Zenuwmobilisatieoefeningen bij UNE

Laatst beoordeeld: 09-03-2011

Uitgangsvraag

Wat is de waarde van zenuwmobilisatieoefeningen plus schriftelijke informatie over hoe de elleboog  te ontlasten ten opzichte van alleen schriftelijke informatie over hoe de elleboog  te ontlasten?

Aanbeveling

Voor de conservatieve behandeling van UNE wordt aanbevolen om aan de patiënt uitleg te geven over de anatomie van de zenuw en het mogelijke pathofysiologische mechanisme, ondersteund door schriftelijk informatiemateriaal en daarmee adviezen ten aanzien van het vermijden van bewegingen en posities die symptomen kunnen uitlokken. Hierbij dient aandacht te zijn voor de werkomgeving.

Overwegingen

Zenuwmobilisatieoefeningen worden in Nederland niet of nagenoeg niet toegepast.

Inleiding

Met conservatieve therapie wordt niet-operatieve therapie bedoeld. De indruk bestaat dat in Nederland uitleg wordt gegeven over de anatomie van de zenuw en het mogelijke pathofysiologische mechanisme en daarmee adviezen ten aanzien van het vermijden van bewegingen en posities die symptomen kunnen uitlokken. In de praktijk komt dit in het algemeen neer op conservatieve therapie gedurende 3 maanden.

In de literatuur worden onder andere de volgende therapieën beschreven: uitleg van het veronderstelde pathofysiologische mechanisme, uitleg van het veronderstelde pathofysiologische mechanisme en advies om rek (overmatig en lang flecteren) en druk (leunen op de elleboog), alsook repeterende bewegingen in de elleboog te vermijden, aanpassen van slaaphouding en werkomgeving, braces, spalken, zenuwmobilisatietechnieken, behandeling met NSAID’s of lokale corticosteroïden, chiropractie en fysiotherapie met ultrasound.

 

De werkgroep achtte de uitkomstmaat ‘vermindering van klachten’ van belang. De werkgroep definieerde niet a priori de uitkomst ‘vermindering van klachten’, maar hanteerde de in de studies gebruikte definities

Conclusies

 

Zeer lage bewijskracht

 

Er is geen significant verschil in klinische effectiviteit tussen zenuwmobilisatieoefeningen gedurende

3 maanden plus schriftelijke informatie over hoe de elleboog te ontlasten vergeleken met alleen schriftelijke informatie over hoe de elleboog te ontlasten.

 

B: Svernlöv et al, 2009

Samenvatting literatuur

Eén gerandomiseerd onderzoek (Svernlöv et al, 2009) heeft bij 30 patiënten met een ulnaropathie van de elleboog die allen schriftelijke informatie kregen over de anatomie van de zenuw, een uitleg over het mogelijke pathofysiologische mechanisme en een protocol ten aanzien van het vermijden van bewegingen en posities die symptomen uitlokken plus zenuwmobilisatieoefeningen gedurende 3 maanden vergeleken met alleen het verstrekken van informatie. Men vond geen significant verschil tussen beide groepen in verbetering van activiteit, tevredenheid, pijn overdag en ‘s nachts, en spierkracht. Bij alle patiënten werd zenuwgeleidingsonderzoek verricht, maar de diagnose UNE was een puur klinische diagnose. Bij 31 patiënten werd zowel voor aanvang van de studie als na 6 maanden zenuwgeleidingsonderzoek gedaan; bij aanvang had van deze subgroep 75% geen afwijkingen.

De bewijskracht voor alle uitkomstmaten werd met twee niveaus verlaagd gezien het geringe aantal patiënten (N=30) en met één niveau wegens beperkingen in de onderzoeksopzet en -uitvoering. Tussen het einde van de behandeling en het meten van het klinische resultaat zat een periode van drie maanden. Het is onduidelijk of patiënten in die

tussenliggende drie maanden de oefeningen gedaan hebben en in welke mate. Ook ten aanzien van compliance tijdens de behandelperiode ontbreken data.

Zoeken en selecteren

In de database van Medline (OVID) is met relevante zoektermen gezocht naar conservatieve therapieën bij patiënten met ulnaropathie. De zoekverantwoording is te vinden onder het tabblad verantwoording.

De literatuurzoekactie leverde 62 treffers op. Studies die voldeden aan de volgende selectiecriteria zijn opgenomen in de samenvatting van de literatuur: origineel onderzoek; gerandomiseerd onderzoek (RCT), systematische review van RCT; vergelijking van verschillende conservatieve behandelingen; vermindering van klachten als uitkomstmaat.

