SOLK Hypochondrie psychologie

Laatst beoordeeld: 01-01-2010

Uitgangsvraag

Wat is de wetenschappelijke evidentie voor psychologische behandeling van hypochondrie? 

Aanbeveling

De werkgroep beveelt aan om bij patiënten met hypochondrie te beginnen met psycho-educatie en als hier onvoldoende effect mee wordt gerealiseerd, over te gaan op cognitieve gedragstherapie. Wanneer cognitieve gedragstherapie onvoldoende effect heeft, dan kan de behandeling worden uitgebreid met een module stressmanagement of behandeling met een SSRI worden gestart.

 

De werkgroep beveelt aan patiënten die behandeld worden met een SSRI zeker in het begin frequent (eenmaal per week) op het spreekuur te zien en grondig voor te lichten over de bijwer­kingen.

Overwegingen

De werkgroep is van mening dat meer cognitief gedragstherapeuten getraind moeten worden in de behandeling van mensen met een hypochondrie.

Psycho-educatie en cognitieve gedragstherapie zijn beide effectief gebleken. Het aantal drop-outs bij psycho-educatie (8%) is laag in vergelijking tot cognitieve gedrags­therapie (25-28%).

 

Er zijn voldoende aanwijzingen uit de klinische praktijk en case series om te veronderstellen dat naast paroxetine ook andere SSRI’s effectief zijn (Fallon, 2004). Er zijn geen gerandomiseerde en gecontroleerde studies gedaan naar het effect van SSRI’s of antipsychotica bij hypochondrie met weinig inzicht (waanachtige vorm). Patiënten met hypochondrie verdragen slecht de bijwerkingen van medicatie, omdat ook deze lichamelijke verschijnselen aanleiding geven tot misinterpretatie en angst.
Daarom wordt aanbevolen patiënten die behandeld worden met een SSRI zeker in het begin frequent (eenmaal per week) op het spreekuur te zien en grondig voor te lichten over de bijwerkingen. Ondanks dat patiënten met hypochondrie de bijwerkingen slecht verdragen, is er nauwelijks meer uitval (30%) dan in de CGt-conditie (25%). 

Op de langere termijn doen patiënten die behandeld zijn met cognitieve gedragstherapie minder een beroep op de GGZ dan patiënten die behandeld zijn met paroxetine (Greeven e.a., 2007). Bij de behandeling van hypochondrie gaat daarom de voorkeur uit naar behandeling met cognitieve gedragstherapie. Echter, wanneer er sprake is van een ernstige comorbide depressieve stoornis, dan gaat de voorkeur uit naar behandeling met paroxetine, omdat de depressie dan gelijk meebehandeld wordt. Zie multidisciplinaire richtlijn depressie (Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijn ontwikkeling, 2005).

Inleiding

Hypochondrie wordt omschreven als de preoccupatie met de vrees of opvatting een ernstige ziekte te hebben, gebaseerd op een verkeerde interpretatie van lichamelijke verschijnselen. Deze preoccupatie houdt aan ondanks adequaat medisch onderzoek en geruststelling. Wanneer betrokkene voor het grootste deel van de tijd in de huidige episode niet beseft dat de bezorgdheid over het hebben van een ernstige ziekte overdreven of onredelijk is, dan wordt gesproken van hypochondrie met gering inzicht. Hier wordt de hypochondrie behandeld zoals in bijlage I van de DSM-IV-TR wordt omschreven.

Conclusies

Niveau 1

Cognitieve gedragstherapie is effectief gebleken als behandeling voor hypochondrie.

 

A1 Thompson & Paige, 2007

Niveau 1

Psycho-educatie is effectief gebleken als behandeling voor hypochondrie.

 

A2 Fava, 2000; Buwalda, 2006

Niveau 2

Het is aannemelijk dat bibliotherapie effectief is als behandeling voor hypochondrie.

 

A2 Buwalda, 2007

Niveau 2

Het is aannemelijk dat stressmanagement effectief is als behandeling voor hypochondrie.

 

A2 Clark, 1988

Niveau 2

Het is aannemelijk dat cognitieve gedragstherapie en exposure met responspreventie even effectief zijn.

 

A2 Bouman & Visser, 1998; Visser & Bouman, 2001

Niveau 2

Het is aannemelijk dat op de korte termijn cognitieve gedragstherapie effectiever is dan stressmanagement, maar dat op de langere termijn (12 mnd.) er geen verschil is in effectiviteit.

 

A2 Clark e.a., 1998

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat paroxetine effectief is als behandeling voor hypochondrie.

 

A2 Greeven e.a., 2007

 

Niveau 2

Het is aannemelijk dat paroxetine op de korte termijn even effectief is als cognitieve gedragstherapie als behandeling voor hypochondrie

 

A2 Greeven e.a., 2007

Samenvatting literatuur

De zeven geïncludeerde RCT's en de systematische review variëren voor wat betreft de methodologische kwaliteit (zie evidencetabellen). De weergave van een van de studies (Fallon e.a., 1996) was van dien aard dat de kwaliteit van de studie niet was te beoordelen. Omdat het hier een verslag betrof van de resultaten van de eerste fase van een studie en de uiteindelijke resultaten nooit zijn gepubliceerd, zijn de conclusies hiervan niet meegenomen.

In de Cochrane Review van Thomson & Page (2007) wordt verslag gedaan van de gerandomiseerde en gecontroleerde studies bij volwassenen met hypochondrie waarin het effect van psychologische behandelingen op de ernst van de ziekteangst wordt onderzocht. Wanneer er geen formele diagnose hypochondrie was gesteld of niet alle patiënten voldeden aan de criteria, werden de studies uitgesloten.

 

Psychologische behandelingen

De gemiddelde effectsize van de psychologische behandeling is groot (d=-0,86) (Thomson & Page, 2007). De meeste studies maken gebruik van de Illness Atttitude Scale en/of Whitely Index als uitkomstmaat voor de ernst van de hypochondere klachten.

 

Bibliotherapie (Buwalda & Bouman, 2007)

Van de psychologische behandelingen is bibliotherapie het minst intensief. De patiënt werkt thuis aan opdrachten zonder dat er direct contact is met een hulpverlener. Deze minimale interventie heeft een groot effect (d=0,86). Alhoewel als gevolg van de interventie veel (73%) patiënten klinisch significant verbeteren, herstelt ook de helft van de patiënten zonder enige interventie. Onduidelijk is wat hier van de oorzaak is. De duur van de follow-up bedroeg drie maanden. Langetermijneffecten zijn niet bekend.

 

Psycho-educatie (Buwalda e.a., 2007; Fava e.a., 2000)

Bij psycho-educatie (individueel of groepsgewijs) krijgt de patiënt informatie over hypo­chondrie en de rol van cognities en gedrag, zonder dat er gebruik wordt gemaakt van specifieke cognitieve en gedragstherapeutische technieken. Buwalda e.a. (2006) vinden een groot effect (d=1,21, na 6 mnd fu).

Ook ‘explanatory therapy' kan beschouwd worden als een vorm van psycho- educatie. Fava e.a. (2000) vinden een significante reductie van de IAS-score (p<0,05) en een afname van het artsbezoek (p<0,01).

 

Cognitieve gedragstherapie (Barsky & Ahern, 2004; Bouman & Visser, 1998; Clark e.a., 1998; Greeven, 2007; Thomson & Page, 2007; Visser & Bouman, 2001; Warwick e.a., 1996)

Bij de cognitief gedragstherapeutische behandeling van hypochondrie worden de volgende interventies gebruikt: uitleggen wat het doel is van de behandeling, onder­zoeken (bespreken van argumenten voor en tegen de overtuiging een ernstige ziekte te hebben) en toetsen (gedragsexperimenten) van catastrofale cognities en exposure met responspreventie.

Het doel van de cognitief gedragstherapeutische behandeling is het verminderen van de angst als gevolg van de lichamelijke klachten/verschijnselen en niet het verminderen van de klachten/verschijnselen. Er is sprake van een middelgroot effect in vergelijking tot placebo voor de completers (d=0,53) en een klein effect voor de ‘intention to treat'- populatie (0,40) (Greeven, 2007).

 

Stressmanagement (Clark e.a., 1998)

Bij stressmanagement voor hypochondrie wordt gebruikgemaakt van: relaxatietrai­ning, probleemoplossen, assertiviteitstraining en tijdmanagement. Stressmanage- ment geeft een significante (p<0,01) afname van klachten bij follow-up na twaalf maanden.

 

Vergelijking tussen psychologische behandelingen

Cognitieve therapie en exposure met responspreventie zijn even effectief (F=0,44; p<0,77) en beide effectiever dan geen behandeling (F=4,23; p<0,001) (Bouman & Visser, 1998; Visser & Bouman, 2001).

Cognitieve gedragstherapie en stressmanagement zijn beide een jaar na de behan­deling even effectief. Na een jaar is er op negen van de tien maten geen significant verschil meer tussen cognitieve gedragstherapie en stressmanagement. Met cognitieve gedragstherapie worden echter sneller (nog tijdens de behandeling) resultaten behaald (Clark e.a., 1998).

 

Farmacologische behandeling

Paroxetine (Greeven e.a., 2007)

Met betrekking tot paroxetine (20-60 mg p/d) is er sprake van een middelgroot effect in vergelijking tot placebo voor de completers (d=0,58) en een klein effect voor de ‘intention to treat'-populatie (d=0,44).

 

Fluoxetine (Fallon et al., 1996)

Fallon verwijst in verschillende publicaties naar de resultaten van de eerste fase van een gerandomiseerde en gecontroleerde studie naar het effect van fluoxetine. Alhoewel de resultaten suggereren dat fluoxetine mogelijk effectief zou kunnen zijn, waren de gevonden verschillen niet statistisch significant. Omdat de uiteindelijke studie nooit is gepubliceerd en de resultaten van de eerste fase slechts globaal zijn beschreven in een artikel over farmacotherapie bij hypochondrie, hebben we besloten deze resultaten niet op te nemen in de richtlijn.

 

Vergelijking tussen psychologische en farmacologische behandelingen
Cognitieve gedragstherapie (CGt) en paroxetine zijn beide effectiever dan placebo. Het effect van CGt en paroxetine in vergelijking tot placebo is gelijk. Er is sprake van een middelgroot effect in vergelijking tot geen behandeling. De beide behandelingen zijn op de korte termijn even effectief (d= 0,09).
Van de patiënten die medicatie kregen voorgeschreven viel 30% uit, maar dat is nauwelijks meer dan in de groep die CGt kreeg (25% Greeven, e.a. 2007; 28% Visser & Bouman, 2001).

Zoeken en selecteren

Hypochondrie is opgenomen in de multidisciplinaire richtlijn angststoornissen (Lande­lijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling, 2009). In deze richtlijn zijn ook de resultaten gegeven van open medicatie trials en case series. De resultaten van deze studies zijn in de huidige/onderhavige aanbeveling buiten beschouwing gelaten. Sinds het verschijnen van de richtlijn is er nog een aantal studies en een Cochrane Review gepubliceerd. Met de resultaten van deze studies is rekening gehouden bij het opstellen van de aanbeveling.

Gezocht is naar systematic reviews, meta-analyses en gerandomiseerde en gecontro­leerde trials naar de effectiviteit van behandelingen voor hypochondrie. Een zoekactie in PubMed leverde acht artikelen op die aan deze criteria voldeden; een systematische Cochrane review, een proefschrift (Bruwalda) en zes artikelen gepubliceerd in peer reviewed tijdschriften. In de systematische review worden zes artikelen op het gebied van psychosociale interventies bij hypochondrie beoordeeld.

De systematische review is als uitgangspunt gekozen. Omdat hierin echter alleen de vergelijking met wachtlijst of controleconditie werd besproken en niet de vergelijking tussen behandelingen onderling, is ervoor gekozen de individuele studies te beschrijven. Alleen de gerandomiseerde gecontroleerde trials die voldoende valide en toepasbaar waren, werden geselecteerd.

 

De zeven geïncludeerde RCT's en de systematische review variëren voor wat betreft de methodologische kwaliteit (zie evidencetabellen). De weergave van een van de studies (Fallon e.a., 1996) was van dien aard dat de kwaliteit van de studie niet was te beoordelen. Omdat het hier een verslag betrof van de resultaten van de eerste fase van een studie en de uiteindelijke resultaten nooit zijn gepubliceerd, zijn de conclusies hiervan niet meegenomen.

In de Cochrane Review van Thomson & Page (2007) wordt verslag gedaan van de gerandomiseerde en gecontroleerde studies bij volwassenen met hypochondrie waarin het effect van psychologische behandelingen op de ernst van de ziekteangst wordt onderzocht. Wanneer er geen formele diagnose hypochondrie was gesteld of niet alle patiënten voldeden aan de criteria, werden de studies uitgesloten.

