Uitgangsvraag

Wat zijn discriminerende symptomen en patiëntenkenmerken in anamnese en lichamelijk onderzoek met betrekking tot stoornissen in het gebruik van alcohol?

Aanbeveling

Zowel in de eerste als in de tweede lijn verdient het aanbeveling om bij aanwezigheid van een of meer van de volgende signalen de patiënt te vragen naar zijn alcoholgebruik al dan niet met hulp van de AUDIT of de Five-shottest:

  • psychische of sociale problemen vaak gecombineerd met slaapproblemen;
  • de aanwezigheid van een alcoholgeur of sterke geuren ter maskering;
  • frequent gebruik van en verzoek om tranquillizers en hypnotica;
  • klachten over moeheid, malaise, tremoren, palpitaties of overmatig transpireren, maag-darmklachten, zoals refluxklachten en diarree;
  • frequente spreekuurbezoeken of frequente bezoeken aan eerste hulp van een ziekenhuis.

 

 

 

 

Inleiding

De patiënt presenteert overmatig alcoholgebruik meestal niet als probleem. Soms komt de (huis)arts dit alcoholgebruik op het spoor door directe signalen zoals een alcoholfoetor (eventueel 'gemaskeerd' door pepermunt of aftershave), alcoholintoxicatie of melding door derden van excessief alcoholgebruik.

Andere indirecte signalen kunnen het vermoeden op problematisch alcoholgebruik versterken. Dit betreft bijvoorbeeld veelvuldig spreekuurbezoek en een wisselend, onduidelijk klachtenpatroon, regelmatig ongevallen en fracturen, jicht, seksuele problemen, spider naevi, een erythemateus en oedemateus gezicht, black-outs of verhoogde laboratoriumwaarden van bijvoorbeeld gamma-GT en ALAT.

Echter geen van de signalen is voldoende specifiek om daarop de diagnose alcoholmisbruik of -afhankelijkheid te stellen. Hooguit krijgt de (huis)arts een (sterker) vermoeden van overmatig alcoholgebruik.

Een andere mogelijkheid is om bij onbegrepen klachten van de patiënt een leefstijlanamnese af te nemen met vragen naar problemen bij werk en vrijetijdsbesteding, omgaan met ziekte en stress, lichaamsbeweging, roken, eetgewoonten, alcohol- en ander genotmiddelengebruik. De vragen over het alcoholgebruik worden in de leefstijlanamnese ingebed.

Conclusies

Niveau 2

 

Er zijn geen symptomen of patiëntkenmerken in anamnese of lichamelijk onderzoek die gebruikt kunnen worden voor het opsporen van alcoholmisbruik/ afhankelijkheid.

 

B Poppelier, 2002; Van Limbeek, 1992

Samenvatting literatuur

De in de literatuur beschreven signalen die met excessief alcoholgebruik samenhangen zijn grotendeels verkregen uit studies met ernstige alcoholproblematiek.

In hoeverre deze signalen ook gebruikt kunnen worden voor de signalering van de lichte problematiek is niet bekend. Er worden in de literatuur vele met alcoholgebruik samenhangende signalen beschreven (zie tabel). Beperking van de hoeveelheid signalen is daarom noodzakelijk. In een Nederlandse huisartsenduopraktijk met vierduizend patiënten is onderzoek verricht naar signalen die samenhangen met problematisch alcoholgebruik (Van Rens, 1989). Om bruikbaar te zijn moet een signaal een aangetoonde samenhang of een op pathofysiologische grond verklaarbare relatie met overmatig alcoholgebruik hebben en frequent in de literatuur worden genoemd. Het signaal moet bovendien regelmatig in de huisartsenpraktijk voorkomen.