 

Twee gerandomiseerde onderzoeken zijn opgenomen in de literatuuranalyse. 

Referenties

  1. Hong C.Z., Long H.A., Kanakamedala R.V., Chang Y.M., Yates L. (1996). Splinting and local steroid injection for the treatment of ulnar neuropathy at the elbow: clinical and electrophysiological evaluation. Archives of Physical Medicine & Rehabilitation., 6, 573-7.
  2. Svernlov B., Larsson M., Rehn K., Adolfsson L. (2009). Conservative treatment of the cubital tunnel syndrome. Journal of Hand Surgery European Volume., 34 (2), 201-207.

Evidence tabellen

Assessment of trial quality tabel

 

Concealment of allocation

Placebo- controlled

Blinding Patients

Blinding care provider

Blinding outcome assessor

Drop-out  rate described and acceptable

Analysis by intention-to-treat

Compliance

Hong

1996

 

unknown*

no

no

unknown

unknown

20%. No arguments for selective loss to follow up

unknown

acceptable**

 

Svernlöv

2009

 

Yes

No

No

No

No

27% No arguments for selective loss to follow up

No

Unknown

 

 

*      For each of the patients with bilateral involvement, one side was randomly assigned to T and the other side to C.

**            Two patients were excluded because of insufficient compliance

 

Evidence tabel

Study populations, interventions and outcome definitions

Study

 

Design

 

Setting

 

Demographics

 

Treatment (T) and control group (C)

 

Endpoint of follow-up

 

Outcomes

Hong, 1996

RCT

Incl: patients (N=10;

12 nerves) with ulnar

neuropathy at the

elbow; Veterans Medical

outpatient setting;

Excl: polyneuropathy;

Guyon’s cannel; thoracic

outlet syndrome; cervical

radiculopathy; tumor

at the elbow; other

neuropathic processes

in the involved upper

extremity; cognitive

impairment;

Daily activities::

Not reported

Mean age (y):

59.1 (37-70)

Sex:

All men

Mean disease

duration:

Not reported

Side:

T: not reported

C: not reported

Mean severity of

symptoms (SD)*:

T: 3.3 ± 0.9

C: 3.4 ± 0.8

T (7 nerves):

splinting plus

single dose

injection with

triamcinolone

(40 mg) + 1 ml

of 1% lidocaine

C (5 nerves):

splinting

6 months

after

treatment

Improvement in symptoms:

Severity of symptoms were classified

in 5 categories *** ; improvement is

expressed as mean ± SD;

T: 2.2 (NR)

C: 1.6 (NR)

P>0.05 à no significant differences

between both groups

Svernlöv

2009

RCT

Incl: consecutive patients

(N=70) with mild or

moderate cubital tunnel

syndrome (classification

according to Dellon et al.)

Excl: history of neck

problems; another nerve

problem; previous trauma

or surgery of the same

arm; arthritis or palpable

swelling at the elbow;

subluxation of the ulnar

nerve;

Daily activities:

All manual labour

Mean age (y):

T1: 43 (18-72)

T2: 44 (26-67)

T3: 44 (17-72)

Sex (M/F):

T1: 12/9

T2: 7/8

T3: 5/10

Duration of

symptoms

(months):

T1: 13.5 (3-72)

T2: 10.5 (3-42)

T3: 9.5 (3-24)

Side:

T1: not reported

T2: not reported

T3: not reported

Mean severity of

symptoms:

All mild or moderate syndrome

(Dellon et al.)

T1 (N=21): night

splinting for 3

months

T2 (N=15): nerve

gliding for 3

months

T3 (=C; N=15):

nothing

Note: all patients

received the

same written

information

of the pathophysiology and the

regimen regarding

avoidance of

movements

and positions

provoking the

symptoms;

Patients were

examined

after 6

months

Improvement in patients’ activity

performance and satisfaction

Measured by the Canadian Occupational Performance Measure (COPM) (1-

10; better indicated by higher score):

measures the patient’s opinion of his,

or her ability to perform activities

(a) and satisfaction (b); expressed as

mean ± SD;

T1: a) 1.9 (NR); b) 3.2 (NR)

T2: a) 2.8 (NR); b) 4.3 (NR)

T3: a) 2.1 (NR); b) 3.7 (NR)

Result: no significant differences

between groups (p>0.05)

Improvement in pain daytime (a) and

pain at night (b)

Measured on VAS (1-10; better indicated by lower score); expressed as

expressed as mean ± SD;

T1:a) 1.2 (NR); b) 2.7 (NR)

T2: a) 2.0 (NR); b) 2.8 (NR)

T3: a) 2.1 (NR);b) 2.5 (NR)