Referenties

  1. Aaron, L.A., & Buchwald, D. (2001). A review of the evidence for overlap among unexplained clinical conditions. Annals of Internal Medicine, 134, 868-881.
  2. Abramowitz, J.S., & Braddock, A.E. (2008). Psychological treatment of health anxiety and hypochondriasis. A biopsychosocial perspective. Cambridge, MA: Hogrefe.
  3. Agrawal, A., & Whorwell, PJ. (2006). Irritable bowel syndrome: diagnosis and management. British Medical Journal, 332, 280-283.
  4. Aiarzaguena, J.M., Grandes, G., Gaminde, I., e.a. (2007). A randomized controlled clinical trial of a psychosocial and communication intervention carried out by GPs for patients with medically unexplained symptoms. Psychological Medicine, 37, 283-294.
  5. Alaranta, H., Rytokoski, U., Rissanen, A., Talo, S., Ronnemaa, T., Puukka, P., e.a. (1994). Intensive physical and psychosocial training program for patients with chronic low back pain. A controlled clinical trial. Spine, 19, 1339-1349.
  6. Allen, L.A., Woolfolk, R.L., Escobar, J.I., e.a. (2006). Cognitive-behavioral therapy for somatization disorder: a randomized controlled trial. Archives of Internal Medicine, 166, 1512-1518.
  7. American College of Obstetricians and Gynaecologists. (2004). Chronic pelvic pain. ACOG Practice Bulletin no 51. Obstetrics and Gynecology, 103, 589-605.
  8. American Psychiatric Association. (2000). Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders (4de, herziene versie). Washington DC: American Psychiatric Press.
  9. Anderson, M., Hartz, A., Nordin, T., e.a. (2008). Community physicians' strategies for patients with medically unexplained symptoms. Family Medicine, 40, 111-118.
  10. Ariens, G.A.M., van Mechelen, W., Bongers, P.M., e.a. (2000). Physical risk factors for neck pain. Scandinavian Journal of Work, Environment & Health, 26, 7-19.
  11. Ariens, G.A.M., van Mechelen, W., Bongers, P.M., e.a. (2001). Psychosocial risk factors for neck pain: a systematic review. American Journal of Industrial Medicine, 39, 180-193.
  12. Arnold, I.A., De Waal, M.W.M., Eekhof, J.A.H., e.a. (in druk). Medically unexplained physical symptoms in primary care: a controlled study on the effectiveness of cognitive-behavioural treatment by the general practitioner. Psychosomatics.
  13. Ataoglu, A., Ozcetin, A., Icmeli, C., & Ozbulut, O. (2003). Paradoxical therapy in conversion reaction. Journal of Korean Medical Science,18(4), 581-4.
  14. Badamgarav, E., Weingarten, S.R., Henning, J.M., e.a. (2003). Effectiveness of disease management programs in depression: a systematic review. The American Journal of Psychiatry, 160, 2080-2090.
  15. Bankier B, Aigner M, Bach M. (2001). Alexithymia in DSM-IV disorder: comparative evaluation of somatoform disorder, panic disorder, obsessive-compulsive disorder, and depression. Psychosomatics, 42, 235-240.
  16. Barsky, A.J., & Ahern, D.K. (2004). Cognitive behavior therapy for hypochondriasis: a randomized controlled trial. JAMA, 291, 1464-1470.
  17. Barsky, A.J., Orav, E.J., & Bates, D.W. (2005). Somatization increases medical utilization and costs independent of psychiatric and medical comorbidity. Archives of General Psychiatry, 62, 903-910.
  18. Biberoglu, K.O., & Behrman, S.J. (1981). Dosage aspects of danazol therapy in endometriosis: short-term and long-term effectiveness. American Journal of Obstetrics and Gynecology, 139, 645-654.
  19. Bieber, C., Müller, K.G., Blumenstiel, K., e.a. (2006). Long-term effects of a shared decision-making intervention on physician-patient interaction and outcome in fibromyalgia. A qualitative and quantitative 1 year follow-up of a randomized controlled trial. Patient Education and Counseling, 63, 357-366.
  20. Bijkerk, C.J., Muris, J.W., Knottnerus, J.A., e.a. (2004). Systematic review: the role of different types of fibre in the treatment of irritable bowel syndrome. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 19, 245-251.
  21. Bijkerk, C.J., de Wit, N.J., Muris, J.W.M., e.a. (2003). Outcome measures in irritable bowel syndrome: comparison of psychometric and methodological characteristics. The American Journal of Gastroenterology, 98, 122-127.
  22. Blankenstein, A.H. (2001). Somatisingpatients in general practice: reattribution, a promising approach. Proefschrift. Amsterdam: Vrije Universiteit.
  23. Bleichhardt, G., Timmer, B., Rief, W. (2004). Cognitive-behavioural therapy for patients with multiple somatoform symptoms--a randomised controlled trial in tertiary care. Journal of Psychosomatic Research, 56, 449-454.
  24. Bleijenberg, G., & Fennis, J.F (1989). Anamnestic and psychological features in diagnosis and prognosis of functional abdominal complaints: a prospective study. Gut, 30, 1076-1081.
  25. Bongers, PM., Kremer, A.M., & ter Laak, J. (2002). Are psychosocial factors, risk factors for symptoms and signs of the shoulder, elbow, or hadn/wrist? A review of the epidemiological literature. American Journal of Industrial Medicine, 41, 315-342.
  26. Boscarino, J.A., Adams, R.E., & Figley, C.R. (2005). A prospective cohort study of the effectiveness of employer-sponsored crisis interventions after a major disaster. International Journal of Emergency Mental Health, 7, 9-22.
  27. Bouman, T.K. & Visser, S. (1998). Cognitive and behavioural treatments of hypochondriasis. Psychotherapy and Psychosomatics, 436, 214-221
  28. Bower, P, & Gilbody, S. (2005). Managing common mental health disorders in primary care: conceptual models and evidence base. BMJ, 330, 839-842.
  29. Boyce, PM., Talley, N.J., Balaam, B., e.a. (2003). A randomized controlled trial of cognitive behavior therapy, relaxation training, and routine clinical care for the irritable bowel syndrome. The American Journal of Gastroenterology, 98, 2209-2218.
  30. Braber, R., & van der Beek, E.J. (2008). De prevalentie van somatisatie in de bedrijfsgeneeskundige praktijk en de invloed van somatisatie op verzuimduur en -frequentie. Submitted.
  31. Brenninkmeijer, V., Lagerveld, S.E., & Blonk, R.W.B. (2006). Moelijk objectiveerbare gezondheidsklachten in de praktijk van de bedrijfs- en verzekeringsarts. Tijdschrift voor Bedrijfs- en Verzekeringsgeneeskunde, 14, 354-359.
  32. Brison, R.J., Hartling, L., Dostaler, S., e.a. (2005). A randomized controlled trial of an educational intervention to prevent the chronic pain of whiplash associated disorders following rear-end motor vehicle collisions. Spine, 30, 1799-1807.
  33. Brown, C.S., Ling, F.W., Wan, J.Y., e.a. (2002). Efficacy of static magnetic field therapy in chronic pelvic pain: a double-blind pilot study. American Journal of Obstetrics and Gynecology, 187, 1581-1587.
  34. Buddeberg-Fischer, B., Klaghofer, R., Reed, V., e.a. (2000). [Psychosomatic health promotion in adolescents. An intervention study in 2 high schools.] Gesundheitswesen, 62, 499-504.
  35. Buis, W., Berière, J., & van Eenbergen, M. (1995). Onbegrepen lichamelijke klachten. Voorlichting biedt perspectief. Medisch Contact, 50, 610-612.
  36. Buwalda, F.M., & Bouman, T.K. (2007). Cognitive-behavioural bibliotherapy for hypochondriasis: a pilot study. Submitted.
  37. Buwalda, F.M., Bouman, T.K., & van Duijn, M.A. (2007). Psychoeducation for hypochondriasis: a comparison of a cognitive-behavioural approach and a problem-solving approach. Behaviour Research and Therapy, 45, 887-899.
  38. Candy, B., Chalder, T., Cleare, A.J., e.a. (2004). A randomised controlled trial of a psycho-educational intervention to aid recovery in infectious mononucleosis. Journal of Psychosomatic Research, 57, 89-94.
  39. Carson, A.J., Stone, J., Warlow, C., e.a. (2004). Patients whom neurologists find difficult to help. Journal of Neurology, Neurosurgery, and Psychiatry, 75, 1776¬1778.
  40. Chen, F.P., Chang, S.D., Chu, K.K., e.a. (1996). Comparison of laparoscopic presacral neurectomy and laparoscopic uterine nerve ablation for primary dysmenorrhea. The Journal of Reproductive Medicine, 41, 463-466.
  41. Clark, D.M., Salkovskis, P.M., Hackmann, A., e.a. (1998). Two psychological treatments for hypochondriasis. A randomised controlled trial. The British Journal of Psychiatry, 173, 218-225.
  42. Creed e.a., (2003)
  43. Damasio, A.R. (2002) The feeling of what happens. Harvest Edition.
  44. Davis, D.A., Luecken, L.J., & Zaustra, A.J. (2005). Are reports of childhood abuse related to the experience of chornic pain in adulthood? A meta-analytic review of the literature. The Clinical Journal of Pain, 21, 398-405.
  45. Davis, A.R., Westhoff, C., O'Connell, K., e.a. (2005). Oral contraceptives for dysmenorrhea in adolescent girls: a randomized trial. Obstetrics and Gynecology, 106, 97-104.
  46. Deary, V., Chalder, T., & Sharpe, M. (2007). The cognitive behavioural model of medically unexplained symptoms: a theoretical and empirical review. Clinical Psychology Review, 27, 781-797.
  47. Decker, T.W., Williams, J.M., & Hall, D. (1982). Preventive training in management of stress for reduction of physiological symptoms through increased cognitive and behavioral controls. Psychological Reports, 50, 1327-1334.
  48. Dickinson, W.P., Dickinson, L.M., deGruy, F.V., e.a. (2003). A randomized clinical trial of a care recommendation letter intervention for somatization in primary care. Annals of Family Medicine, 1,228-235.
  49. Dieren, Q. van, & Vingerhoets, A.J.J.M. (2007). Medisch onverklaarde somatische symptomen zijn geen onverklaarbare, onbegrepen of vage lichamelijke klachten. Tijdschrift voor Psychiatrie, 49, 823-834.
  50. Dobkin, PL., Sita, A., & Sewitch, M.J. (2006). Predictors of adherence to treatment in women with fibromyalgia. The Clinical Journal of Pain, 22, 286-294.
  51. Donovan, J.L., & Blake, D.R. (2000). Qualitative study of interpretation of reassurance among patients attending rheumatology clinics: ‘just a touch of arthritis, doctor?'. British Medical Journal, 320, 541-544.
  52. Downes-Grainger, E., Morriss, R., Gask, L., e.a. (1998). Clinical factors associated with short-term changes in outcome of patients with somatized mental disorder in primary care. Psychological Medicine, 28, 703-711.
  53. Dowrick, C.F., Ring, A., Humphris, G.M., e.a. (2004). Normalisation of unexplained symptoms by general practitioners: a functional typology. The British Journal of General Practice, 54, 165-170.
  54. Drossman, D.A., Leserman, J., Nachman, G., e.a. (1990). Sexual and physical abuse in women with functional or organic gastrointestinal disorders. Annals of Internal Medicine, 113, 828-833.
  55. Engel, G.L. (1977). The need for a new medical model. a challenge for biomedicine. Science, 196, 129-136.
  56. Engel, C.C., Jr., Walker, E.A., Engel, A.L., e.a. (1998). A randomized, double-blind crossover trial of sertraline in women with chronic pelvic pain. Journal of Psychosomatic Research, 44, 203-207.
  57. Epstein, R.M., Hadee, T., Carroll, J., e.a. (2007). ‘Could this be something serious?'. Reassurance, uncertainty, and empathy in response to patients' expressions of worry. Journal of General Internal Medicine, 22, 1731-1739.
  58. Epstein, R.M., Shields, C.G., Meldrum, S.C., e.a. (2006). Physicians' responses to patients' medically unexplained symptoms. Psychosomatic Medicine, 68, 269-276.
  59. Eriksen, H.R., Ihlebaek, C., Mikkelsen, A., e.a. (2002). Improving subjective health at the worksite: a randomized controlled trial of stress management training, physical exercise and an integrated health programme. Occupational Medicine, 52, 383-391.
  60. Eriksen, H.R., Svendsrod, R., Ursin, G., e.a. (1998). Prevalence of subjective health complaints in the Nordic European countries in 1993. European Journal of Public Health, 8, 294-298.
  61. Escobar, J.I., Gara, M.A., Diaz-Martinez, A.M., e.a. (2007). Effectiveness of a time- limited cognitive behavior therapy type intervention among primary care patients with medically unexplained symptoms. Annals of Family Medicine, 5, 328-335.
  62. Evans, B.W., Clark, W.K., Moore, D.J., e.a. (2007). Tegaserod for treatment of irritable bowel syndrome and chronic constipation. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 4.
  63. Fallon, B.A., Schneier, F.R., Marshall, R., e.a. (1996). The pharmacotherapy of hypochondriasis. Psychopharmacology Bulletin, 32, 607-611.
  64. Fava, G.A., Grandi, S., Rafanelli, C., e.a. (2000). Explanatory therapy in hypochondriasis. The Journal of Clinical Psychiatry, 61, 317-322.
  65. Fekkes, M., Pijpers, F.I., Verloove-Vanhorick, S.P (2006). Effects of anti-bullying school program on bullying and health complaints. Archives of Pediatrics & Adolescent Medicine, 160, 638-644.
  66. Feltz-Cornelis, C.M. van der. (2007). Onverklaard of ondoordacht? Naar een DSM-V voor de somatoforme stoornissen. Commentaar op Van Dieren & Vingerhoets. Tijdschrift voor Psychiatrie, 49, 839-842.
