Staphylococcus aureus bacteriëmie

Initiatief: NVMM Aantal modules: 15

Informatiestroom en follow-up bij S. aureus

Uitgangsvraag

Hoe verloopt de informatiestroom en follow-up van een gediagnosticeerde S. aureus bacteriëmie?

Aanbeveling

Arts-microbioloog

  • De arts-microbioloog (of diens vertegenwoordiger) meldt mondeling een positieve bloedkweek verdacht voor S. aureus zo spoedig mogelijk, maar in elk geval binnen 4 uur na bekend worden, aan de hoofdbehandelaar. Dit overleg dient gedocumenteerd te worden door de arts-microbioloog.

EN

  • De meldend arts-microbioloog :
    • bespreekt de antibiotische therapie en adviseert de hoofdbehandelaar, waar nodig, over de geïndiceerde diagnostiek;
    • informeert de hoofdbehandelaar dat een consult aan bed noodzakelijk is;

EN

  • meldt de patiënt aan bij het antimicrobial stewardship team.

 

Hoofdbehandelaar

  • De hoofdbehandelaar
    • is de eindverantwoordelijke voor adequate diagnostiek en behandeling van een S. aureus bacteriëmie;
    • start bij een klinisch opgenomen patiënt, indien nog niet gebeurd, direct na bekend worden van de bloedkweekuitslag adequate antibiotische therapie;
    • neemt contact op met een patiënt die klinisch niet is opgenomen, direct na het bekend worden van de bloedkweekuitslag, voor beoordeling in het ziekenhuis en het starten van adequate therapie.

 

Consulent aan bed

  • Er wordt een consult aan bed verricht bij iedere patiënt met een S. aureus bacteriëmie, uiterlijk binnen 72 uur na bekend worden van de eerste positieve bloedkweek. De consulent:
    • geeft advies over aanvullende diagnostiek en behandeling;
    • documenteert de adviezen in het patiëntendossier;
    • legt vast of een poliklinisch consult bij een internist(-infectioloog) of kinderarts(- infectioloog) na ontslag noodzakelijk is;
    • bespreekt patient in het antimicrobial stewardship team.

Overwegingen

Kwaliteit van bewijs

Niet van toepassing, omdat geen systematische literatuuranalyse verricht is. Zie professioneel perspectief.

 

Waarden en voorkeuren

Niet van toepassing, omdat de aanbevelingen niet op het niveau van de individuele patiënt zijn geformuleerd maar op het niveau van de specialist.

 

Kosten en middelen

Het toepassen van de aanbevelingen zal naar verwachting van de richtlijncommissie geen effect hebben op de structurele kosten, omdat de aanbevelingen grotendeels al aansluiten op de bestaande praktijk.

 

Professioneel perspectief

Arts-microbioloog en hoofdbehandelaar

De arts-microbioloog is, als eindverantwoordelijke voor het laboratorium, verantwoordelijk voor de tijdige en juiste communicatie van zijn bevindingen aan de hoofdbehandelaar en adviseert over het te volgen beleid met betrekking tot aanvullende diagnostiek en behandeling, waarbij de geldende richtlijnen, zoals het antibiotica-formularium en de SWAB-richtlijnen, het uitgangspunt zijn. Iedere positieve bloedkweek met S. aureus dient behandeld te worden. Uit de literatuur blijkt dat wanneer de tijd tot eerste antibiotische therapie langer duurt dan 24 uur na afname van de bloedkweek, het risico op overlijden toeneemt (zie review prognostische factoren in de module ‘Prognostische factoren S. aureus bacteriëmie’). Patiënten met een S. aureus bacteriëmie dienen daarom zo spoedig mogelijk te starten met adequate (intraveneuze) therapie en tijdig informeren van de hoofdbehandelaar is derhalve essentieel. Tevens is het belangrijk om zo snel mogelijk de bron van de infectie op te sporen, zodat de additioneel noodzakelijke interventies kunnen worden uitgevoerd, zoals bijvoorbeeld drainage van een abces en verwijdering van kunstmateriaal.

De arts-microbioloog documenteert, bij voorkeur in het EPD van het ziekenhuis, zijn bevindingen, zodat alle betrokken professionals over de juiste informatie beschikken. Aangezien de arts-microbioloog de eerste in de keten is die op de hoogte is van een positieve bloedkweek met een S. aureus, is het naar de mening van de werkgroep ook de arts-microbioloog die verantwoordelijk is voor het aanmelden van de patiënt bij het A-team, zodat de bed-side consultatie binnen 72 uur kan plaatsvinden (zie de module ‘Consult aan bed’).