Result: no significant differences

between groups (p>0.05)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

* (Hong): score 0: no symptoms

score 1: minimum discomfort (mainly paresthesia)

score 2: mild to moderate discomfort (intermittent aching pain and numbness)

score 3: moderate to severe discomfort (frequent sharp pain and numbness and some weakness)

score 4: extreme discomfort (severe weakness, constant and severe aching pain and numbness)

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 09-03-2011

Laatst geautoriseerd : 09-03-2011

Uiterlijk in 2016 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Neurologie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

 

De Nederlandse Vereniging voor Neurologie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Neurochirurgie
  • Nederlandse Vereniging voor Plastische Chirurgie

Algemene gegevens

Met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de diagnostiek en behandeling van patiënten met een UNE.

 

Er is geen algemeen geaccepteerde referentietest te vinden voor de diagnose van UNE. In het verleden zijn als referentietest klinische en neurofysiologische criteria gehanteerd, evenals uitsluiting van andere aandoeningen, het beloop in de tijd en combinaties van voorgaande kenmerken. Het hanteren van resultaten van elektroneurografie en elektromyografie (verder in bredere zin als ‘EMG’ te benoemen) kent zeker ook zijn beperkingen. In 1999 leverde een meta-analyse van de gepubliceerde Engelstalige literatuur een sensitiviteit van 37-86% en een specificiteit van 95% of meer op voor het EMG. Het betrof hier echter het resultaat van 13 studies met heterogene criteria voor een afwijkend resultaat en heterogene klinische criteria als gouden standaard (waaronder provocatietests) (AAEM, 1999). Daarom wordt UNE in deze richtlijn gedefinieerd als de klinische verschijnselen die geacht worden voort te komen uit een laesie van de n. ulnaris ter hoogte van de elleboog door chronische compressie of mechanische belasting binnen normale anatomische structuren, ter hoogte van de elleboog. Ten onrechte wordt soms de term ‘cubitaal tunnelsyndroom’ als synoniem gebruikt voor UNE naar analogie van het carpale tunnelsyndroom. De n. ulnaris kan echter niet alleen beklemd zijn ter hoogte van de humero-ulnaire aponeurose (cubitale tunnel) maar de laesie kan zich ook bevinden ter hoogte van de mediale epicondyl van de elleboog en proximaal daarvan.

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die aan de ontwikkeling van de richtlijn hebben bijgedragen (neurologen inclusief klinisch neurofysiologen, neurochirurgen, plastisch chirurgen), hebben aangegeven zich aan de richtlijn te willen conformeren (chirurgen, orthopedisch chirurgen), en anderen (zoals huisartsen en revalidatieartsen).

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2010 een werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met UNE te maken hebben (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep). De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname aan deze werkgroep. De werkgroep is ondersteund door een methodologische expert. De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze conceptrichtlijn.

  • Dr. R. Beekman, neuroloog, Atrium Medisch Centrum te Heerlen, voorzitter
  • Dr. W.I.M. Verhagen, neuroloog, Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis te Nijmegen
  • Mw. dr. E.M. Vriens, neuroloog, Diakonessenhuis te Utrecht
  • Prof. dr. J.G. van Dijk, neuroloog/klinisch neurofysioloog, Leids Universitair Medisch Centrum te Leiden
  • Dr. J.H. Coert, plastisch chirurg, Erasmus Medisch Centrum te Rotterdam
  • Dr. R.H.M.A. Bartels, neurochirurg, Universitair Medisch Centrum St Radboud te Nijmegen

 

Vanuit de OMS ondersteund door:

  • Mw. Drs. B. Niël-Weise, arts-microbioloog (n.p.) / epidemioloog, senior adviseur, OMS, Utrecht
  • Mw. Drs. M. Wessels, informatiespecialist, OMS, Utrecht

Belangenverklaringen

Alle leden van de werkgroep hebben vooraf schriftelijk verklaard de laatste vijf jaar geen (financieel ondersteunde) betrekkingen te hebben onderhouden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van deze richtlijn. De individuele belangenverklaringen liggen ter inzage bij het secretariaat van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde Medisch Specialisten.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

 

De richtlijn is alleen beschikbaar in een digitale versie en is verspreid onder alle relevante beroepsgroepen. 

 

Tegelijkertijd zijn er indicatoren ontwikkeld. Een indicator is een meetbaar kenmerk van de gezondheidszorg met een signaalfunctie voor (een aspect van) de kwaliteit van zorg. Indicatoren maken het de zorgverleners mogelijk om te meten of zij de gewenste zorg leveren en om onderwerpen voor verbeteringen te identificeren.