Ieder sociaal probleem en iedere psychische of somatische klacht waarvoor geen goede verklaring is te vinden is een aanwijzing voor alcoholproblematiek (Van Rens, 1989; Cornel, 1994). De in de tabel opgesomde signalen kunnen reden zijn tot het ontstaan van het vermoeden (Poppelier, 2002). Helaas is geen van de signalen specifiek genoeg om in te schatten in welke mate de voorafkans op problematisch alcoholgebruik wordt verhoogd. Dat maakt het diagnostisch traject voor het aantonen van problematisch alcoholgebruik gecompliceerder dan het uitsluiten van alcoholproblematiek (Van Limbeek, 1992).

 

Tabel 4.4: Risico-indicatoren voor vermoeden van problematisch alcoholgebruik.

Sociale problemen:

  • relatieproblemen
  • mishandeling
  • criminele activiteiten
  • financiële problemen
  • werkproblemen als verzuim en ongevallen

Diversen:

  • veelvuldig spreekuurbezoek
  • klachtenpatroon wisselend en onverklaarbaar
  • geen of onverwachte reactie op behandeling
  • geneesmiddeleninteractie
  • frequent ongevallen
  • overmatig gebruik van en verzoek om hypnotica en tranquillizers
  • melding door derden van alcoholgebruik
  • overmatig nicotinegebruik
  • overmatige geur van aftershave en dergelijke

Psychische problemen:

  • geheugenverlies en dementie
  • stemmingsklachten
  • alcoholische hallucinaties
  • automutilatie

Lichamelijke problemen:

  • Algemeen

- moeheid

- malaise

- hyperventilatie

- overmatig transpireren

- gewichtsverandering

- foetor alcoholicus

  • Maag/darmstelsel

- refluxklachten

- gastritisklachten

- ulcuslijden

- diarree

- malabsorptie

- palpabele lever

- pancreatitis

  • Hart/longen

- hypertensie

- cardiomyopathie

- ritmestoornissen

- longinfecties

  • Zenuwstelsel

- hoofdpijn

- tremoren

- perifere neuropathie

- spierpijnen, -zwakte en -atrofie

- hyperreflexie

- insulten, epilepsie

- alcoholintoxicatie

- geheugenstoornissen

  • Bewegingsstelsel

- jicht

- fracturen

  • Urogenitaal stelsel

- seksuele problemen

- verminderde fertiliteit man

- menstruatiestoornissen

  • Huid

- littekens, brandwonden

- spider naevi, erythemateus en oedemateus gezicht

- conjunctivale roodheid

- erythema palmare

  • Laboratoriumonderzoek

- MCV verhoogd

- gamma -GT verhoogd

- ASAT(SGOT) en ALAT(SGPT) verhoogd

- urinezuur verhoogd

 

Hoewel de bovenstaande verschijnselen en symptomen kunnen wijzen op alcohol­misbruik en alcoholafhankelijkheid, zijn ze niet bewijzend. Andersom kan de afwe­zigheid hiervan alcoholmisbruik en alcoholafhankelijkheid niet uitsluiten.

 

Bevestigen van een vermoeden en bewustwording

Bij een vermoeden op problematisch alcoholgebruik bespreekt de (huis)arts dit met de patiënt. De (huis)arts gaat zo mogelijk uit van de gepresenteerde klacht en brengt deze in verband met alcoholgebruik, bijvoorbeeld door de volgende vragen:

  • Bij mensen die dezelfde klachten hebben als u, kunnen deze klachten verband houden met alcoholgebruik. Hoe staat het met uw alcoholgebruik?
  • Heeft u zelf wel eens overwogen dat deze klachten samen kunnen hangen met alcoholgebruik?

 

Afhankelijk van de respons kan de (huis)arts de vragen van de AUDIT of de Five- shottest stellen, maar hij vermijdt een normerende opstelling. Uit onderzoek is gebleken dat de meeste mensen zich niet aangevallen voelen wanneer de hulpverlener informeert naar hun alcoholconsumptie. Ze geven veelal een betrouwbaar antwoord wanneer er geen sanctie tegenover staat (Wallace & Haines, 1984; Richmond e.a., 1996). Ernstig afhankelijke drinkers willen mogelijk hun drinkgedrag niet blootgeven, omdat ze niet willen minderen of denken dat niet te kunnen. Schaamte of schuldgevoelens kunnen ertoe leiden dat sommige mensen zeggen minder te drinken dan ze doen (Rollnick e.a., 1993).