 

Infectioloog (zie de module ‘Consult aan bed’)

Bij veel patiënten met een S. aureus bacteriëmie wordt de diagnostiek en behandeling niet conform richtlijnen uitgevoerd. Het consult aan bed verbetert de uitvoering van het beleid bij een S. aureus bacteriëmie volgens de richtlijn (Honda et al., 2010). Onderzoek verricht buiten Nederland toont bij herhaling aan dat een consult aan bed bij een S. aureus bacteriëmie een significante reductie geeft van de mortaliteit met een relatief risico van 0.34 (95% CI 0.15 – 0.75, p=0.008) (Lahey et al., 2009; Honda et al., 2010; Rieg et al., 2009; Forsblom et al., 2013). Het is daarom belangrijk om binnen 72 uur een consult aan bed uit te voeren.

 

Antimicrobial stewardship team

Het A-team is het overlegorgaan waar infectioloog, kinderarts, arts-microbioloog en ziekenhuisapotheker afstemmen over het te volgens beleid.

 

Aanvaardbaarheid en haalbaarheid van de aanbeveling(en)

Het willen en kunnen toepassen van de aanbevelingen zal naar verwachting van de richtlijncommissie aanvaardbaar en haalbaar zijn voor alle stakeholders, omdat de aanbevelingen in de meeste ziekenhuizen al bestaand beleid is.

 

Rationale van de aanbeveling(en)

Bij het opstellen van de aanbevelingen is veel gewicht toegekend aan tijdige behandeling en snelle en adequate diagnostiek van het primaire focus/eventuele strooihaarden, zodat de uitkomst van S. aureus bacteriëmie verbetert. Het opvolgen van de aanbevelingen is voor alle stakeholders haalbaar en aanvaardbaar.

Onderbouwing

Binnen de gezondheidszorg kan iedere arts/hoofdbehandelaar worden geconfronteerd met een patiënt met een bacteriëmie door S. aureus. Veel artsen hebben mede hierdoor slechts beperkte ervaring met de diagnostiek en behandeling van dit ziektebeeld. Bovendien is de diagnostiek en behandeling complex en de kans op complicaties en mortaliteit groot. Een goede informatiestroom is daarom van groot belang om de hoofdbehandelaar goed te informeren over het te volgen beleid. Bijzondere aandacht moet worden besteed aan het goed afstemmen van de verantwoordelijkheid en de taakverdeling tussen de diverse betrokken disciplines.

 

Definities

  • Hoofdbehandelaar/medisch specialist: medisch specialist of een arts werkend onder zijn/haar supervisie.

Er is geen systematische literatuuranalyse verricht, omdat de uitgangsvraag zich hiervoor niet leent. Voor de beantwoording van de uitgangsvraag is gebruik gemaakt van de expertise van de werkgroep en het beroepsprofiel van de NVMM voor de arts-microbioloog.

  1. Forsblom E, Ruotsalainen E, Ollgren J, Jarvinen A. Telephone consultation cannot replace bedside infectious disease consultation in the management of Staphylococcus aureus bacteremia. Clin Infect Dis. 2013; 56:527-35.
  2. Honda H, Krauss MJ, Jones JC, Olsen MA, Warren DK. The value of infectious diseases consultation in Staphylococcus aureus bacteremia. Am J Med 2010;123:631-7.
  3. Lahey T, Shah R, Gittzus J, Schwartzman J, Kirkland K. Infectious diseases consultation lowers mortality from Staphylococcus aureus bacteremia. Medicine (Baltimore) 2009;88:263-7.
  4. Rieg S, Peyerl-Hoffmann G, de With K, Theilacker C, Wagner D, Hubner J, et al. Mortality of S. aureus bacteremia and infectious diseases specialist consultation--a study of 521 patients in Germany. The Journal of infection. 2009;59(4):232-9.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld  : 27-11-2019

Laatst geautoriseerd  : 27-11-2019

Uiterlijk in 2023 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijk verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Cardiologie
  • Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie
  • Nederlandse Vereniging van Ziekenhuisapothekers

Algemene gegevens

De richtlijnontwikkeling werd ondersteund door B. Niël-Weise, zelfstandig richtlijnmethodoloog en werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

Doel en doelgroep

Doel

Het doel van het project is het ontwikkelen van een up-to-date multidisciplinaire evidence-based richtlijn voor diagnostiek, behandeling en follow-up van patiënten met een S. aureus bacteriëmie.

