Waar gaat de richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor patiënten die in aanmerking komen voor een totale heupprothese. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

    • Indicatiestelling van een totale heupprothese
    • Operatietechnische aspecten
    • Zorg rondom de operatie
    • Nazorg bij een totale heupprothese

 

Voor wie is de richtlijn bedoeld?

De richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten die in aanmerking komen voor een totale prothese.

 

Voor patiënten

Een totale heupprothese is de vervanging van de gehele heup door een prothese. Deze prothese bestaat uit een heupkom en een steel met daarop de heupkop. Bij drie aandoeningen kan de orthopedisch chirurg adviseren om de heup te vervangen door een prothese.

    • Bij een versleten heup. Dit wordt ook wel heupartrose genoemd.
    • Bij een dijbeenhalsbreuk. Deze breuk bevindt zich in de verbinding tussen de kop en het lange gedeelte van het dijbeen. De breuk kan zijn ontstaan door een ongeval of botontkalking.
    • Bij een verstoorde bloeddoorstroming van de heup. Dit heet ook wel avasculaire heupkopnecrose. Het bot wordt dan zacht en de heupkop zakt in elkaar.

 

Bij aanverwante informatie staat een aantal links naar patiënteninformatie van de orthopedisch chirurgen.

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging (NOV).

De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de orthopedisch chirurgen, anesthesiologen, medisch microbiologen en fysiotherapeuten. De richtlijn houdt rekening met de behoeften, wensen en ervaringen van patiënten. Een afgevaardigde van de Stichting Patiëntenbelangen Orthopaedie zat in de klankbordgroep. In 2016 zal het herzieningstraject voor deze richtlijn starten.

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2010

Laatst geautoriseerd : 01-01-2010

Uiterlijk in 2015 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De Nederlandse Orthopaedische Vereniging is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Orthopaedische Vereniging

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Vereniging voor Anesthesiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Medische microbiologie

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Deze richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van totale heupvervanging.

 

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die aan de ontwikkeling van de richtlijn hebben bijgedragen. Deze staan vermeld bij de samenstelling van de werkgroep.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2009 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van relevante specialismen die met totale heupvervanging te maken hebben.

De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname aan deze werkgroep. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

 

Samenstelling van de werkgroep

  • Dhr. Dr. B.A. Swierstra, orthopedisch chirurg, Sint Maartenskliniek, Nijmegen (voorzitter) 
  • Dhr. Dr. A.M.J.S. Vervest, orthopedisch chirurg, Tergooiziekenhuizen, Blaricum
  • Dhr. Dr. B.W. Schreurs, orthopedisch chirurg, UMC St. Radboud, Nijmegen
  • Dhr. Drs. Ir P.T.J. Spierings, arts, Spierings Medische Techniek BV, Nijmegen
  • Dhr. Dr. I.C. Heyligers, orthopedisch chirurg, Atrium MC, Heerlen
  • Dhr. Prof. Dr. G.H.I.M. Walenkamp, orthopedisch chirurg, Universitair Medisch Centrum Maastricht
  • Dhr. Dr. J.L.C. van Susante, orthopedisch chirurg, Ziekenhuis Rijnstate, Arnhem
  • Dhr. Dr. H.B. Ettema, orthopedisch chirurg, Isala klinieken, Zwolle
  • Mw. Drs. M.J. Jansen, fysiotherapeut, bewegingswetenschapper. Vakgroep Epidemiologie (CEBP), Universiteit Maastricht.
  • Mw. L. Riemens, Stichting Patiëntenbelangen Orthopaedie
  • Dhr. Dr. P.J. Hennis, Anesthesioloog, Zuwe Hofpoort Ziekenhuis, Woerden
  • Mw. Drs. J. de Vries, arts-microbioloog VieCuri Medisch Centrum, Venlo
  • Mw. Dr. M.A. Pols, senior adviseur, Orde van Medisch Specialisten, Utrecht
  • Mw. Drs. S.B. Muller-Ploeger, adviseur, Orde van Medisch Specialisten, Utrecht
  • Mw. Drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten, Utrecht

