Aanbeveling

Bij deze module zijn geen aanbevelingen geformuleerd.

Inleiding

Gezocht is naar onderzoeken met klinische eindpunten waarin het mogelijke extra risico van alcoholgebruik op het ontstaan van infecties is bestudeerd.

Er zijn geen goede onderzoeken gevonden die eventuele effecten van alcohol op het immuunsysteem koppelen aan klinische eindpunten. Voor enkele infecties zijn onderzoeken met klinische eindpunten gevonden die niet geplaagd worden door voor de hand liggende bias zoals gedrag, selectie, voedingstoestand, aspiratie bij verlaagd bewustzijn en vaccinatiestatus. Dit zijn pneumonie, bronchitis, verkoudheid en SOA. Studies die gaan over het beloop van infecties in relatie tot therapietrouw blijven buiten beschouwing.

Conclusies

Niveau 2

Matig alcoholgebruik geeft waarschijnlijk geen verhoogd risico op een pneumonie, bronchitis of verkoudheid.

 

B Baik, 2000; Suadicani, 2001; Takkouche, 2002

 

Niveau 3

Het is niet bewezen dat een pneumonie bij alcoholmisbruik ernstiger verloopt dan bij niet- of matige gebruikers.

 

C Ruiz, 1999; 3 Boots, 2005

 

Niveau 3

Er zijn geen aanwijzingen dat alcoholmisbruik op zich gepaard gaat met een verhoogd risico op longtuberculose

 

C Selassie, 2005

 

Samenvatting literatuur

Luchtweginfecties

Algemeen wordt verondersteld dat alcoholmisbruik gepaard gaat met een verhoogd risico op pneumonie. De in de literatuur gevonden basis voor deze mening blijkt smal. In totaal werden hierover slechts vier onderzoeken van voldoende kwaliteit gevonden, één cohortonderzoek (Baik, 2000) en twee patiëntcontrole-onderzoeken (Boots, 2005; Ruiz, 1999). Over een mogelijk specifiek patroon van microbiële verwekkers van pneumonie bij alcoholabusus zijn geen onderzoeken gevonden die aan de criteria voldoen. Een voorbeeld hiervan is de Friedlander-pneumonie door Klebsiella bij alcoholici, waarover in leerboeken wordt gesproken. Slechts één patiëntcontrole-onderzoek werd gevonden over longtuberculose en alcoholgebruik (Selassie, 2005). Over de mogelijke invloed van alcohol op de incidentie van bronchitis (Suadicani, 2001) en verkoudheid (Takkouche, 2002) is van ieder één onderzoek gevonden.

Baik (2000) beschrijft een prospectief cohortonderzoek met een gemiddelde follow- up-duur van zes jaar, naar het effect van levensstijl, waaronder alcoholgebruik, op de incidentie van pneumonie. Deze cohortstudie was opgebouwd uit twee andere cohorten, namelijk één voor mannelijke (n = 26429) en één voor vrouwelijke (n=78062) werknemers in de gezondheidszorg. Een alcoholgebruik tot 30 gram per dag had geen effect op de incidentie van thuis verworven pneumonie. Er was ook geen trend bij opklimmend gebruik. Selectief verlies bij de follow-up is niet beschreven. De ernst van de pneumonie wordt ook niet aangegeven. Gebruik van grotere hoeveelheden alcohol is niet onderzocht. In dit cohort gebruikte slechts 0,1% van alle deelnemers > 100 g (mannen) of > 80 g (vrouwen) per dag.

 

Tabel 12.14: Relatieve risico's voor penumonie in relatie tot mate van alcoholgebruik.

Aantal gram alcohol per dag    

Relatieve risico voor pneumonie in multivariate analyse    

95%-betrouw-

baarheidsinterval

0

1,00

n.v.t.

0,1-5

0,91

0,71-1,18

5,1-10

0,89

0,58-1,38

10,1-15

1,20

0,72-1,98

15,1-30

1,02

0,50-2,10

>30

1,17

0,43-3,19

 

Een patiëntcontrole-onderzoek van 89 patiënten met evenveel gematchte controles van Ruiz (1999) concludeert dat iemand met een alcoholgebruik > 80 gram per dag gedurende minstens een jaar voorafgaande aan een pneumonie, een verhoogd risico loopt op opname op een afdeling intensieve zorg. De meest voor de hand liggende confounder, namelijk opname-bias zoals mogelijke late presentatie, is echter onvoldoende belicht door de auteurs. 