  67. Feltz-Cornelis, C. van der, & van der Horst, H. (Red.). (2008). Handboek Somatisatie. Lichamelijk onverklaarde klachten in de eerste en tweede lijn (2de druk). Utrecht: De Tijdstroom.
  68. Feltz-Cornelis, C.M. van, Oppen, P., Ader, H.J., e.a. (2006). Randomised controlled trial of a collaborative care model with psychiatric consultation for persistent medically unexplained symptoms in general practice. Psychotherapy and Psychosomatics, 75, 282-289.
  69. Gholamrezaei, A., Ardestani, S.K., & Emami, M.H. (2006). Where does hypnotherapy stand in the management of irritable bowel syndrome? A systematic review. Journal of Alternative and Complementary Medicine, 12, 517-527.
  70. Gilbody, S.M. (2007). IMPACT collaborative care programme reduces suicide ideation in depressed older adults. Evidence-Based Mental Health, 10, 51.
  71. Glenton, C., Nilsen, E.S., & Carlsen, B. (2006). Lay perceptions of evidence-based information--a qualitative evaluation of a website for back pain sufferers. BMC Health Services Research, 15, 34.
  72. Glenton, C., Paulsen, E.J., & Oxman, A.D. (2005). Portals to Wonderland: Health portals lead to confusing information about the effects of health care. BMC Medical Informatics and Decision Making, 5, 7.
  73. Golding, J.M. (1999). Sexual assault history and headache: five general population studies. The Journal of Nervous and Mental Disease, 187, 624-629.
  74. Goldstein-Ferber, S., & Granot, M. (2006).The association between somatisation and perceived ability: roles in dysmenorrhoea among Israeli Arab adolescents. Psychosomatic Medicine, 68, 136-142.
  75. Grace, V.M., & Zondervan, K.T. (2006). Chronic pelvic pain in women in New Zealand: comparative well-being, comorbidity, and impact on work and other activities. Health Care for Women International, 27, 585-599.
  76. Greeven, A. (2007). Hypochondriasis; diagnostic issues and treatment. Proefschrift. Leiden: Universiteit Leiden.
  77. Grepmair, L., Mitterlehner, F., Loew, T., e.a. (2007). Promoting mindfulness in psychotherapists in training influences the treatment results of their patients: a randomized, double-blind, controlled study. Psychotherapy and Psychosomatics, 76, 332-338.
  78. Grol, R.P.T.M. (Red.) (1983). Huisarts en somatische fixatie. Theorie en praktijk van de preventie van somatische fixatie. Utrecht: Bohn,Scheltema en Holkema.
  79. Gucht, V. de, Fischler, B. (2002). Somatization: a critical review of conceptual and methodological issues. Psychosomatics, 43, 1-9.
  80. Guthrie, E., & Thompson, D. (2002). Abdominal pain and functional gastrointestinal disorders. British Medical Journal, 325, 701-703.
  81. Hansen, A., Edlund, C., & Branholm, I.B. (2005). Significant resources needed for return to work after sick leave. Work, 25, 231-240.
  82. Harlow, S., & Park, M. (1996). A longitudinal study of risk factors for the occurrence, duration and severity of menstrual cramps in a cohort of college women. British Journal of Obstetrics and Gynaecology, 103, 655-660.
  83. Harkapaa, K., Jarvikoski, A., Mellin, G., Hurri, H. (1989). A controlled study on the outcome of inpatient and outpatient treatment of low back pain. Part I. Pain, disability, compliance, and reported treatment benefits three months after treatment. Scandinavian Journal of Rehabilitation Medicine, 21, 81-89
  84. Harvey, R.F., Mauad, E.C., & Brown, A.M. (1987). Prognosis in the irritable bowel syndrome: a 5-year prospective study. Lancet, 1(8539), 963-965.
  85. Haugstad, G.K., Haugstad, T.S., Kirste, U.M., e.a. (2006). Mensendieck somatocognitive therapy as treatment approach to chronic pelvic pain: results of a randomized controlled intervention study. American Journal of Obstetrics and Gynecology, 194, 1303-1310.
  86. Heading, R., Bardhan, K., Hollerbach, S., e.a. (2006). Systematic review: the safety and tolerability of pharmacological agents for treatment of irritable bowel syndrome - a European perspective Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 24, 207-236.
  87. Hellman, C.J.C., Budd, M., Borysenko, J., e.a. (1990). A study of the effectiveness of two group behavioral medicine interventions for patients with psychosomatic complaints. Behavioral Medicine, 16, 166-173.
  88. Henningsen, P, Zipfel, S., & Herzog, W. (2007). Management of functional somatic syndromes. Lancet, 369, 946-955.
  89. Heyman, J., Ohrvik, J., & Leppert, J. (2006). Distension of painful structures in the treatment for chronic pelvic pain in women. Acta Obstetricia et Gynecologica Scandinavica, 85, 599-603.
  90. Hoedeman, R. (2008). Mondelinge mededeling.
  91. Hoogendoorn, W.E., van Poppel, M.N.M., Bongers, PM., e.a. (1999). Physical load during work and leisure time as risk factors for back pain. Scandinavian Journal of Work, Environment & Health, 25, 387-403.
  92. Hoogendoorn, W.E., van Poppel, Bongers, P.M., e.a. (2000). Systematic review of psychosocial factors at work and private life as risk factors for back pain. Spine, 25, 2114-2125.
  93. Howard, L., Wessely, S., Leese, M., e.a. (2005). Are investigations anxiolytic or anxiogenic? A randomised controlled trial of neuroimaging to provide reassurance in chronic daily headache. Journal of Neurology, Neurosurgery, and Psychiatry, 76, 1558-1564.
  94. Howard, F.M. (2000). Introduction. In F.M. Howard, C.P Perry, J.E. Carter, e.a. (Red.), Pelvic Pain: diagnosis & management (pp. 3-6). Philadelphia, VS: Lippincott Williams, & Wilkins.
  95. Hussain, Z., & Quigley, E.M. (2006). Systematic review: complementary and alternative medicine in the irritable bowel syndrome. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 23, 465-471.
  96. Hutton, J. (2005). Cognitive behaviour therapy for irritable bowel syndrome. European Journal of Gastroenterology & Hepatology, 17, 11-14.
  97. Huurre, T., Rahkonen, O., Komulainen, E., e.a. (2005). Socioeconomic status as a cause and consequence of psychosomatic symptoms from adolescence to adulthood. Social Psychiatry and Psychiatric Epidemiology, 40, 580-587.
  98. Hurwitz, E.L., Morgenstern, H., & Chiao, C. (2005). Effects of recreational physical activity and back exercises on low back pain and psychological distress: findings from the UCLA Low Back Pain Study. American Journal of Public Health, 95, 1817-1824.
  99. Huygen, FJ.A. (2006). Family Medicine: the medical life history of families. London: Royal College of General Practitioners.
  100. Imbierowicz, K., & Egle, U.T. (2003). Childhood adversities in patients with fibromyalgia and somatoform pain disorder. European Journal of Pain, 7, 113-119.
  101. Inadomi, J.M., Fennerty, M.B., & Bjorkman, D. (2003). Systemic review: the economic impact of irritable bowel syndrome. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 18, 671-682.
  102. Jackson, J., Fiddler, M., Kapur, N., e.a. (2006). Number of bodily symptoms predicts outcome more accurately than health anxiety in patients attending neurology, cardiology, and gastroenterology clinics. Journal of Psychosomatic Research, 60, 357-363.
  103. Jackson, J.L., & Passamonti, M. (2005). The outcomes among patients presenting in primary care with a physical symptom at 5 years. Journal of General Internal Medicine, 20, 1032-1037.
  104. Jamieson, D.J., & Steege, J.F. (1996). The prevalence of dysmenorrhoea, dyspareunia, pelvic pain, and irritable bowel syndrome in primary care practices. Obstetrics and Gynecology, 87, 55-58.
  105. Jarrell, J.F, Vilos, G.A., Allaire, C., e.a. (2005). Consensus guidelines for the management of chronic pelvic pain. Journal of Obstetrics and Gynaecology Canada, 27, 781-826.
  106. Johnson, N.P., Farquhar, C.M., Crossley, S., e.a. (2004). A double-blind randomised controlled trial of laparoscopic uterine nerve ablation for women with chronic pelvic pain. BJOG, 111, 950-959.
  107. Johnson, S.R. (2004). Premenstrual syndrome, premenstrual dysphoric disorder, and beyond: a clinical primer for practitioners. Obstetrics and Gynecology, 104, 845-859.
  108. Jonghe, F. de, & Dekker, J. (1997). Steun, stress, kracht en kwetsbaarheid in de psychiatrie. Assen: Van Gorcum.
  109. Kajander, K., Hatakka, K., Poussa, T., e.a. (2005). A probiotic mixture alleviates symptoms in irritable bowel syndrome patients: a controlled 6-month intervention Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 22, 387-394.
  110. Kashner, T.M., Rost, K., Cohen, B., e.a. (1995). Enhancing the health of somatization disorder patients. Effectiveness of short-term group therapy. Psychosomatics, 36, 462-470.
  111. Katon W, von Korff M, Lin E, Bush T. (1992) A randomized trial of psychiatric consultation with distressed high utilizers. General Hospital Psychiatry, 14, 86-98.
  112. Kennedy, T., Jones, R., Darnley, S., e.a. (2005). Cognitive behaviour therapy in addition to antispasmodic treatment for irritable bowel syndrome in primary care: randomised controlled trial. British Medical Journal, 331, 435.
  113. Khan, A.A., Khan, A., Harezlak, J., e.a. (2003). Somatic symptoms in primary care: etiology and outcome. Psychosomatics, 44, 471-478.
  114. Koch, U. & Schulz, H., (2008) Weiterentwicklung in der psychosomatischen Rehabilitation. In: Schmid-Ott, G., Wiegand-Grefe, S., Jacobi, C., e.a. (Eds). Rehabilitation in der Psychosomatik- Versorgungsstrukturen, Behandlungsangebote, Qualitatsmangement. Stuttgart/ New York: Schattauer Verlag, p 445-459
  115. Kolk, A.M., Schagen, S., & Hanewald, G.J. (2004). Multiple medically unexplained physical symptoms and health care utilization; Outcome of psychological intervention and patient-related predictors of change. Journal of Psychosomatic Research, 57, 379-389.
  116. Koopmans, P.C., Roelen, C.A., & Groothoff, J.W. (2008). Parametric hazard rate models for long-term sickness absence. International Archives of Occupational and Environmental Health, Oct 21.
  117. Krem M.M. (2004). Motor Conversion Disorders Reviewed From a Neuropsychiatric Perspective. Journal of Clinical Psychiatry, 65, 783-790.
  118. Kroenke, K., Spitzer, R.L., deGruy, F.V., e.a. (1998). A symptom checklist to screen for somatoform disorders in primary care. Psychosomatics, 39, 263-272.
  119. Kroenke, K., Spitzer, R.L., & Williams, J.B. (2002). The PHQ-15: validity of a new measure for evaluating the severity of somatic symptoms. Psychosomatic Medicine, 64, 258-266.
  120. Kroenke, K. (2007). Efficacy of treatment for somatoform disorders: a review of randomized controlled trials. Psychosomatic Medicine, 69, 881-888.
  121. Lackner, J.M., Morley, S., Dowzer, C., e.a. (2004). Psychological treatments for irritable bowel syndrome: a systematic review and meta-analysis. Journal of Consulting and Clinical Psychology, 72, 1100-1113.
  122. Landelijke Stuurgroep Mulidisciplinaire Richtlijnontwikkeling. (2009) Richtlijn Angststoornissen (eerste herziene versie). Utrecht: Trimbos-instituut.
  123. Landelijke Stuurgroep Mulidisciplinaire Richtlijnontwikkeling. (2009) Richtlijn Depressie (1ste herziene versie). Utrecht: Trimbos-instituut.
  124. Latthe, P, Mignini, L., Gray, R., e.a. (2006). Factors predisposing women to chronic pelvic pain: systematic review. British Medical Journal, 332, 749-755.
  125. Larisch, A., Schweickhardt, A., Wirsching, M., e.a. (2004). Psychosocial interventions for somatizing patients by the general practitioner. A randomized controlled trial. Journal of Psychosomatic Research, 57, 507-514.
  126. Lefebvre, G., Pinsonneault, O., Antao, V., e.a. (2005). Primary dysmenorrhea consensus guideline. Journal of Obstetrics and Gyneacology Canada, 27, 1117¬1146.
  127. Lesbros-Pantoflickova, D., Michetti, P, Fried, M., e.a. (2004). Meta-analysis: the treatment of irritable bowel syndrome Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 20, 1253-1269.
  128. Lichten, E.M., & Bombard, J. (1987). Surgical treatment of primary dysmenorrhoea with laparoscopic uterine nerve ablation. The Journal of Reproductive Medicine, 32, 37-41.
  129. Lim, B., Manheimer, E., Lao, L., e.a. (2006). Acupuncture for treatment of irritable bowel syndrome. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 4.
  130. Linton, S.J., & Andersson, T. (2000). Can chronic disability be prevented? A randomized trial of a cognitive-behavior intervention and two forms of information for patients with spinal pain. Spine, 25, 2825-2831.
  131. Linton, S.J., & Nordin, E. (2006). A 5-year follow-up evaluation of the health and economic consequences of an early cognitive behavioral intervention for back pain: a randomizd, controlled trial. Spine, 31, 853-858.
  132. Linton, S.J., & Ryberg, M. (2001). A cognitive-behavioral group intervention as prevention for persistent nack and back pain in a non-patient population: a randomized controlled trial. Pain, 90, 83-90.
