Waar gaat deze richtlijn over?

Deze richtlijn richt zich op wat volgens de huidige maatstaven de beste zorg is voor patiënten die een shunt aangelegd krijgen. In de richtlijn komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • Welke onderzoeken voorafgaand aan de operatie gedaan moeten worden
  • De beste aanpak voor het aanleggen van een shunt
  • De rol van de katheter (een hol plastic buisje) als er acuut een vaattoegang nodig is
  • De beste behandeling als een shunt zich niet goed ontwikkelt
  • De beste behandeling als er een verstopping, vernauwing of verwijding van de shunt optreedt
  • De beste behandeling bij een zuurstoftekort in de hand
  • De beste behandeling als de bloedstroom door de shunt te groot is
  • De beste behandeling van infecties bij patiënten met een shunt
  • De beste verzorging en controle van de shunt

Voor wie is de richtlijn bedoeld?

Deze richtlijn is bestemd voor alle zorgverleners die betrokken zijn bij de zorg patiënten die een shunt aangelegd krijgen.

 

Voor patiënten

Als de nieren minder goed werken, is nierfunctievervangende behandeling noodzakelijk. Naast een niertransplantatie is hemodialyse een van de mogelijke behandelingen. Bij hemodialyse wordt bloed via een slangtje uit het lichaam gehaald. Dit bloed wordt gefilterd door een machine (een kunstnier) en  daarna weer teruggegeven aan de patiënt. Patiënten worden voor hemodialyse vaak aangesloten op deze machine. Daarom is het nodig een bloedvat te maken waar snel een grote hoeveelheid bloed doorheen stroomt en dat makkelijk aangeprikt kan worden.

Tijdens een operatie wordt een dergelijke vaattoegang gemaakt door een ader aan te sluiten op een slagader. Een andere mogelijkheid is het plaatsen van een plastic buisje tussen de ader en de slagader. Shunt betekent letterlijk een ‘niet-normale verbinding’. Bij shuntchirurgie gaat het dus om het creëren van een niet-normale verbinding tussen een ader en een slagader.

 

Meer informatie over dialyse is te vinden op de website van Nierpatiënten Vereniging Nederland:

https://www.nvn.nl/nierziekten-en-behandeling/dialyse

 

Hoe is de richtlijn tot stand gekomen?

Het initiatief voor deze richtlijn is afkomstig van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVVH). De richtlijn is opgesteld door een multidisciplinaire commissie met vertegenwoordigers vanuit de vaatchirurgen, nefrologen, interventieradiologen en specialistisch verpleegkundigen. Bij de ontwikkeling van deze richtlijn heeft de Nierpatiënten Vereniging Nederland (NVN) in de beginfase een knelpuntenanalyse gedaan. Een verslag daarvan is besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn geadresseerd in de richtlijn.

Autorisatiedatum en geldigheid

Laatst beoordeeld : 01-01-2010

Laatst geautoriseerd : 01-01-2010

Uiterlijk in 2015 bepaalt het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde of deze richtlijn nog actueel is. Zo nodig wordt een nieuwe werkgroep geïnstalleerd om de richtlijn te herzien. De geldigheid van de richtlijn komt eerder te vervallen indien nieuwe ontwikkelingen aanleiding zijn een herzieningstraject te starten.

De Nederlandse Vereniging voor Heelkunde is als houder van deze richtlijn de eerstverantwoordelijke voor de actualiteit van deze richtlijn. De andere aan deze richtlijn deelnemende wetenschappelijke verenigingen of gebruikers van de richtlijn delen de verantwoordelijkheid en informeren de eerstverantwoordelijke over relevante ontwikkelingen binnen hun vakgebied.