 

Tabel 12.15: Risico op intensivecare-opname na ziekenhuisopname voor pneumonie in relatie tot mate van alcoholgebruik

Risico op intensivecare-opname na ziekenhuisopname voor pneumonie, bij personen met actuele alcoholabusus > 80 g/dag gedurende minstens een jaar, ten opzichte van gematchte controles 

Gecorrigeerde oddsratio

95% betrouwbaarheidsinterval

3,4

1,3 - 9,5

 

Boots (2005) bestudeerde de mortaliteit van pneumonie op een afdeling intensieve zorg in relatie tot alcoholgebruik. Daarbij gebruiken zij uitsluitend de term 'alcoholisme' zonder uitleg over duur of hoeveelheid van alcoholgebruik. Er werd onderscheid gemaakt tussen thuis (n = 228), in het ziekenhuis (n = 114) en tijdens beademing verworven pneumonie (VAP; n = 134). De controlegroep bestond uit patiënten zonder pneumonie die > 48 uur beademd werden. Er was een significant hogere mortaliteit bij alcoholisten in de VAP-groep. Helaas zijn er geen gegevens over de mortaliteit bij de andere subgroepen noch bij de totale groep van pneumoniepatiënten. Voor comorbiditeit wordt gecorrigeerd, maar voor voedingstoestand, sociale status en eventuele selectie voor de intensivecare-afdeling niet.

 

Tabel 12.16: Mortaliteitsrisico bij tijdens beademing verworven pneumonie (VAP) voor alcoholisten vs. controlepersonen met VAP

Gecorrigeerde oddsratio

 

7,80

95%-betrouwbaarheidsinterval

 

Dit onderzoek laat geen conclusie toe over de rol van alcoholgebruik bij de mortaliteit van pneumonie.

 

Selassie (2005) concludeert uit een patiëntcontrole-onderzoek (437 patiënten met een doorgemaakte tuberculose vergeleken met 442 gematchte controles) in South Carolina (USA) dat het relatieve risico van een recidief pulmonale tuberculose bij alcoholisten 3,9 (2,49-6,12) bedraagt ten opzichte van de personen met longtuberculose in de algemene populatie. Er is geen onderscheid gemaakt tussen opvlamming van onderbehandelde tuberculose en een nieuwe infectie, zoals met behulp van PCR tegenwoordig kan worden vastgesteld; er is niet gekeken naar het gedrag van de alcoholisten ten opzichte van andere personen in risicosituaties: soms fungeert bijvoorbeeld een bepaald café als verspreidingsbron; alcoholisme wordt niet gedefinieerd; ten slotte is er niet gecorrigeerd voor de voedingstoestand.

Suadicani (2001) vond geen invloed van alcohol op de incidentie van bronchitis in een cohortstudie van 3387 Deense mannen met een follow-up-duur van vijftien jaar. 

 

Tabel 12.17: Odds ratio's voor risico op bronchtis in relatie tot mate van alcoholgebruik

Invloed van alcoholgebruik op de incidentie van bronchitis. Gecorrigeerd effect per eenheid van blootstelling (1E =12 g)

Aantal E/week

Gecorrigeerde odds ratio

95%-betrouwbaarheidsinterval

1-21

0,8

0,6-1,1

22-35

1,1

0,7-1,6

> 35

1,4

0,95-2,1

 

Voor mogelijke confounders in de analyse: roken, genetisch risico, leeftijd, levensstijl, sociale klasse, arbeidsrisico, bloeddruk en lengte/gewicht werd gecorrigeerd. Het verlies in de follow-up was 1,7%.