Referenties

  1. Cornel, M. (1994). Detection of problem drinkers in general practice. Proefschrift Rijksuniversiteit Limburg. Amsterdam: Thesis.
  2. Limbeek, J. van, Alem, V. van, Wouters, L. (1992). Vroege signalering van alcoholproblematiek in de huisartspraktijk. Huisarts & Wetenschap, 35:72-7,82.
  3. Nederlands Huisartsen Genootschap. (2005). Standaard Problematisch Alcoholgebruik. Huisarts & Wetenschap, 48(6): 284-295.
  4. Poppelier, A., Wiel, A. van de, Mheen, D. van de. (2002). Overdaad schaadt: een inventarisatie van de lichamelijke gevolgen van sociaal geaccepteerd alcoholgebruik en bingedrinken. Rotterdam: Instituut voor Onderzoek naar Leefwijzen en Verslaving.
  5. Rens, H.A.J. van, Cornel, M., Zutphen, W.M. van. (1989). Herkenning van problematisch alcoholgebruik in de huisartspraktijk. Huisarts & Wetenschap, 32:48-50.
  6. Richmond, R., Kehoe, L., Heather, N., Wodak, A., Webster, I. (1996). General practitioners' promotion of healthy life styles: What patients think. Aust N Z J Public Health, 20(2);195-200.
  7. Rollnick, S., Kinnersley, P. Stott, N. (1993). Methods of helping patients with behaviour change. BMJ, 307(6897);188-90.
  8. SIGN. Scottish Intercollegiate Guidelines Network. (2003). The management of harmful drinking and alcohol dependence in primary care. A national clinical guideline. September.
  9. Wallace, P.G., Haines, A.P. (1984). General practitioner and health promotion: What patients think. Br Med J (Clin Res Ed), 289(6444);534-6.

Overwegingen

In de SIGN-richtlijn (2003) staat een overzicht van klinische verschijnselen waarbij de rol van alcohol overwogen dient te worden door de behandelaar. De NHG- Standaard (2005) geeft aan dat er geen specifieke symptomen of klachten voor de diagnose problematisch alcoholgebruik zijn, maar wel signalen die aanleiding kunnen zijn tot een vermoeden, dan wel een vermoeden versterken. Destijds is voor de NHG-standaard uitgebreid gezocht naar specifieke signalen, maar de door Cornel (1994) in zijn proefschrift omschreven signalen hebben geen stand gehouden. Anderzijds is de vraag of het zinvol is een matig gevalideerde lijst te hebben van risicogroepen, want een patiënt die niet in de risicogroep valt heeft geen vrijbrief voor overmatig alcoholgebruik en omgekeerd ook niet.

 

Op basis van deze gegevens heeft de werkgroep ervoor gekozen tabel 4.4 samen te stellen gebaseerd op de SIGN-richtlijn (2003), aangevuld met de signalen uit de NHG-Standaard (2005).

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd : 01-01-2009

Uiterlijk in 2011 bepaalt de opdrachtgever/verantwoordelijke instantie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde

Algemene gegevens

De richtlijn is ook geautoriseerd door:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP)
  • Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW)
  • Nederlandse Beroepsvereniging van Verpleeghuisartsen en Sociaal Geriaters (NVVA)
  • Nederlandse Vereniging voor Traumatologie (NVT)
  • Vereniging voor Verslavingsgeneeskunde Nederland (VVGN)

 

Naast de autoriserende beroepsverenigingen is de richtlijn tot stand gekomen in samenwerking met:

  • Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG)
  • Vereniging voor Epidemiologie (VVE)

 

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning en begeleiding van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) en het Trimbos-instituut.

