary incontinence. Obstetrics and Gynecology 2004;104(1):42--9.
  125. Valpas A, Kivela A, Penttinen J, et al. Tension-free vaginal tape and laparoscopic mesh colposuspension for stress urinary incontinence. Obstetrics and Gynecology 2004;104(1):42-9.
  126. Van der Pal F, van Balken MR, Heesakkers JP, et al. Correlation between quality of life and voiding variables in patients treated with percutaneous tibial nerve stimulation. BJU International 2006;97(1):113--16.
  127. Van der Pal F., van Balken MR, Heesakkers JP, et al. Percutaneous tibial nerve stimulation in the treatment of refractory overactive bladder syndrome: is maintenance treatment necessary? BJU International 2006;97(3):547--50.
  128. Vandoninck V, van Balken MR, Agro EF, et al. Percutaneous tibial nerve stimulation in the treatment of overactive bladder: Urodynamic data. Neurourology and Urodynamics 2003a;22(3):227--32.
  129. Vandoninck V, van Balken MR, Finazzi AE, et al. Posterior tibial nerve stimulation in the treatment of urge incontinence. Neurourology and Urodynamics 2003b;22(1):17--23.
  130. Van Geelen JM, Theeuwes AGM, Eskes TKAB, et al. The clinical and urodynamic effects of anterior vaginal repair and Burch colposuspension. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1988;159(1):137--44.
  131. Van Kerrebroeck P, Ter MF, Larsson G, et al. Efficacy and safety of a novel system (NASHA/Dx copolymer using the Implacer device) for treatment of stress urinary incontinence. Urology 2004a;64(2):276-81.
  132. Van Kerrebroeck P, Ter MF, Larsson G, et al. Treatment of stress urinary incontinence using a copolymer system: Impact on quality of life. BJU International 2004b;94(7):1040-3.
  133. Van Kerrebroeck PE, van Voskuilen AC, Heesakkers JP, Lycklama a Nijholt AA, Siegel S, Jonas U, Fowler CJ, Fall M, Gajewski JB, Hassouna MM, Cappellano F, Elhilali MM, Milam DF, Das AK, Dijkema HE, van den Hombergh U. Results of sacral neuromodulation therapy for urinary voiding dysfunction: outcomes of a prospective, worldwide clinical study. J Urol 2007;178(5):2029-2034
  134. Van Voskuilen AC, Oerlemans DJ, Weil EH, de Bie RA, van Kerrebroeck PE. Long term results of neuromodulation by sacral nerve stimulation for lower urinary tract symptoms: a retrospective single center study. Eur Urol 2006;49(2):366-372
  135. Vesey SG, Rivett A, O’Boyle PJ. Teflon injection in female stress incontinence. Effect on urethral pressure profile and flow rate. British Journal of Urology 1988;62(1):39-41.
  136. Wadie BS, Edwan A, Nabeeh AM. Autologous fascial sling vs polypropylene tape at short-term followup: a prospective randomized study. Journal of Urology 2005;174(3):990--3.
  137. Walsh IK, Johnston RS, Keane PF. Transcutaneous sacral neurostimulation for irritative voiding dysfunction. European Urology 1999;35(3):192-6.
  138. Wang AC and Chen M-C. Comparison of tension-free vaginal taping versus modified Burch colposuspension on urethral obstruction: A randomized controlled trial. Neurourology and Urodynamics 2003;22(3):185--90.
  139. Ward K, Hilton P, United Kingdom and Ireland Tension-free Vaginal Tape Trial Group. Prospective multicentre randomised trial of tension-free vaginal tape and colposuspension as primary treatment for stress incontinence. British Medical Journal 2002;325(7355):67--73.
  140. Weil EH, Ruiz-Cerda JL, Eerdmans PH, et al. Sacral root neuromodulation in the treatment of refractory urinary urge incontinence: a prospective randomized clinical trial. European Urology 2000;37(2):161-71.
  141. Werner M, Schmid DM, Schussler B. Efficacy of botulinum-A toxin in the treatment of detrusor overactivity incontinence: a prospective nonrandomized study. American Journal of Obstetrics and Gynecology 2005;192(5):1735-40.
  142. Winters JC, Chiverton A, Scarpero HM, et al. Collagen injection therapy in elderly women: Long-term results and patient satisfaction. Urology 2000;55(6):856-60.
  143. Zullo MA, Plottti F, Calcagno M, Marullo E, Palaia I, Bellati F, Basile S, Muzii L, Angioli R, Panici PB. One-year follow-up of tensionfree vaginal tape (TVT) and trans-obturator suburethral tape from inside to outside (TVT-O) for surgical treatment of female stress urinary incontinence: a prospective randomised trial. Eur Urol. 2007 May;51(5):1376-82.
  144. Klutke JJ, Klutke CG, Bergman J, et al. Urodynamics changes in voiding after anti-incontinence surgery: an insight into the mechanism of cure. Urology 1999;54(6):1003--7.
  145. Herschorn S and Radomski SB. Collagen injections for genuine stress urinary incontinence: Patient selection and durability. International Urogynecology Journal 1997;8(1):18-24.
  146. Herschorn S, Steele DJ, Radomski SB. Followup of intraurethral collagen for female stress urinary incontinence. Journal of Urology 1996;156(4):1305-9.
  147. Liapis A, Bakas P, Giner M, et al. Tension-Free Vaginal Tape versus Tension-Free Vaginal Obturator in Women with Stress Urinary Incontinence. Gynecologic and Obstetric Investigation 2006;62(3):160-4.
  148. Porena M, Costantini E, Frea B, Giannantoni A, Ranzoni S, Mearini L, Bini V, Kocjancic E. (2007) Tension-free vaginal tape versus transobturator tape as surgery for stress urinary incontinence: results of a multicentre randomised trial. Eur Urol 2007;52:1481-90.
  149. Tamussino KF, Zivkovic F, Pieber D, et al. Five-year results after anti-incontinence operations. American Journal of Obstetrics and Gynecology 1999;181(6):1347--52.
  150. Schmidt RA, Jonas U, Oleson KA, et al. Sacral nerve stimulation for treatment of refractory urinary urge incontinence. Sacral Nerve Stimulation Study Group. Journal of Urology 1999;162(2):352-7.
  151. Valpas A, Kivela A, Penttinen J, et al. Tension-free vaginal tape and laparoscopic mesh colposuspension in the treatment of stress urinary incontinence: immediate outcome and complications--a randomized clinical trial. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica 2003;82(7):665--71.
  152. Van Balken MR, Vandoninck V, Gisolf KW, et al. Posterior tibial nerve stimulation as neuromodulative treatment of lower urinary tract dysfunction. Journal of Urology 2001 ;166(3):914-18.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 30-12-2011