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met S. aureus bacteriëmie, zoals artsen-microbioloog, internisten, cardiologen, kinderartsen, chirurgen, nucleair geneeskundigen, ziekenhuisapothekers en verpleegkundigen.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2016 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die betrokken zijn bij de zorg voor patiënten met S. aureus bacteriëmie.

De werkgroepleden zijn door hun beroepsverenigingen gemandateerd voor deelname. De werkgroep werkte gedurende 2 jaar aan de totstandkoming van de richtlijn.

 

De werkgroep is verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze richtlijn.

  • Dr. K. Verduin (voorzitter), arts-microbioloog, PAMM, Veldhoven; NVMM
  • Dr. H. Ammerlaan, internist-infectioloog, Catharina ziekenhuis, Eindhoven; NIV
  • Drs. G. Blaauw, arts-microbioloog, Gelre Ziekenhuizen, Apeldoorn; NVMM
  • Dr. C.P. Bleeker-Rovers, internist-infectioloog, Radboud universitair medisch centrum, Nijmegen; NIV
  • Drs. R.J.H.M. van Drie-Pierik, ziekenhuisapotheker, Medisch Spectrum Twente, Enschede; NVZA
  • Dr. M. Ekkelenkamp, arts-microbioloog, Universitair Medisch Centrum, Utrecht; NVMM
  • Dr. A.W.J.M. Glaudemans, nucleair geneeskundige, Universitair Medisch Centrum Groningen; NVNG
  • Drs. D. van Hout, arts-onderzoeker, Universitair Medisch Centrum Utrecht; NVMM
  • Dr. Y.G.T. Loeffen, kinderarts, Wilhelmina Kinderziekenhuis/Universitair Medisch Centrum Utrecht; NVK
  • Dr. J.T.M. van der Meer, internist-infectioloog, Academisch Medisch Centrum, Amsterdam; NIV
  • Drs. C.S. Rijs-Bol, chirurg-intensivist, Ziekenhuis St Jansdal, Harderwijk; NVVH
  • Dr. W. Tanis, cardioloog, HagaZiekenhuis, Den Haag; NVVC

 

Met ondersteuning van:

  • Mw. B.S. Niël-Weise, arts-microbioloog (n.p.), zelfstandig richtlijnmethodoloog, Deventer
  • Mw. Drs. H. Deurenberg, SIROSS, informatiespecialist, Oss

Belangenverklaringen

De werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of ze in de laatste vijf jaar een (financieel ondersteunde) betrekking onderhielden met commerciële bedrijven, organisaties of instellingen die in verband staan met het onderwerp van de richtlijn. Tevens is navraag gedaan naar persoonlijke financiële belangen, belangen door persoonlijke relaties, belangen d.m.v. reputatiemanagement, belangen vanwege extern gefinancierd onderzoek, en belangen door kennisvalorisatie. De belangenverklaringen zijn op te vragen bij de Nederlandse Vereniging voor Medische Microbiologie, een overzicht vindt u hieronder:

 

Werkgroeplid

Functie

Nevenfuncties

Persoonlijke financiële belangen

Persoonlijke relaties

Reputatie- management

Extern gefinancierd onderzoek

Kennis Valorisatie

Overige belangen

Kees Verduin

Arts-microbioloog; Medisch manager LMI, Amphia ziekenhuis Breda

Lid SWAB-bestuur, onbetaald; lid sectie bacteriologie en mycologie SKML, onbetaald; lid werkgroep antimicrobial stewardship (SWAB/SKMS): opzetten antimicrobial stewardship in NL en opzetten Stewardship monitor (op uurbasis declaratie en reiskosten)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Gert Blaauw

Arts-microbioloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Miguel Ekkelenkamp

Arts-microbioloog

Schrijver, betaald

Adviescommissie intraveneus fosfomycine, voor Nordic Pharma.

geen

geen

Onderzoek in kader van Innovative Medicines Initiative van de Europese Commissie. Dit wordt mede-gefinancierd door industriële partners (EFPIA). Dit betreft voor het project "COMBACTE": klinisch onderzoek naar antibiotica en antibacteriële monoclonale antistoffen, o.a. met de bedrijven Astra Zeneca, MedImmune, The Medicines Company en DaVolterra. Voor het project "iABC": pre-klinische ontwikkeling van een inhalatie- antibioticum, met de bedrijven Novartis en Basilea.

geen

geen

Regine van Drie-Pierik

Ziekenhuisapotheker, lid A-team

Lid van de Santeon farma inkoopgroep. De inkoop groep geeft uitvoering aan het vastgestelde beleid door de antibiotica commissie.