 

Onder auspiciën van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, Federatie Verpleegkunde in de GGZ (FVGGZ), thans Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP), Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP), Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG).

 

 

Aanleiding

Stoornissen in het gebruik van alcohol behoren tot de grootste problemen binnen de gezondheidszorg. De maatschappelijke kosten zijn hoog en werden voor Nederland in 2001 geschat op 2,6 miljard euro per jaar: bijna 300 miljoen euro voor behandeling en zorg, ruim 800 miljoen voor misdrijven samenhangend met alcohol en ruim 1,5 miljard voor verminderde arbeidsproductiviteit (KPMG, 2001). Per probleemdrinker zijn er drie tot vijf personen die schadelijke effecten van het drinkgedrag ondervinden. Veel zorgverleners beschouwen de somatische complicaties als een ziekte, maar de alcoholverslaving zelf niet. In deze richtlijn worden stoornissen in het gebruik van alcohol wel gezien als ziekte. De richtlijn geeft aanbevelingen voor een integrale behandeling van stoornissen in het gebruik van alcohol (misbruik, schadelijk gebruik en afhankelijkheid), en de complicaties daarvan.

Alcoholafhankelijkheid wordt meestal pas in een laat stadium gediagnosticeerd ofschoon er mogelijkheden zijn om alcoholafhankelijkheid in een vroeg stadium op te sporen. Menig hulpverlener is er te weinig van op de hoogte welke vroegdiagnostiek in dit verband zinvol en effectief is. Deze richtlijn doet hierover aanbevelingen.

 

Toepassing van richtlijnen

Richtlijnen en indicatiestelling

Een hulpverlener die te maken krijgt met de hulpvraag van een patiënt, moet samen met de patiënt vaststellen wat passende hulp is. Dit gebeurt in de eerste lijn en in de tweede lijn (voordeur). De aanbevelingen uit de richtlijn zijn bij dit proces van indicatiestelling richtinggevend.

 

Richtlijnen en zorgprogramma's

Zorgprogramma's zijn gedefinieerd als een samenhangend hulpaanbod voor een omschreven doelgroep. Bij het opstellen van een zorgprogramma kunnen de richtlijnen worden gebruikt om de verschillende behandelmodules en de stappen in het zorgprogramma zoveel mogelijk evidence-based te doen zijn.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De aanbevelingen in de richtlijn berusten waar mogelijk op de resultaten van gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. De beschikbare resultaten van dat onderzoek zijn door de werkgroep vastgelegd en geïnterpreteerd. Aansluitend zijn de aanbevelingen geformuleerd, gericht op het expliciteren van goed handelen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van diagnostiek en behandeling van alle mensen met een stoornis in het gebruik van alcohol in Nederland. De richtlijn biedt aanknopingspunten voor de zorgorganisatie en bevat aanbevelingen voor implementatie. De richtlijn bevat ook een weergave van de visie van patiënten op noodzakelijke zorg.

Deze richtlijn beoogt bij te dragen aan de volgende doelstellingen:

  • betere mogelijkheden voor vroegdiagnostiek van (verborgen) stoornissen in het gebruik van alcohol in de eerste lijn, de tweede lijn en in de GGZ;
  • betere mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling van stoornissen in het gebruik van alcohol en de psychische en somatische complicaties.

 

Doelgroep

De conclusies en aanbevelingen in deze richtlijn hebben in principe betrekking op alle bij de (vroeg)diagnostiek en behandeling van alcoholmisbruik en -afhankelijkheid betrokken zorgverleners.

Samenstelling werkgroep

Bij het samenstellen van de werkgroep is zoveel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, 'scholen' en academische achtergronden. De werkgroepleden hebben onafhankelijk van financiële of zakelijke belangen gehandeld en een belangrijk deel was gemandateerd door hun vereniging. Financiering vond plaats door de Orde van Medisch Specialisten. Methodologische en secretariële begeleiding werd verzorgd door het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Trimbos-instituut.