  133. Linton, S.J., & van Tulder, M.W. (2001). Preventive interventions for back pain and neck pain problems: what is the evidence? Spine, 26, 778-787.
  134. Lipowski, Z.J. (1988). Somatization: the concept and its clinical application. The American Journal of Psychiatry, 145, 1358-1368.
  135. LISV (1996). Medisch arbeidsongeschiktheidscriterium. Richtlijn LISV. Amsterdam: Tica.
  136. Liu, J.P, Liu, Y.X., Wei, M.L., e.a. (2006). Herbal medicines for treatment of irritable bowel syndrome. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 1.
  137. Majoribanks, J., Proctor, M.L., & Farquhar, C. (2003). Nonsteroidal anti-inflammatory drugs for primary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 4.
  138. Martin, A., Rauh, E., Fichter, M., e.a. (2007). A one-session treatment for patients suffering from medically unexplained symptoms in primary care: a randomized clinical trial. Psychosomatics, 48, 294-303.
  139. Mathias, S.D., Kuppermann, M., Liberman, R.F., e.a. (1996). Chronic pelvic pain: prevalence, health-related quality of life, and economic correlates. Obstetrics and Gynecology, 87, 321-327.
  140. Maxion-Bergemann, S., Thielecke, F., Abel, F., e.a. (2006). Costs of irritable bowel syndrome in the UK and US. PharmacoEconomics, 24, 21-37.
  141. Mayou, R.A., Bass, C.M., & Bryant, B.M. (1999). Management of non-cardiac chest pain: from research to clinical practice. Heart, 81, 387-392.
  142. McDonald, I.G., Daly, J., Jelinek, V.M., e.a. (1996). Opening Pandora's box: the unpredictability of reassurance by a normal test result. British Medical Journal, 313, 329-332.
  143. Meijer, S.A., Smit, F., Schoemaker, C.G., e.a. (2006). Gezond verstand. Evidence- based preventie van psychische stoornissen. VTV themarapport. Utrecht/ Bilthoven: Trimbos-instituut & RIVM.
  144. Metz, J.C.M., Verbeek-Weel, A.M.M., & Huisjes, H.J. ( 2001). Raamplan 2001 artsenopleiding: bijgestelde eindtermen van de artsopleiding. Nijmegen: Mediagroep Nijmegen.
  145. Miller, W.R., & Rollnick, S. (2006). Motiverende gespreksvoering: een methode om mensen voor te bereiden op verandering (L. van der Leer, Vert.) (2de druk). Gorinchem: Uitgeverij Ekklesia.
  146. Moene, F.C., Hoogduin, K.A., Van D.R. (1998). The inpatient treatment of patients suffering from (motor) conversion symptoms: a description of eight cases. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 46, 171-190.
  147. Moene, F.C., Landberg, E.H., Hoogduin, K.A., e.a. (2000). Organic syndromes diagnosed as conversion disorder: identification and frequency in a study of 85 patients. Journal of Psychosomatic Research, 49, 7-12.
  148. Moene, F.C., Spinhoven, P., Hoogduin, K.A., & Van Dyck, R. (2002) A randomised controlled clinical trial on the additional effect of hypnosis in a comprehensive treatment rogramme for in-patients with conversion disorder of the motor type. Psychotherapy and Psychosomatics, 71(2), 66-76.
  149. Moene, F.C., Spinhoven, P.,Hoogduin, K.A., & van Dyck, R. (2003) A randomized controlled clinical trial of a hypnosis-based treatment for patients with conversion disorder,motortype. International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 51, 29-50.
  150. Morriss, R., Dowrick, C., Salmon, P., e.a. (2007). Cluster randomised controlled trial of training practices in reattribution for medically unexplained symptoms. The British Journal of Psychiatry, 191, 536-542.
  151. Muller, T., Mannel, M., Murck, H., e.a. (2004). Treatment of somatoform disorders with St. John's wort: a randomized, double-blind and placebo-controlled trial. Psychosomatic Medicine, 66, 538-547.
  152. National Institute for Health and Clinical Excellence. (2007). Guideline 53: Chronic fatigue syndrome/myalgic encephalomyelitis (or encephalopathy). London: Department of Health.
  153. Nederlands Huisartsen Genootschap. (1999). NHG-Patiëntenbrief. Via www.nhg. artsennet.nl.
  154. Neumeyer-Gromen, A., Lampert, T., Stark, K., e.a. (2004). Disease management programs for depression: a systematic review and meta-analysis of randomized controlled trials. Medical Care, 42, 1211-1221.
  155. Nezu, A.M., Nezu, C.M., Lombardo, E.R., (2001). Cognitive-behavior therapy for medically unexplained symptoms: A critical review of the treatment literature. Behavior Therapy, 32, 537-583.
  156. Nickel, M., Cangoez, B., Bachler, E., e.a. (2006). Bioenergetic exercises in inpatient treatment of Turkish immigrants with chronic somatoform disorders: a randomized, controlled study. Journal of Psychosomatic Research, 61, 507-513.
  157. Nimnuan, C., Hotopf, M., & Wessely, S. (2001). Medically unexplaines symptoms: an epidemiological study in seven specialities. Journal of Psychosomatic Research, 51, 361-367.
  158. Norman, S.A., Lumley, M.A., Dooley, J.A., e.a. (2004). For whom does it work? Moderators of the effects of written emotional disclosure in a randomized trial among women with chronic pelvic pain, Psychosomatic Medicine, 66, 174-183.
  159. Norrmén, G., Svardsudd, K., & Andersson, D.K. (2008). How primary health care physicians make sick listing decisions: the impact of medical factors and functioning. BMC Family Practice, 9, 3.
  160. NVAB. (2008). Herziene richtlijn psychische klachten. Eindhoven: NVAB.
  161. O'Connor, A.M., Stacey, D., Entwistle, V., e.a. (2003). Decision aids for people facing health treatment or screening decisions. Cochrane Database of Systematic Reviews, .CD001431.
  162. O'Mahony, L., McCarthy J., Kelly, P., e.a. (2005). Lactobacillus and bifidobacterium in irritable bowel syndrome: symptom responses and relationship to cytokine profiles. Gastroenterology, 128, 541-551.
  163. Olde Hartman, T.C., Borghuis, M.S., Lucassen, P.L.B.J., e.a. (2009). Medically unexplained symptoms, somatisation disorder, and hypochondriasis: course and prognosis. A systematic review. Journal of Psychosomatic Research May;66(5):363-77. Epub 2008 Dec 16. Review.
  164. Onwude, J.L., Thornton, J.G., Morley, S., e.a. (2004). A randomised trial of photographic reinforcement during postoperative counselling after diagnostic laparoscopy for pelvic pain. European Journal of Obstetrics, Gynecology, and Reproductive Biology, 112, 89-94.
  165. Owens, D.M., Nelson, D.K., & Talley, N.J. (1995). The irritable bowel syndrome: long¬term prognosis and the physician-patient interaction. Annals of Internal Medicine, 122, 107-112.
  166. Palomba, S., Russo, T., Falbo, A., e.a. (2006). Laparoscopic uterine nerve ablation versus vaginal uterosacral ligament resection in postmenopausal women with intractable midline chronic pelvic pain: a randomized study. European Journal of Obstetrics, Gynecology, and Reproductive Biology, 129, 84-91.
  167. Patel, S.M., Stason, W.B., Legedza, A., e.a. (2005). The placebo effect in irritable bowel syndrome trials: a meta-analysis. Neurogastroenterology and Motility, 17, 332-340.
  168. Patel, V., Tanksale, V., Sahasrabhojanee, M., e.a. (2006). The burden and determinants of dysmenorrhoea: a population-based survey of 2262 women in Goa, India. BJOG, 113, 453-463.
  169. Peters, S., Stanley, I., Rose, M., e.a. (1998). Patients with medically unexplained symptoms: sources of patients' authority and implications for demands on medical care. Social Science & Medicine, 46, 559-565.
  170. Peters, S., Stanley, I., Rose, M., e.a. (2002). A randomized controlled trial of group aerobic exercise in primary care patients with persistent, unexplained physical symptoms. Family Practice, 19, 665-674.
  171. Phillips, K.A. (2005). Placebo-controlled study of pimozide augmentation of fluoxetine in body dysmorphic disorder. Am.J Psychiatry, 162, 377-379.
  172. Phillips, K. A., Albertini, R. S., & Rasmussen, S. A. (2002). A randomized placebo- controlled trial of fluoxetine in body dysmorphic disorder. Arch.Gen.Psychiatry, 59, 381-388.
  173. Poppel, M.N. van, Hooftman, W.E., & Koes, B.W. (2004). An update of a systematic review of controlled clinical trials on the primary prevention of back pain at the workplace. Occupational Medicine, 54, 345-352.
  174. Proctor, M.L., Hing, W., Johnson, T.C., e.a. (2006). Spinal manipulation for primary and secondary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 3.
  175. Proctor, M.L., Latthe, P.M., Farquhar, C.M., e.a. (2005). Surgical interruption of pelvic nerve pathways for primary and secondary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 4.
  176. Proctor, M.L., & Murphy, P.A. (2001). Herbal and dietary therapies for primary and secondary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 2.
  177. Proctor, M.L., Murphy, P.A., Pattison, H.M., e.a. (2007). Behavioural interventions for primary and secondary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 3.
  178. Proctor, M.L., Roberts, H., & Farquhar, C.M. (2001). Combined oral contraceptive pill (OCP) as treatment for primary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 2.
  179. Proctor, M.L., Smith, C.A., Farquhar, C.M., e.a. (2002). Transcutaneous electrical nerve stimulation and acupuncture for primary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 1.
  180. Quartero, A.O., Meinecke-Schmidt, V., Muris, J., e.a. (2007). Bulking agents, antispasmodic an antidepressant medication for the treatment of irritable bowel syndrome. Cochrane Database of Systematic Review, issue 4.
  181. Rasmussen, N.H., Furst, J.W., Swenson-Dravis, D.M., e.a. (2006). Innovative reflecting interview: effect on high-utilizing patients with medically unexplained symptoms. Disease Management, 9, 349-359.
  182. Rief, W., Martin, A., Rauh, E., e.a. (2006). Evaluation of general practitioners' training: how to manage patients with unexplained physical symptoms. Psychosomatics, 47, 304-311.
  183. Rief, W., Nanke, A., Emmerich, J., e.a. (2004). Causal illness attributions in somatoform disorders associations with comorbidity and illness behavior. Journal of Psychosomatic Research, 57, 367-371.
  184. Ring, A., Dowrick, C., Humphris, G., e.a. (2004). Do patients with unexplained physical symptoms pressurise general practitioners for somatic treatment? A qualitative study. British Medical Journal, 328, 1057.
  185. Robbins, J. M., & Kirmayer, L. J. (1991). Attributions of common somatic symptoms. Psychological medicine, 21(4), 1029-45.
  186. Roberts, L., Little, P, Chapman, J., e.a. (2002). The back home trial: general practitioner-supported leaflets may change back pain behavior. Spine, 27, 1821-1828.
  187. Roberts, L., Wilson, S., Singh, S., e.a. (2006). Gut-directed hypnotherapy for irritable bowel syndrome: piloting a primary care-based randomised controlled trial. The British Journal of General Practice, 56, 115-121.
  188. Robinson, A., Lee, V., Kennedy, A., e.a. (2006). A randomised controlled trial of self-help interventions in patients with a primary care diagnosis of irritable bowel syndrome. Gut, 55, 643-648.
  189. Roelen, C.A.M., van der Pol, T.R., Koopmans, PC., e.a. (2006). Identifying workers at risk of sickness absence by questionnaire, Occupational Medicine, 56, 442-446.
  190. Roelofs, K., & Spinhoven, P (2007). Trauma and medically unexplained symptoms. Towards an integration of cognitive and neuro-biological accounts. Clinical Psychology Review, 27, 798-820.
  191. Romeijnders, A.C.M., Vriezen, J.A., van der Klink, J.J.L., e.a. (2005). Landelijke Eerstelijns Samenwekings Afspraak Overspanning. Huisarts & Wetenschap, 48, 20-23.
  192. Rood, Y.R. van, Kuile, M.M. ter, Speckens, A.E.M. (2001). Ongedifferentierde somatoformestoornis. In. red. Ph Spinhoven, T.K. Bouman en C.A.L. Hoogduin. Behandelstrategieen bij somatoforme stoornisen. Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum.p. 17-40
  193. Rosen, J. C., Reiter, J., & Orosan, P (1995). Cognitive-behavioral body image therapy for body dysmorphic disorder. J Consult Clin.Psychol., 63, 263-269.
  194. Rosendal, M., Olesen, F, Fink, P, e.a. (2007). A randomized controlled trial of brief training in the assessment and treatment of somatization in primary care: effects on patient outcome. General Hospital Psychiatry, 29, 364-373.
  195. Rost, K., Kashner, T.M., & Smith, R.G., Jr. (1994). Effectiveness of psychiatric intervention with somatization disorder patients: improved outcomes at reduced costs. General Hospital Psychiatry, 16, 381-387.
  196. Royal College of Obstetricians and Gynaecologists (RCOG). (2005). The initial management of chronic pelvic pain. Guideline no 41. London, UK: Royal College of Obstetricians and Gynaecologists.
  197. Ruddy, R., & House, A.(2005). Psychosocial interventions for conversion disorder. Cochrane Database of Systematic Reviews 2005, Issue 4.