Werkwijze

De werkgroep werkte van 17 juni 2010 tot en met 17 juni 2011 aan de totstandkoming van de concept-richtlijn. De werkgroepleden zochten systematisch literatuur en beoordeelden de kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De uiteindelijke teksten vormen samen de hier voorliggende conceptrichtlijn.

 

Deze richtlijn is opgesteld aan de hand van het ‘Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II’ (AGREE II) instrument (www.agreecollaboration.org). Dit is een breed internationaal geaccepteerd instrument voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Het niveau van de bewijskracht (zie verder) is bepaald volgens de GRADE-methode bij interventievragen, en volgens de methode beschreven in het boek ‘Evidence-based richtlijnontwikkeling’ bij diagnostisch accuratesseonderzoek of onderzoeken met een etiologische of prognostische vraagstelling. GRADE staat voor ‘Grading Recommendations Assessment, Development and Evaluation’ (zie www.gradeworkinggroup.org) (Atkins et al, 2004). De methode werd ontwikkeld door een commissie binnen The Cochrane Collaboration en wordt inmiddels door meer dan 80 richtlijnorganisaties gebruikt, waaronder het National Institute of Clinical Excellence in Groot-Brittannië (NICE), de Scottish Intercollegiate Guidelines Network (SIGN) en de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO).

 

Vaststellen van de wetenschappelijke uitkomstmaten

In de voorbereidende fase van de richtlijnontwikkeling stelde de richtlijnwerkgroep per uitgangsvraag de wetenschappelijke uitkomstmaten die zij van belang achtte vast en ordende deze naar mate van belang voor de patiënt.

 

Strategie voor zoeken naar en selectie van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande richtlijnen via (Medline (OVID); richtlijnendatabases van Guideline International Network (GIN); CBO; en Artsennet) naar systematische reviews in de Cochrane Library en in Medline (OVID). Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar (systematische reviews of meta-analyses van) gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (RCT’s). In afwezigheid van RCT’s werd verder gezocht naar prospectieve vergelijkende gecontroleerde onderzoeken en prospectieve niet- vergelijkende onderzoeken. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van op voorhand opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria vindt u in bijlage van desbetreffende uitgangsvraag.

 

Methodologische beoordeling van de afzonderlijke studies

De werkgroep beoordeelde elke geselecteerde studie systematisch op methodologische kwaliteit. Deze kwaliteitsbeoordelingen werden gebruikt bij het bepalen van het niveau van de bewijskracht.

 

a) Voor vraagstellingen over therapeutische of preventieve interventies

Voor elke geselecteerde studie stelden de werkgroepleden een ‘risk of bias tabel’ op om het risico op vertekening (bias) te kunnen schatten. 

 

b) Voor diagnostische, etiologische, prognostische vraagstellingen of vragen over bijwerkingen van een bepaalde interventie

Bij dit type vraagstelling werd niet voor iedere geselecteerde studie een risk- of biastabel opgesteld, omdat voor deze studies de relatie tussen de kwaliteit van het onderzoek en de vertekening van het resultaat nog niet duidelijk is. De studies werden individueel beoordeeld op onderzoeksopzet/studiedesign. Naar aanleiding van deze beoordeling werd elke studie ingedeeld naar mate van bewijs volgens de classificatie in tabel 1. De indeling vindt u in de richtlijntekst terug onder het kopje ‘Conclusie’. 

Studies waarbij één van de werkgroepleden betrokken was werden medebeoordeeld door een ander werkgroeplid alsmede door de methodoloog; bij verschillen van inzicht werd de mening van werkgroep m.u.v. van het bij de studie betrokken werkgroeplid geformuleerd.

 

Tabel 1      Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

 

 

Bewijs- niveau

 

Diagnostisch accuratesse onderzoek                               Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

 

A1

 

Systematische review/meta-analyse van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

 

A2

 

Onderzoek t.o.v. een referentietest (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben ondergaan

 

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten

 

B

 

Onderzoek t.o.v. een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

 

Prospectief cohortonderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohortonderzoek of patiënt-controle onderzoek

 

C

 

Niet-vergelijkend onderzoek

 

D

 

Mening van deskundigen

 

Evidencetabellen en analyse

Een korte samenvatting van de literatuur vindt u per uitgangsvraag onder het kopje ‘Samenvatting literatuur’. Tevens zijn de evidencetabellen per uitgangsvraag opgenomen in bijlage. Voor interventievragen werden de resultaten zo mogelijk gepoold met behulp van Review Manager 5 (meta-analyse).