Laatst geautoriseerd : 30-12-2011

Herziening

Uiterlijk in 2015 wordt door de initiatiefnemer, na raadpleging van of op advies van andere in de richtlijn participerende verenigingen, bepaald of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om (delen van) de richtlijn te herzien. De

geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding

zijn een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Urologie

Algemene gegevens

Organisatie:

CBO (tot 30 april 2009)

Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging (vanaf 1 mei 2009)

 

Samenwerkende organisaties:

Universitair Medisch Centrum St Radboud Nijmegen, Afdeling Huisartsengeneeskunde/ Vrouwenstudies Medische Wetenschappen Universitair Medisch Centrum Groningen

 

Mandaterende verenigingen/instanties:

  • Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en  Bedrijfsgeneeskunde
  • Nederlandse Vereniging voor UrologieNederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en Pre- en Postpartum Gezondheidszorg
  • Stichting Bekkenbodem Patiënten
  • Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland Continentie Verpleegkundigen & Verzorgenden

 

Medewerking van:

Nederlands Huisartsen Genootschap Verenso, specialisten in ouderengeneeskunde

 

Financiering:

Programma Kennisbeleid Kwaliteit Curatieve Zorg (KKCZ) van ZonMw

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen zijn geen wettelijke voorschriften, maar op ‘evidence’ gebaseerde inzichten en aanbevelingen waaraan zorgverleners in het algemeen moeten voldoen om kwalitatief goede zorg te verlenen. Aangezien deze aanbevelingen hoofdzakelijk gebaseerd zijn op de ‘gemiddelde patiënt’, kunnen zorgverleners echter op basis van hun professionele autonomie zo nodig afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen kan in bepaalde situaties zelfs noodzakelijk zijn. Wanneer van de richtlijn wordt afgeweken, dient dit beargumenteerd en gedocumenteerd te worden.