  198. Salkovskis P.M. (1989). Somaticproblems. In: K. Hawton, PM. Salkovskis, J. Kirk, & D.M. Clark. (Eds.) . Cognitive behaviour therapy for psychiatric problems: a practical guide. (pp. 235-276).
  199. Salmon, P, Dowrick, C.F., Ring, A., e.a. (2004). Voiced but unheard agendas: qualitative analysis of the psychosocial cues that patients with unexplained symptoms present to general practitioners. The British Journal of General Practice, 54, 171-176.
  200. Salmon P, Ring A, Dowrick CF, Humphris GM (2005). What do general practice patients want when they present medically unexplained symptoms, and why do their doctors feel pressurized? Journal of Psychosomatic Research, 59, 255-262.
  201. Sar, V., Akyüz, G., Kundakgi, T., e.a. (2004). Childhood trauma, dissociation, and psychiatric comorbidity in patients with conversion disorder. The American Journal of Psychiatry, 161, 2271-2276.
  202. Sator-Katzenschlager, S.M., Scharbert, G., Kress, H.G., e.a. (2005). Chronic pelvic pain treated with gabapentin and amitriptyline: a randomized controlled pilot study. Wiener Klinische Wochenschrift, 117, 761-768.
  203. Schauenburg, H., Hildenbrand, G., Koch, U., e.a. (2007). Klinikführer: stationare psychosomatisch-psychotherapeutische Einrichtungen. Stuttgart: Schattaure GmbH
  204. Schilte, A.F., Portegijs, PJ., Blankenstein, A.H., e.a. (2001). Randomised controlled trial of disclosure of emotionally important events in somatisation in primary care. British Medical Journal, 323, 86.
  205. Sharpe, M., Mayou, R., & Walker, J. (2006). Bodily symptoms: new approaches to classification. Journal of Psychosomatic Research, 60, 353-356.
  206. Sharpe, M., Pevele,r R., & Mayou R. (1992). The psychological treatment of patients with functional somatic symptoms: a practical guide. Journal of Psychosomatic Research, 36, 515-529.
  207. Sifneos, PE. (1973). The prevalence of ‘alexithymic' characteristics in psychosomatic patients. Psychotherapy and Psychosomatics, 22, 255-262.
  208. Silver F.W. (1996). Management of conversion disorder. American Journal of Physical Medicine & Rehabilitation, 75, 134-140.
  209. Smith, R.C., Lyles, J.S., Gardiner, J.C., e.a. (2006). Primary care clinicians treat patients with medically unexplained symptoms: a randomized controlled trial. Journal of General Internal Medicine, 21, 671-677.
  210. Smith, G.R., Jr., Monson, R.A., & Ray, D.C. (1986). Psychiatric consultation in somatization disorder. A randomized controlled study. The New England Journal of Medicine, 314, 1407-1413.
  211. Smith, G.R., Jr., Rost, K., & Kashner, T.M. (1995). A trial of the effect of a standardized psychiatric consultation on health outcomes and costs in somatizing patients. Archives of General Psychiatry, 52, 238-243.
  212. Smout, A.J.PM. (2001). Prikkelbare Darm Syndroom. In de serie ‘Spreekuur thuis'. Wormer: Inmerc.
  213. Soysal, M.E., Soysal, S., Vicdan, K., e.a. (2001). A randomized controlled trial of goserelin and medroxyprogesterone acetate in the treatment of pelvic congestion. Human Reproduction, 16, 931-939.
  214. Speckens, A.E., van Hemert, A.M., Spinhoven, P, e.a. (1995). Cognitive behavioural therapy for medically unexplained physical symptoms: a randomised controlled trial. British Medical Journal, 311, 1328-1332.
  215. Speckens, A.E.M., Spinhoven, P. & van Rood, Y.R. (2004). Protocollaire behandeling van patiënten met onverklaarde lichamelijke klachten: Cognitieve gedragstherapie. In: G.PJ. Keijsers, A. van Minnen & C.A.L. Hoogduin (Eds.). Protocollaire behandelingen in de ambulante geestelijke gezondheidszorg I (2 e herziene druk). Houten: Bohn, Stafleu, Van Loghum, p. 183-218.
  216. Steffanowski, A., Löschmann, C., Schmidt, J., Wittmann, W. W. & Nübling, R. (2007). Metaanalyse der Effekte stationarer psychosomatischer Rehabilitation. Bern: Huber.
  217. Stewart, M.A. (1995). Effective physician-patient communication and health outcome: a review. Canadian Medical Association Journal, 125, 1432-1433.
  218. Stone, J., Wojcik, W., Durrance, D., e.a. (2002). What should we say to patients with symptoms unexplained by disease? The ‘number needed to offend'. British Medical Journal; 325, 1449-1450.
  219. Stones, R.W., Bradbury, L., & Anderson, D. (2001). Randomized placebo controlled trial of lofexidine hydrochloride for chronic pelvic pain in women. Human Reproduction, 16, 1719-1721.
  220. Stones, R.W., Cheong, Y.C., & Howard, F.M. (2005). Interventions for treating chronic pelvic pain in women. The Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 3.
  221. Sumathipala, A. (2007). What is the evidence for the efficacy of treatments for somatoform disorders? A critical review of previous intervention studies. Psychosomatic Medicine, 69, 889-900.
  222. Sumathipala, A., Hewege, S., Hanwella, R., e.a. (2000). Randomized controlled trial of cognitive behaviour therapy for repeated consultations for medically unexplained complaints: a feasibility study in Sri Lanka. Psychological Medicine, 30, 747-757.
  223. Sundell, G., Milsom, I., & Andersch, B. (1990). Factors influencing the prevalence and severity of dysmenorrhoea in young women. British Journal of Obstetrics and Gynaecology, 97, 588-594.
  224. Swank, D.J., Swank-Bordewijk, S.C., Hop, W.C., e.a. (2003). Laparoscopic adhesiolysis in patients with chronic abdominal pain: a blinded randomised controlled multi- centre trial. Lancet, 361, 1247-1251.
  225. Sykes, R. (2006). Somatoform disorders in DSM-IV: mental or physical disorders? Journal of Psychosomatic Research, 60, 341-344.
  226. Tabas, G., Beaves, M., Wang, J., e.a. (2004). Paroxetine to treat irritable bowel syndrome not responding to high-fiber diet: a double-blind, placebo-controlled trial. The American Journal of Gastroenterology, 99, 914-920.
  227. Tack, J., Fried, M., Houghton, L.A., e.a. (2006). Systematic review: the efficacy of treatments for irritable bowel syndrome - a European perspective. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 24, 183-205.
  228. Thomson, A., & Page, L. (2007). Psychotherapies for hypochondriasis. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 4, CD006520.
  229. Toner, B.B. (2005). Cognitive-behavioral treatment of irritable bowel syndrome. CNS Spectrums, 10, 883-890.
  230. Tu, F., Bettendorf, B., & Shay, S. (2007). Dysmenorrhea: contemporary perspectives. Pain Clinical Updates, 15, issue 8.
  231. UWV (2005). Ziektediagnosen bij uitkeringen voor arbeidsongeschiktheid. Statistische informatie over medische classificaties in WAO, Wajong en WAZ. 2002, 2005. www.uwv.nl
  232. Vahedi, H., Merat, S., Rashidioon, A., e.a. (2005). The effect of fluoxetine in patients with pain and constipation - predominant irritable bowel syndrome: a double- blind randomized controlled study. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 22, 381-385.
  233. Veale, D., Gournay, K., Dryden, W., Boocock, A., Shah, F., Willson, R. e.a. (1996). Body dysmorphic disorder: a cognitive behavioural model and pilot randomised controlled trial. Behav.Res.Ther., 34, 717-729.
  234. Veek, P.P.J. van der, van Rood, Y.R., & Masclee, A.A.M. (2007). Clinical trial: short- and long-term benefit of relaxation training for irritable bowel syndrome. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 26, 943-952.
  235. Verhaak, P.F., Meijer, S.A., Visser, A.P., e.a. (2006). Persistent presentation of medically unexplained symptoms in general practice. Family Practice, 23, 414-420.
  236. Veselka, L., Lipovsky, M.M., Lether F., Buhring, M.E.F. (2005). Bridges toward integrated medicine. Journal of psychosomatic Research. EACLPP abstract, 59, 22-50
  237. Viinamaki, H.V., Koskela, K., & Niskanen, L. (1996). Rapidly declining mental well- being during unemployment. The European Journal of Psychiatry, 10, 215-221.
  238. Visser, S., & Bouman, T.K. (2001). The treatment of hypochondriasis: exposure and response prevention vs. cognitive therapy. Behaviour Research and Therapy, 39, 423-442.
  239. Vlieger, A.M., Menko-Frankenhuis, C., Wolfkamp, S.C., e.a. (2007). Hypnotherapy for children with functional abdominal pain or irritable bowel syndrome: a randomized controlled trial. Gastroenterology, 133, 1430-1436.
  240. Volz, H.P., Murck, H., Kasper, S., e.a. (2002). St John's wort extract (LI 160) in somatoform disorders: results of a placebo-controlled trial. Psychopharmacology, 164, 294-300.
  241. Waal, M.W.M. de, Arnold, I.A., Eekhof, J.A.H., e.a. (2004). Somatoform disorders in general practice: prevalence, functional impairment, and comorbidity with anxiety and depressive disorders. The British Journal of Psychiatry; 184, 470-476.
  242. Walker, L.S., Garber, J., & Greene, J.W. (1993). Psychosocial correlates of recurrent childhood pain: a comparison of pediatric patients with recurrent abdominal pain, organic illness, and psychiatric disorders. Journal of Abnormal Psychology, 102, 248-258.
  243. Warwick, H.M., Clark, D.M., Cobb, A.M., e.a. (1996). A controlled trial of cognitive- behavioural treatment of hypochondriasis. The British Journal of Psychiatry, 169, 189-195.
  244. Warwick, H.M.C., & Salkovskis, P.M. (1985). Reassurance. British Medical Journal, 290, 1028.
  245. Webb, A.N., Kukuruzovic, R.H., Catto-Smith, A.G., Sawyer, S.M. (2007). Hypnotherapy for treatment of irritable bowel syndrome. Cochrane Database Systematic Review issue 4:CD005110.
  246. Weissman, A.M., Hartz, A.J., Hansen, M.D., e.a. (2004). The natural history of primary dysmenorrhoea: a longitudinal study. BJOG, 111, 345-352.
  247. Wessely, S., Nimnuan, C., & Sharpe, M. (1999). Functional somatic syndromes: one or many? Lancet, 354, 936-939.
  248. Wessely, S., & White, PD. (2004). There is only one functional somatic syndrome. The British Journal of Psychiatry, 185, 95-96.
  249. Whitehead, W.E., Palsson, O., & Jones, K.R. (2002). Systematic review of the comorbidity of irritable bowel syndrome with other disorders: what are the causes and implications? Gastroenterology, 122,1140-1156.
  250. Whitehead, W.E. (2006). Hypnosis for irritable bowel syndrome: the empirical evidence of therapeutic effects. The International Journal of Clinical and Experimental Hypnosis, 54, 7-20.
  251. Whorwell, P, Altringer, L., Morel, J., e.a. (2006). Efficacy of an encapsulated probiotic Bifidobacterium infantis 35624 in women with irritable bowel syndrome. The American Journal of Gastroenterology, 101, 1581-1590.
  252. Wiegand, S., Meerman C., Jacobbi, C., e.a. (2008) Ergebnisse einer evaluation aller wirksamkeitsstudieen psychosoamtischer rehabilitation. In: Schmid-Ott,
  253. G., Wiegand-Grefe, S, e.a. (Eds.) Rehabilitation in der Psychosomatik Versorgungsstrukturen - Behandlungsangebote - Qualitatsmanagement. Stuttgart/ New York: Schattauer Verlag, p 445-459
  254. Williams, R.E., Hartmann, K.E., & Steege, J.F. (2004). Documenting the current definitions of chronic pelvic pain: implications for research. Obstetrics and Gynecology, 103, 686-691.
  255. Williams, J., Hadjistavropoulos, T., & Sharpe, D. (2006). A meta-analysis of psychological and pharmacological treatments for Body Dysmorphic Disorder. Behaviour Research and Therapy, 44, 99-111.
  256. Wilson, S., Maddison, T., Roberts, C., e.a. (2006). Systematic review: the effectiveness of hypnotherapy in the management of irritable bowel syndrome. Alimentary Pharmacology & Therapeutics, 24, 769-780.
  257. Wise, T.N., & Birket-Smith, M. (2002). The somatoform disorders for DSM-V: the need for changes in process and content. Psychosomatics, 43, 437-440.
  258. Wit, N., de, Rubin, G., & Jones, R.H. (2007) Irritable bowel syndrome. Clinical Evidence, 2007
  259. Woolfolk, R.L., & Allen, L.A. (2006). Treatening Somatization: a cognitive-behavioral approach. New York: The Guildford Press.
  260. World Health Organization. (2002). International Classification of Functioning, Disability and Health (ICF). Geneva, Switzerland: WHO.
  261. Yunus, M.B. (2004) Suffering, science, and sabotage. Journal of Musculoskelet Pain, 12, 3-18
  262. Zhu, X., Proctor, M., Bensoussan, A., e.a. (2007). Chinese herbal medicine for primary dysmenorrhoea. Cochrane Database of Systematic Reviews, issue 4.
  263. Zondervan, K.T., Yudkin, P.L., Vessey, M.P., e.a. (1999a). Prevalence and incidence of chronic pelvic pain in primary care: evidence from a national general practice database. British Journal of Obstetrics and Gynaecology, 106, 1149-1155.
  264. Zondervan, K.T., Yudkin, P.L., Vessey, M.P., e.a. (1999b). Patterns of diagnosis and referral in women consulting for chronic pelvic pain in UK primary care. British Journal of Obstetrics and Gynaecology, 106, 1156-1161.
  265. Zondervan, K.T., Yudkin, P.L., Vessey, M.P., e.a. (2001). The community prevalence of chronic pelvic pain in women and associated illness behaviour. The British Journal of General Practice, 51, 541-547.