 

Subwerkgroep 'Stoornissen in het gebruik'

  • Prof.dr. W. van den Brink, arts-epidemioloog, hoogleraar verslavingszorg AMC-UvA, (voorzitter werkgroep en voorzitter subwerkgroep 'Stoornissen in het gebruik'), Amsterdam

  • L.M. van Bueren, contextueel therapeut, trainer/coach, Parnassiagroep, divisie Brijder Verslavingszorg, Alkmaar

  • Dr. A.J.M. Drenthen, coördinator preventie, Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht

  • Mw. drs. E. Fischer, adviseur, Trimbos-instituut, Utrecht

  • Drs. G. van de Glind, wetenschappelijk medewerker, Trimbos-instituut, Utrecht

  • Drs. E.A. Noorlander, psychiater, Delta Psychiatrisch Centrum, Poortugaal

  • Drs. H. Post, verslavingsarts, WA-huis, Altrecht, Utrecht

  • Mw. T. Posthuma, verpleegkundig specialist, Parnassia, Den Haag

  • Drs. W. van Rhenen, bedrijfsarts, ArboNed, Utrecht

  • Prof.dr. G.M. Schippers, klinisch psycholoog, psychotherapeut Amsterdam Institute for Addiction Research, bijzonder hoogleraar verslavingsgedrag en zorgevaluatie, AMC/UVA, Amsterdam

  • Drs. R.M. Stor, verpleeghuisarts, Atlant Zorggroep, Beekbergen

  • Prof.dr. F.A. de Wolff, emeritus hoogleraar klinische farmacie en toxicologie, LUMC, Leiden (tot april 2006)

  • Mw. drs. M.F Zinn, klinisch psycholoog/ psychotherapeut, Parnassiagroep, divisie Brijder Verslavingszorg, Den Haag

 

Subwerkgroep 'Somatische gevolgen'

  • Drs. N.J.M. Arts, neuroloog, De Gelderse Roos, Wolfheze

  • Dr. R. Ashruf, verslavingsarts, Parnassia psycho-medisch centrum, 's-Gravenhage (tot 1 januari 2006)

  • Dr.ir. J.J.A. de Beer, senior adviseur CBO, Utrecht

  • Dr. B.A. Blansjaar, psychiater, GGZ-Delfland, Delft

  • Dr. K. Boer, gynaecoloog, AMC, Amsterdam

  • Dr. M.F. de Boer, KNO-arts, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam

  • Drs. L.J. Boomsma, wetenschappelijk medewerker, Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht

  • Drs. F.A.P. Claessen, internist, VUMC, Amsterdam

  • Mw. Y.A. Drabbe Coops, transferverpleegkundige, Centraal Informatiepunt voor Ouderen, Den Haag

  • Prof.dr. J.P.H. Drenth, maag-darm-leverarts

  • Mw. drs. A.J. Fouwels, psychiater, AMC/De Meren, Amsterdam

  • Prof.dr. P.L.M. Jansen, hoogleraar hepatologie, AMC/UVA, Amsterdam (vice-voorzitter werkgroep en voorzitter subwerkgroep 'Somatisch gevolgen')

  • Drs. L.M.S.J. Poelhekke, traumatoloog in opleiding, Bronovo Ziekenhuis, Den Haag

  • Drs. A.J. Wester, neuropsycholoog, Vincent van Gogh Instituut, Venray

  • Dr. A. van de Wiel, internist, Meander Medisch Centrum, Amersfoort

  • Dr.ir. J.P.M. Wielders, klinisch chemicus, Meander Medisch Centrum, Amersfoort

  • Prof.dr. E.Ch. Wolters, hoogleraar neurologie, VUMC, Amsterdam

 

Advies en methodologische ondersteuning

  • Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

  • Trimbos-instituut

  • Prof.dr. A.P. Verhoeff, epidemioloog/clustermanager, GG&GD, Amsterdam

Belangenverklaringen

Een map met verklaringen van werkgroepleden over mogelijke financiële belangenverstrengeling ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Er zijn geen bijzondere vormen van belangenverstrengeling gemeld.