Initiatief en autorisatie

Initiatief : Nederlandse Vereniging voor Heelkunde

Geautoriseerd door:
  • Nederlandse Internisten Vereniging
  • Nederlandse Vereniging voor Radiologie

Algemene gegevens

Deze richtlijn is tot stand gekomen met ondersteuning van de Orde van Medisch Specialisten. De richtlijnontwikkeling werd gefinancierd uit de Kwaliteitsgelden Medisch Specialisten (SKMS).

 

Aanleiding voor het maken van de richtlijn

Het ministerie van VWS en de Orde van Medisch Specialisten zijn overeengekomen om evidence-based richtlijnen te ontwikkelen. De Nederlandse Vereniging van Vaatchirurgie heeft het initiatief genomen en gedurende de laatste jaren negen richtlijnen gepubliceerd. De richtlijn Shuntchirurgie zal het aantal richtlijnen complementeren en is ontwikkeld namens de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde in samenwerking met de Nederlandse Internisten Vereniging, de Nederlandse Vereniging voor Radiologie en Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland.

Doel en doelgroep

Doelstelling

Een richtlijn is een document met aanbevelingen ter ondersteuning van de dagelijkse praktijkvoering. In de conclusies wordt aangegeven wat de wetenschappelijke stand van zaken is. De aanbevelingen zijn gericht op het expliciteren van optimaal medisch handelen en zijn gebaseerd op de resultaten van wetenschappelijk onderzoek en overwegingen van de werkgroep.

Aan richtlijnen worden steeds meer eisen gesteld; ze moeten wetenschappelijk onderbouwd, transparant en bruikbaar zijn in de praktijk. Er is bij voorkeur inbreng door patiënten (patiëntenperspectief). Daarnaast is het belangrijk dat de beroepsgroep(en) die in de praktijk met de richtlijn werken betrokken zijn bij de ontwikkeling en de richtlijn ook breed dragen (autoriseren). Deze richtlijn beoogt een leidraad te geven voor de dagelijkse praktijk van diagnostiek met betrekking tot de vaattoegang, de aanleg van de vaattoegang en behandeling van complicaties. Specifieke onderwerpen waarvoor deze richtlijn aanbevelingen geeft, zijn:

Diagnostiek

1) Preoperatieve diagnostiek voor de aanleg van de vaattoegang

Aanleg

2) Strategieën voor de aanleg van de vaattoegang

3) Acute vaattoegang met behulp van katheters

Behandeling

4) Behandeling van non-maturatie

5) Behandeling van stenose en trombose

6) Behandeling van aneurysma

7) Behandeling van ischemie

8) Behandeling van vaattoegang met hoge flow

9) Behandeling van centraal veneuze obstructie

10) Behandeling van infecties

Organisatie en nazorg

11) Surveillance van de vaattoegang

12) Organisatie van de zorg

 

Doelgroep

Deze richtlijn is geschreven voor alle leden van de beroepsgroepen die aan de ontwikkeling van de richtlijn hebben bijgedragen. Deze staan vermeld bij de samenstelling van de werkgroep.

Samenstelling werkgroep

Voor het ontwikkelen van de richtlijn is in 2009 een multidisciplinaire werkgroep ingesteld, bestaande uit vertegenwoordigers van alle relevante specialismen die met de aanleg en onderhoud van de vaattoegang te maken hebben (zie hiervoor de samenstelling van de werkgroep).

De werkgroepleden zijn door de wetenschappelijke verenigingen gemandateerd voor deelname aan deze werkgroep. De werkgroepleden zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor de integrale tekst van deze conceptrichtlijn.