 

Doel en doelgroep

Doelstelling

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen en handelingsinstructies ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De aanbevelingen in de richtlijn berusten op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en aansluitende meningsvorming. Er wordt aangegeven wat, volgens de huidige maatstaven en aansluitend bij de gangbare Nederlandse praktijk, in het algemeen de beste zorg is voor patiënten met UI. De richtlijn geeft aanbevelingen voor de diagnostiek, (medicamenteuze) behandeling, voorlichting en begeleiding van patiënten met UI.

Specifieke doelen zijn:

  • het in een zo vroeg mogelijk stadium onderkennen en diagnosticeren van UI;
  • het behandelen van UI gericht op het herstellen van continentie of het verminderen van incontinentie-epiodes;
  • het zorgen dat de patiënt zo min mogelijk hinder ondervindt van blijvende UI;
  • het bevorderen van samenwerking en afstemming tussen de verschillende betrokken disciplines rondom de zorg aan patiënten met UI.

 

Afbakening/doelgroep

Deze richtlijn heeft betrekking op alle vrouwen die zich met klachten van UI melden bij een (huis)arts of fysiotherapeut. Het gaat om stress-, aandrang- en gemengde incontinentie. De richtlijn geldt voor volwassen vrouwen uit alle leeftijdsgroepen. Voor de zorg aan kwetsbare ouderen met UI verwijzen we naar de richtlijn ‘Urine-incontinentie bij kwetsbare ouderen’ (V&VN/LEVV, 2010).

 

Richtlijngebruikers

De richtlijn is bedoeld voor alle zorgverleners die bij de behandeling van vrouwen met UI zijn betrokken: huisartsen, gynaecologen, urologen, fysiotherapeuten, specialisten ouderen geneeskunde, continentieverpleegkundigen en bedrijfsartsen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van deze richtlijn is in 2008 een multidisciplinaire werkgroep samen­gesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle bij de diagnostiek, behandeling en begeleiding van patiënten met UI betrokken medische en paramedische disciplines, een vertegenwoordiger van de patiëntenvereniging Stichting Bekkenbodem Patiënten en een medewerker van het CBO (zie ‘Samenstelling van de werkgroep’). De adviseur van het CBO is in 2009 vervangen door een senior adviseur van het Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging. Bij het samenstellen van de werkgroep is rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden, met een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende betrokken verenigingen en instanties, alsmede met een spreiding van al dan niet academische achtergrond.

  • Dhr. dr. C.H. van der Vaart, gynaecoloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht en medisch directeur Alant Vrouw, namens Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (voorzitter)
  • Dr. Ir. J.J.A. de Beer, adviseur, CBO (tot 31 oktober 2008)
  • Dhr. dr. L.C.M. Berghmans, bekkenfysiotherapeut, klinisch epidemioloog en organi­satorisch directeur Pelvic Care Center Maastricht, namens Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie
  • Dr. J. M. van Geelen, gynaecoloog i.r., voorzitter Stichting Bekkenbodem Patiënten
  • Mw. dr. L. Giepmans, MTA-deskundige, Universitair Medisch Centrum Groningen
  • Dr. P. van Houten, specialist ouderen geneeskunde, Zonnehuisgroep Amstelland, namens Verenso
  • Mw. dr. L.M.O. de Kort, uroloog, Universitair Medisch Centrum Utrecht, namens Nederlandse Vereniging voor Urologie
  • Mw. prof. dr. A.L.M. Lagro-Janssen, hoogleraar vrouwenstudies medische wetenschappen, huisarts, kaderhuisarts urogynaecologische problemen, Universitair Medisch Centrum Sint Radboud, namens Nederlands Huisartsen Genootschap
  • Prof. dr. B.W. Mol, gynaecoloog, Amsterdam Medisch Centrum, namens Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Dhr. H.J. Mulder MScN, nurse practitioner urologie, Martiniziekenhuis, namens V&VN Continentie Verpleegkundigen & Verzorgenden
  • Mw. P.P.M. van Nierop, bekkenfysiotherapeut/MSPT, Bekkenfysiotherapie Voorburg ’t Loo, namens Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie / Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en Pre- en Postpartum Gezondheidszorg
  • Mw. dr. T.A.M. Teunissen, huisarts/onderzoeker/kaderarts urogynaecologie, Universitair Medisch Centrum Sint Radboud, namens Nederlands Huisartsen Genootschap (vervanger mw. prof. dr. A.L.M. Lagro-Janssen)
  • Mw. drs. E. Poot, senior adviseur, Landelijk Expertisecentrum Verpleging & Verzorging (vanaf 1 januari 2009)
  • Mw. drs. D.M. Schipper, adviseur indicatoren, CBO
  • Mw. dr. I. van Zanten, bedrijfsarts, Iwona Van Zanten Bedrijfsarts, namens Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde