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Heidi Ammerlaan

Internist-infectioloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Chantal Bleeker- Rovers

lnternist- infectioloog/acute geneeskunde;

geen

geen

geen

Lid Raad van Advies Q-uestion, patiëntenvereniging voor mensen met Q-koorts, maar dit heeft geen enkele relatie met S.aureus bacteriëmie.

geen

geen

geen

Jan van der Meer

Internist-infectioloog

Lid VIZ bestuur, onbetaald

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Wilco Tanis

Cardioloog

geen

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Andor Glaudemans

Nucleair geneeskundige

Chair Infection and Inflammation Committee European Association of Nuclear Medicine (onbetaald)

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Carianne Rijs-Bol

Chirurg-intensivist

nvt

geen

geen

geen

geen

geen

geen

Yvette Loeffen

Kinderarts

geen

Geen

geen

geen

geen

geen

geen

Denise van Hout

Arts-onderzoeker infectieziekten epidemiologie Julius Centrum, UMCU

geen

Geen

geen

geen

Deelname onderzoek gefinancierd vanuit de Innovative Medicines Joint Undertaking, grant agreement no. 115523/115620/115737. Deze grants zijn samengesteld uit financiële contributie van de European Union Seventh Framework Program en van EFPIA (AstraZeneca/Medimmune in dit geval).

Geen

geen

Inbreng patiëntenperspectief

Tijdens de voorbereidende fase zijn er knelpunten aangedragen door een vertegenwoordiger van Stichting FCIC, Sepsis en daarna, via een invitational conference. Een [verslag hiervan] kunt u vinden bij de aanverwante producten van deze module. Tijdens de commentaarfase is beroep gedaan op Stichting FCIC, Sepsis en daarna en de Vereniging voor Patiënten met Parenterale Thuisvoeding.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is rekening gehouden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren (zie ook het [implementatieplan] bij de aanverwante producten).

Werkwijze

AGREE

Deze richtlijn is opgesteld conform de eisen van het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit (www.kwaliteitskoepel.nl). Dit rapport is gebaseerd op het AGREE II instrument (Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation II) (www.agreecollaboration.org), dat een internationaal breed geaccepteerd instrument is en op ‘richtlijnen voor richtlijn’ voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen (www.cvz.nl).

 

Knelpuntenanalyse

Tijdens de voorbereidende fase inventariseerden de voorzitter van de werkgroep, de werkgroepleden en de adviseur de knelpunten. Tevens zijn er knelpunten aangedragen door vertegenwoordigers van de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ); het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); Stichting FCIC, Sepsis en daarna; en experts die geen zitting hadden in de werkgroep via een invitational conference. Een [verslag hiervan] kunt u vinden bij de aanverwante producten.

 

Uitgangsvragen en uitkomstmaten

Op basis van de uitkomsten van de knelpuntenanalyse zijn door de voorzitter en de adviseur conceptuitgangsvragen opgesteld. Deze zijn met de werkgroep besproken waarna de werkgroep de definitieve uitgangsvragen heeft vastgesteld. Vervolgens inventariseerde de werkgroep per uitgangsvraag de relevante uitkomstmaten voor de patiënt, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken.

 

Strategie voor zoeken en selecteren van literatuur

Er werd eerst oriënterend gezocht naar bestaande buitenlandse richtlijnen en naar systematische reviews. Voor (internationale) richtlijnen is gezocht op de website van het RIVM en in de databases van National guideline clearinghouse, Guidelines International Network, WHO, Medline en Embase. Verder is naar systematische reviews gezocht in de databases van Medline, Embase en Cochrane library. Zie de zoekstrategie. Vervolgens werd voor de afzonderlijke uitgangsvragen aan de hand van specifieke zoektermen gezocht naar gepubliceerde wetenschappelijke studies in (verschillende) elektronische databases. Tevens werd aanvullend gezocht naar studies aan de hand van de literatuurlijsten van de geselecteerde artikelen. In eerste instantie werd gezocht naar studies met de hoogste mate van bewijs. De werkgroepleden selecteerden de via de zoekactie gevonden artikelen op basis van vooraf opgestelde selectiecriteria. De geselecteerde artikelen werden gebruikt om de uitgangsvraag te beantwoorden. De databases waarin is gezocht, de zoekactie of gebruikte trefwoorden van de zoekactie en de gehanteerde selectiecriteria zijn te vinden in de module van desbetreffende uitgangsvraag.