 

  • Dr. J.H.M. Tordoir, vaatchirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (voorzitter)
  • Dr. P.J. Blankestijn, internist-nefroloog, Nederlandse Internisten Vereniging
  • Dr. L.E.M. Duijm, interventieradioloog, Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Mevr. M.M. van Loon, nurse practitioner vaattoegang, Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland
  • Dr. M.R.M. Scheltinga, vaatchirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Dr. M.P.F.M. Vrancken Peeters, vaatchirurg, Nederlandse Vereniging voor Heelkunde
  • Dr. D. Vroegindeweij, interventieradioloog, Nederlandse Vereniging voor Radiologie
  • Dr. M.C. Weijmer, internist-nefroloog, Nederlandse Internisten Vereniging

 

Met ondersteuning van:

  • Ir. T.A. van Barneveld, klinisch epidemioloog, Orde van Medisch Specialisten
  • Mevr. dr. N.H.J. van Veen, adviseur, Orde van Medisch Specialisten
  • Mevr. drs. M. Wessels, informatiespecialist, Orde van Medisch Specialisten

Belangenverklaringen

Geen van de werkgroepleden heeft verklaard in de afgelopen vijf jaar en/of gedurende de looptijd van het project belangen te hebben gehad die mogelijk kunnen interfereren met de besluitvorming in de werkgroep ten aanzien van de interpretatie van het wetenschappelijk bewijs en het opstellen van aanbevelingen.

Inbreng pati├źntenperspectief

Voor de ontwikkeling van een kwalitatief goede richtlijn is de input van patiënten nodig. Een behandeling moet immers voldoen aan de wensen en eisen van patiënten en zorgverleners. Patiënten kunnen zorgverleners die een richtlijn ontwikkelen, helpen om te begrijpen hoe het is om met een ziekte of aandoening te leven of om er mee geconfronteerd te worden. Op deze manier kan bij het ontwikkelen van een richtlijn beter rekening gehouden worden met de betekenis van verschillende vormen van diagnostiek, behandeling en zorg voor patiënten. Het in kaart brengen van de behoeften, wensen en ervaringen van patiënten met betrekking tot de behandeling biedt tevens de gelegenheid om de knelpunten in kaart te brengen. Wat zou er volgens patiënten beter kunnen? Een patiënt doorloopt het hele zorgtraject, een behandelaar ziet vaak slechts het stukje behandeling waarin hij zich heeft gespecialiseerd. Het is dus heel zinvol om voor verbetering van de kwaliteit van de behandeling ook knelpunten vanuit patiëntenperspectief in kaart te brengen. Bij de ontwikkeling van deze richtlijn heeft de Nierpatiënten Vereniging Nederland (NVN) in de beginfase een knelpuntenanalyse gedaan. Een verslag daarvan is besproken in de werkgroep en de belangrijkste knelpunten zijn geadresseerd in de richtlijn. De hier voorliggende conceptrichtlijn is voor commentaar voorgelegd aan de Nierpatiënten Vereniging Nederland.

Methode ontwikkeling

Evidence based

Implementatie

In de verschillende fasen van de richtlijnontwikkeling is geprobeerd rekening te houden met de implementatie van de richtlijn en de praktische uitvoerbaarheid van de aanbevelingen. Daarbij is uitdrukkelijk gelet op factoren die de invoering van de richtlijn in de praktijk kunnen bevorderen of belemmeren.

De definitieve richtlijn is te downloaden vanaf de website van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde: http: //nvvh.artsennet.nl/Home.htm. Daarnaast zullen alle relevante beroepsgroepen en ziekenhuizen geïnformeerd worden over de richtlijn.

Werkwijze

De werkgroep werkte gedurende 1 jaar aan de totstandkoming van de conceptrichtlijn. De werkgroepleden doorzochten systematisch de relevante literatuur en beoordeelden de kwaliteit en inhoud ervan. Vervolgens schreven de werkgroepleden een module voor de conceptrichtlijn, waarin de beoordeelde literatuur werd verwerkt. Tijdens vergaderingen lichtten zij hun teksten toe, dachten mee en discussieerden over andere modules. De uiteindelijke teksten vormen samen deze conceptrichtlijn.