 

 

Belangenverklaringen

Er zijn voor deze richtlijn geen relevante relaties van werkgroepleden met de farmaceutische en/of hulpmiddelenindustrie gemeld (blijkend uit belangenverklaringen, deze zijn op te vragen bij het CBO).

Inbreng patiëntenperspectief

Om de wensen, voorkeuren en opvattingen van patiënten met UI en de door hen ervaren knelpunten in de terugkeer naar het werk te inventariseren was in het kader van de ontwikkeling van richtlijnen een kwalitatieve studie gepland in de vorm van een focusgroep.

 

Belangrijke voordelen van deze methodiek zijn:

    • patiënten of anderen kunnen in hun eigen woorden aangeven wat belangrijk is;
    • de dynamiek van het focusgroepsgesprek kan helpen om de belangrijkste thema’s op het spoor te komen en vast te stellen in welke mate er sprake is van consistente en gedeelde opvattingen.

 

Het werken met focusgroepen kent ook nadelen, zoals:

    • het aantal thema’s waarover kan worden gesproken is door de tijdsduur beperkt, focusgroepsbijeenkomsten duren zelden langer dan 1,5 uur;
    • de resultaten van een focusgroepsbijeenkomst zijn moeilijk generaliseerbaar, omdat ze niet vanzelfsprekend als representatief kunnen worden beschouwd voor een bredere groep.

 

Om organisatorische reden is het echter niet gelukt om een focusgroep te houden. Daarom is er gekozen om aan een aantal patiënten met UI schriftelijk open vragen te stellen over de gevolgen van UI voor het werk, de contacten met de behandelaars, de arbodienst en de houding van de werkgever en collega’s. Aan de respondenten werd gevraagd om de antwoorden zoveel mogelijk in eigen woorden te geven. De antwoorden werden per onderwerp geclusterd en samengevat. De belangrijkste conclusies en aanbevelingen werden apart uitgelicht.

 

Methode

Doel: ervaringen van patiënten met UI met terugkeer naar werk te inventariseren, het betreft zowel de knelpunten als de wenselijke situatie, de rol van de diverse medische en paramedische professionals, alsook de werkomgeving.

 

Methode: kwalitatief onderzoek middels een vragenlijst met open vragen.

    • Dertien respondenten: zie respondentenlijst.
    • Selectie respondenten: patiënten met UI die werken of ooit hebben gewerkt. Werving via gynaecologische poliklinieken in 2e en 3e lijn.
    • Werving respondenten: via de Stichting Patiënten Bekkenbodem (SPB).
    • Opstellen van de vragenlijst en bewerking van de resultaten: dr. Iwona van Zanten- Przybysz, zelfstandig bedrijfsarts en docent/onderzoeker Vrouwenstudies Medische Wetenschappen, UMC St. Radboud, Nijmegen, tevens lid van de projectgroep.

 

Respondentenlijst

#

Leeftijd

Opleiding/beroep

Vorm van UI

1

40

Apothekersassistente,      een

vaste aanstelling, werkt 16 uur per week

Stressincontinentie,      een        synthetische

suburethrale sling operatie ondergaan, heeft doorgewerkt met UI.

2

61

Werkt        als       zelfstandig

ondernemer in maatschap fiscaal   bureau, werkt 40

uur/week

Stressincontinentie, operatie gehad, daarna vrijwel droog.

3

43

Huishoudelijk medewerker en verkoopster, werkt in totaal 8 uur/week

Stressincontinentie, heeft licht urineverlies.

4

56

Administratief     medewerker,

werkt in totaal 6 uur/week.

Lichte stressincontinentie.