Belangenverklaringen

Zes werkgroepleden hebben verklaard in de afgelopen vijf jaar en/of gedurende de looptijd van het project geen belangen te hebben gehad die mogelijk kunnen interfereren met de besluitvorming in de werkgroep ten aanzien van de interpretatie van het wetenschappelijk bewijs en het opstellen van aanbevelingen. Vier werkgroepleden hebben  verklaard in de afgelopen vijf jaar en/of gedurende de looptijd van het project financiering voor wetenschappelijk onderzoek te hebben ontvangen (drie personen), trainingen, lezingen of publicaties te hebben verzorgd (twee personen), of als consultant op te treden (1 persoon). Eén werkgroeplid heeft een eigen orthopedisch productontwikkelingsbedrijf. Individuele belangenverklaringen liggen ter inzage bij het secretariaat van de afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit van de Orde van Medisch Specialisten.

Inbreng patiëntenperspectief

Voor de ontwikkeling van een kwalitatief goede richtlijn is de input van patiënten nodig. Een behandeling moet immers voldoen aan de wensen en eisen van patiënten en zorgverleners. Patiënten kunnen zorgverleners die een richtlijn ontwikkelen helpen om te begrijpen hoe het is om met een ziekte of aandoening te leven of om er mee geconfronteerd te worden. Op deze manier kan bij het ontwikkelen van een richtlijn beter rekening gehouden worden met de betekenis van verschillende vormen van diagnostiek, behandeling en zorg voor patiënten. Het in kaart brengen van de behoeften, wensen en ervaringen van patiënten met de behandeling biedt tevens de gelegenheid om de knelpunten in kaart te brengen. Derhalve maakte een beleidsmedewerker van de Stichting Patiëntenbelangen Orthopaedie deel uit van de klankbordgroep. Helaas werd deze stichting halverwege de voorbereiding van richtlijn opgeheven waarna de afgevaardigde gelukkig bereid was à titre personnel betrokken te blijven.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De richtlijn wordt verspreid onder alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen. Daarnaast wordt er een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde en in tijdschriften van de deelnemende wetenschappelijke verenigingen. Ook is de richtlijn te downloaden vanaf de website van de Nederlandse OrthopaedischeVereniging.

Werkwijze

De werkgroep bestond uit een kerngroep en een klankbordgroep. In de kerngroep, die bestond uit leden van de Nederlandse Orthopaedische Vereniging werden uitgangsvragen opgesteld en zoveel mogelijk beantwoord. In de klankbordgroep namen deskundigen op specifieke deelgebieden en afgevaardigden van andere wetenschappelijke verenigingen plaats. Hiermee werd eerst een daadkrachtige aanpak geborgd, en vervolgens een breed draagvlak. Een ander belangrijk aspect was dat de medewerkers van de Orde van Medisch Specialisten afdeling Ondersteuning Professionele Kwaliteit literatuuronderzoek (literatuursearch + beoordeling kwaliteit studies + samenvatting in evidence-tabellen) deed en een concepttekst schreef, die vervolgens door een verantwoordelijk werkgroeplid werd aangevuld met overwegingen en aanbevelingen. Het product werd in acht vergaderingen toegelicht en bediscussieerd.  De uiteindelijke teksten vormen samen de hier voorliggende richtlijn.