 

Verkoudheid

Er werd één cohortstudie gevonden (n=4287, follow-up-duur een jaar, 1353 incidente gevallen van verkoudheid), die het mogelijke effect van alcoholgebruik op het optreden van verkoudheid bestudeerd heeft (Takkouche, 2002). Matig alcoholgebruik bleek niet van invloed, hoger alcoholgebruik is niet onderzocht. Wel werd een inverse relatie met inname van rode wijn, zowel voor de hele groep als voor de niet-rokers, gevonden. Confounders in de analyse waren roken, contact met kinderen, psychologische stress (voor deze drie gestratificeerd), leeftijd, werk, vitamine C- en zinkinname: voor alle factoren werd gecorrigeerd. De onderzochte populatie (Spaanse vasteland en Canarische Eilanden) is een geselecteerde: verschillende lagen van personeel van universiteiten. Personen met COPD of astma werden uitgesloten.

 

Tabel 12.18: Relatieve risico's voor verkoudheid in relatie tot mate van alcoholgebruik

Alcoholgebruik en het risico op verkoudheid

 

1E wijn of

bier = 9,6g

Aantal

eenheden

per week

Gecorrigeerde relatieve risico 

95%-betrouwbaarheids

interval

1E gedistilleerd = 13,4g     

 

 

 

Alcohol gemiddeld

4 kwartielen    

ongeveer 1

ongeveer 0,8-1,2

Wijn gemiddeld

1-7 E

0,77

0,65-0,90

 

8-14 E

0,71

0,53-0,90

 

>14 E

0,56

0,36-0,86

Rode wijn

1-7 E

0,65

0,49-0,87

 

8-14 E

0,58

0,34-0,98

 

>14 E

0,39

0,18-0,87

Referenties

  1. Baik, I., Curhan, G.C., Rimm, E.B., Bendlich, A., Wilett, W.C., Fawzi, W.W. (2000). A prospective study of age and lifestyle factors in relation to community-acquired pneumonia in US men and women. Arch Intern Med,160:3082-8
  2. Boots, R.J., Lipman, J., Bellomo, R., Stephens, D., Heller, R.F. (2005). Disease risk and mortality prediction in intensive care patients with pneumonia: Australian and New Zealand Practice in Intensive Care (ANZPIC II). Anaesthesia and Intensive Care, 33[1], 101-111.
  3. Koivula, I., Sten, M., Makela, P.H. (1994). Risk factors for pneumonia in the elderly. Am J Med, 96[4], 313-320.
  4. Ruiz, M., Ewig, S., Marcos, M.A., Martinez, J.A., Arancibia, F., Mensa, J. e.a. (1999). Etiology of community-acquired pneumonia: impact of age, comorbidity, and severity. Am J Respir.Crit Care Med 160[2],397-405.
  5. Selassie, A.W., Pozsik, C., Wilson, D., Ferguson, P.L. (2005). Why pulmonary tuberculosis recurs: A population-based epidemiological study. Annals of Epidemiology, 15[7], 519-525.
  6. Suadicani, Hein, Meyer, Gyntelberg. (2001). Exposure to cold and draught, alcohol consumption, and the NS-phenotype are associated with chronic bronchitis: an epidemiological investigation of 3387 men aged 53-75 years: the Copenhagen Male Study. Occup Environ Med, 58:160-4.
  7. Takkouche, B., Regueira-Mendez, C., Garcia-Closas, R., Figueiras, A., Gestal-Otero, J.J., Hernan, M.A. (2002). Intake of wine, beer, and spririts and the risk of clinical common cold. Am J Epidemiol, 155(9):853-8.

Overwegingen

Bij deze module zijn geen overwegingen geformuleerd.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2009

Laatst geautoriseerd : 01-01-2009

Uiterlijk in 2011 bepaalt de opdrachtgever/verantwoordelijke instantie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Maag-Darm-Leverartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Keel-Neus-Oorheelkunde en Heelkunde van het Hoofd-Halsgebied
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
  • Nederlandse Vereniging voor Klinische Chemie en Laboratoriumgeneeskunde

Algemene gegevens

De richtlijn is ook geautoriseerd door:

  • Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP)
  • Nederlandse Vereniging van Maatschappelijk Werkers (NVMW)
  • Nederlandse Beroepsvereniging van Verpleeghuisartsen en Sociaal Geriaters (NVVA)
  • Nederlandse Vereniging voor Traumatologie (NVT)
  • Vereniging voor Verslavingsgeneeskunde Nederland (VVGN)

 

Naast de autoriserende beroepsverenigingen is de richtlijn tot stand gekomen in samenwerking met:

  • Nederlandse Huisartsen Genootschap (NHG)
  • Vereniging voor Epidemiologie (VVE)

 

De richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning en begeleiding van Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg (CBO) en het Trimbos-instituut.