5

46

Heeft          gewerkt          als

reinigingsmedewerker. Werkt nu niet.

Stressincontinentie. Werkt nu niet meer, ‘loopt’ in de Ziekte Wet bij het UWV. Het is onduidelijk of dit door de klachten komt.

6

46

Flexmedewerker, werkt 36 uur/week

Heeft stressincontinentie.

7

59

Ziekenverzorgende, werkt 12 uur/week.

Vorm van UI is onbekend.

8

40

Werkt niet, is afgekeurd.

Stress/aandrangincontinentie.

9

46

Ergotherapeut,    werkt 20

uur/week.

Heeft stressincontinentie, is 6 x geopereerd.

10

51

Telefoniste, werkt 20 uur/week.

Is           verlamd          geweest,          heeft

aandrangincontinentie.

11

49

Verkoopster, werkt 12 uur per week.

Lichte stressincontinentie.

12

49

Arbeidsre-integratie consulente,      werkte       20

uur/week. Is nu volledig afgekeurd.

Ernstige           stressincontinentie-          en

endeldarmklachten, deels iatrogeen.

13

40

Apothekersassistente, werkt 16 uur/week.

Heeft stressincontinentie, heeft synthetische suburethrale sling operatie gehad.

Samenvatting

Gemiddelde leeftijd : 48,1 (range 40-61 jaar)

Werk: 2/13 (15,4%) werkt fulltime, 8/13 (61,5%) parttime en 3/13 (23,1%) werkt niet.

 

 

 

 

Wat zijn de ervaringen van de patiënten met UI met terugkeer naar werk?

De input uit de vragenlijsten is niet integraal weergegeven. Onderstaand zijn de belangrijkste uitspraken op een rij gezet:

 

Rol van de artsen

Contacten met de huisarts en de specialist

    • Ik heb nooit concrete adviezen gekregen ten aanzien van werk. Dat heb ik gemist: advies van de specialist en de fysiotherapeut over hoe om te gaan met de fysieke problemen en psychologische gevolgen van UI. Ook heb ik achteraf gezien meer willen weten van de ervaringen van lotgenoten.
    • Mijn behandelaar en de fysiotherapeut hebben de zaken goed gecommuniceerd. Van de fysiotherapeut heb ik adviezen gekregen hoe om te gaan met mijn klachten op het werk. Dat vond ik prettig.
    • Mijn behandelaars vroegen nooit wat ik doe en of mijn klachten van invloed zijn op het werk.
    • Ik kreeg advies van de huisarts over hoe om te gaan met de klachten op het werk.
    • Goed contact met de huisarts en praktische adviezen hoe om te gaan met het werk.
    • Vond vervelend dat de huisarts en de specialist hele moeilijke woorden gebruikten, kon niet altijd alles begrijpen wat ze zeiden.
    • Heb nooit vragen over werk gehad van de huisarts en/of de specialist. Ik had behoefte aan meer advies over hoe om te gaan met de klachten op het werk. Praktische informatie over wat wel en niet mag na bepaalde ingrepen.
    • Ik heb geen informatie gehad van de huisarts of de specialist over de gevolgen van UI voor het werk en hoe ermee om te gaan.

 

Contacten met de bedrijfsarts/de arbodienst

    • Ik heb pas na een synthetische suburethrale tape-operatie contact gehad met de bedrijfsarts en die was goed.
    • Goed contact gehad met de bedrijfsarts.
    • Geen ondersteuning van de bedrijfsarts. Het contact was slecht en er was geen begrip.
    • Goed contact met de bedrijfsarts.
    • Zeer prettig contact gehad met de bedrijfsarts.
    • Telefonisch contact gehad met de bedrijfsarts. Geen concrete adviezen en/of begeleiding gehad.
    • Er is contact geweest met de bedrijfsarts en de huisarts. Iedereen was het er mee eens: ik zou pas weer gaan werken als ik succesvol geopereerd zou worden en ’s nachts weer normaal door zou kunnen slapen. Dat is dus nooit gebeurd, want door een medische misser (verkeerde operatiekeuze en summiere informatievoorziening) ben ik er nu erger aan toe dan voorheen. Ik ben niet meer teruggekeerd.
    • Het was al snel duidelijk dat werken er voorlopig voor mij niet meer inzit. Ik wilde met rust gelaten worden door de bedrijfsarts en dat is ook gebeurd.
    • Goed contact gehad met de bedrijfsarts.