 

Methode richtlijnontwikkeling

Deze richtlijn is opgesteld aan de hand van het “Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation” (AGREE) instrument (www.agreecollaboration.org). Dit instrument is een breed (internationaal) geaccepteerd instrument voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Strategie voor zoeken naar literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande richtlijnen (http://www.guideline.gov/http://www.nice.org.uk/, het CBO, SUMsearch en http://www.sign.ac.uk/) en naar systematische reviews in de Cochrane Library en via SUMsearch. Vervolgens werd er voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in de bibliografische databases PubMed en Embase (2000 - 2009). Literatuur van na 1 januari 2009 is in deze richtlijn niet meer meegenomen. Indien zich belangrijke recentere literatuur aandeed tijdens het ontwikkeltraject van de richtlijn is deze alleen meegenomen indien hierdoor de conclusie daadwerkelijk zou veranderen. Tevens werd er aanvullend handmatig gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de opgevraagde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar (systematische reviews van) gerandomiseerde gecontroleerde onderzoeken (RCTs). In afwezigheid van RCTs werd verder gezocht naar prospectieve gecontroleerde onderzoeken, vergelijkende onderzoeken en prospectieve niet-vergelijkende onderzoeken. De gebruikte zoektermen staan in bijlage 1.

 

Beoordeling van de kwaliteit van studies

Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de methodologen van de Orde en werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de indeling gebruikt, zoals weergegeven in tabel 1.

(Indien het een systematic revieuw van slechte kwaliteit betrof werd de kwaliteit gedowngrade naar 1 niveau lager.) De beoordeling van de verschillende artikelen vindt u in de verschillende teksten terug onder het kopje ‘Samenvatting literatuur’. Het wetenschappelijk bewijs is vervolgens kort samengevat in een ‘conclusie’. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

Binnen dit kader nemen de rapporten en publicaties van de Implantatenregisters een bijzondere positie in. Registers zijn – mede door hun omvang- in staat om tegelijkertijd het effect van vele factoren op uitkomstparameters te vergelijken, en zijn door voortdurende monitoring gevoelig voor het effect van veranderingen in de praktijk. Met name de resultaten uit de “population-based” registers stellen de individuele orthopaedisch chirurg in staat voor zichzelf een best practice te identificeren (Graves 2010).  Veel van de in deze richtlijn aangehaalde rapporten en publicaties van de Implantatenregisters voldoen aan de eisen voor niveau A2 (Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten), en zijn dan ook als zodanig gekwalificeerd.

 

Tabel 1. Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

Bewijs niveau

Interventie onderzoek

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose

A1

Systematische review / meta-analyse van tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek tov een referentietest (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

Onderzoek tov een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van  deskundigen

 

Tabel 2. Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van het aan de conclusie ten grondslag liggend bewijs

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2

(Het is aangetoond dat…)

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

(Het is aannemelijk dat…)

3

1 onderzoek van niveau B of C

(Er zijn aanwijzingen dat…)

4

Mening van deskundigen 

(De werkgroep is van mening dat…)

 

Formuleren van aanbevelingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs vaak nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische aspecten. Deze aspecten worden, voor zover niet wetenschappelijk onderzocht, vermeld onder het kopje ‘overwegingen’. Bij de overwegingen spelen de ervaring en opvattingen van de werkgroepleden een rol. De ‘aanbevelingen’ geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op zowel het beschikbare wetenschappelijke bewijs als op de belangrijkste overwegingen. De gebruikte methodiek voor richtlijnontwikkeling verhoogt de transparantie van de totstandkoming van de aanbevelingen in deze richtlijn.

 

Juridische betekenis van richtlijnen

Richtlijnen bevatten geen wettelijke voorschriften, maar aanbevelingen die zoveel mogelijk op bewijs gebaseerd zijn. Zorgverleners kunnen aan de aanbevelingen voldoen in het streven kwalitatief goede of ‘optimale’ zorg te verlenen. Omdat deze aanbevelingen gebaseerd zijn op ‘algemeen bewijs voor optimale zorg’ en de inzichten van de werkgroep hierover, kunnen zorgverleners op basis van hun professionele autonomie zo nodig in individuele gevallen afwijken van de richtlijn. Afwijken van richtlijnen is, als de situatie van de patiënt dat vereist, zelfs noodzakelijk. Wanneer van deze richtlijn wordt afgeweken, is het verstandig om dit beargumenteerd en gedocumenteerd, waar relevant in overleg met de patiënt, te doen.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.