 

Beoordeling van het niveau van bewijskracht

a) Voor vraagstellingen over therapeutische of preventieve interventies

Per uitkomstmaat werd het niveau van de bewijskracht bepaald op basis van alle beoordeelde studies samen (zie www.gradeworkinggroup.org) (Atkins et al, 2004). GRADE kent vier niveaus: hoog, matig, laag en zeer laag. Een hoog niveau betekent dat er veel vertrouwen is in de juistheid van de schatting van de uitkomstmaat en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat toekomstig onderzoek de schatting van de uitkomstmaat zal veranderen. Een lage bewijskracht betekent dat er veel onzekerheid is over de juistheid van de uitkomstmaat en bij toekomstig onderzoek de resultaten nog zeer waarschijnlijk zullen veranderen.

 

Het onderzoeksdesign bepaalt het startniveau van de bewijskracht: systematische literatuuranalyses van RCT’s starten hoog en systematische literatuuranalyses van observationele onderzoeken starten laag.

Er zijn vijf beperkende factoren, waarvan elk de bewijskracht met één of twee niveaus kan verlagen. De werkgroep bepaalde hoe belangrijk de beperkende factoren waren:

  1. Beperkingen in de onderzoeksopzet: in dit geval is er bij een belangrijk percentage van de geselecteerde studies sprake van selectiebias, performance bias, attrition bias of detection bias waardoor het risico op vertekening van het gepoolde effect hoog is (zie Risk of Bias tabel).
  2. Inconsistentie: er is sprake van onverklaarde statistische heterogeniteit van de resultaten.
  3. Indirectheid: er is onzekerheid over de overeenkomst tussen de doelgroep van de richtlijn en de beschreven onderzoekspopulatie (PICO van de richtlijn sluit niet aan bij PICO van de beoordeelde studies). Ook het gebruik van surrogaatmarkers valt onder indirectheid.
  4. Imprecisie: wijde betrouwbaarheidsintervallen rond een geschat effect duiden op onzekerheid in de grootte van het effect. Er is sprake van imprecisie bij een te kleine steekproef (lage statistische power) en weinig events.
  5. Publicatiebias

 

Daarnaast zijn er drie factoren die de bewijskracht van een systematische literatuuranalyse van observationeel onderzoek kunnen verhogen:

  1. Sterke effecten
  2. Confounding die het werkelijke effect onderschat of een in werkelijkheid niet bestaand effect overschat
  3. Het bestaan van een dosis-respons relatie 

 

De beoordeling van de bewijskracht vindt u in de richtlijntekst terug onder het kopje ‘niveau bewijskracht’.

 

b) Voor diagnostisch accuratesse onderzoek en studies naar schade of bijwerkingen, etiologie en prognose

 

Bij dit type vraagstelling kan GRADE (nog) niet gebruikt worden. Studies werden individueel ingedeeld naar niveau van bewijs op basis van hun eerdere kwaliteitsbeoordeling (tabel 2). Studies van niveau A1 hebben de hoogste mate van bewijs en niveau D staat voor de laagste bewijskracht. De indeling vindt u in de richtlijntekst terug onder het kopje ‘conclusie’.

 

Tabel 2      Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van het aan de conclusie ten grondslag liggend bewijs

 

 

Niveau

 

Conclusie gebaseerd op

 

1

 

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2 (het is aangetoond dat...)

 

2

 

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau

B (het is aannemelijk dat...)

 

3

 

1 onderzoek van niveau B of C (er zijn aanwijzingen dat...)

 

4

 

Mening van deskundigen (de werkgroep is van mening dat...)

 

 

Overwegingen

Voor een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijke bewijs nog andere aspecten van belang, zoals de expertise van de werkgroepleden, patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische facetten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘Overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen.

 

Voor elke interventie werd een balans opgemaakt van voor- en nadelen voor de patiënt aan de hand van het wetenschappelijke bewijs en bijbehorende overwegingen. Op basis van het niveau van de bewijskracht, de voor- en nadelen van elke interventie en de overwegingen formuleerde de werkgroep een aanbeveling.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen bevatten geen wettelijke voorschriften, maar aanbevelingen die zoveel mogelijk op bewijs gebaseerd zijn. Zorgverleners kunnen aan de aanbevelingen voldoen in het streven kwalitatief goede of ‘optimale’ zorg te verlenen. Omdat deze aanbevelingen gebaseerd zijn op ‘algemeen bewijs voor optimale zorg’ en de inzichten van de werkgroep hierover, kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zo nodig in individuele gevallen afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, zelfs noodzakelijk. Wanneer van deze richtlijn wordt afgeweken, is het verstandig om dit beargumenteerd en gedocumenteerd, waar relevant in overleg met de patiënt, te doen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.