 

De rol van de werkgever/leidinggevende en collega’s tijdens de terugkeer naar werk

    • Ik heb geen problemen ervaren op het werk door mijn UI en heb ermee doorgewerkt. Pas na een synthetische suburethrale tape-operatie heb ik contact met de leidinggevende daarover gehad en die was prima. Wat heeft geholpen om aan het werk te blijven was de goede werksfeer.
    • Ik heb zelf contact gezocht met mijn werkgever om over mijn probleem te praten. Dit contact heb ik als prettig ervaren. Ik heb nooit verzuimd vanwege urineverlies. Eigenlijk heb ik nooit behoefte gehad aan ondersteuning door collega’s.
    • Ik heb nooit mijn klachten verteld aan mijn baas of collega’s.
    • De chef had begrip voor de klachten. Collega’s wisten hier niets van. Ik ben ondanks de klachten gewoon blijven werken.
    • De werkgever wist van het probleem, had daar begrip voor.
    • Ik heb slechte ervaring gehad met de werkgever en geen begrip van de collega’s. Ik heb geen hulp gekregen van de werkgever om aan het werk te blijven. Ik ben zelf een andere baan gaan zoeken binnen dezelfde organisatie.
    • Werkgever vroeg bijna wekelijks of ik aan de slag ging. Was niet altijd begripvol, ik werd uiteindelijk ontslagen. Ik heb begrip en de betrokkenheid van mijn werkgever en collega’s gemist.
    • Ik heb goed contact gehad met de werkgever. Die was meestal meelevend en ondersteunend. Tijdens mijn verzuim was er regelmatig contact. Vervelend was dat de leidinggevenden vaak wisselden en mijn voorgeschiedenis niet kenden. De terugkeer naar werk verliep wisselend. Soms ben ik te snel begonnen. Ik heb veel urineverlies, maar met een goede planning en als ik mij regelmatig kan verschonen, gaat het goed. Mijn eigen motivatie en het leuke contact met mijn collega’s en cliënten heeft mij het meest geholpen om te blijven werken. Wat niet hielp was onbegrip over de zwaarte van de ingrepen en de invloed daarvan op de belastbaarheid bij sommige leidinggevenden.
    • Problemen doorgegeven aan de baas. Ik ben ondanks de klachten blijven werken. Vaak moet ik naar het toilet lopen, soms meerdere malen per uur, soms gaat het weer beter. Er is geen pijl op te trekken. De leiding en collega’s hebben niet altijd begrip. Je moet toch je targets halen en daarvoor lever ik een deel van de pauze in, anders haal ik de targets niet. Iets meer begrip zou fijn zijn als ik de targets niet haal.
    • Ik werk gewoon door en heb geen contact gehad daarover met de baas of een arbodienst.
    • Ik heb geen contact daarover gehad met de werkgever en heb steeds stug doorgewerkt. Mijn werkgever wist niets van mijn UI en dat vond ik ook prima. Ik viel uiteindelijk uit door een combinatie van meerdere gynaecologische klachten, waaronder incontinentie. Al was het heel lastig, voor mij was te werken met mijn UI en niemand heeft gemerkt dat ik daar mee ‘liep’ (hoop ik).
    • Mijn contract werd niet verlengd (terwijl dat wel het geval zou zijn geweest als ik gezond was gebleven). Ik wist dat er een operatie en een herstelperiode voor de deur stonden en kon dat natuurlijk niet verzwijgen richting mijn werkgever.
    • Ik heb altijd doorgewerkt. Contact met de werkgever over de klachten kwam pas voor de synthetische suburethrale sling operatie. De terugkeer naar werk verliep prima. Ik heb geen ondersteuning gehad van de werkgever of collega’s. Een goede werksfeer hielp wel om naar het werk terug te keren.
    • Ik ben met mijn klachten blijven werken, vaak werkonderbrekingen gehad, maar als zelfstandige kon ik de werktijden zelf bepalen. Vaak onbegrip bij collega’s ervaren, geen ondersteuning.


Welke onderwerpen werden door respondenten als het meest belangrijk gezien?