 

Onder auspiciën van de Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ, Federatie Verpleegkunde in de GGZ (FVGGZ), thans Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN), Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVVP), Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie (NVP), Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG).

 

 

Aanleiding

Stoornissen in het gebruik van alcohol behoren tot de grootste problemen binnen de gezondheidszorg. De maatschappelijke kosten zijn hoog en werden voor Nederland in 2001 geschat op 2,6 miljard euro per jaar: bijna 300 miljoen euro voor behandeling en zorg, ruim 800 miljoen voor misdrijven samenhangend met alcohol en ruim 1,5 miljard voor verminderde arbeidsproductiviteit (KPMG, 2001). Per probleemdrinker zijn er drie tot vijf personen die schadelijke effecten van het drinkgedrag ondervinden. Veel zorgverleners beschouwen de somatische complicaties als een ziekte, maar de alcoholverslaving zelf niet. In deze richtlijn worden stoornissen in het gebruik van alcohol wel gezien als ziekte. De richtlijn geeft aanbevelingen voor een integrale behandeling van stoornissen in het gebruik van alcohol (misbruik, schadelijk gebruik en afhankelijkheid), en de complicaties daarvan.

Alcoholafhankelijkheid wordt meestal pas in een laat stadium gediagnosticeerd ofschoon er mogelijkheden zijn om alcoholafhankelijkheid in een vroeg stadium op te sporen. Menig hulpverlener is er te weinig van op de hoogte welke vroegdiagnostiek in dit verband zinvol en effectief is. Deze richtlijn doet hierover aanbevelingen.

 

Toepassing van richtlijnen

Richtlijnen en indicatiestelling

Een hulpverlener die te maken krijgt met de hulpvraag van een patiënt, moet samen met de patiënt vaststellen wat passende hulp is. Dit gebeurt in de eerste lijn en in de tweede lijn (voordeur). De aanbevelingen uit de richtlijn zijn bij dit proces van indicatiestelling richtinggevend.

 

Richtlijnen en zorgprogramma's

Zorgprogramma's zijn gedefinieerd als een samenhangend hulpaanbod voor een omschreven doelgroep. Bij het opstellen van een zorgprogramma kunnen de richtlijnen worden gebruikt om de verschillende behandelmodules en de stappen in het zorgprogramma zoveel mogelijk evidence-based te doen zijn.

Doel en doelgroep

Doel

Deze richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. De aanbevelingen in de richtlijn berusten waar mogelijk op de resultaten van gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. De beschikbare resultaten van dat onderzoek zijn door de werkgroep vastgelegd en geïnterpreteerd. Aansluitend zijn de aanbevelingen geformuleerd, gericht op het expliciteren van goed handelen. De richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van diagnostiek en behandeling van alle mensen met een stoornis in het gebruik van alcohol in Nederland. De richtlijn biedt aanknopingspunten voor de zorgorganisatie en bevat aanbevelingen voor implementatie. De richtlijn bevat ook een weergave van de visie van patiënten op noodzakelijke zorg.

Deze richtlijn beoogt bij te dragen aan de volgende doelstellingen:

  • betere mogelijkheden voor vroegdiagnostiek van (verborgen) stoornissen in het gebruik van alcohol in de eerste lijn, de tweede lijn en in de GGZ;
  • betere mogelijkheden voor diagnostiek en behandeling van stoornissen in het gebruik van alcohol en de psychische en somatische complicaties.

 

Doelgroep

De conclusies en aanbevelingen in deze richtlijn hebben in principe betrekking op alle bij de (vroeg)diagnostiek en behandeling van alcoholmisbruik en -afhankelijkheid betrokken zorgverleners.