 

Formuleren van de aanbevelingen

Voor een aanbeveling zijn naast het wetenschappelijke bewijs vaak nog andere aspecten van belang, zoals patiëntenvoorkeuren, kosten, beschikbaarheid van voorzieningen of organisatorische aspecten. Bij de overwegingen spelen de ervaring en opvattingen van de werkgroepleden een rol. De gebruikte methodiek voor richtlijnontwikkeling verhoogt de transparantie van de totstandkoming van de aanbevelingen in deze richtlijn.

 

Deze (concept)richtlijn is opgesteld aan de hand van het “Appraisal of Guidelines for Research & Evaluation” (AGREE) instrument. Dit instrument is een breed (internationaal) geaccepteerd instrument voor de beoordeling van de kwaliteit van richtlijnen.

 

Herziening

De evidence-based European Best Practice Guideline (EBPG) uit 2007 vormde het uitgangspunt voor deze richtlijn. Er werd gekeken of de aanbevelingen uit de EBPG richtlijn nog actueel en van toepassing waren op de Nederlandse situatie. Waar nodig, zijn aanbevelingen herzien aan de hand van recente literatuur en overwegingen.

 

Beoordeling van de kwaliteit van studies

Na selectie door de werkgroepleden bleven de artikelen over die als onderbouwing bij de verschillende conclusies staan vermeld. De geselecteerde artikelen zijn vervolgens door de werkgroepleden beoordeeld op kwaliteit van het onderzoek en gegradeerd naar mate van bewijs. Hierbij is de indeling gebruikt zoals weergegeven in tabel 1.

 

Tabel 1. Indeling van methodologische kwaliteit van individuele studies

Bewijsniveau

Interventie onderzoek

Diagnostisch accuratesse onderzoek

Schade of bijwerkingen, etiologie, prognose.

A1

Systematisch review / meta-analyse van tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2-niveau.

A2

Gerandomiseerd dubbelblind vergelijkend klinisch onderzoek van goede kwaliteit van voldoende omvang.

Onderzoeker t.o.v. een referentielijst (‘gouden standaard’) met tevoren gedefinieerde afkapwaarden en onafhankelijke beoordeling van resultaten, met voldoende grote serie van opeenvolgende patiënten die allen de index- en referentietest hebben gehad.

Prospectief cohort onderzoek van voldoende omvang en follow-up, waarbij adequaat gecontroleerd is voor ‘confounding’ en selectieve follow-up is uitgesloten.

B

Vergelijkend onderzoek, maar niet met alle kenmerken als genoemd onder A2 (ook patiënt-controle onderzoek, cohort-onderzoek).

Onderzoek t.o.v. referentietest, maar niet met alle kenmerken die onder A2 zijn genoemd.

Prospectief cohort onderzoek, maar niet alle kenmerken als genoemd onder A2 of retrospectief cohort onderzoek of patiënt-controle onderzoek.

C

 

Niet-vergelijkend onderzoek.

 

D

 

Mening van deskundigen.

 

 

Aangezien er nauwelijks goede gecontroleerde onderzoeken werden gevonden voor dit onderwerp, zijn de studies alleen samengevat in de tekst en niet in evidence-tabellen. De belangrijkste literatuur waarop deze conclusie is gebaseerd staat bij de conclusie vermeld, inclusief de mate van bewijs (zie tabel 2).

 

Tabel 2. Niveau van bewijskracht van de conclusie op basis van het aan de conclusie ten grondslag liggend bewijs

Niveau

Conclusie gebaseerd op

1

Onderzoek van niveau A1 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van A2 (Het is aangetoond dat…)

2

1 onderzoek van niveau A2 of tenminste 2 onafhankelijk van elkaar uitgevoerde onderzoeken van niveau B (Het is aannemelijk dat…)

3

1 onderzoek van niveau B of C (Er zijn aanwijzingen dat…)

4

Meningen van deskundigen (De werkgroep is van mening dat…)

Zoekverantwoording

Zoekacties zijn opvraagbaar. Neem hiervoor contact op met de Richtlijnendatabase.