Inbreng patiëntenperspectief

Bij de multidisciplinaire richtlijnontwikkeling is het gebruikelijk om ook het patiëntenperspectief mee te wegen in de overwegingen en aanbevelingen. Bij deze richtlijn is als vorm van patiëntenparticipatie gekozen voor consultatie van een focusgroep. Deze werd gevormd uit vertegenwoordigers van zelfhulpgroepen en vertegenwoordigers van patiëntenraden van verslavingszorginstellingen. In wisselende samenstelling is de focusgroep driemaal bijeen geweest. De focusgroep heeft commentaar geleverd voor aanvang van de knelpuntenanalyse, na het vaststellen van de uitgangsvragen en gedurende de commentaarfase. Aan de focusgroep is gevraagd een oordeel te geven over de door de werkgroep gekozen onderwerpen (uitgangsvragen) en specifiek aandacht te besteden aan het onderdeel 'overige overwegingen' bij elke uitgangsvraag. De resultaten van hun bevindingen zijn aan de werkgroep aangeboden. De werkgroep heeft uiteindelijk de richtlijnteksten vastgesteld.

 

De Commissie Cliëntenparticipatie Richtlijnontwikkeling in de GGZ gaf vanuit haar taak om toe te zien op de weergave van het patiëntenperspectief in de richtlijn als belangrijke punten van kritiek dat de aspecten nazorg en rehabilitatie onvoldoende werden belicht. Ook vond de commissie dat er in de richtlijn geen aandacht is voor etniciteit en voor de subgroep licht verstandelijk gehandicapten. Daarnaast vraagt de commissie een aanbeveling in de richtlijn te formuleren voor nader onderzoek en het formuleren van aanbevelingen ten behoeve van een systeembenadering in de behandeling, gericht op de belasting van de naasten van de cliënt. De werkgroep adviseert voor een volgende versie van deze richtlijn de genoemde thema's in uitgangsvragen te formuleren.

Om de inbreng van het cliëntenperspectief in het vervolg meer recht te doen, beveelt de werkgroep aan om voor de volgende versie vanaf het begin een of twee patiëntenvertegenwoordigers in de werkgroep op te nemen en om de financiering van het patiëntenperspectief mee te begroten in het richtlijnproject.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Met het tot stand komen van de richtlijn is het werk niet gedaan. De Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling heeft op basis van een advies van de Commissie Implementatie een project gestart dat als doel heeft de richtlijnen breed te verspreiden en te implementeren. De ervaringen die worden opgedaan met de eerste multidisciplinaire GGZ-richtlijnen zullen worden gebruikt bij de implementatie van de Multidisciplinaire Richtlijn Stoornissen in het gebruik van alcohol.

Bij de verspreiding wordt vastgesteld in welke vorm (producten), door wie, aan wie en hoe de richtlijn wordt verspreid. Er wordt een implementatieplan gemaakt en om de mate van implementatie te kunnen vaststellen worden indicatoren ontwikkeld.

Werkwijze

In december 2004 is de multidisciplinaire werkgroep, bestaande uit 27 personen, van start gegaan. Er werden twee subwerkgroepen geformeerd: één over stoornissen in het gebruik van alcohol, en één over somatische complicaties. De werkgroep werkte gedurende bijna 2,5 jaar (twaalf vergaderingen) aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden verrichtten op systematische wijze literatuuronderzoek en beoordeelden de kwaliteit en de inhoud van de aldus verkregen literatuur. Vervolgens schreven de werkgroepleden een of meerdere modules voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De werkgroepleden werden bij de uitvoering van bovenstaande activiteiten ondersteund door adviseurs en informatiespecialisten van het CBO en het Trimbos-instituut.