Samenstelling werkgroep

Bij het samenstellen van de werkgroep is zoveel mogelijk rekening gehouden met de geografische spreiding van de werkgroepleden en een evenredige vertegenwoordiging van de verschillende verenigingen, 'scholen' en academische achtergronden. De werkgroepleden hebben onafhankelijk van financiële of zakelijke belangen gehandeld en een belangrijk deel was gemandateerd door hun vereniging. Financiering vond plaats door de Orde van Medisch Specialisten. Methodologische en secretariële begeleiding werd verzorgd door het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO en het Trimbos-instituut.

 

Subwerkgroep 'Stoornissen in het gebruik'

  • Prof.dr. W. van den Brink, arts-epidemioloog, hoogleraar verslavingszorg AMC-UvA, (voorzitter werkgroep en voorzitter subwerkgroep 'Stoornissen in het gebruik'), Amsterdam

  • L.M. van Bueren, contextueel therapeut, trainer/coach, Parnassiagroep, divisie Brijder Verslavingszorg, Alkmaar

  • Dr. A.J.M. Drenthen, coördinator preventie, Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht

  • Mw. drs. E. Fischer, adviseur, Trimbos-instituut, Utrecht

  • Drs. G. van de Glind, wetenschappelijk medewerker, Trimbos-instituut, Utrecht

  • Drs. E.A. Noorlander, psychiater, Delta Psychiatrisch Centrum, Poortugaal

  • Drs. H. Post, verslavingsarts, WA-huis, Altrecht, Utrecht

  • Mw. T. Posthuma, verpleegkundig specialist, Parnassia, Den Haag

  • Drs. W. van Rhenen, bedrijfsarts, ArboNed, Utrecht

  • Prof.dr. G.M. Schippers, klinisch psycholoog, psychotherapeut Amsterdam Institute for Addiction Research, bijzonder hoogleraar verslavingsgedrag en zorgevaluatie, AMC/UVA, Amsterdam

  • Drs. R.M. Stor, verpleeghuisarts, Atlant Zorggroep, Beekbergen

  • Prof.dr. F.A. de Wolff, emeritus hoogleraar klinische farmacie en toxicologie, LUMC, Leiden (tot april 2006)

  • Mw. drs. M.F Zinn, klinisch psycholoog/ psychotherapeut, Parnassiagroep, divisie Brijder Verslavingszorg, Den Haag

 

Subwerkgroep 'Somatische gevolgen'

  • Drs. N.J.M. Arts, neuroloog, De Gelderse Roos, Wolfheze

  • Dr. R. Ashruf, verslavingsarts, Parnassia psycho-medisch centrum, 's-Gravenhage (tot 1 januari 2006)

  • Dr.ir. J.J.A. de Beer, senior adviseur CBO, Utrecht

  • Dr. B.A. Blansjaar, psychiater, GGZ-Delfland, Delft

  • Dr. K. Boer, gynaecoloog, AMC, Amsterdam

  • Dr. M.F. de Boer, KNO-arts, Erasmus Medisch Centrum, Rotterdam

  • Drs. L.J. Boomsma, wetenschappelijk medewerker, Nederlands Huisartsen Genootschap, Utrecht

  • Drs. F.A.P. Claessen, internist, VUMC, Amsterdam

  • Mw. Y.A. Drabbe Coops, transferverpleegkundige, Centraal Informatiepunt voor Ouderen, Den Haag

  • Prof.dr. J.P.H. Drenth, maag-darm-leverarts

  • Mw. drs. A.J. Fouwels, psychiater, AMC/De Meren, Amsterdam

  • Prof.dr. P.L.M. Jansen, hoogleraar hepatologie, AMC/UVA, Amsterdam (vice-voorzitter werkgroep en voorzitter subwerkgroep 'Somatisch gevolgen')

  • Drs. L.M.S.J. Poelhekke, traumatoloog in opleiding, Bronovo Ziekenhuis, Den Haag

  • Drs. A.J. Wester, neuropsycholoog, Vincent van Gogh Instituut, Venray

  • Dr. A. van de Wiel, internist, Meander Medisch Centrum, Amersfoort

  • Dr.ir. J.P.M. Wielders, klinisch chemicus, Meander Medisch Centrum, Amersfoort

  • Prof.dr. E.Ch. Wolters, hoogleraar neurologie, VUMC, Amsterdam

 

Advies en methodologische ondersteuning

  • Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

  • Trimbos-instituut

  • Prof.dr. A.P. Verhoeff, epidemioloog/clustermanager, GG&GD, Amsterdam

Belangenverklaringen

Een map met verklaringen van werkgroepleden over mogelijke financiële belangenverstrengeling ligt ter inzage bij het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Er zijn geen bijzondere vormen van belangenverstrengeling gemeld.