Evidence tabellen

Bibliografische

referentie

(1)

Mate

van

bewijs

(2)

Studie type (3)

Aantal patiënten (% drop-out)

(4)

Inclusiecriteria

(5)

Comorbiditeit

(6)

Interventie

(incl. duur, dosering)

(7)

Thomson &

Page, 2007

A1

Meta-analyse

van de volgende

studies:

- Barsky & Ahern,

2004

- Clark e.a., 1998

- Fava e.a., 2000

- Greeven 2007

- Visser & Bouman,

2001

- Warwick e.a.,

1996

N = 6 studies

Man en vrouw

Leeftijd 18-75 jaar

CCDANCTR;

CENTRAL;

MEDLINE;

PSYCinfo; Embase,

AMDED, Cinahl

(CCDAN)

ISI Web of

knowledge; World

Cat Dissertations,

personal communi-

cations, reference

lists

RCT published and

unpublished

DSM-IV: Fava,

Greeven, Visser

DSM-III: Clark,

Warwick

WI & SSI combined

cut-off score: Barsky

Exclusie: psychose

of BDD. MDD

was geen exclu-

siecriterium zolang

hypochondrie de

primaire diagnose

was

 

Cognitieve therapie

(CT), cognitieve

gedragstherapie (CBT),

behavioural stress

management (BSM),

patiënteneducatie (PE)

Fava e.a.,

2000

In Review

echter andere

conclusie

A2

RCT

Expl ther vs WL

N=20

Inclusie: SCID

DSM-III en globale

Ernst > 7

Exclusie: psychiatric

comorbidity, active

medical illness

 

8 sessies van 30 min.

gedurende 16 weken

Vm, nm en follow-up

6 mnd (group A, N=10)

 

 

Controle/verge-

lijking

(incl. duur, dosering, follow-up, pre randomisatie)

(8)

Setting Discipline (9)

MUPS

Health Anxiety

PW

Personal well being

QALY

Kwaliteit van leven

HCU

Medische

consumptie

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

 

CBT: Barsky, Greeven, Warwick CT: Visser, Clark Explanatory therapy: Fava

Post treatment: Greeven

To 12 month follow-up: Barsky, Clark

1ste en 2de lijn: Clark, Warwick

1ste lijn en advertentie: Barsky

2de lijn en adver­tentie: Greeven

Not stated: Visser

Fava used Rating Scale of somatic symptoms (Fava)

Barsky used Somatic symptom inventory (SSI)

Primaire uitkomst- maat:

Clark, Farva Warwick: not specified

Barsky, Greeven: WI

Visser, Fava: IAS

Clark, Warwick: VAS

All psychother. vs control (N=5) effect size -0,86 [-1.25, -0.46]

CT vs WL (N=2) effect size -1,26 [-1.76, 0.77]

BT vs WL (N=1) effect size -0,60 [-1.11, -0.09]

BSM vs WL (N=1) effect size -2,40 [-3.87,-0.93]

PE vs WL ns

SCL-90:

Greeven, Visser

BDI: Clark, Visser, Warwick

MADRS en BAS: Greeven

BAI: Clark, Warwick

HARS: Clark

Barsky: Func- tional Status Outcome

Fava: number of physician visits and lab tests

 

 

 

Ration Scale of Somatic symptoms (RSSS) p < 0,01

IAS p < 0,05 CID p < 0,05 For combined groups A en B vm vs nm

 

 

Artsbezoek

p < 0,01

Aantal lab. tests ns

 

Bibliografische

referentie

(1)

Mate

van

bewijs

(2)

Studie type

(3)

Aantal patiënten

(% drop-out)

(4)

Inclusiecriteria

(5)

Comorbiditeit

(6)

Interventie

(incl. duur, dosering)

(7)

Buwalda e.a.,

2007

Niet in

review,

vergelijking

tussen twee

condities

A2

RCT

PE-CBT vs

PE-Problem Solving

PE-CBT is Expl

ther.

N = 48, 4

drop-outs (N=1

in EP-PS, N=3 in

EP-CBT)

Inclusie: DSM-IV

ADIS telephone

interview

Leeftijd > 18 jaar

Exclusie: andere

As-I-stoornis

belangrijker dan

hypochondrie, somatische ziekte, eerdere of gaande CBT

Medication was kept constant

31% paniekaan-

vallen

15% agorafobie

23% GAS

46% specifieke

fobie

31% sociale fobie

4% OCD

25% depressie

6 sessie van 2 uur

Vm, nm 1 (booster

session) en follow-up

6 mnd

Credible models

embedded in a psycho-

educational paradigm

Buwalda &

Bouman,

2007

 

CT

Bib.th vs WL

Niet gerandomi-

seerd maar eerste

21 toegewezen

aan behandeling

Veel missing data

N=40, 7 drop-outs

(18%) (N=2 bib.

th (5%), N=5 WL

(13%))

Inclusie: DSM-IV

ADIS telephone

interview

Leeftijd > 18 jaar

Exclusie: andere

As-I-stoornis

belangrijker dan

hypochondrie,

somatische ziekte, eerdere of gaande CBT

Medication was kept constant

40% paniekaan-

vallen

25% GAS

25% agorafobie

25% sociale angst

50% specifieke

fobie

3% OCD

65% depressieve

stoornis (life long)

6 weken om boek te

lezen: ‘Dr. ik hoop dat

het niets ernstigs is'

Mogelijkheid om vragen

te stellen, waar niemand

gebruik van maakte

Follow-up 3 mnd (N=11

bib.th, N=8 wl)

Visser &

Bouman,

2001

In Review

echter zonder

vergelijking

tussen exp.

condities

A2

RCT ERP vs CT

vs WL

N=78

N=6 drop-outs

na WL

N=22 drop-outs

in exp. condities

(28%) Highest

in GGZ long

watinglist 1,5 jr

18-79 jaar

39 man en 39

vrouw

Inclusie: DSM-IV

Exclusie: andere

As-I-stoornis

belangrijker dan

hypochondrie,

alcohol of drugs

afhankelijk,

somatische ziekte, eerdere (5 jr) of

gaande CBT Medication was

kept constant

31% paniekaan-

vallen

23% GAS

13% OCD

5% depressie

10% andere

somsst.

12 weken 1 x p/w

Vm, nm, 1 mo (booster

sessie) 6 mo

 

 

 

 

Controle/verge-

lijking

(incl. duur, dosering, follow-up, pre randomisatie)

(8)

Setting Discipline (9)

MUPS

Health Anxiety

PW

Personal well being

QALY

Kwaliteit van leven

HCU

Medische

consumptie

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

 

 

Advertentie,

huisartsen

Behandellocatie:

thuiszorg

 

GIAS (IAS/WI) p < 0,001 t1 vs t2, t3 en t4

Effect sizes t1 vs t2, 0,54 PS, 1,01 CB

t1 vs t3, 0,73 PS, 1,05 CB

t1 vs t4, 1,09 PS, 1,21 CB

BDI p < 0,001 t1 vs t2, t3 en t4

TAI p < 0,001 t1 vs t2, t3 en t4

Number of problems (PAQ) p < 0,1 t1 vs t3, t1 vs t4

p < 0,001

 

Niet onderzocht

 

 

Advertentie

 

GIAS (IAS/WI) p < 0,00, stabiel na 3 mnd

Effect size 0,86

Reliable change 44% (bib.th) vs 30% na 6 weken, en 73% bib.th vs 50% wl na 3 mnd

TAI p < 0,02 stabiel na 3 mnd

Effect size 0,51

BDI p < 0,02, stabiel na 3 mnd

Effect size 0,42

 

 

 

Exp vs WL F=4,23

p < 0,001

ERP vs CT ns

 

 

Time effect IAS, t1 vs t3 and T4 p < 0,001 percen­tage improved 67% ERP, 61% Cog

SAS, t1 vs t3

p < 0,001

SCL90 SOM, t1 vs t3 p < 0,001

T1 vs t3 en t4 Maudsley Obsessive compulsive inventory

p < 0,001

BDI p < 0,001 SCL-90

p < 0,001

 

 

 

Bibliografische

referentie

(1)

Mate

van

bewijs

(2)

Studie type (3)

Aantal patiënten (% drop-out)

(4)

Inclusiecriteria

(5)

Comorbiditeit

(6)

Interventie

(incl. duur, dosering)

(7)

 

Barsky & Ahern, 2004

In review

A2

RCT

Cgt versus care as usual

N=187(N=102 CGt waarvan 43 verwezen patiënten en 59 via advertentie geworven)

ITT

Inclusie: Structured diagnostic interview for hypochondriasis And cutt off > 150 op een combinatie van WI en Somatic Symptom Inventory

 

CGt 6 x 90 min

 

 

 

 

Drop-out 28%

Exclusie: Major medical morbidity, somatoform pain disorder, psychosis, suicide risk en juri­dische procedures samenhangend met de klachten

 

 

 

Clark e.a., 1998

In review zonder vergelijking CBT vs SM

A2

RCT

CGt \ stress management \ waiting list.