 

Kwaliteitsbeoordeling individuele studies

Individuele studies werden systematisch beoordeeld, op basis van op voorhand opgestelde methodologische kwaliteitscriteria, om zo het risico op vertekende studieresultaten (bias) te kunnen inschatten. Deze beoordelingen kunt u vinden in de methodologische checklijsten.

 

Samenvatten van de literatuur

De relevante onderzoeksgegevens van alle geselecteerde artikelen werden overzichtelijk weergegeven in evidencetabellen. De belangrijkste bevindingen uit de literatuur werden beschreven in de samenvatting van de literatuur. Bij voldoende overeenkomsten tussen de studies werden de gegevens ook kwantitatief samengevat (meta-analyse) met behulp van Review Manager 5.

 

Beoordelen van de kracht van het wetenschappelijke bewijs

De kwaliteit van bewijs (‘quality of evidence’) werd beoordeeld met behulp van GRADE (Guyatt et al., 2008). GRADE is een methode die per uitkomstmaat van een interventie, of voor een risico- of prognostische factor, een gradering aan de kwaliteit van bewijs toekent op basis van de mate van vertrouwen in de schatting van de effectgrootte (tabel 1 en 2).

 

Tabel 1 Indeling van de kwaliteit van bewijs volgens GRADE

Hoog

Er is veel vertrouwen dat het werkelijke effect dicht in de buurt ligt van het geschatte effect.

Matig

Er is matig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijk effect ligt waarschijnlijk dicht bij het geschatte effect, maar er is een mogelijkheid dat het hiervan substantieel afwijkt.

Laag

Er is beperkt vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect kan substantieel verschillen van het geschatte effect.

Zeer laag

Er is weinig vertrouwen in het geschatte effect: het werkelijke effect wijkt waarschijnlijk substantieel af van het geschatte effect.

 

Tabel 2 De kwaliteit van bewijs wordt bepaald op basis van de volgende criteria

Type bewijs

Voor studies over interventies:

RCT start in de categorie ‘hoog’. Observationele studie start in de categorie ‘laag’. Alle overige studietypen

starten in de categorie ‘zeer laag’.

 

Voor studies over een risico- of prognostische factor: Prospectieve of retrospectieve cohortstudie start in de categorie ‘hoog’. Voor andere studieontwerpen wordt afgewaardeerd via ‘risk of bias’.

Afwaarderen

‘Risk of bias’

  • 1 Ernstig
  • 2 Zeer ernstig

Inconsistentie

  • 1 Ernstig
  • 2 Zeer ernstig

Indirect bewijs

  • 1 Ernstig
  • 2 Zeer ernstig

Onnauwkeurigheid

  • 1 Ernstig
  • 2 Zeer ernstig

Publicatiebias

  • 1 Waarschijnlijk
  • 2 Zeer waarschijnlijk

Opwaarderen

Groot effect

+ 1 Groot

+ 2 Zeer groot

 Dosis-respons relatie

+ 1 Bewijs voor gradiënt

Alle plausibele

‘confounding’

+ 1 zou een effect kunnen

reduceren

+ 1 zou een tegengesteld effect kunnen suggereren

terwijl de resultaten geen effect laten zien.

 

Formuleren van de conclusies

Een conclusie verwijst niet naar één of meer artikelen, maar wordt getrokken op basis van alle studies samen (body of evidence).

 

Overwegingen

Voor het komen tot een aanbeveling zijn naast de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs over de gewenste en ongewenste effecten van een interventie, of over de effectgrootte van een risico- of prognostische factor, vaak ook nog andere factoren van belang (Alonso-Coello et al., 2016).

Genoemd kunnen worden:

  • kosten,
  • waarden, voorkeuren en ervaringen van patiënten en behandelaars met betrekking tot interventies en uitkomsten van zorg,
  • balans van gewenste en ongewenste effecten van interventies ten opzichte van geen of andere interventies,
  • aanvaardbaarheid van interventies,
  • haalbaarheid van een aanbeveling.