Inbreng patiëntenperspectief

Bij de multidisciplinaire richtlijnontwikkeling is het gebruikelijk om ook het patiëntenperspectief mee te wegen in de overwegingen en aanbevelingen. Bij deze richtlijn is als vorm van patiëntenparticipatie gekozen voor consultatie van een focusgroep. Deze werd gevormd uit vertegenwoordigers van zelfhulpgroepen en vertegenwoordigers van patiëntenraden van verslavingszorginstellingen. In wisselende samenstelling is de focusgroep driemaal bijeen geweest. De focusgroep heeft commentaar geleverd voor aanvang van de knelpuntenanalyse, na het vaststellen van de uitgangsvragen en gedurende de commentaarfase. Aan de focusgroep is gevraagd een oordeel te geven over de door de werkgroep gekozen onderwerpen (uitgangsvragen) en specifiek aandacht te besteden aan het onderdeel 'overige overwegingen' bij elke uitgangsvraag. De resultaten van hun bevindingen zijn aan de werkgroep aangeboden. De werkgroep heeft uiteindelijk de richtlijnteksten vastgesteld.

 

De Commissie Cliëntenparticipatie Richtlijnontwikkeling in de GGZ gaf vanuit haar taak om toe te zien op de weergave van het patiëntenperspectief in de richtlijn als belangrijke punten van kritiek dat de aspecten nazorg en rehabilitatie onvoldoende werden belicht. Ook vond de commissie dat er in de richtlijn geen aandacht is voor etniciteit en voor de subgroep licht verstandelijk gehandicapten. Daarnaast vraagt de commissie een aanbeveling in de richtlijn te formuleren voor nader onderzoek en het formuleren van aanbevelingen ten behoeve van een systeembenadering in de behandeling, gericht op de belasting van de naasten van de cliënt. De werkgroep adviseert voor een volgende versie van deze richtlijn de genoemde thema's in uitgangsvragen te formuleren.

Om de inbreng van het cliëntenperspectief in het vervolg meer recht te doen, beveelt de werkgroep aan om voor de volgende versie vanaf het begin een of twee patiëntenvertegenwoordigers in de werkgroep op te nemen en om de financiering van het patiëntenperspectief mee te begroten in het richtlijnproject.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

Met het tot stand komen van de richtlijn is het werk niet gedaan. De Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling heeft op basis van een advies van de Commissie Implementatie een project gestart dat als doel heeft de richtlijnen breed te verspreiden en te implementeren. De ervaringen die worden opgedaan met de eerste multidisciplinaire GGZ-richtlijnen zullen worden gebruikt bij de implementatie van de Multidisciplinaire Richtlijn Stoornissen in het gebruik van alcohol.

Bij de verspreiding wordt vastgesteld in welke vorm (producten), door wie, aan wie en hoe de richtlijn wordt verspreid. Er wordt een implementatieplan gemaakt en om de mate van implementatie te kunnen vaststellen worden indicatoren ontwikkeld.

Werkwijze

In december 2004 is de multidisciplinaire werkgroep, bestaande uit 27 personen, van start gegaan. Er werden twee subwerkgroepen geformeerd: één over stoornissen in het gebruik van alcohol, en één over somatische complicaties. De werkgroep werkte gedurende bijna 2,5 jaar (twaalf vergaderingen) aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden verrichtten op systematische wijze literatuuronderzoek en beoordeelden de kwaliteit en de inhoud van de aldus verkregen literatuur. Vervolgens schreven de werkgroepleden een of meerdere modules voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken. De werkgroepleden werden bij de uitvoering van bovenstaande activiteiten ondersteund door adviseurs en informatiespecialisten van het CBO en het Trimbos-instituut.