WL later gerando­miseerd

48

Cognitieve therapie 16 (1 drop-out, 6%), stressma- nagement 17 (1 drop-out), WL 15 (waarvan 14 later gerandomiseerd)

Inclusie: Hypo­chondrie DSM-III-R (SCID)

Exclusie: MDD Exclusion criteria

 

CBT en stressmanage- ment 16 x 60-minu- tensessies in 4 mnd + 3 booster sessions in 3 mnd

 

 

 

Controle/verge-

lijking

(incl. duur, dosering, follow-up, pre randomisatie)

(8)

Setting Discipline (9)

MUPS

Health Anxiety

PW

Personal well being

QALY

Kwaliteit van leven

HCU

Medische

consumptie

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

 

Care as usual Pre, post, 6 & 12 mnd

Poli psychiatrie van academisch ziekenhuis

Universitair geschoolden met CBT ervaring

 

p < 0,001 (6 en 12 mnd)

Effect size r: 0,31 (6 mnd) en r=0,27 (12 mnd)

Significant interactie effect ook voor alle andere ziekte- angstmaten (freq.

gedachten, HA, Som. amp.) m.u.v. lichame­lijke klachten

(p=0,08)

 

Niet onderzocht

 

WL 4 mnd geen behandeling

Pre, mid (8 weken) post (16 weken),

3, 6 en 12 mnd follow-up

Klinisch

psychologen met ervaring in de behandeling

 

10 maten CGt (9/9) > WL SM (6/9) > WL

Mid treat:

CGt (8/10) > SM

p < 0,05

Post treat:

CGt (8/10) > SM

p < 0,05

12 mnd

CGt (1/10) > SM

p < 0,05

Pre versus 12 mnd Cgt & SM p < 0,01

BAI

BDI

HARS

CGt = SM at mid, post treat. 3, 6 en 12 mnd follow-up

 

 

 

Bibliografische

referentie

(1)

Mate

van

bewijs

(2)

Studie type

(3)

Aantal patiënten

(% drop-out)

(4)

Inclusiecriteria

(5)

Comorbiditeit

(6)

Interventie

(incl. duur, dosering)

(7)

Greeven,

2007

In review

maar zonder

paroxetine

en zonder

vergelijking

A2

RCT

CGt \ paroxetine \

placebo

intention to treat

analysis

Contrast 1: CGt &

paroxetine versus

placebo

Contras 2: CGt

versus paroxetine

Contrast 3: CGt

versus placebo

Contrast 4:

paroxetine versus

placebo

Contrast 5: Cgt versus paroxetine

N=112 (82

completers)

CGt 40 (30)

(drop-out 25%)

Paroxetine 37 (26)

(drop-out 30%)

Placebo 35 (26)

(drop-out 26%)

Intention to treat

analysis

Inclusie: DSM-IV

(SCID), hypochon-

drie is de belang-

rijkste diagnose

Exclusie: Psychotic

disorder, substance

abuse & organic

mental disorders. Pregnant, lactating

and subjects with

severe medial illnesses. Use of

antidepressants

if not stopped, mood stabilizers,

anticoalgulants or

an allergy for SSRI

or being in therapy elsewhere.

 

CBT 16 x 45-minuten-

sessies

Paroxetine 10-60 mg

p/d, 12 x 20 min. visits

in 16 weeks

Fallon e.a.,

1996

B

RCT

ITT

Preliminary mid

study results

N=25, N=20

randomized

N=4 drop-outs

(20%), N=2 side effects, N=2 placebo

N=16 completed 6 weeks

N=15 completed 12 weeks

Inclusie: SCID

diagnose hypo-

chondrie

 

 

 

 

 

 

 

Controle/verge-

lijking

(incl. duur, dosering, follow-up, pre randomisatie)

(8)

Setting Discipline (9)

MUPS

Health Anxiety

PW

Personal well being

QALY

Kwaliteit van leven

HCU

Medische

consumptie

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

p-waarde, 95% CL, D

 

Paroxetine or Placebo 16 weken Pre & post

Poliklinische GGZ 10 CGt- therapeuten

 

Contrast 1: Whitely Index

p < 0,001 95% -7,20 to -2,14

Contrast 2: ns

Contrast 3: D=0,44 (completers 0,58)

Contrast 4: D=0,40 (completers 0,53)

Contrast 5: D=0,09 (completers 0,11)

Contrast 1: IAS (HA)

p = 0,001 95% -8,41 to -2,19

Contrast 1: SCL-90, p = 0,01 95% -35,09 to -4,36

Contrast 1:

IAS (IB), BAS, MADRS: ns

Contrast 2:

IAS (IB & HA), SCL-90, BAS, MADRS: ns

Intermediate

activities

p < 0,001

Social activities ns

Niet onderzocht

 

2 week placebo runout, N=5 were excluded because of placebo response of noncompliance Fluoxetine 12 weeks

Patiënten verworven uit 1ste lijn (HA), verwijzingen door medisch specialisten en via advertentie

 

CGI 67% fluoxe- tine improved or very improved vs 50% placebo

No significant difference

 

 

 

 

 

 

 

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2010

Laatst geautoriseerd : 01-01-2010

Uiterlijk in 2014 bepaalt de opdrachtgever/verantwoordelijke instantie of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien.

De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen als nieuwe ontwikkelingen aanleiding geven een herzieningstraject te starten.

Initiatief en autorisatie

Initiatief:
  • Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie
Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen
  • Nederlandse Vereniging voor Neurologie
  • Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie

Algemene gegevens

De multidisciplinaire richtlijn Somatisch Onvoldoende Verklaarde Lichamelijke Klachten en Somatoforme Stoornissen is op initiatief en onder auspiciën van de Landelijke Stuur­groep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ en de daaronder ressorterende Commissie Cliëntenparticipatie tot stand gebracht door de werkgroep Somatoforme Klachten en Stoornissen, waarin de deelnemende verenigingen en organisaties hebben samengewerkt.

Methodologische en organisatorische ondersteuning en begeleiding werden verzorgd door het Trimbos-instituut en het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO.

 

Landelijke Stuurgroep Multidisciplinaire Richtlijnontwikkeling in de GGZ

     Voorzitter

 

Dhr. R.M.W. Smeets

Raad van Bestuur GGZ Friesland

     Vice-voorzitter

 

Dhr. prof.dr. G. Hutschemaekers

De Gelderse Roos

      Secretaris

 

Dhr. dr. A.L.C.M. Henkelman

Trimbos-instituutLeden

       Leden

 

Dhr. dr. PM.A.J. Dingemans

Nederlands Instituut van Psychologen (NIP)

Dhr. dr. A.N. Goudswaard

Nederlands Huisartsen Genootschap (NHG)

Dhr. dr. H.H.G.M. Lendemeijer

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland, GGZ Verpleegkunde (V&VN)

Dhr. dr. D.P. Ravelli

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVvP)

Dhr. prof.dr. R.W. Trijsburg t

Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie

(NVP)

      Agendaleden

 

Dhr. drs. W.PH. Brunenberg

Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

Mw. dr. G.H.M.M. ten Horn

Voorzitter Commissie Cliëntenparticipatie

     Adviseurs

 

Dhr. ir. T.A. van Barneveld

Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

Dhr. prof.dr. J.A. Swinkels

AMC De Meren/Trimbos-instituut

 

Methodologische ondersteuning en begeleiding

Trimbos-instituut

Het Trimbos-instituut is het landelijk kennisinstituut voor de geestelijke gezondheids­zorg, verslavingszorg en maatschappelijke zorg en lichamelijke ziektes en legt zich toe op de ontwikkeling, verspreiding, toepassing en evaluatie van kennis. De centrale vraag is op welke manieren deze kennis kan worden ingezet om de geestelijke gezondheid en de kwaliteit van leven van de Nederlandse bevolking te verbeteren.

Het Trimbos-instituut werkt hierbij nauw samen met partners in de wetenschap, praktijk en politiek.

Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO

Het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO, gevestigd in Utrecht, heeft tot doel de individuele beroepsbeoefenaren, hun beroepsverenigingen en zorginstellingen te ondersteunen bij het verbeteren van de patiëntenzorg. Sinds zijn oprichting in 1979 heeft het CBO zich ontwikkeld tot een toonaangevend en ook internationaal erkend instituut dat via programma's en projecten ondersteuning en begeleiding geeft bij systematisch en gestructureerd meten, verbeteren, herontwerpen en borgen van kwaliteit van de patiëntenzorg.

 

 

 

Doel en doelgroep

De richtlijn is bedoeld voor alle hulpverleners die betrokken zijn bij patiënten/cliënten- zorg aan mensen met SOLK en somatoforme stoornissen in Nederland. Met de richtlijn beogen we houvast te bieden bij bejegening, herkenning, diagnostiek, voorkómen van verergering, behandeling, verwijzing en begeleiding van mensen met SOLK en somatoforme stoornissen. Patiënten kunnen de richtlijn gebruiken bij het overleg met hulpverleners over passende diagnostiek en behandeling.

De richtlijn biedt aanknopingspunten voor hiervan afgeleide richtlijnen per discipline en voor zorgorganisatie, bijvoorbeeld transmurale afspraken en locale protocollen. Daar­naast geeft de richtlijn kennislacunes aan en doet aanbevelingen voor wetenschappelijk onderzoek. Ten slotte bevat de richtlijn aanbevelingen voor implementatie.

Samenstelling werkgroep

Werkgroep Somatoforme klachten en stoornissen

Voorzitter

 

 

Dhr. prof. dr. J.A. Swinkels

 

Vice-voorzitter (en werkgroeplid)

 

Mw. prof. dr. C.M. van

der Feltz-Cornelis

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Leden

 

 

Mw. dr. I. Arnolds

Nederlands Huisartsen Genootschap

Mw. dr. A.H. Blankenstein

Nederlands Huisartsen Genootschap

Dhr. dr. T.K. Bouman

Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie

Dhr. prof.dr. J.H. Bolk

Nederlandse Internisten Vereeniging

Mw. drs. K. Bozelie (vanaf 270807)

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland,

GGZ Verpleegkunde (V&VN)

Dhr. drs. R. Broeders (vanaf 010108)

Nederlandse Vereniging voor

Verzekeringsgeneeskunde

Mw. dr. M.E.F. Bühring

Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie

Dhr. dr. D.J.S. Donker (tot 011207)

Nederlands Instituut van Psychologen

Mw. drs. C.E. Flik

Nederlands Instituut van Psychologen

Dhr. J.L.M. van Gestel (tot 050109)

Koninklijk Nederlands Genootschap voor

Fysiotherapie

Dhr. dr. P.H.T.G. Heuts

Nederlandse Vereniging van Revalidatieartsen

Mw. prof.dr. H.E. van der Horst

Nederlands Huisartsen Genootschap

Dhr. drs. R. Hoederman

Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en

Bedrijfsgeneeskunde

Mw. drs. C.H. Kaufmann (tot 200307)

Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie

Dhr. drs. E.J.W. Keuter

Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Dhr. prof.dr. H.E. Kremer (tot 250907)

Nederlandse Vereniging voor Neurologie

Dhr. drs. T.C. Olde Hartman

Nederlands Huisartsen Genootschap

Mw. dr. Y.R. van Rood

Nederlands Instituut van Psychologen

Dhr. drs J.A. Spaans

Nederlandse Vereniging voor Psychotherapie

Mw. B. Vanderschuren (tot 260607)

Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland,

GGZ Verpleegkunde (V&VN)

Mw. drs. Ph.Th.M. Weijenborg

Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en

Gynaecologie

Adviseurs

 

 

Mw. drs. E.R. Fischer

Trimbos-instituut

Mw. drs. J.W. Hagemeijer (tot 010908)

Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg

CBO

Inbreng patiëntenperspectief

Commissie Cliëntenparticipatie

Voorzitter

 

 

Mw. dr. G.H.M.M. ten Horn

 

Trimbos-instituut

Secretaris

 

 

Mw. M.H. van der Aar-Peulen

Stichting Labyrinth~In Perspectief

Leden

 

Mw. drs. A.K. Bols

Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa

Mw. drs. H. Boumans

Ypsilon

Mw. A. Faber

Stichting Labyrinth~In Perspectief

Mw. J.T.E. van Hamersveld

Angst, Dwang en Fobiestichting

Mw. drs. A. Kal

Ypsilon

 

Dhr. I. Keuchenius

Angst, Dwang en Fobiestichting

Dhr. Ir. B.H. Kraaijenbrink

Stichting Anorexia en Boulimia Nervosa

Mw. M. Mannak-Bouman

Stichting Labyrint~In Perspectief

Mw. M.C. Muis

Anoiksis

 

Mw. L. van ’t Veen

Cliëntenbond in de GGZ

Dhr. M.P. Vermeulen

Vereniging voor Manisch Depressieven en

Betrokkenen (VMDB)

Dhr. dr. T.F. van Wel

Gezondheidszorgpsycholoog, medisch

socioloog

Mw. L. Westerhof

Vereniging voor Manisch Depressieven en

Betrokkenen (VMDB)

Mw. I.R.M. Wijne

Landelijke Stichting Zelfbeschadiging (LSZ)

Mw. drs. J. Zwanikken-Leenders

GGZ Den Bosch

Dhr. drs. H. Zwol †

Landelijke Stichting Ouders en Verwanten van

Druggebruikers (LSOVD)

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

De richtlijn wordt verspreid onder de leden van de aan de ontwikkeling van de richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen en beroepsverenigingen. Daarnaast wordt een samenvatting van de richtlijn gepubliceerd in relevante tijdschriften.