    • Behoefte aan autonomie om op het werk normaal te kunnen functioneren (planning van de werkzaamheden met pauzes voor toiletbezoek, mogelijkheid om zich te verschonen, werkaanpassingen, etc.)
    • Een belangstellende en ondersteunende werkomgeving. Begrip van de leidinggevende en hulp bij de aanpassingen op het werk.
    • Advies van de behandelaars over hoe om te gaan met de klachten op het werk en praktische adviezen over wat zij wel kunnen doen en wat zij moeten laten.
    • Kennis van de problematiek van de bedrijfsarts en steun in terugkeer naar het werk. Hoe kan ik aan het werk blijven en meedenken over aanpassingen.
    • Wil om te blijven werken.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de ontwikkeling van het concept van de richtlijn is zo veel mogelijk rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de daadwerkelijke uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarnaast zijn er diverse hulpmiddelen ontwikkeld om implementatie van de richtlijn te bevorderen. Het gaat om een flowchart, indicatoren en een patiëntenversie.

De flowchart is een schematische en beknopte weergave van de richtlijn.

Door een subwerkgroep is een set kwaliteitsindicatoren ontwikkeld die door de werkgroep is geaccordeerd. De indicatoren zijn bedoeld om de kwaliteit van zorg te monitoren en zo nodig te verbeteren. Het gaat om ‘interne’ indicatoren, ze zijn dus niet bedoeld voor externe verantwoording. De indicatorenset en de verantwoording zijn opgenomen in deel II van de richtlijn.

Verder is op basis van de inhoud van de richtlijn een patiëntenversie ontwikkeld. De patiëntenversie geeft in begrijpelijke taal weer wat een vrouw met UI kan verwachten qua zorgverlening. Op basis van deze patiëntenversie kan eigen foldermateriaal worden ontwikkeld.

Werkwijze

De werkgroepleden waren gemandateerd door hun vereniging. De werkgroep is 8 maal bijeen geweest waarin achtereenvolgens afbakening en knelpunten zijn besproken, de uitgangsvragen zijn vastgesteld en de conceptteksten en de conceptrichtlijn zijn besproken. Daarnaast zijn parallelle producten zoals de indicatorenset, de patiëntenversie en de flowchart besproken.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

Om het ontwikkelen van de richtlijn zo efficiënt mogelijk te laten verlopen is er voor het adapteren van een bestaande en geschikte multidisciplinaire richtlijn gekozen. Hierbij is gebruik gemaakt van de ADAPTE handleiding (ADAPTE, 2007). Bij het zoeken naar een richtlijn die geschikt is voor adaptatie is in eerste instantie bij National Institute for Health and Clinical Excellence (NICE) gezocht (www.nice.org) gekeken en de International Continence Society (ICS) (www.icsoffice.org). Dit leverde twee richtlijnen op (NICE 2006; Abrams 2005). Eerst is gekeken naar overeenkomst in uitgangsvragen van de beide richtlijnen en de uitgangsvragen van deze richtlijn. Hierbij bleek dat een groot deel van de uitgangsvragen uit de NICE richtlijn overeenkwamen met de uitgangsvragen van deze richtlijn. De richtlijn van de ICS bleek geen uitgangsvragen te bevatten waardoor adaptatie niet mogelijk was. De NICE richtlijn is vervolgens beoordeeld met het AGREE instrument (AGREE 2001) waarbij deze van voldoende kwaliteit bleek. De NICE richtlijn is derhalve gebruikt voor adaptatie voor de desbetreffende uitgangsvragen. Dit betreft uitgangsvragen over diagnostiek (H 2), conservatieve behandeling (H 3) en chirurgische behandeling (H 4). Voor de uitgangsvragen die niet overeenkwamen met de NICE richtlijn zijn aparte searches uitgevoerd. Een verwijzing naar de verantwoording van de searches staat in de desbetreffende tekstgedeelten. Het gaat om de uitgangsvragen betreffende comorbiditeit (H 5), arbeid (H 6), incontinentie-absorptiemateriaal en huidverzorging (H 7) en de rol van de continentie- verpleegkundige (H 8). Daarnaast zijn twee hoofdstukken toegevoegd over samenwerking (H 9) en kosteneffectiviteit (H 10) Om het niveau van bewijs aan te geven zijn de artikelen beoordeeld op kwaliteit. Daarbij is gebruik gemaakt van onderstaande indeling.