Een redactiecommissie heeft de teksten uiteindelijk tot een samenhangend geheel geredigeerd.

De uiteindelijke teksten vormen samen de conceptrichtlijn. Deze heeft van juni 2007 tot oktober 2007 op de website van het Trimbos en CBO gestaan om beroeps­verenigingen en professionals in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren; tevens is aan de besturen van de betrokken verenigingen een hardcopy verstuurd met het verzoek deze onder hun leden te verspreiden ter becommentariëring. De commentaren zijn door de werkgroep beoordeeld en waar van toepassing in de richtlijn verwerkt.

 

Bespreking literatuur

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op gegevens uit gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek. Uitgangspunt zijn reeds bestaande evidence-based richtlijnen voor screening, (vroeg)diagnostiek en behandeling van stoornissen in het gebruik van alcohol en beschikbare systematische reviews en meta-analysen. Voor (klinische) uitgangsvragen die noch in richtlijnen noch in systematische reviews en meta-analysen zijn besproken, is de literatuursearch zo veel mogelijk beperkt gebleven tot oorspronkelijk onderzoek (gecontrol eerde trials en ander vergelijkend onderzoek).

De volgende informatiebronnen werden gebruikt: relevante websites voor richtlijnen: National Guidelines Clearinghouse en Guideline International Network; de Cochrane-database of 'systematic reviews' van de Cochrane Library tot en met 2006; Medline, Embase, PsychInfo en Cinahl. Waar het onderwerp dat toeliet, is gezocht vanaf publicatiejaar 1990.

De gevonden richtlijnen zijn door de adviseurs van het CBO en het Trimbos-instituut op hun methodologische kwaliteit beoordeeld met het zogenaamde AGREE-instrument (http://www.agreetrust.org/). Alleen richtlijnen die in dit opzicht aan de crite­ria voldeden, zijn gebruikt voor deze richtlijn.

 

Genoemd kunnen worden:

  • The Treatment of Alcohol Problems (2003). A. Review of the Evidence; B. Guidelines for the Treatment of Alcohol Problems. Australia.
  • KPMG 2001. Kosten en baten van alcoholzorg en preventie. Eindrapport. Hoofddorp: KPMG, februari 2001.
  • Mayo-Smith, M.F., Beecher, L.H., Fischer, T.L., Gorelick, D.A., Guillaume, J.L., Hill, A., Jara, G., Kasser, C., Melbourne, J. (2004). Working Group on the Management of Alcohol Withdrawal Delirium, Practice Guidelines Committee, American Society of Addiction Medicine. Management of alcohol withdrawal delirium. An evidence- based practice guideline. Archives Intern Medicine, July 12;164(13):1405-12.
  • Lingford-Hughes, A.R., Welch, S., Nutt, D.J. (2004). British Association for Psychopharmacology. Evidence-based guidelines for the pharmacological management of substance misuse, addiction and comorbidity: recommendations from the British Association for Psychopharmacology. J Psychopharmacol. Sep;18(3):293-335.
  • NHG (mei 2005). NHG-standaard Problematisch Alcoholgebruik.
  • SIGN. (2004). The management of harmful drinking and alcohol dependence in primary care. U.S. Preventive Services Task Force. Screening and behavioral counseling interventions in primary care to reduce alcohol misuse: recommendation statement. Ann Intern Med. Apr 6;140(7):554-6.

 

De kwaliteit van de gebruikte artikelen is beoordeeld met een voor het betreffende onderzoekstype relevante checklist (zie bijlage G van de EBRO-handleiding op www.cbo.nl). Bij de beoordeling van de kwaliteit van het bewijs werden de volgende regels gehanteerd:

 

Niveau van bewijs

Interventie

Diagnostiek accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose 1

A1

Systematische review van tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor 'confounding' en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort- onderzoek).

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek.

C

Niet-vergelijkend onderzoek.

D

Mening van deskundigen.

1  Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Niveau van bewijs van conclusies

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau A2.

2

Eén onderzoek van niveau A2 of tenminste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B.

3

Eén onderzoek van niveau B of C.

4

Mening van deskundigen.