Werkwijze

Deze paragraaf is opgesteld aan de hand van het ‘Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation' (AGREE) instrument. Dit instrument is in een Europees verband opgesteld om de kwaliteit van richtlijnen te kunnen beoordelen. Door de aspecten van AGREE te verwerken in de inleiding van de richtlijn, wordt duidelijk aan welke kwaliteitseisen is voldaan.

 

De werkgroep werkte gedurende twee en een half jaar (14 vergaderingen) aan de totstandkoming van de richtlijn.

De werkgroep heeft uitgangsvragen geformuleerd die gebaseerd zijn op knelpunten die door professionals in de zorg worden ervaren. De werkgroep heeft door middel van systematisch literatuuronderzoek onderzoeksgegevens verzameld ter beantwoording van de uitgangsvragen. Dit leverde een zeer grote hoeveelheid potentieel relevante onderzoeken. De beperkte tijd die voor het maken van deze richtlijn stond, dwong de werkgroep prioriteiten te stellen. Vervolgens schreven de werkgroepleden een paragraaf of hoofdstuk waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere hoofdstukken.

Een redactiecommissie heeft de teksten uiteindelijk tot een samenhangend geheel geredigeerd.

De richtlijn heeft van december 2008 tot maart 2009 op de website van het Trimbos-instituut en het CBO gestaan om beroepsverenigingen en professionals in de gelegenheid te stellen commentaar te leveren. De commentaren zijn door de werkgroep beoordeeld en waar van toepassing in de richtlijn verwerkt.

 

Wetenschappelijke onderbouwing

De richtlijn is voor zover mogelijk gebaseerd op bewijs uit gepubliceerd wetenschappe­lijk onderzoek. We zochten in de databases van Medline (PubMed), Embase, PsycINFO en Cochrane naar publicaties in het Nederlands, Engels en Duits. Indien we een erg

groot aantal treffers vonden, hebben we ons beperkt tot publicaties die tussen 1997 en 2007 zijn verschenen. Voor de gehanteerde zoektermen verwijzen we naar bijlage II: Systematische literatuursearch. Tevens verkregen we artikelen uit referentielijsten van opgevraagde literatuur. Daarnaast raadpleegden we ook andere richtlijnen voor soma- tofome stoornissen en SOLK. De werkgroepsleden hebben de geselecteerde artikelen beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en ingedeeld naar mate van bewijs. De hierbij gebruikte indeling staat in tabel 2.

 

Format

De beoordeling van de verschillende artikelen is in de verschillende teksten terug te vinden onder het kopje ‘Wetenschappelijke onderbouwing'. Het wetenschappelijke bewijs is vervolgens kort samengevat in een conclusie, met daarbij een niveau van bewijs (zie tabel 1 en 2). Om te komen tot een aanbeveling zijn er naast het wetenschappelijk bewijs nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, en beschik­baarheid (in verschillende echelons). Deze aspecten worden vermeld onder het kopje ‘Overige overwegingen'. Deze overwegingen, geformuleerd door werkgroepleden, zijn dus niet gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek. De aanbevelingen zijn het resultaat van het beschikbare bewijs en de overige overwegingen.

 

Tabel 2: Indeling van methodologische kwaliteit van individuele onderzoeken

 

Interventie

Diagnostisch onderzoek

Etiologie, prognose

A1

Systematische review van ten onderzoeken van A2-niveau

minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang

Onderzoek ten opzichte van een referentietest (een 'gouden standaard') met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van de resultaten van test en gouden standaard, betreffende een voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad

Prospectief cohortonderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor 'confounding' en selectieve follow-up voldoende is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (hieronder valt ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek)

Onderzoek ten opzichte van een referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd

Prospectief cohortonderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohortonderzoek of patiënt- controle onderzoek

C

Niet-vergelijkend onderzoek

D

Mening van deskundigen

 

 

Tabel 3: Niveau van conclusie

 

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onder­zoeken van niveau A2

2

Eén onderzoek van niveau A2 of ten minste twee onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B

3

Eén onderzoek van niveau B of C

4

Mening van deskundigen

© Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO Handleiding voor werkgroepleden, januari 2006

 

 


Deze classificatie is alleen van toepassing in situaties waarin om ethische of andere redenen gecontroleerde trials niet mogelijk zijn. Zijn die wel mogelijk dan geldt de classificatie voor interventies.

 

Afbakening in de richtlijn

In de richtlijn ligt de nadruk op algemene principes van herkenning, bejegening, diagnos­tiek en behandeling van patiënten met SOLK en somatoforme stoornissen. De richtlijn is uitdrukkelijk van toepasssing voor alle SOLK en somatoforme stoornissen.

 

De voornaamste functie van de richtlijn is het bieden van een ‘moederrichtlijn' waarin alle hulpverleners het generieke beleid kunnen vinden voor SOLK of somatoforme stoornis. Iedere discipline kan deze moederrichtlijn gebruiken om van daaruit haar eigen disciplinespecifieke richtlijn te specificeren.

De werkgroep heeft derhalve besloten de aandacht voor klachtspecifieke aspecten beperkt te houden. Immers, voor klachtspecifieke diagnostiek en beleid bestaan al veel klachtspecifieke richtlijnen, zoals de huisartsgeneeskundige NHG-standaarden, de verzekeringsgeneeskundige protocollen, de interdisciplinaire CBO-richtlijnen en Gezondheidsraadrapporten en de Landelijke Eerstelijns Samenwerkings Afspraken (LESA's). Voor CVS en fibromyalgie is een multidisciplinaire richtlijn in ontwikkeling. Derhalve zal dat hier niet worden behandeld. Ook is besloten om de chronische pijn niet uitgebreid aan bod te laten komen. De werkgroep adviseert om voor chronische pijn een aparte richtlijn te ontwikkelen.Hypochondrie is eerder beschreven in de MDR angststoornissen. We hebben echter besloten deze stoornis toch op te nemen in de richtlijn, omdat hypochondrie in de DSM gerekend wordt tot de somatoforme stoor­nissen. Bovendien zijn er sinds het verschijnen van de richtlijn angststoornissen nieuwe studies verschenen die voor ons reden waren tot aanpassing van de aanbevelingen.

De richtlijn gaat niet over SOLK en somatoforme stoornissen bij kinderen. Deze problematiek, met de grote invloed van ontwikkelingsfasen en de rol van ouders en andere opvoeders, wettigt ons inziens een aparte richtlijn.

Bij het zoeken naar literatuur is besloten om primair te zoeken op de algemene term ‘lichamelijk onverklaarde klacht' (en zijn vele varianten), op de namen van functionele syndromen (zoals prikkelbaredarmsyndroom, en niet-cardiale thoraxpijn) en op DSM-IV somatoforme stoornissen.

Tot slot heeft de werkgroep ervoor gekozen in het hoofdstuk behandeling voor één groep klachten, namelijk buikklachten, de klachtspecifieke aspecten wél uit te werken. Aan de hand van enkele gynaecologische pijnsyndromen en het prikkelba- redarmsyndroom wordt de rol van verschillende klachtspecifieke aspecten bij buikpijn geïllustreerd.

 

Opzet van de richtlijn

Keuzes

Hoewel de werkgroep ervan uitgaat dat de richtlijn zo veel mogelijk gebaseerd moet zijn op resultaten van wetenschappelijk onderzoek, bleek gaandeweg dat de grote hoeveel­heid onderzoeksgegevens slechts zeer fragmentarische kennis representeert. Enkele voorbeelden: over werkgerelateerde factoren bij rugpijn bestaat veel onderzoek, terwijl over de rol van de factor werk bij SOLK en somatoforme stoornissen in het algemeen heel weinig bekend is; kortetermijneffecten van antidepressiva worden vaak onderzocht, terwijl relevanter langetermijnonderzoek ontbreekt; naar bepaalde kruiden is verrassend veel onderzoek gedaan; over organisatie van zorg (stepped care, disease-management, effectiviteit van dezelfde therapie uitgevoerd door verschillende disciplines of in verschil­lende settings) bestaat vrijwel geen onderzoek. De meeste uitgangsvragen bleken niet of slechts zeer gedeeltelijk op basis van bestaand onderzoek te beantwoorden. De werk­groep heeft daarom op veel punten haar eigen praktische expertise laten spreken.

Ter wille van de transparantie van de richtlijn noemen we hier enkele belangrijke keuzes die de werkgroep gemaakt heeft op basis van haar eigen ervaring en consensus:

  • De werkgroep beschouwt SOLK en somatoforme stoornissen als een continuüm, lopend van enerzijds een enkelvoudige lichamelijk onvoldoende verklaarde klacht die nog niet al te lang bestaat en weinig functionele beperkingen met zich meebrengt, via langdurige SOLK met functionele beperkingen en vaak meerdere klachten naar soma­toforme stoornissen die voldoen aan de DSM-criteria, met als ernstigste de somatisa- tiestoornis. Daarbij zien we SOLK vooral als het gevolg van gebrekkige communicatie en verschillen in klachtinterpretatie tussen arts en patiënt, terwijl bij somatoforme stoornissen de rol van psychische stoornissen en aangeboren kwetsbaarheid bij de patiënt toeneemt. Dit leidt tot aanbevelingen over communicatietraining voor alle hulpverleners.
  • De werkgroep ziet een consequent tweesporenbeleid in de eerste lijn als de basis van het beleid bij patiënten met SOLK en somatoforme stoornissen.
  • De werkgroep hanteert stepped care als basisprincipe voor de organisatie van zorg. Dit houdt in dat begonnen wordt met de lichtste vorm van behandeling, en dat alle patiënten die hierop niet verbeteren een tweede en zo nodig derde stap aangeboden krijgen. Het is nog onduidelijk of patiënten met een complexe lang bestaande soma- toforme stoornis met grote belemmeringen in het dagelijks leven er baat bij hebben de eerste stappen over te slaan en direct een hooggespecialiseerde behandeling aangeboden te krijgen.
  • De werkgroep benadrukt het belang van tijdige herkenning en adequate hulp bij SOLK en somatoforme stoornissen. De werkgroep beschouwt somatoforme stoor­nissen, inclusief de somatisatiestoornis, als goed behandelbare aandoeningen, waarbij nog niet te zeggen is welk percentage van de patiënten chronisch last van hun soma- toforme stoornissen zullen houden als zij meer dan nu tijdig adequate hulp krijgen.
  • Werken met patientprofielen die het risico op iatrogene schade dan wel een chronisch beloop aangeven biedt de mogelijkheid om mensen die een hoog risico hebben op ongunstig beloop te identificeren en adequaat te behandelen en begeleiden, door de patient op geleide van diens profiel ergens in de stepped care behandeling in te laten stappen.

Bovenstaande keuzes vormen, naast de wetenschappelijke literatuur, de peilers onder de opzet van de richtlijn.

 

De indeling van de richtlijn

De indeling van de hoofdstukken volgt de uitgangsvragen.

 

Slotopmerking

Daar waar de werkgroep in deze richtlijn ‘hij' schrijft, wordt ook ‘zij' bedoeld.

Daar waar de richtlijn ‘patiënt' schrijft, erkent de werkgroep dat de term ‘cliënt' in de geestelijke gezondheidszorg veel wordt gebruikt. Omwille van de eenheid binnen deze richtlijn en binnen alle GGZ-richtlijnen is echter de term patiënt aangehouden.

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.