 

Bij voorkeur wordt ook voor deze aspecten naar wetenschappelijk bewijs gezocht. De werkgroep die deze richtlijn heeft opgesteld, heeft hiervan afgezien omdat de hiervoor benodigde tijd in geen enkele verhouding zou staan tot de verwachte opbrengst. De werkgroep heeft, daar waar dit noodzakelijk werd geacht, op basis van eigen ervaring en expertise de hiervoor genoemde aspecten geïnventariseerd.

 

Deze aspecten worden besproken na de ‘conclusie’ onder het kopje ‘overwegingen’.

 

Formuleren van aanbevelingen

De aanbevelingen geven een antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beste beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen. De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. Dit is afhankelijk van het gewicht dat wordt toegekend aan kosten, gewenste of ongewenste effecten en andere onder de overwegingen genoemde factoren.

 

Randvoorwaarden (Organisatie van zorg)

In de knelpuntenanalyse en bij de ontwikkeling van de richtlijn is expliciet rekening gehouden met de organisatie van zorg: alle aspecten die randvoorwaardelijk zijn voor het verlenen van zorg (zoals coördinatie, communicatie, (financiële) middelen, menskracht en infrastructuur). Randvoorwaarden die relevant zijn voor het beantwoorden van een specifieke uitgangsvraag maken onderdeel uit van de overwegingen bij de bewuste uitgangsvraag. Meer algemene, overkoepelende, of bijkomende aspecten van de organisatie van zorg worden behandeld in de module ‘Organisatie van zorg bacteriemie’.

 

Indicatorontwikkeling

Gelijktijdig met het ontwikkelen van de conceptrichtlijn werden er interne kwaliteitsindicatoren ontwikkeld om de toepassing van de richtlijn in de praktijk te volgen en te versterken. Hiervoor werd gebruik gemaakt van de methodiek zoals beschreven in Beersen et al. (2007) en De Koning et al. (2007).

 

Kennislacunes

Tijdens de ontwikkeling van deze richtlijn is systematisch gezocht naar onderzoek waarvan de resultaten bijdragen aan een antwoord op de uitgangsvragen. Bij elke uitgangsvraag is door de werkgroep nagegaan of er (aanvullend) wetenschappelijk onderzoek gewenst is. Een overzicht van aanbevelingen voor nader/vervolg onderzoek staat in de [Kennislacunes].

 

Commentaar- en autorisatiefase

De conceptrichtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor commentaar. Tevens werd de richtlijn voorgelegd aan de volgende organisaties ter becommentariëring: Zorginstituut Nederland; Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGJ); het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS); Zorgverzekeraars Nederland (ZN); Stichting FCIC, Sepsis en daarna; Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra (NFU); Nederlandse Vereniging van Ziekenhuizen (NVZ); Samenwerkende topklinische ziekenhuizen (STZ); Vereniging voor Patiënten met Parenterale Thuisvoeding; Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland V&VN en experts die geen zitting hadden in de werkgroep. De commentaren werden verzameld en besproken met de werkgroep. Naar aanleiding van de commentaren werd de conceptrichtlijn aangepast en definitief vastgesteld door de werkgroep. De definitieve richtlijn werd aan de betrokken (wetenschappelijke) verenigingen voorgelegd voor autorisatie en door hen geautoriseerd.

 

Literatuurlijst

Alonso-Coello P, Oxman AD, Moberg J, Brignardello-Petersen R, Akl EA, Davoli M, Treweek S, Mustafa RA, Vandvik PO, Meerpohl J, Guyatt GH, Schünemann HJ; GRADE Working Group. GRADE Evidence to Decision (EtD) frameworks: a systematic and transparent approach to making well informed healthcare choices. 2: Clinical practice guidelines. BMJ. 2016 Jun 30;353:i2089.

Beersen, A. N., Kallewaard, M., Croonenburg, J.J., Everdingen van, J.J.E. en Barneveld van, T.A., Handleiding indicatoren- ontwikkeling. 2007.

Guyatt GH, Oxman AD, Vist GE, Kunz R, Falck-Ytter Y, Alonso-Coello P, Schünemann HJ; GRADE Working Group (2008).

GRADE: an emerging consensus on rating quality of evidence and strength of recommendations. BMJ. 336: 924-6.

De Koning, J., Smulders, A. en Klazinga, N. Appraisal of Indicators through Research and Evaluation (AIRE). 2007.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.