 

Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

Interventie

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose*

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde

onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een ‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

* Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

 

 

Niveau van conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

1 onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

 

 

Omdat de NICE richtlijn andere niveaus van bewijs gebruikt is een vertaling gemaakt naar bovenstaande indeling (zie hieronder).

Omdat de NICE richtlijn uit 2006 dateert en er gedurende het ontwikkelproces een update van de ICS richtlijn (Abrams 2009) is gepubliceerd is er gecontroleerd of er in die publicatie recentere studies zijn opgenomen. Indien dit van toepassing was zijn deze studies meege­nomen in deze richtlijn.

 

Vertaling level of evidence NICE richtlijn

Diagnostiek

Methodologische criteriali,

st CBO versus Levels of evidence NICE

CBO

 

 

NICE

 

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2- niveau

 

Ia

Systematic review (with homogeneity)* of level-1 studies.

A2

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met               tevoren               gedefinieerde

afkapwaarden en onafhankelijke

beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende                     grote      serie      van

opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

 

Ib

Level-1 studies, which are studies:

-       That use a blind comparison of the test with a validated reference standard (gold standard)

-       In a sample of patients that reflects the population to whom the test would apply.

B

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

 

II

Level-2 studies or Systematic reviews of level-2

studies

Level-2 studies are studies that have only one of

the following:

-       Narrow population (the sample does not reflect the population to whom the test would apply)

-       Use a poor reference standard (defined as that where the 'test' is included in the 'reference', or where the 'testing' affects the 'reference')

-       The comparison between the test and reference standard is not blind

-       Case-control studies.

C

Niet-vergelijkend onderzoek

 

III

Level-3 studies or Systematic reviews of level-3 studies:

Studies had have at least two or three of the features listed above by level-2 studies.

D

Mening van deskundigen

 

IV

Evidence obtained from expert committee reports or opinions and/or clinical experience without explicit critical experience, based on physiology, bench research or 'first principles'

*Homogeneity means there are no or minor variations in the directions and degrees of results between individual studies that are included in the systematic review. DS = Diagnostic study

 


 Therapie

 

Methodologische criteriali,

st CBO versus Levels of evidence NICE

CBO

 

 

NICE

 

A1

Systematische review van tenminste

 

1++

High-quality meta-analysis (MA), systematic

 

twee onafhankelijk van elkaar

 

 

reviews (SR) of randomised controlled trials

 

uitgevoerde onderzoeken van A2-

 

 

(RCTs).

 

niveau

 

 

 

A2

Gerandomiseerd dubbelblind ver­gelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

 

1++

RCT's with a very low risk of bias

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met

 

1 +

Well-conducted MA, SR of RCTs with a low risk

 

alle kenmerken als genoemd onder A2

 

 

of bias or RCTs with a low risk of bias

 

(hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

 

2++

High-quality SR of case-control or cohort studies High-quality case-control or cohort studies with a very low risk of confounding, bias or chance and a high probability that the relationship is causal

 

 

 

2+

Well-conducted case-control or cohort studies with a low risk of confounding, bias or chance and a moderate probability that the relationship is causal

C

Niet-vergelijkend onderzoek

 

3

Non-analytic studies (for example case reports, case series)

D

Mening van deskundigen

 

4

Expert opinion, formal consensus

 

 

CONCLUSIE GEBASEERD OP

1         Onderzoek van niveau A1 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

2          1 onderzoek van niveau A2 of ten minste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3          1 onderzoek van niveau B of 1 of meer onderzoeken van niveau C

4          Mening van deskundigen


 

Totstandkoming van de aanbevelingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs vaak andere aspecten van belang, bijvoorbeeld: patiëntenvoorkeuren, beschikbaarheid van speciale technieken of expertise, organisatorische aspecten, maatschappelijke consequenties of kosten. Deze aspecten worden besproken na de ‘Conclusie’ in de ‘Overige overwegingen’. Hierin wordt de wetenschappelijke conclusie in de context van de dagelijkse praktijk geplaatst en vindt een afweging plaats van de voor- en nadelen van de verschillende beleidsopties. De uiteindelijk geformuleerde aanbeveling is het resultaat van het beschikbare bewijs in combinatie met deze overwegingen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.