Een redactiecommissie heeft de teksten uiteindelijk tot een samenhangend geheel geredigeerd.

De uiteindelijke teksten vormen samen de conceptrichtlijn. Deze heeft van juni 2007 tot oktober 2007 op de website van het Trimbos en CBO gestaan om beroeps­verenigingen en professionals in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren; tevens is aan de besturen van de betrokken verenigingen een hardcopy verstuurd met het verzoek deze onder hun leden te verspreiden ter becommentariëring. De commentaren zijn door de werkgroep beoordeeld en waar van toepassing in de richtlijn verwerkt.

 

Bespreking literatuur

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op gegevens uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Uitgangspunt zijn reeds bestaande evidence-based richtlijnen voor screening, (vroeg)diagnostiek en behandeling van stoornissen in het gebruik van alcohol en beschikbare systematische reviews en meta-analysen. Voor (klinische) uitgangsvragen die noch in richtlijnen noch in systematische reviews en meta-analysen zijn besproken, is de literatuursearch zo veel mogelijk beperkt gebleven tot oorspronkelijk onderzoek (gecontrol eerde trials en ander vergelijkend onderzoek).

De volgende informatiebronnen werden gebruikt: relevante websites voor richtlijnen: National Guidelines Clearinghouse en Guideline International Network; de Cochrane-database of 'systematic reviews' van de Cochrane Library tot en met 2006; Medline, Embase, PsychInfo en Cinahl. Waar het onderwerp dat toeliet, is gezocht vanaf publicatiejaar 1990.

De gevonden richtlijnen zijn door de adviseurs van het CBO en het Trimbos-instituut op hun methodologische kwaliteit beoordeeld met het zogenaamde AGREE-instrument (http://www.agreetrust.org/). Alleen richtlijnen die in dit opzicht aan de crite­ria voldeden, zijn gebruikt voor deze richtlijn.

 

Genoemd kunnen worden:

  • The Treatment of Alcohol Problems (2003). A. Review of the Evidence; B. Guidelines for the Treatment of Alcohol Problems. Australia.
  • KPMG 2001. Kosten en baten van alcoholzorg en preventie. Eindrapport. Hoofddorp: KPMG, februari 2001.
  • Mayo-Smith, M.F., Beecher, L.H., Fischer, T.L., Gorelick, D.A., Guillaume, J.L., Hill, A., Jara, G., Kasser, C., Melbourne, J. (2004). Working Group on the Management of Alcohol Withdrawal Delirium, Practice Guidelines Committee, American Society of Addiction Medicine. Management of alcohol withdrawal delirium. An evidence- based practice guideline. Archives Intern Medicine, July 12;164(13):1405-12.
  • Lingford-Hughes, A.R., Welch, S., Nutt, D.J. (2004). British Association for Psychopharmacology. Evidence-based guidelines for the pharmacological management of substance misuse, addiction and comorbidity: recommendations from the British Association for Psychopharmacology. J Psychopharmacol. Sep;18(3):293-335.
  • NHG (mei 2005). NHG-standaard Problematisch Alcoholgebruik.
  • SIGN. (2004). The management of harmful drinking and alcohol dependence in primary care. U.S. Preventive Services Task Force. Screening and behavioral counseling interventions in primary care to reduce alcohol misuse: recommendation statement. Ann Intern Med. Apr 6;140(7):554-6.

 

De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met een voor het betreffende onderzoekstype relevante checklist (zie bijlage G van de EBRO-handleiding op www.cbo.nl). Bij de beoordeling van de kwaliteit van het bewijs werden de volgende regels gehanteerd:

 

Niveau van bewijs

Interventie

Diagnostiek accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose 1

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor 'confounding' en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek).

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen.

1  Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Niveau van bewijs van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.